Part 47
De handel van Suriname met het moederland was alzoo hersteld en de tijd naderde tot eene vernieuwde vereeniging tusschen de kolonie en Nederland. Het Britsch gouvernement handelde met de Nederlandsche regering aan welke weldra Suriname zou worden overgegeven, in overeenstemming en droeg haar nu reeds de bevordering van Suriname's belangen op. Do. van Esch was in den aanvang van 1813 overleden, en Bonham deed daarop bij zijn Gouvernement aanvraag voor een persoon ter vervulling van het opengevallen ambt. De Britsche regering zond die aanvraag aan Fagel, Nederlandsch Gezant te Londen; deze benoemde hiertoe den heer Uden Masman, die kort daarop naar Suriname op reis ging [1119].
Verscheidene min of meer belangrijke depêches of verslagen of petities uit Suriname aan het Britsch bewind gezonden, werden aan onzen Gezant ter hand gesteld. Onder deze laatstgenoemde kan die der ingezetenen uit het district Nickerie wel eene der belangrijkste worden genoemd.
In genoemd district waren de meeste eigenaars van plantaadjes Engelschen, die zich na 1799 aldaar hadden gevestigd (zie bladz. 535). Reeds in 1813 had de Gouverneur van Demerary Gordon een voorstel gedaan, om het district Nickerie bij Demerary te voegen; daar het ver van Paramaribo en in het geheel ver van de oude kolonie (Suriname) was gelegen, doch Bonham in wiens handen dit voorstel toen werd gesteld, was hier zeer tegen. Hij antwoordde, dat Nickerie veel beloofde; dat de vaart van Paramaribo tot Nickerie over zee geene groote moeijelijkheden opleverde en dat daarenboven de weg over land werd verbeterd. Hij geloofde, dat dit voorstel voornamelijk was uitgegaan van sommige planters van Berbice, die kale, zandige plantaadjes hadden en begeerig uitzagen naar den vetten grond van Nickerie. [1120] Overeenkomstig den raad van Bonham was dit voorstel door de Britsche regering van de hand gewezen.
Thans verzochten de inwoners van Nickerie in hunne petitie, om, zoo het al niet mogelijk ware, met Demerary en Berbice te worden vereenigd, dan toch door bemiddeling van het Britsch Gouvernement bij den koning der Nederlanden te bewerken, dat hun wederkeerig dezelfde vrijheid zou worden verleend, als door de Britsche regering aan de Hollandsche bewoners der onder het Britsch bestuur blijvende koloniën Demerary en Berbice was toegestaan, namelijk: vrijen invoer hunner benoodigdheden, uit- en vrijen uitvoer hunner producten, naar de Britsche koloniën in de West-Indië of van Engeland, in Engelsche schepen. Als drangreden tot hun verzoek voerden zij aan, dat zij door den verren afstand van de oude kolonie immer verpligt waren geweest met Demerary en Berbice handel te drijven. (De overtogt van Nickerie naar de Berbice geschiedde in 5 uren, voor dien naar Paramaribo had men 6 à 7 dagen noodig). Hun bestaan hing van deze vergunning af. Zij betreurden dat het Britsch bestuur hen niet verder beschermen kon: zij waren meest oorspronkelijk Engelschen; zij hadden gelden tot in cultuur brenging hunner gronden ontvangen van personen uit Londen, Liverpool, Glasgow enz.; zij zouden zich eenzaam en verlaten gevoelen onder het Nederlandsch bewind, waarop zij geene betrekking hadden, zoo als de anderen in Suriname, enz. Deze petitie was door 7 personen (meest Engelsche namen) onderteekend. Uit een hierbij gevoegden staat bleek, dat in het District Nickerie waren: 6 koffij- en 14 katoenplantaadjes, te zamen groot 13,000 acres, met eene slavenmagt van 1,528 personen.
Tot ondersteuning van dit verzoekschrift kwam mede bij het Britsch bewind een stuk in van denzelfden geest door 18 planters en kooplieden uit Demerary en Berbice onderteekend.
De Britsche regering trachtte hunne belangen bij den koning der Nederlanden voor te staan en de koning stond hun de verlangde voorregten toe. [1121]
Bonham had reeds vroeger zijne begeerte te kennen gegeven, om, wegens familieaangelegenheden en redenen van gezondheid, voor eenigen tijd naar Engeland terug te keeren; hij had daartoe verlof gevraagd en dit verkregen, doch door de veranderde omstandigheden begreep hij, dat het zijn pligt was hiervan geen gebruik te maken, en te wachten tot dat de kolonie aan het Nederlandsch gouvernement zou zijn overgegeven. [1122]
Bonham gebruikte den tijd, dien hij nog als gouverneur van Suriname in de kolonie doorbragt, om alles in behoorlijke orde te brengen. De rekeningen zoowel van de koloniale fondsen als die van de souvereinskas werden opgemaakt en gesloten. Bonham was ordelievend, trouw aan zijnen koning en eerlijk in alles. Een blijk van dit laatste vinden wij o. a. nog weder in het volgende: Bentinck had eenige gelden, die onder het bestuur der weeskamer berustten, doch niet door de belanghebbenden opgevraagd waren, doen deponeren in de kas der Modique lasten, maar ze later in de souvereinskas overgebragt. Bonham zond een copie der lijst van die aan verschillende personen toekomende gelden, waarvan het totaal eene som van f 87,517:10:1529/60 bedroeg, naar het Britsch gouvernement met de aanmerking, dat hoewel in 33 jaren hiernaar geen navraag was geweest, die gelden toch niet aan den souverein behoorden, maar dat hij ze gedeponeerd wilde laten, om ze terug te kunnen betalen aan hen, die er regtmatig aanspraak op hadden; terwijl hij vermoedde, dat, daar de vrede tusschen Nederland en Engeland nu hersteld was, de belanghebbenden weldra hunne aanspraken zouden doen gelden. [1123]
Men begon langzamerhand toebereidselen te maken tot de ontruiming der kolonie en trok alzoo de buitenposten in. Ten tijde der Engelsche regering waren deze sterk bezet; gewoonlijk bevonden zich in de kolonie twee regimenten. Toen Suriname aan de Hollanders zou worden overgegeven, moesten de buitenposten afgelost worden. Daartoe werden de compagniën kleurlingen en vrije negers der schutterij geconsigneerd. (De compagniën blanken bleven in de stad).--De kleurlingen gingen dan ook, op eigen kosten, de Engelschen op de buitenposten aflossen, en bleven de krijgsdienst waarnemen, totdat de Hollandsche militairen hen kwamen aflossen. Sommigen der compagniën kleurlingen zijn drie maanden lang op de posten gebleven--en hebben daardoor onmiskenbare blijken van hunne gehechtheid aan Nederland en aan het Huis van Oranje aan den dag gelegd.
De Generaal-Majoor Willem Benjamin van Panhuijs werd door den Koning der Nederlanden, Willem de eerste, tot Gouverneur van Suriname benoemd, en een eskader, onder den Vice-Admiraal van Braam, met ongeveer 1000 man Nederlandsche troepen stak in zee om hem naar deze kolonie te brengen [1124].
Van Braam arriveerde per fregat, met 250 man troepen, in het begin van Januarij 1816; de nieuw benoemde Gouverneur van Panhuijs was genoodzaakt geworden door bekomen avary, met het fregat, waarop hij zich met de andere troepen bevond, in de Baai van Biscaye binnen te loopen.
Daar van Panhuijs al de orders en overeenkomsten omtrent de overgave der kolonie aan Nederland bij zich had, vermeende Bonham te moeten wachten met de overgave der kolonie en de ontscheping van troepen tot zijne aankomst.
Panhuijs kwam echter reeds den 26sten Januarij aan en nu werden door Bonham de noodige toebereidselen voor het vertrek der Britsche troepen enz. gemaakt en den 26sten Februarij 1816 werd Suriname aan het Nederlandsch bewind overgegeven.
Het was een plegtig oogenblik toen de Engelsche vlag, die midden op het Gouvernementsplein aan een hoogen stok woei, langzaam werd nedergelaten, terwijl de Hollandsche driekleur even statig werd opgeheschen; waarop een luid gejuich door het volk werd aangeheven en het Oranje boven daverend door de lucht weêrgalmde.
Den juichtoon Oranje boven te hooren doet een Hollandsch hart goed, en te kunnen vermelden, dat die juichtoon weder in Suriname uit vrije borst werd aangeheven, is ons een hartverheffend genoegen; wij verheugen ons met de geschiedenis tot dat tijdstip te zijn genaderd. Bij het sluiten van het Engelsche tijdvak moeten wij evenwel, daar wij steeds wenschen onpartijdig te zijn, bekennen, dat wij niet met Teenstra en anderen instemmen, wanneer zij het Britsch bestuur als nadeelig voor de kolonie beschouwen.
De Britsche regering heeft met matiging van de verkregen magt gebruik gemaakt, en getracht de belangen van Suriname te bevorderen en tevens die der Hollandsche geldschieters niet uit het oog te verliezen.
Dat door vroegere schrijvers een ongunstig en onregtvaardig oordeel over het Britsch bewind is uitgebragt, gelooven wij voornamelijk te moeten zoeken, in de omstandigheid, dat er zoo weinig bronnen tot het regt kennen van dit tijdvak in Holland of Suriname aanwezig waren.
De officieele correspondentie tusschen de Engelsche Gouverneurs en de Secretarissen van Staat van het Departement van Koloniën; verscheidene brieven aan bijzondere personen; extracten van notulen van het Hof van Policie omtrent belangrijke aangelegenheden; de uitvoerige memorien van Heshuijzen; de rekeningen en balansen der verschillende kassen, enz. enz. waren achtereenvolgens naar het Departement van Koloniën te Londen overgemaakt en verder had Bonham bij zijn vertrek uit Suriname, de overige papieren (every document in the English) mede naar Engeland genomen »om," gelijk hij aan Goulborn, Esq., 2de Secretaris van Staat, bij zijn aankomst te Londen meldde, »voor te komen, dat de Hollanders kennis bekwamen van de met zekere personen in Suriname gehouden correspondentie" (to prevent the Dutch gaining any information as to our correspondence with Certain persons in Surinam.)
Deze papieren berustten thans op Her Majesty's State Paper Office te Londen. Om zooveel mogelijk licht over het Engelsche tijdvak te verspreiden, heb ik mij eene reis naar Londen getroost en aldaar is mij het onderzoek dier belangrijke bescheiden toegestaan; terwijl ik bij deze de diensten mij hiertoe door de Nederlandsche legatie verleend, dankbaar gedenk, moet ik tevens erkennen, dat dezelfde welwillendheid, die ik vroeger op 's Rijks Archief in 's Gravenhage van den heer Archivarius en anderen ontving, bij de bewerking van vroegere tijdvakken, evenzeer door mij genoten is van de ambtenaren bij het Departement van Koloniën en het State Paper Office te Londen. Nederlandsche en Britsche authoriteiten en ambtenaren wedijveren in beleefdheid, om het onderzoek der officieele bronnen gemakkelijk te maken, zelfs voor hem, die zich met zwakke schreden en nog weinig geoefenden blik op het moeijelijk gebied van historie waagt te begeven en die hierdoor moed erlangt om verder voort te gaan.
VIJFDE TIJDVAK.
VAN 1816 TOT 1861.
EERSTE HOOFDSTUK.
Van de overname van het Bestuur door van Panhuijs (1816) tot de aanstelling van P. H. Cantz'laar, als Gouverneur-generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen (1828.)
De Engelschen hadden de kolonie verlaten en Suriname was weder eene Nederlandsche bezitting. Ofschoon het door de Engelschen gevoerde bewind over het veroverde Suriname gematigd was geweest, en de kolonie tijdens hetzelve eene betrekkelijke welvaart had genoten, verheugde het grootste gedeelte der blanke en vrije gekleurde bevolking zich echter ten hoogste, dat de kolonie nu weder tot Nederland behoorde. Er bestonden zoo vele banden tusschen het altijd dierbare vaderland, dat,--was de verbreking daarvan voor velen pijnlijk geweest--de wederaanknooping met vreugde werd begroet. Daarenboven had de maatregel van het Britsche Gouvernement, in het belang der hypotheekhouders (de Commissie van John Bent) genomen, die door den Gouverneur Bonham met kracht was doorgezet, de gemoederen van vele Administrateuren (die magtigen in Suriname) met wrevel tegen het Britsch Gouvernement vervuld, zoodat de komst van den Nederlandschen Gouverneur Willem Benjamin van Panhuys, met verlangen te gemoet gezien, en met blijdschap begroet werd. Als een bewijs der goede gezindheid van Surinames ingezetenen jegens het Moederland, strekke de mededeeling, dat door eene zich daartoe gevormd hebbende Commissie, reeds voor de overname der kolonie door het Nederlandsch Gouvernement, tot ondersteuning van de gewapende dienst in de Nederlanden, werd ingezameld: eene som van f 59,644 Surinaamsch, een wissel groot f 300 Hollandsch Courant en 50 gouden Ducaten. De bekendmaking hiervan geschiedde den 16den Januarij 1816, den dag van de aankomst van van Panhuys.
Den 27sten Februarij 1816 vaardigde van Panhuys de volgende proclamatie uit:
»Wij Willem Benjamin van Panhuys, Ridder van de Militaire Willems-orde 3de klasse, en den Rooden Adelaar 2de klasse, Gouverneur-Generaal van de Kolonie Suriname, mitsgaders Generaal en Admiraal en Chef in dezelve, enz., enz., enz.
Al dengenen, die deze zullen zien of hooren lezen, Salut! doen te weten.
Dat Wij, op last en in naam van Zijne Majesteit Willem den Eersten, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz., onzen geëerden Souverein, op heden van deze kolonie bezit genomen, en het Gouvernement aanvaard hebben, ingevolge den inhoud van het Algemeen Reglement op het beleid van de Regering voor deze Kolonie, door Hoogstdenzelven, in dato 14 September 1815 bij Besluit vastgesteld en Geëmaneerd, en dat mitsdien alle Geconstitueerde Magten, Militaire en gewapende Burger-korpsen, Ambtenaren en verdere In- en Opgezetenen dezer Kolonie, uit den Eed van getrouwheid, aan Zijne Majesteit den Koning van Groot-Brittanje afgelegd, bij dezen ontslagen zijn.
Ingezetenen! de verknochtheid van deze Volkplanting aan het Moederland, Uwe algemeene vreugde, toen Nederland zijne ketenen heeft verbroken, en Uwe onlangs nog gegevene blijken van Patriotismus, zijn genoegzame waarborgen van de getrouwheid en liefde, welke ieder Nederlander wedijvert zijnen Koning en Vaderland toe te dragen, en die U voortaan tot geheiligde pligten zijn geworden.
Het welzijn der Kolonie, een gedeeltelijk anderen, en meer geschikten Regeringsvorm vorderende, zoo zijn Wij uit hoofde van 's Konings bijzondere Instructie gelast, om Honorabel te ontslaan al de leden, uitmakende het Hof van Policie en Criminele Justitie dezer Kolonie, waaraan Ons gedragende, Wij dezelve mits dezen Honorabel ontslaan, zoo als ook bij dezen ontslagen worden de ad-interim Raad-Fiscaal Mr. M. J. Schüster en de ad-interim Raad en Boekhouder-Generaal J. van der Tuuk, alles echter voorbehoudens derzelver verantwoordelijkheid. Terwijl Wij voorts in 's Konings naam benoemen tot Raden van het op nieuws te formeren Hof van Policie en Criminele Justitie dezer Kolonie de Heeren:
F. Beudeker. J. J. Ferrand. J. Bruijning. J. J. F. de Friderici. H. L. de Meynertshagen. G. N. Linck. H. L. Penet Gentil. J. Overeem. H. J. Kennedij.
Tot Raad-Fiscaal ad-interim den Heer en Mr. P. J. Changuion; zullende als Secretaris van hetzelve Hof alsnog blijven fungeren de Heer J. de Koff.
En opdat eene behoorlijke en geapprobeerde overgave van alle kantoren, zoo comptabele als andere, plaats neme, zullen alle verdere Ambtenaren en Geëmploijeerden, volgens de intentie van Zijne Majesteit, in hunne respective posten continueren tot nadere dispositie dienaangaande.--Ook zal diensvolgens het Hof van Civile Justitie in deszelfs Regtsplegingen provisioneel voortgaan.
En opdat niemand hiervan eenige ignorantie zouden mogen pretenderen, zal deze onze Proclamatie alomme worde gepubliceerd en geaffigeerd ter plaatse, waar men gewoon is publicatie en affictie te doen, ten einde een iegelijk zich dien conform gedrage.
Gegeven ten Gouvernements-huize in de Kolonie Suriname dezer 27sten Februarij 1816, in het derde jaar van Zijner Majesteits Regering.
W. B. van Panhuijs. Ter ordonnantie van den Heere Gouverneur-Generaal, J. Pringle. Gouvernements-secretaris." [1125]
Volgens het bij de Proclamatie van 27 Februarij 1816, bedoelde Koninglijk-besluit van 14 September 1815, werd nu reeds de tot heden bestaande regeringsvorm aanmerkelijk gewijzigd en nog belangrijke wijzigingen voor het vervolg aangewezen.
De magt van den Gouverneur werd uitgebreid, doch, »ten einde hij zich geheel en alleen aan zijne post zou attacheren," werd hem de waarneming van Administratiën of van eenige andere Commissiën verboden, en zou hij evenmin aandeel in Reederijen van Schepen, op Suriname varende, hebben, of eenige handel hoegenaamd mogen drijven (10de artikel).
De magt van het Hof van Policie en Criminele Justitie daarentegen werd verminderd. Het oude Hof was ontbonden en de negen gewone leden voor het nieuw op te rigtene, niet uit eene te voren door de ingezetenen gemaakte nominatie gekozen, maar onmiddellijk door de Regering benoemd. De duur hunner functie was niet langer voor het leven, maar op negen jaren bepaald. Jaarlijks zou een lid aftreden en ter vervulling van die vacature, door het Hof zelve en niet door de ingezetenen, eene nominatie van drie personen worden opgemaakt, waaruit den Gouverneur de keuze verbleef. En niet slechts door de wijze der benoeming werden de leden meer afhankelijk van de regering, maar ook de werkkring van het Hof werd minder beduidend. Het bleef wel belast met het bestuur over de huishoudelijke en plaatselijke belangen der Kolonie, en de zorg voor zoodanige Inrigtingen als ter bevordering van den Landbouw en Veeteelt zouden kunnen strekken. Wel werd ook nu de zorg voor het rigtig bestuur en de verantwoording der Armengelden, de bevordering van orde en goede zeden in de kolonie en van de opvoeding der jeugd aan het Hof opgedragen. Wel stonden de Inrigtingen ter bevordering der gezondheid in de kolonie, en de collegies specialijk belast met het onderhoud van bruggen, wegen en waterleidingen, de Heemraadschappen, in een woord alles, wat tot de plaatselijke Policie behoorde, onder bijzonder toezigt van het Hof; doch die aan hetzelve verleende magt werd door andere artikelen van het bedoelde reglement beperkt. Zoo mogten in de vergaderingen geene zaken in deliberatie worden gebragt, dan die door den Gouverneur en, in enkele gevallen, door den Raad-Fiscaal of door den Raad-Controleur-Generaal van Financiën (nieuwe benaming van den Raad-Boekhouder-Generaal) werden voorgedragen. De door het Hof, op voordragt van den Raad-Fiscaal te maken keuren en plaatselijke wetten, met bepaling van de straffen en geldboeten op de contraventiën daartegen, moesten ter onderzoek naar het Departement van Koophandel en Koloniën worden opgezonden en eerst door den Koning worden bekrachtigd, vóór zij kracht van wet erlangden. Hetzelfde moest in acht worden genomen bij, op voordragt van den Raad-Controleur-Generaal van Financiën, uit te schrijven nieuwe belastingen: zonder de goedkeuring eerst van den Gouverneur en daarna die van den Koning konden die belastingen niet worden geïnd. Slechts provisioneel bleef de administratie der Criminele Justitie nog aan het Hof van Policie opgedragen; volgens artikel 42 van het reglement, zou die administratie van hetzelve worden afgescheiden en overgebragt op een later nieuw op te rigten Hof van Justitie.
Het Hof van Civiele Justitie werd, bij Proclamatie van 4 Julij 1816 ontbonden, een nieuw geconstitueerd en tot leden daarvan benoemd:
Mr. H. C. van Meerten, President, Mr. A. F. Lammens, Mr. C. F. Mirandole en Mr. J. G. H. Nederburgh.
Voorts werden de Heeren P. F. C. Bruining, als extra-ordinair lid benoemd en J. de Koff tot secretaris [1126].
De werkkring van laatstgenoemd Hof werd in het meergenoemd reglement van 14 September 1815, nader omschreven. De leden van hetzelve zouden bezoldiging genieten.
Aan beide Hoven werd de verpligting opgelegd om, met den Gouverneur te consideren, over de te maken veranderingen voor de Administratie der Criminele Justitie en deze consideratiën aan het Departement van Koophandel en Koloniën, binnen zes maanden na de aankomst van den Gouverneur en van den President van het Hof van Civiele Justitie op te zenden, opdat door Zijne Majesteit hierover nader zou kunnen worden beschikt.
Het Collegie van Commissarissen voor kleine zaken, bestaande uit een President en zes leden, en geadsisteerd door een Secretaris, bleef voorloopig op den ouden voet bestaan; de Wees-, Curatele en Onbeheerde Boedelskamer werd mede provisioneel, conform de Instructie van 1788, en het Collegium Medicum, volgens de bestaande Instructiën, in stand gehouden.
Omtrent de publieke kantoren werd bepaald: dat het kantoor der koloniale kas, genaamd de Modique lasten en hare onderafdeelingen, de kassen van de Gemeene Weide, der Kerkgeregtigheden en van 's Lands gasthuis, en het andere hoofdkantoor, dat van de kas tot verdediging tegen de wegloopers, provisioneel op dezelfde wijze als tot 1795 was geweest, zouden blijven bestaan; terwijl de aan die kantoren op te brengen belastingen, op denzelfden voet als tot 1795 zouden worden geheven.
Hetgeen vroeger aan de Sociëteitskas, later Souvereinskas of 's Koningskas, moest worden betaald, werd in dier voege geregeld: dat de regten en belastingen, welke ten kantore van in- en uitgaande regten tot den jare 1795 plagten geheven te worden, doch die in den Engelschen tijd, door de oprigting van het Koninklijk tolhuis, waren vervallen, provisioneel weder zouden worden ingevoerd; de belasting der Hoofdgelden werd eenigzins gewijzigd; die aan het kantoor der Vendu-Geregtigheden te betalen, bleef onveranderd.
Bovendien werd de oprigting bevolen van eene Reserve-kas, onder de benaming van Generale-Geldkamer, die zou worden zamengesteld:
A. Uit de subsidiën, welke eventueel uit het Moederland, ter gedeeltelijke bestrijding der uitgaven van Militaire traktementen en soldijen zouden mogen worden verleend;
B. Uit de saldo's der respective ontvangers, voor zoo verre die saldo's het bedrag van derzelve respective borgtogten zouden excederen.
Van deze kas moest een afzonderlijk boek worden aangelegd, waarbij de rekening van de Generale-Geldkamer werd gedebiteerd voor de gelden, in dezelve gestort wordende, en daartegen gecrediteerd, ingeval van subsidie uit het Moederland, eene rekening van subsidie uit het Moederland, en ingeval van overstorting van eenig saldo der ontvangers, de rekening van den ontvanger wiens saldo in dezelve werd overgebragt. Aan die ontvangers, welker perceptie eeniglijk bestond in gelden, door de koloniale ingezetenen tot een bepaald doeleinde, opgebragt wordende, zouden dan, wanneer zij eenige gelden mogten benoodigd zijn, geene grootere sommen uit de Reserve-kas worden afgegeven, dan waarvoor zij bij dezelve crediet stonden; wijl, ingeval, dezelver kassen meerder, ter bestrijding hunner uitgaven mogten behoeven, dat meerdere uit extra-ordinaire bijdragen der Belastingschuldigen in zoodanig middel zou moeten gevonden worden.
Hetzelfde moest ook in het oog worden gehouden met de gelden, welke uit de Wees-curatele en onbeheerde Boedelskamer in deze kas werden gedeponeerd.
En daar de eigenlijke aard dezer kas was, niet, om uit dezelve eenige betaling in détail te doen, maar slechts, om de saldo's der respective ontvangers, zoo als boven is gezegd voor zoo verre dezelve het bedrag van derzelver borgtogten excederen, tot securiteit der administratie te bewaren, als mede, om de bedoelde subsidiën uit het Moederland in ontvangst te nemen, zoo zouden, in de eerste plaats, alle betalingen van ordonnantiën of eenig ander dergelijk document door de respective ontvangers moeten geschieden, en bij hunne boeken in uitgaaf moeten gebragt worden; en, in de tweede plaats, zoude door den Gouverneur-Generaal, op schriftelijke voordragt van den Raad-Controleur-Generaal der Financiën, uit deze Reserve-kas, de kas van dien ontvanger worden gesubsidieerd, welke hij Gouverneur-Generaal zou oordeelen, tot het doen van deze of geene betaling, gelden noodig te hebben, zoo nogtans, dat hiertoe, in geen geval, de gelden der Wees-Curatele en onbeheerde Boedelskamer mogten worden geëmploijeerd.