Part 49
Na de herstelling van het Nederlandsch gezag over West-Indië, werden zijne verdiensten erkend door de benoeming tot Ridder der orde van den Nederlandsche Leeuw en tot Gouverneur der eilanden St. Eustatius, St. Marten en Saba--thans riep 's Konings keuze hem om het bewind over Suriname te aanvaarden [1151].
De Veer kwam in een moeijelijken tijd in Suriname. De gemoederen waren verslagen zoo door de ontzettende ramp, die Paramaribo in het vorige jaar had getroffen als door andere omstandigheden. 's Lands kassen waren ledig en de kolonie in schulden gewikkeld. Vaillant had zich reeds vroeger genoodzaakt gevonden om papieren geld te creëren (zie bladz. 612) en kortelings was eene nieuwe schuld aangegaan tot opbouw van 's lands gebouwen (zie bladz. 616); het kaartengeld daalde voortdurend in waarde en de wisselkoers rees naar evenredigheid.
Vaillant gaf bij publicatie van 1 April 1822 kennis van het aanvaarden des bestuurs door A. de Veer, die denzelfden dag den bij het reglement bepaalden eed, in tegenwoordigheid van het Hof van Policie en Criminele Justitie en van het Hof van Civiele Justitie aflegde, waarna de publicatie werd uitgevaardigd.
De eerste openlijke regeringsdaad van de Veer was het doen afkondigen van een Koninklijk besluit, waarbij bepaald werd, dat de uitgaande regten in wisselbrieven in Nederlandsch Courant, in plaats van, gelijk tot nu toe geweest was, in Surinaamsch kaartengeld, moesten worden betaald. De maatstaf volgens welken de betaling moest geschieden bleef echter het Surinaamsch Courant, dat eenvoudig in Hollandsch Courant werd herleid [1152].
De kas tegen de Wegloopers had als afzonderlijk fonds opgehouden te bestaan; waarom de benaming van extra ordinaire Hoofdgelden, die vroeger aan die kas werden betaald, verviel, en deze nu met de ordinaire vereenigd werden, zoodat ieder blanke of vrijman zoo voor zich als voor zijne slaven zeven gulden en tien stuivers jaarlijks in de kas van den ontvanger der Hoofdgelden moest opbrengen [1153]. De belasting, bekend onder de benaming van kerkelijke contributie van plantaadjes werd afgeschaft; daar de vroegere kerkgebouwen in de districten vervallen en aan hun opbouw niet gedacht werd; de belasting welke sedert 1791 op de winsten en inkomsten van particulieren was geheven werd bij hetzelfde besluit afgeschaft; die op de verkochte Dram en Melassie van suikerplantaadjes en revenuen van houtgronden welke mede van 1791 dagteekende, eenigermate gewijzigd en verminderd [1154].
Omtrent het provisioneele reglement voor de schutterij van 23 December 1816 kwamen bezwaren in, met betrekking tot de regtspleging tegen onwillige, in de dienst beboette of op contributie gestelde personen in het bijzonder, en tot de inrigting der schutterij zelve in het algemeen. De Veer vaardigde daarop een nieuw reglement uit, zoo veel mogelijk geschoeid op de leest der vaderlandsche schutterijen en waarbij aan de schutterij zelve meer magt werd verleend, om met fermiteit hare inrigting te handhaven [1155].
De instructiën van het Collegium Medicum, de onderscheidene keuren en taxes voor de verschillende geneeskundigen eischten noodzakelijk herziening en daarom werd den 9den December 1824 eene Resolutie door Gouverneur en Raden uitgevaard, waarbij alle vroegere instructiën, enz. vervallen verklaard en eene geheel nieuwe instructie voor het Collegium Medicum en Reglementen voor Medicinae Doctoren, Chirurgijns, Vroedmeesters, Vroedvrouwen en Apothekers werden daargesteld. De bevordering der Vaccine en het door behoorlijke middelen tegengaan der Boassie of Lepra werd daarbij als eene verpligting aan het Collegium Medicum opgelegd [1156].
Niettegenstaande reeds meermalen van regeringswege bij de eigenaars van plantaadjes was aangedrongen, tot het aanleggen en behoorlijk beplanten van kostgronden, tot voedsel voor de slavenmagten, was hierin veel nalatigheid betoond. Er werd hier nu bij publicatie op nieuw toe vermaand, en eene boete van f 1000 tot f 5000 op verzuim in deze gesteld. Een ander misbruik, namelijk, waarbij de meesters van slaven deze laatsten uitzonden om werk op te zoeken, en daarvoor week- of maandgeld te doen opbrengen, werd bij publicatie van 20 December 1824 verboden [1157]. Ook werd tijdens het bestuur van de Veer de Notificatie van 14 Augustus 1782, waarbij de afzonderlijke verkoop van moeders en kinderen verboden werd, geamplieerd [1158]. Ten einde het wegloopen der slaven, zoo veel mogelijk te voorkomen, werd verboden, om slaven uit te zenden naar de rondom Paramaribo gelegen bosschen om brandhout enz. te kappen of ook om te visschen tenzij dat hun een permissie-billet door hunnen meester werd afgegeven; de meesters werden tevens verpligt indien een hunner slaven langer dan driemaal vier en twintig uren zich zonder verlof had verwijderd, hem als weglooper bij de policie aan te geven, ten einde de opsporing gemakkelijker te maken [1159].
Toen de Veer in Suriname kwam had er nog steeds een vrij aanzienlijke sluikhandel in slaven plaats; zelfs bestond daarvan een georganiseerd stelsel. De Nederlandsche regering wilde, met het oog op het tractaat in 1818 met Groot-Brittanje gesloten, waarbij men zich verbonden had den slavenhandel krachtdadig te weren, hieraan een einde maken. Zij beval daarom strenge vervolging dergenen, die zich hieraan schuldig maakten; als straf werd hierop gesteld eene boete van f 10,000 Hollandsch, eerloosverklaring en opsluiting voor den tijd van 15 jaren; terwijl de schepen waarmede de verboden slavenhandel werd gepleegd, zouden verbeurd verklaard worden [1160]. Om de contrôle gemakkelijk te maken en alzoo de vermeerdering der slavenmagten door ter sluiks aangevoerde slaven, krachtig te kunnen tegengaan, werd een verbeterde inrigting der slavenregisters bevolen, waarbij de mutatien die bij de magten plaats vonden voor Paramaribo binnen de drie en voor de buitendistricten binnen de veertien dagen aan de bevoegde authoriteit moesten worden opgegeven [1161].
De Veer hield getrouw de hand aan deze verordeningen, doch berokkende zich hierdoor vele vijanden; daar zelfs de leden van het Hof van Policie, die planters of administrateurs waren, den verboden handel niet slechts oogluikend hadden laten begaan, maar hem zelfs soms, als belanghebbenden, begunstigd hadden.
In het jaar 1824 was een Fransche brik La Legère met eene lading van 353 slaven door een Engelsch kapitein sir Thomas Cochrane in Suriname opgebragt en aan den Gouverneur de Veer uitgeleverd.
Onmiddellijk na de uitlevering van de brik La Legère werd de bevelvoerder van dien bodem, Pierre Poussin, en de Supercarga Jean Marie Bled, voor het Hof van Policie en Criminele Justitie, vervolgd wegens pogingen tot overtreding van de wetten op den slavenhandel; daar het echter bleek dat dit vaartuig te Nantes uitgerust en van Fransche papieren voorzien was, en dat geen enkele slaaf aan land was gebragt tijdens de aanhouding van Sir Thomas Cochrane, werd door het Hof besloten het vaartuig met de slaven, onder gewapend geleide, naar eene Fransche bezitting te sturen en aan dat Gouvernement uit te leveren. Zijner Majesteits Brik van Oorlog de Kemphaan, gecommandeerd door den Kapitein Luitenant ter zee J. W. van Rijn, werd met de uitvoering van deze commissie belast en verliet op den 8sten Januarij 1824, gelijktijdig met de Brik La Legère, de reede van Paramaribo; doch bij het afvaren van de rivier geraakte laatstgemeld vaartuig aan den grond, de beide vaartuigen lieten het anker vallen ter hoogte van de plantaadje Jagtlust; in dien zelfden nacht verschalkte men de waakzaamheid der brik de Kemphaan dermate, dat door den bevelvoerder Poussin en den supercarga Bled het grootste gedeelte der slaven met twee ponten van boord der Legère werden ontvoerd.
Daar het gerucht van dit schandelijk bedrijf den volgenden morgen ter oore van den Gouverneur kwam, werd onmiddellijk een Adjudant aan boord van de Kemphaan afgezonden om naauwkeurige berigten in te winnen, en toen de Commandant eene sloep aan boord van de Fransche brik stuurde, werd het gerucht maar al te waar bevonden.
De Gouverneur het gewigt der zaak beseffende, vaardigde dadelijk eene Proclamatie uit, waarbij embargo gelegd werd op alle schepen en vaartuigen, te gelijker tijd dat de rivier met gewapende sloepen werd afgezet om alle communicatie naar beneden af te snijden; terwijl onderscheidene militaire patrouilles werden uitgezonden in de rigting waar men vermoeden kon dat de slaven waren ontvoerd. Aan het hoofd van eene dezer patrouilles stelde de hoogbejaarde Gouverneur zich in persoon, en had het geluk in den nacht van den elfden Januarij den Supercarga met de ontvoerde slaven in de gronden der plantaadje Pomona te arresteren.
De zaak werd toen andermaal voor het Hof van Policie en Criminele Justitie gebragt en door eene condemnatie achtervolgd, terwijl de slaven als vrije arbeiders aan het Gouvernement werden uitgeleverd.
Hieruit blijkt, dat de Gouverneur de Veer, verre van eenige oogluiking te gedoogen, met de meeste energie dien verfoeijelijken handel trachtte te beletten. De Britsche Minister Canning betuigde in een brief aan Lord Granville, destijds Britschen Gezant te 's Gravenhage de dankbaarheid van zijn Gouvernement over het hoogst eervol gedrag bij deze gelegenheid, door den Gouverneur van Suriname, in de uitvoering der bevelen van zijnen Souverein, betoond. Die brief was geschreven naar aanleiding van een rapport van den Engelschen Regter in het gemengd Geregtshof tot wering van den slavenhandel, die te Suriname gevestigd, ooggetuige was geweest van de geheele toedragt der zaak [1162].
De heer Jan Gerard Ringeling vroeger Gouvernements-secretaris, gehuwd met eene dochter van den Gouverneur de Veer heeft in twee rekwesten (31 October en 27 November 1827) aan Z. M. het koloniaal bestuur en voornamelijk den toenmaligen Raad Fiscaal Mr. Evert Ludolf Baron van Heeckeren beschuldigd, dat men middel had weten aan te wenden, om, in plaats van de wezenlijke bedoelde slaven, anderen, door ziekte en rampen uitgemergelde en vermagerde Negers en Negerinnen, uitschot van hospitalen en ziekenhuizen aan het Gouvernement over te leveren en dat zelfs drie à vier der slaven van de Brik Legère in eigendom van genoemden heer van Heeckeren waren gekomen. Ringeling heeft verder in die adressen vele grove beschuldigingen tegen de regering en de hoofdambtenaren in Suriname geuit; zoodat de regering het noodig heeft geacht eene Commissie van onderzoek te benoemen bestaande uit de heeren Mr. Fiers Smeding, Mr. C. L. Mirandole en L. B. Slengarde. De resultaten van dat na de aftreding van de Veer ingesteld onderzoek is met consideratiën van den Commissaris-Generaal van den Bosch aan de Nederlandsche regering gezonden. Volgens een brief aan den Minister voor de Marine en Koloniën Elout is gebleken, dat niet alleen de beschuldigingen tegen de Veer niet bewezen, maar geheel valsch zijn bevonden, en dat zelfs die aantijgingen naar het oordeel dier Commissie op sommige punten zijn te beschouwen, als eene openlijke laster, met voorbedachtelijke verzwijging van belangrijke omstandigheden, tot waar verstand der zaak noodig.
De Veer ontving namens Z. M. eene stellige en openlijke verklaring, waarbij hij volkomen geregtvaardigd werd van alle aantijgingen van Ringeling [1163].
In Julij 1823 heerschte in de kolonie Suriname eene zware Catharrale verkoudheid (de griep geheeten), aan de gevolgen waarvan vele, vooral bejaarde menschen stierven [1164].
Des nachts tusschen den 11den en 12den April 1825 verbrandden ter reede van Paramaribo twee Nederlandsche koopvaardijschepen, Willem de Eerste en Betsy, het eerste van Amsterdam en het tweede van Rotterdam [1165]. Den 20sten September van hetzelfde jaar en den 19den Februarij van het volgende gevoelde men te Paramaribo eenige ligte schokken van aardbevingen [1166].
In het jaar 1827, tusschen den 25sten en 26sten Februarij, des nachts te 12 uren, ontstond er brand in de Keizersstraat, naast de Portugesche Joden Synagoge, in het huis bewoond door den heer Richard O'Ferrall, senior. Gemelde heer had eene vrolijke partij bij zich aan huis en zond een negerjongen naar boven om Madera-wijn te halen; door de onvoorzigtigheid van dezen jongen, die een kaars in de hand had, ontstond er brand, waarbij drie huizen in de asch werden gelegd, en het daaraan belendende huis van W. van Uytrecht, op last van den Gouverneur de Veer, door de matrozen van de koopvaardij-schepen omver gehaald werd; waardoor de voortgang der vlammen gelukkig werd gestuit [1167].
Den 21sten December 1823 arriveerde in de kolonie de schrijver M. Lesschenault de la Tour, komende van Cayenne, om eenig onderzoek omtrent den Landbouw in Suriname te doen; hij vertoefde aldaar tot den 13den Maart 1824, wanneer hij naar Cayenne terug keerde [1168]. In 1825 hield de Luitenant-Generaal Baron C. R. F. Krayenhoff, op deszelfs reize naar Curaçao, zich van den 15den tot den 19den Junij te Suriname op [1169].
In October 1825 kwam voor de eerste maal eene stoomboot, een Fransch oorlogsvaartuig, Caroline genoemd, op de rivier Suriname, gecommandeerd door den heer Louvrier, welke met dezelve van Cayenne was gekomen [1170]; en den 24sten Mei 1827 arriveerde de eerste stoomboot uit de Nederlanden, van Hellevoetsluis, voor de stad Paramaribo, welk driemast vaartuig, de Curaçao genoemd, door den heer J. W. Moll gecommandeerd werd [1171].
De privilegiën der Joden waren nu voor hen niet meer noodig, daar zij geheel met de belijders der andere gezindten werden gelijk gesteld. Bij publicatie van 20 Junij 1825 werd het Koninklijk besluit van 2 April 1824 des betreffende bekend gemaakt [1172].
Eene der gewigtigste gebeurtenissen, tijdens het bewind van de Veer, was de reductie van het Surinaamsch kaartengeld die weldra door deszelfs geheele intrekking gevolgd werd.
Veel is hierover geschreven en zeer verschillend is die maatregel beoordeeld; om eenigermate hierover met juistheid te kunnen oordeelen achten wij het noodig de aanleiding hiertoe kortelijk te herinneren.
Gelijk wij reeds meermalen hebben doen opmerken: er was zeer veel papierengeld in Suriname in omloop, dat geen degelijken waarborg bezat; dat moeijelijk kon worden gerealiseerd en welks waarde facultatief van het meerdere of mindere crediet afhing.
Bijna bij elk te kort dat in den loop der tijden in de koloniale kassen ontstond, had men de toevlugt genomen tot het maken en uitgeven van kaartengeld. Een tijd lang was dit goed gegaan, daar dit kaartengeld, bij gebrek aan ander circuleerend medium, tegen de waarde van klinkende munt werd aangenomen. Er zijn zelfs voorbeelden van, dat het soms hooger dan contante klinkende specie gewaardeerd werd. In den Engelschen tijd echter onderging het eene belangrijke daling; bij de komst van Bonham tot het bewind, in 1811, was het kaartengeld zoo laag in waarde gedaald, dat f 48 kaartengeld gelijk stond met een pond sterling of f 12 dus als 4 tot 1. Door den ijver van Bonham, die bezuinigingen invoerde en die naauwlettend toezag op de administratie van 's lands finantiën, werd het zinkend crediet van Suriname hersteld en als een bewijs hoeveel die goede zorg vermogt is het feit te noemen, dat tijdens de overgave der kolonie aan Nederland de agio op het kaartengeld slechts 25 procent bedroeg, dus 1 1/4 Surinaamsch tot 1 Hollandsch Courant [1173]. Sedert dien tijd was er weder eene belangrijke daling gekomen, waarop wij reeds op bladz. 611 hebben gewezen.
Dit duurde steeds voort; in 1821 werd de verhouding als: 182 Surinaamsch tot 100 Holl. Courant, in 1826 als 310, ja, 327 tot 100 Hollandsch Courant.
Wat was er tegen die gestadige daling van het kaartengeld en gelijktijdige verhooging van den wisselkoers te doen? Men was ten einde raad en wendde zich tot den Koning, opdat deze maatregelen mogt beramen ten einde dien noodlottigen gang van zaken te stuiten.
De Koning gaf aan die wenschen gehoor en overwegende dat, de meer en meer toenemende daling van het papieren- of kaartengeld, den finantiëlen staat van Suriname aan gedurige onzekerheden blootstelde en de belangen der ingezetenen hierdoor zeer leden en het alzoo dringend noodzakelijk was een eindperk te stellen aan het verkeerde dat uit zoodanigen stand van zaken voortsproot, wenschte hij de Muntstelsels in de kolonie en in den Moederstaat in overeenstemming te brengen, terwijl hij dacht op deze wijze den gezonken staat van het crediet in de kolonie weder op te beuren. Bij Koninklijk Besluit werd dus bepaald, dat met ingang van den 1sten Januarij 1827 het Nederlandsche Muntstelsel, zoodanig als hetzelve, bij de wet van 28 September 1816 voor het Moederland was vastgesteld, te Suriname in werking zou worden gebragt; zoodat op hetzelfde tijdstip de gouden, zilveren en koperen muntspeciën, in Nederland gangbaar, op denzelfden voet in de kolonie gangbaar zouden zijn; insgelijks de billetten door de Nederlandsche bank te Amsterdam en de billetten der Algemeene Maatschappij ter bevordering van Volksvlijt te Brussel. Doch om nu tot dit gelijke muntstelsel te komen werd een krachtig middel aangegrepen, namelijk eene reductie van het kaartengeld van 310 tot 100, gelijk in artikel 4 van de des betreffende publicatie wordt gezegd: »In overeenstemming met het hier boven bepaalde zal, te rekenen van den 1sten Januarij 1827, geene andere wettige munt te Suriname bestaan, dan die bij de wet van 28 September 1816 (Staatsblad No. 5) omschreven; zullende echter voorloopig, en tot aan deszelfs intrekking of inwisseling, het Surinaamsch papieren of kaartengeld in omloop blijven, in de verhouding van drie honderd tien Surinaamsch tot honderd gulden Nederlandsch Courant-geld [1174].
Welk een krachtige greep, welk een buitengewone maatregel was die reductie--was het niet iets ongehoords, iets zeer onbillijks om het kaartengeld vroeger van gelijke waarde met klinkende specie tot minder dan een derde terug te brengen? Het scheen immers wel zoo te zijn; want vroeger bestond nog altijd de mogelijkheid, dat de waarde van het Surinaamsch Courant zich herstelde; thans was die kans door het Koninklijk Besluit voor altijd verloren.
»In Nederland"--zoo zegt o. a. de heer de Mesquita op bladz. 4 zijner reeds aangehaalde brochure: »was door den Franschen overheerscher tot vermindering der staatsschuld de waarde der effecten getierceerd, en eene der eerste voorzieningen van den Souvereinen Vorst was eene poging om het herstel van deze grieve aan de Natie te verzekeren! Maar eene finantiële operatie, ten gevolge waarvan hij, die 310 guldens in contanten meende te bezitten, dezelve op de waarde van 100 guldens verminderd zag, kon niet dan een nadeeligen indruk maken op de Surinaamsche bevolking, en leverde eene groote schade op, vooral aan diegenen, die met Nederland in geene dadelijke betrekking stonden en de drukking van den wissel-agio op geene regtstreeksche wijze hadden ondervonden?"
Ofschoon deze bewering wel eenigen schijn van waarheid behelst en zelve in sommige opzigten niet geheel ongegrond is, gaat men toch te ver indien men deze daad der Nederlandsche regering met die van Napoleon (de tiercering) op eene lijn plaatst. De feitelijke toestand in Suriname was zóó, dat f 310 Surinaamsch niet meer gold dan f 100 Hollandsch Courant, niet slechts ondervonden dat degenen, die met Nederland in dadelijke betrekking stonden, regtstreeks, maar zijdelings deelde ieder hierin, daar de prijzen der waren enz. naar deze verhouding werden geregeld en werd door het Koninklijk Besluit aan alle hoop op eene mogelijke verhooging der waarde van het kaartengeld de bodem ingeslagen; aan den anderen kant werd eene toenemende vermindering gekeerd en juist daarvoor vreesde men en daartegen had men de hulp van Z. M. ingeroepen. Wij zijn geen lofredenaars van dezen maatregel der Nederlandsche regering; doch onpartijdigheid gebiedt ons dien maatregel niet als een Napoleontisch dwangmiddel te doen beschouwen.
Bij hetzelfde besluit, artikel 9-14, werd de oprigting van een Grootboek van Surinaamsche 5 pCt. rentegevende koloniale schuld bevolen, waarvan het bedrag dat van f 2,400,000 voorloopig niet zou te boven gaan, om te voorzien in de behoefte van geldsomloop en ter geheele vernietiging van het Surinaamsch papieren- en kaartengeld.
Hierdoor kwamen voor f 2,400,000 banknoten van de Maatschappij der Volksvlijt te Brussel te Suriname in omloop, benevens f 400,000 in zilver en koper; doch men had over het hoofd gezien, dat terwijl ook dat Brusselsch bankpapier in Nederland geldig was, het weldra voor betalingen en remises aan het Moederland zou worden gebruikt en de kolonie alzoo spoedig geheel van circuleerend Medium worden ontbloot. Want de Surinaamsche kooplieden ontvangen de Nederlandsche koopwaren, en betalen ze, zoo zij die bezitten, met producten en anders met geld; maar de meeste producten worden in natura naar Nederland gezonden aan de Nederlandsche eigenaars, zonder dat daarvoor eenige waarde in de kolonie terugkomt. Te Suriname zijn schier geene producten te koop.
Daar de invoering van het Nieuwe Muntstelsel invloed moest uitoefenen op de bestaande Landsbelastingen werd een nieuw finantieel stelsel desbetreffende toegezegd en hierin zijn met het oog op de reductie van het kaartengeld hardheden, ja, onbillijkheden voor de Surinaamsche bevolking te vinden.
Zoo bedroeg o. a. het hoofdgeld voor de slaven, het ordinaire en extra-ordinaire was reeds zamengevoegd, f 7.50 Surinaamsch en dus volgens den toenmaligen koers f 2.41, en dit werd nu op f 5 Holl. gebragt dus 107 1/2 pCt. verhoogd, terwijl verscheidene belastingen niet met 210 pCt. maar sommige slechts met 150 pCt. werden herleid.
Het zegelregt o. a. onderging mede hierdoor eene aanmerkelijke verhooging. Voor een zegel van f 2 Surinaamsch, dus volgens den koers 64 Cent Hollandsch, moest f 1 worden betaald en zoo verder in evenredigheid [1175].
Het nieuwe Tarief, naar hetwelk nu de Leges en Emolumenten voor 's Landskantoren moesten worden berekend, viel mede niet ten voordeele der ingezetenen uit [1176].
Niettegenstaande deze verhoogde belastingen was de tegenwoordige finantiële toestand niet gunstig en zouden de vermeerderde uitgaven voor de dienst van het volgend jaar niet uit de inkomsten kunnen bestreden worden, tenzij deze laatsten naar evenredigheid werden verhoogd. Gouverneur en Raden oordeelden: »dat geene meer billijke of geschikte middelen waren voorgekomen, dan dezulke, welke geenszins op de klasse der goede ingezetenen drukken, die, volgens het bestaande Belastingstelsel, reeds zijn bezwaard; en waardoor tevens alle standen der Maatschappij, welke daarvoor vatbaar kunnen geacht worden, in de publieke lasten zullen deelen"--en zij voerden dien ten gevolge een patentregt op den handel, neringen, beroepen en bedrijven in. De belastingschuldigen werden in vijf klassen verdeeld en moesten betalen f 500--f 400, f 200--f 100 of f 50 benevens voor ieder drie gulden zegelregt [1177].
Terwijl er omtrent de Criminele regtspleging veel onzekerheid heerschte en het eene reglement vaak het andere wedersprak werd er groote behoefte gevoeld, dat ook hierin voorziening geschiedde; doch die noodzakelijke herziening bleef lang uit. In October 1827 werd het reglement van den 10den October 1798 nogmaals gepubliceerd en, om ten minste eenigen regel te hebben, werd bepaald, dat men voorloopig zich hier naar moest gedragen [1178].
In 1828 werden door Gouverneur en Raden voorschriften ingevoerd op het houden der registers van den burgerlijken stand en tot het beter constateren van den staat der bevolking van Paramaribo [1179].