Part 48
Omtrent den handel en de scheepvaart werd bepaald: dat dezen alleen mogten geschieden uit en naar Nederland. Alle vruchten, waren en gewassen mogten alleen naar Nederland worden uitgevoerd, en alle behoeften en waren voor de kolonie benoodigd, alleen uit dat Rijk derwaarts mogen worden aangebragt, met uitzondering echter van den handel en de vaart der Noord-Amerikanen, die provisioneel, onder dezelfde bepalingen, als tot het jaar 1795 hadden plaats gevonden, werden veroorloofd. [1127]
Onderscheidene Proclamatiën volgden elkander op; bij die van den 2den, 4den en 6den Maart 1816 werden nadere bepalingen gemaakt omtrent: het Hoofdgeld op de slaven, behoorende tot de Houtgronden en Plantaadjes; van de regeling van het te heffen regt van 6pCt. op de uit te voeren producten, met vreemde vaartuigen, over het merken der plantaadje-vaartuigen en ponten, suikervaten, koffij-balen, enz., om zoo veel mogelijk bedrog te weren of ontduiking der belastingen te voorkomen. [1128]
De regering wenschte een meer regelmatigen gang van zaken in Suriname daar te stellen, en wilde ook, voor zoo ver de koloniale belangen en eigenaardige toestanden dit veroorloofden, een en ander meer in overeenstemming brengen met de inrigtingen in Nederland. Om die reden ook werden de corpsen blanke burgers, kleurlingen en vrije Negers van Paramaribo honorabel ontslagen, in afwachting eener nieuwe organisatie van de Burger-militie op de wijze als de Schutterijen in het Moederland. [1129]
De wijziging in het bestuur, voornamelijk die, waarbij de magt van het Hof van Policie aanmerkelijk verminderd werd, en de veranderde wijze van het kiezen en benoemen der leden, waardoor de invloed, die nog eenigzins door de blanke bevolking op den gang der regeringszaken kon worden uitgeoefend, geheel verviel, verwekten geen tegenstand. Stilzwijgend zagen de belanghebbenden toe, dat het vroeger zoo hoog gewaardeerde regt, om zelve zijne regeringsleden ter electie, uit dubbeltallen voor te dragen, hun uit de handen werd genomen. Door de krachtige wijze waarop de Engelsche Gouverneur Bonham de oppositie tegen Bents-Commissie trachtte te fnuiken, was, wel is waar, de magt van het Hof van Policie, in vele opzigten verminderd, doch uit den strijd om de zelve te herwinnen, bleek het belang dat men er in stelde en nu vernam men niets van protesteren of iets dergelijks. Eerst in veel lateren tijd werd het bekende octrooi aan de W. I. Compagnie weder uit een vergeten hoek te voorschijn gebragt en daarop als op het charter der kolonie gewezen, nu scheen niemand er zich te bekommeren en geen waarde meer aan het aloude praerogatief te hechten.
Tijdens dat Suriname een eigendom der zoogenaamde Geoctroijeerde Sociëteit was en ook gedurende het Engelsch bewind had de kolonie onderstand genoten ter bekostiging van de verdedigingsmiddelen. Ook nu was in het aangehaalde artikel over de oprigting der Generale Geldkamer gewaagd van eventuele subsidiën uit het Moederland ter gedeeltelijke bestrijding van Militaire traktementen en soldijen; doch Gouverneur van Panhuys vermeende dat men in Suriname geene subsidiën uit het Moederland noodig had. Van Panhuys toch gaf aan het toenmalig Ministerie te kennen, dat Suriname ruimschoots in staat was, om in zijne eigene behoeften te voorzien, en mitsdien, uit zijne eigene fondsen, de ambtenaren en de militaire magt te bezoldigen. Deze kennisgeving werd in het moederland met graagte aangenomen. [1130]
Of van Panhuys had niet goed gezien of de omstandigheden hadden den toestand zeer veranderd, want de gewone te korten ontstonden al weder spoedig en eindelijk is het stelsel van subsidie aangenomen en duurt tot den huidigen dag voort.
Het bewind van van Panhuys was kort van duur, daar hij reeds den 18den Julij 1816 en dus ongeveer zes maanden na zijne komst in Suriname overleed.
De Raad Fiscaal Mr. Cornelis Rijnhard Vaillant nam, als de eerste op den Gouverneur-Generaal in rang volgende Ambtenaar het bestuur ad interim op zich. [1131]
Dit interimsbestuur duurde tot 1822 en gedurende dien tijd werden vele belangrijke besluiten uitgevaardigd en vielen er droevige gebeurtenissen in Suriname voor.
De nieuwe organisatie der schutterij werd in December 1816 voorloopig geregeld, waarbij echter de gebruikelijke verdeeling in compagniën blanken, vrije kleurlingen en vrije Negers werd behouden. [1132]
In 1817 werden door Gouverneur en Raden eenige Algemeene Schoolwetten ingevoerd. Bij deze wetten werd nog een plaats verleend aan Godsdienstig onderwijs en de onderwijzers aanbevolen, om God en deszelfs Woord en dienst steeds te doen eerbiedigen en hunne leerlingen in dit opzigt met een stichtelijk voorbeeld voor te gaan en geene gelegenheid te laten voorbij gaan, om dezelve daartoe op te wekken. Alle vroeger gebezigd wordende wreede en onverstandige ligchamelijke kastijdingen, zoo als het slaan met plakken, bullepezen, stokken of andere strafinstrumenten werden verboden; een matig gebruik der roede voor kleine kinderen, mitsgaders het matig gebruik van ligte wisjes, die niet schaden kunnen, voor stoute en onverschillige jongens echter veroorloofd [1133].
In hetzelfde jaar werd aan een lang gevoelde behoefte voldaan; er werd namelijk bepaald, dat, te beginnen met 1 Maart, geregeld een Gouvernementsblad zou worden uitgegeven, waarin alle officieele bekendmakingen zouden worden opgenomen [1134].
Verder werden vele besluiten uitgevaardigd, als: Nieuwe bepalingen omtrent de in- en uitgaande regten [1135], en tot regeling van waag- en vrachtloonen [1136]; ter beperking van de magt, die de Administrateuren zich hadden aangematigd, om, indien zij vermeenden, dat eigenaars van plantaadjes hun eenig saldo waren verschuldigd, zich in het bezit van derzelver eigendommen te stellen [1137]; tot beperking van het overvoeren van slaven uit de oude kolonie naar het nieuwe district Nickerie, waarvan soms ten koste van schuldeischers misbruik werd gemaakt, tot beperking van den Noord-Amerikaanschen handel, die men veronderstelde dat nu niet meer zoo onontbeerlijk was, daar Hollandsche schepen geregeld levensmiddelen en andere behoeften tot gerijf der ingezetenen aanvoerden [1138] en tot wering van den sluikhandel in slaven [1139].
Nog altijd werd de menschonteerende slavenhandel in Suriname ter sluiks gedreven. En toch niet slechts was Nederland, bij tractaat van 13 Augustus 1814 met Groot-Brittanje overeengekomen, om dien handel met alle kracht te weren, maar daarenboven verbood Artikel 60 der Nederlandsche Grondwet hem nadrukkelijk. Engeland dat veel opofferde om in eigen koloniën en elders dien handel te weren, en daartoe met verscheidene mogendheden tractaten sloot, kruisers op de Afrikaansche kust onderhield, enz., enz., liet er zich ook aan gelegen liggen, dat men in Suriname voortging ter sluiks slaven in te voeren. Den 4den Mei 1818 werd te 's Gravenhage een tractaat geteekend tusschen Nederland en Groot-Brittanje, waarbij bepaald werd, om, in Suriname een zoogenaamd Gemengd Geregtshof tot wering van den slavenhandel in te stellen, bestaande uit een gelijk getal personen van beide natiën, door hunne Souvereinen daartoe te benoemen.
Door den Koning der Nederlanden werd als regter voor dat geregtshof aangesteld:
Mr. P. J. Changuion, en als arbiter Jonkheer J. P. Graafland; door den Koning van Groot-Brittanje als regter C. E. Lefroy en als Arbiter F. S. Wale.
De benoeming van den Secretaris verbleef mede aan den Koning der Nederlanden, die deze betrekking aan J. C. Guicherit opdroeg. De beide Engelsche heeren kwamen in October te Paramaribo aan, en den 3den November werd bij Proclamatie van de oprigting van genoemd Hof den volke kennis gegeven [1140].
Den 17den September, den 9den en den 23sten December 1818 werden in Suriname ligte schokken van aardbevingen gevoeld, die echter geen noemenswaardige schade aanrigtten [1141]. Van droevige gevolgen was het overbrengen der kinderpokken in het begin van 1819; dezelve heerschten hevig en deden duizenden ten grave dalen. Het Gouvernement besloot daarom naar Cayenne om koepokstof te zenden, ten einde de inenting te doen bewerkstelligen [1142].
Den 28sten November 1819 zoude er bijna een geduchte opstand tusschen de Burgerij en de Militairen zijn ontstaan, ter oorzaak van het deballoteren van een officier, den heer Lauta, in de Surinaamsche Sociëteit, hetwelk echter niet meer dan met hooggaande onaangenaamheden ten einde liep. De fermiteit en onmiddellijke tusschenkomst van den Gouverneur Vaillant, die persoonlijk in het Collegie kwam, den heer Ampt den degen afeischte en de andere officieren naar het binnenfort in arrest zond, voorkwamen droevige tooneelen.
Reeds in het volgend jaar ontstond er nieuwe twist tusschen de jagers van het garnizoen en de kleurlingen van de burgerwacht, wordende er drie dagen (den 21sten, 22sten en 23sten November) alarm geslagen; de wachten werden verdubbeld, terwijl de Burgerij onder de wapenen bleef en door de stad patrouilleerde; welke gisting eene algemeene sensatie verwekte [1143].
De toestand van Suriname was sedert de overname door het Nederlandsch Gouvernement niet verbeterd, en hiervoor bestonden verschillende oorzaken. In den Engelschen tijd was de landbouw wel niet veel vooruit- doch ook niet achteruit gegaan. Vestigde men den blik op de oude kolonie zoo was hieromtrent weinige verandering te bespeuren; het nieuwe of Nickerie-district daarentegen nam jaarlijks in bloei toe. Voornamelijk echter was, in den Engelschen tijd, de handel, vroeger van weinig belang, aanmerkelijk uitgebreid. De koloniale producten welke vóór dien tijd onmiddellijk aan de Hollandsche kantoren werden geconsigneerd, moesten gedurende het Britsch bewind wel naar Engeland worden verzonden, doch ze werden in de kolonie zelve verkocht. Hierdoor vermeerderde speculatie en de handel werd levendig; de Engelsche kooplieden verheugd eene gelegenheid te meerder, tot afzet hunner goederen te hebben gevonden, voerden in ruime mate allerlei goederen in; lieten ze in pakhuizen en magazijnen opslaan en bevorderden den kleinhandel of winkelnering. De verschillende koopwaren vonden gereede koopers, want de luxe in Suriname steeg bij den dag, daar men de Engelschen in hunne wijze van leven wilde navolgen. De Britsche Gouverneurs, de officieren der krijgsmagt en de agenten der Londensche handelshuizen leefden op een grooten voet en verteerden veel geld. De winkelier en burgerstand genoten hierdoor groote voordeelen, doch aan den anderen kant verlokte dit velen tot te groote uitgaven. De weelde drong in alle standen door en de zucht om te schitteren werd hoe langer zoo algemeener. Zij wier plantaadjes verhypothekeerd waren en diep in schulden staken gevoelden dit niet langer, daar volgens besluit van 26 Junij 1812 de vervolging om schulden aan buitenlandsche crediteuren geschorst was. Daarenboven gaven Engelsche handelshuizen op nieuw voorschotten, en werd door dezelve een groot ja bijna onbepaald crediet verleend, zoodat men in Suriname onbezorgd voortleefde.
Toen nu echter de kolonie op nieuw onder het Nederlandsch bestuur was gekomen moest die stand van zaken veranderen.
De koloniale producten werden nu niet langer in Suriname verkocht, maar voor het grootste gedeelte onmiddellijk aan de kantoren in Nederland geconsigneerd; de geldschieters in Nederland verlangden de opgeloopene intresten hunner uitgezette kapitalen te erlangen; sommige eischten de kapitalen zelven op; de Engelsche kooplieden, die nu geene goederen meer naar Suriname konden verzenden, verlangden remises, enz. enz.
Aan deze verschillende aanvragen om betaling van het verschuldigde kon door velen niet worden voldaan, regterlijke vervolgingen, executoire verkoopingen van plantaadjes kwamen nu weder aan de orde van den dag. De Landbouw onderging hierdoor een geweldigen schok en de handel leed niet minder. Een ander kwaad nog werd hierdoor veroorzaakt: voor de remises zoowel voor de opgeëischte kapitalen, als tot voldoening der ontvangen goederen was veel geld benoodigd en was het moeijelijk wissels te verkrijgen, waardoor de koers van den wissel zeer steeg, terwijl het papieren geld geweldig daalde. De kooplieden ondergingen verlies op verlies; de winsten welke zij den eenen dag hadden gemaakt moesten den anderen dag in den verhoogden wisselkoers insmelten.
Die nadeelige werking van de lager wordende koers van het kaartengeld werd ook bij het koloniaal Gouvernement ondervonden; want aangezien men bij de jaarlijksche raming van kosten, benoodigd voor alle takken van het bestuur, niet kon voorzien, dat de waarde van het kaartengeld in den loop van het jaar zoo veel verminderen zou, bragt dit eene aanmerkelijke vermeerdering in het bedrag der uitgaven te weeg. De tractementen der ambtenaren en de soldijen der troepen, welke in Hollandsch Courant bepaald waren, moesten, naarmate den agio, met zoo veel meer Surinaamsch geld worden betaald, en hierdoor kwam dus van zelf reeds een te kort, 't welk telkens door verhoogde belastingen moest worden gedekt.
Het zegel o. a. was reeds verdubbeld [1144]; doch desniettegenstaande was de toekomst der koloniale kassen van dien aard, dat, terwijl in 1816 en 1817 veel tot betaling der uitgaven was te kort gekomen, Vaillant in overleg met de Raden van Policie, in het begin van Maart 1818 overging tot het creëren van nieuwe obligatiën (papierengeld) ten bedrage van f 350,000. Er werd echter bepaald, dat successivelijk, bij maandelijksche of driemaandelijksche termijnen, voor eene gelijke som van f 350,000 oud kaartengeld zou worden vernietigd. Om de vernietiging van deze nieuwe schuld te verzekeren, werden alle belastingen, uitgenomen die op het zegel, met 1pCt verhoogd [1145].
In Januarij 1821 trof de kolonie eene ontzettende ramp: de stad Paramaribo namelijk werd voor het grootste gedeelte in de asch gelegd.
Op zondag den 21sten Januarij nam de brand een begin in een der achtergebouwen van een huis, op den hoek van het plein en den waterkant. De oorzaak hiervan schijnt niet met zekerheid te kunnen worden opgegeven. Teenstra verhaalt in zijn werk: de Landbouw in Suriname, 2de deel, bladz. 62, dat het ontstaan van dezen brand, aan het bakken van olie-koeken, in een geheel van hout zamengesteld negerhuis, wordt toegeschreven. De vlam was in den pot geslagen en de slaven hadden hierop een massa water uitgestort, waardoor, in plaats van de vlam te blusschen, deze in hevigheid was toegenomen, en weldra overgeslagen in het pakhuis van zekeren heer Cairstairs.
Dit pakhuis voorzien van een grooten voorraad pik, teer, olie, terpentijn, harpuis, ja zelfs eenige vaatjes buskruit (welke laatsten nog even bij tijds op het plein gerold werden) geraakte in brand; de vlam nam nu in hevigheid toe; een felle wind, die over het ruime plein woei, blies het vuur met toenemende kracht stadswaarts en de gevolgen daarvan waren, dat het voornaamste gedeelte van Paramaribo door de vlammen vernield werd.
De verwarring die er in de stad heerschte was ontzettend; eene menigte volk was op de been en liep radeloos heen en weder, daar men niet wist wat te doen; slaven trachtten het goed hunner meesters te redden en droegen weg wat zij konden. In verbijstering wierp men vaak, wat men niet mede kon nemen, der deure of vengster uit, en verpletterde alzoo het grootste deel der meubelen, die men had willen redden. De rook en damp waren verstikkend; de heer A. L. Lammens, President van het Hof van Justitie, was er bijna met zijne echtgenoote het slagtoffer van geworden, toen hij poogde nog eenige goederen uit zijn huis, dat reeds in brand stond, te doen vervoeren; met moeite redde hij zijne echtgenoote uit het brandende huis; zij was bijna door den rook gestikt.
Het knetteren der hoog opgaande vlammen, het gedruisch der instortende huizen, het angstgeroep van hen, die hunne bezittingen eene prooi der vlammen zagen, was ontzettend om aan te hooren. Aan blusschen van hetgeen reeds in brand stond, viel niet te denken. Men trachtte door het omhalen van huizen de vlammen te stuiten; doch de stevigheid dier gebouwen, ofschoon geheel van hout, maakte dezen arbeid zeer moeijelijk. Het woedende element scheen door niets gestuit te kunnen worden; de vlammen deelden zich aan het tot dus ver vrijgebleven gedeelte der stad mede; ongeveer 400 woon- en pakhuizen werden eene prooi dezer verwoesting. De in 1811 gebouwde Gereformeerde koepelkerk, de Roomsche kerk, het Hof van Policie, 's Landswaag, de Weeskamer, een Schouwburg en de Burgerwacht brandden af; de geheele waterkant, de Oranjetuin en vele straten, het beste gedeelte der stad uitmakende, werden geheel verwoest en platgebrand.
De angst waardoor men gedurende 22 uren gefolterd werd, de wanhoop en vertwijfeling, die zich bij de meesten zoo zigtbaar vertoonde; de smart dergenen, wier have en goed vernield werd; het schrikbarend aanzien van de steeds toenemende hevigheid der vlammen--gaat alle beschrijving te boven.
Men veronderstelde niet anders, dan dat geheel Paramaribo eene prooi der vlammen zou worden, en--waarheen zoude hare ongelukkige inwoners zich dan wenden? waar zou men de nog geredde goederen bergen, indien men genoodzaakt werd de brandende stad te verlaten ten einde zelve geen slagtoffer van het vernielend element te worden?--De Heer echter wilde Paramaribo voor eene geheele vernietiging bewaren. Het huis bewoond door den heer C. A. Batenburg, vatte van onderen vuur, en dewijl vele beschotplanken van hetzelve bereids waren weggenomen, zoo stortte dit gebouw door het afbranden der onderstaande posten, spoedig in, en bevrijdde daardoor de hooggetimmerde huizen der heeren Cameron en Wilkens en de lagere gebouwen in de buurt van de afgrijsselijke woede der vlammen. Met vernieuwden moed voerde men nu water ter blussching aan, en ongeveer twaalf ure in den middag van Maandag 22 Januarij werd aan deze voorthollende ellende een slagboom gesteld.
Onmiddellijk na deze algemeene ramp zorgde de regering voor eene uitdeeling van levensmiddelen aan behoeftige huisgezinnen; weldenkende kooplieden stelden hetgeen zij nog behouden hadden, voor de gewone prijzen en in kleine kwantiteiten, voor rijken en armen veil; zelfs deelden zij eenige levensmiddelen uit aan behoeftigen en noodlijdenden; al, wie iets kon en vermogt, toonde zich genegen om deze laatsten bij te staan en te helpen. Nederlandsche weldadigheid verloochende zich ook nu in Suriname niet.
De policie benoemde eene commissie ter visitatie van alle huizen, om daardoor degenen te ontdekken, die, door vuilaardige gierigheid en eigenbaat gedreven, zich de algemeene verwarring te nutte hadden gemaakt, om zich het goed huns naasten toe te eigenen; eene menigte van ontvreemde goederen werden opgespoord en naar het Gouvernementshuis gevoerd, van waar ze door de regte eigenaren werden terug gehaald.
De regering verzocht den leeraren der onderscheidene gezindten, om, op den volgenden zondag, den 28sten Januarij, »zich en der gemeente ootmoedig voor den Allerhoogste te vernederen en Hem openlijk te vereeren." De Luthersche kerk, die gedeeltelijk van hout opgehaald, veel gevaar had geloopen, daar de achtergebouwen van zeker pakhuis, naauwelijks honderd schreden van dezelve verwijderd, reeds in brand waren geraakt, was echter gespaard gebleven. In dit gebouw werd op den morgen van den 28sten Januarij eerst door den Lutherschen predikant Meijer, voor zijne gemeente, en daarna door den Hervormden predikant Uden Masman, voor een talrijk gehoor ook uit andere gezindten, openbare godsdienst oefening gehouden [1146].
Het verlies werd begroot als volgt:
392 woon- en pakhuizen, zijnde de aanzienlijkste, voornaamste, grootste en veelal nieuwe gebouwen, benevens 8 gemeente- en landsgebouwen, à f 20,000 f 8,000,000 levensmiddelen, meubelen en andere losse goederen, zilverwerk en juweelen en eene aanzienlijke partij balen koffij en katoen f 3,000,000 obligatiën, kusting en verbandbrieven en hypotheken f 5,000,000 ---------- Totaal f 16,000,000 [1147]
Daarenboven zijn belangrijke verzamelingen, handschriften enz., enz., verloren geraakt; doch men had weinig menschenlevens te betreuren; niet meer dan eene Mulattin, een Militair en twee Negers heeft men, als door de vlammen omgekomen, kunnen ontdekken; en het verdient opmerking, dat de ontzettende schrik en angst een zoo weinig merkbaar nadeeligen invloed gehad hebben op de gezondheid der bevolking; zoowel als de buitengewone ligchaamskrachten, welke betoond werden in het redden en het in veiligheid brengen van have en goederen.
Uit Nederland kwamen verscheidene giften tot ondersteuning der behoeftigen; doch aan eene vergoeding der geleden schade kon niet gedacht worden. Evenwel werden weldra vele huizen opgebouwd; om het gevaar van brand te verminderen werden er groote pleinen aangelegd [1148]; voor het maken en opbouwen van een nieuw steenen Waaggebouw werd door het koloniaal Gouvernement eene negotiatie van f 100,000 aangegaan, en in het volgend jaar hiervan de eerste steen gelegd; later werd eene nieuwe Hervormde kerk gebouwd en ook andere gebouwen daargesteld;--doch Paramaribo hernam niet weder den luister, die haar vroeger als eene der fraaiste steden in West-Indië deed beschouwen.
In hetzelfde jaar werd een voorgenomen opstand der slaven in het district Nickerie verijdeld; de schuldigen werden verraden en gestraft [1149].
Het Nickerie district nam in bloei toe en in 1821 werden er op nieuw gronden in cultuur uitgegeven [1150].
Vaillant had verzocht uit zijne betrekking te worden ontslagen; aan dat verzoek werd voldaan en den 1sten April 1822 droeg hij het bestuur over aan A. de Veer, tot dus verre Gouverneur van St. Eustatius, St. Martin en Saba.
De Veer, op Curaçao geboren alwaar zijn vader Johannes de Veer, van Amsterdam, de belangrijke post van Gouverneur bekleedde, was van moeders zijde uit een geslacht gesproten dat sedert meer dan twee honderd jaren zich op dat eiland had voortgeplant. Reeds vele malen had hij blijken gegeven van gehechtheid aan Nederland en Oranje en zich met kracht tegen Engelands overheersching verzet, en ook na de vermeestering van Curaçao door de Engelschen (1807) had hij geene betrekking van de veroveraars aangenomen, maar was naar Holland terug gekeerd. Bij zijne aankomst aldaar werd hij benoemd tot Commandant-Generaal ter kuste van Guinea, met den rang van Generaal-Majoor. Op reis derwaarts werd hij door een Engelsch fregat (the Virgin) genomen. Hij verloor hierbij eene aanzienlijke hoeveelheid koopwaren (voor meer dan f 30,000), waarmede hij, met toestemming van het Gouvernement, gewenscht had handel te drijven, en geraakte in krijgsgevangenschap. In 1809 uitgewisseld, begaf hij zich, op order zijner regering, onmiddellijk naar Guinea. Hij vond aldaar het kasteel belegerd door vijf en dertig duizend Fantijnen, bijgestaan door Engelsch geschut en ammunitie.
Het gelukte hem na zijne aankomst, en in weerwil der afsnijding van alle hulp en toevoer, spoedig tot een gewenscht vredestraktaat met den vijand te geraken.
De Veer had daar vele moeijelijkheden te verduren; doch trotseerde ze in het vast vertrouwen, dat de vervulling van zijnen pligt een man betaamde. Toen hij de tijding ontving, dat Napoleon Holland bij het Fransche rijk had ingelijfd, en dat alle wissels ter betaling der ambtenaren en troepen getrokken, waren geprotesteerd geworden, gaf hij echter den moed niet op. Hij bleef zijn post getrouw, en zich niets verpligt achtende aan een Gouvernement, dat hem ten prooi des vijands liet, behield hij de oud-Hollandsche vlag en bleef haar verdedigen, tot zijne hoop, welke destijds slechts onder de vrome wenschen konde geteld worden, en slechts door een man van onwankelbaren moed, ziels- en ligchaamskracht konde worden gevoed--vervuld werd door de zegepraal der regtvaardigheid boven het geweld en de heuchelijke terugkeer van een vorst uit het huis van Oranje.