Geschiedenis van Suriname

Part 46

Chapter 463,659 wordsPublic domain

Gegeven aan het Gouvernementshuis in de kolonie Suriname, dezer den 11den dag van December 1813, en in het 54ste jaar van Zijne Majesteits regering.

P. Bonham [1099]."

Ten gevolge van het besluit in deze proclamatie bekend gemaakt, deed John Bent, den 21sten Dec. 1813 deze advertentie:

»Wordt hiermede bekend gemaakt, dat er te dezen comptoire inschrijvingen zullen ontvangen worden, voor de verkooping van zekere gedeelten van suiker, koffij en catoen der voortbrengsels of producten van de onderscheidene plantagiën, onder de jurisdictie van den ontvanger en bestierders-commissie, tot aanstaande Dingsdag den 28sten dezer, 's morgens ten elf uren, wanneer dezelve zullen geopend worden, in tegenwoordigheid van Zijn Excellentie den Gouverneur (en dezulken welke goedgekeurd zijn) zullen worden aangenomen. Monsters van de koffij en catoen kunnen ten dezen comptoire gezien worden. De betaling moet ten dezen comptoire geschieden, al vorens de order tot aflevering der producten gegeven wordt, en het oxhoofd suiker zal gecalculeerd worden op 1100 Pds. netto, tot dat men van het gewigt verzekerd is, wanneer de geheele afrekening zal geschieden, en bij gebreken van zulke betaling binnen acht en veertig uren na de opening der inschrijvingen, zal de koop van nul en geener waarde gerekend worden.

John Bent, Ontvanger en Bestierder [1100]."

Ten einde de administratie geregeld te kunnen houden, vroeg John Bent tijdig de rekeningen op, om ze te kunnen verifieeren, enz.

»De ontvanger en bestierder verzoekt de administrateuren der onderscheidene plantagiën en andere eigendommen, onder des Konings commissie, zoo goed te zijn van de rekeningen van hunne onderscheidene administratiën op te maken, tot den 31sten dezer, behelzende de generale, provisie en commissierekeningen, welke op ieder derzelve schuldig is en tot derzelfden datum, en die zoo spoedig mogelijk ten dezen comptoire over te geven, ten einde de noodige schikkingen omtrent dezelve kunnen gemaakt worden [1101]."

Dat men in alles nog al nalatig bleef de orders van Bent op te volgen, blijkt ook uit de volgende annonce:

»Zeer weinig acht geslagen zijnde op de vorige advertissementen van den ontvanger en bestierder, ten opzichten van zijn officieele opeisching van obligatiën ten zijnen comptoire leggende, in plaats van betaling in geld, behoorende aan diegeenen waarover zijne commissie zich strekt, zoo zal ten eersten een lijst van de voornaamste Nalatigen opgemaakt worden en aan Zijn Excellentie den Heer Gouverneur ter zijner beslissing wegens dezelven worden toegezonden, en de namen van dusdanige personen zullen publiek gemaakt worden, indien dezelve nog langer voorgeven onwetende te zijn aan de vorderingen, dewelke dit comptoir ten hunnen laste heeft [1102]."

Bonham leefde eenigen tijd in de verbeelding, dat de oppositie tegen Bents commissie gebroken was. Met welgevallen schreef hij den 25 September 1813 aan Earl Bathurst, dat nu alle tegenstand had opgehouden en als een goed gevolg van den invloed van Bent berigtte hij, dat verscheidene personen, die hunne slaven zeer wreed behandelden door Bent waren bewogen geworden, om een beter systeem aan te nemen; en hij had dan ook de hoop, dat hierdoor niet slechts die ongelukkige schepselen, maar de geheele kolonie zoude worden gebaat [1103]. Bonham vergiste zich echter zeer. De onwil omtrent Bents commissie bleef in Suriname bestaan; omdat men echter begreep, dat protesten die aan Bonham gedaan werden, weinig zouden teweeg brengen, hield men zich eenigen tijd stil, doch intrigueerde zoo veel te meer in stilte.

De kolonisten zochten sommige Engelsche kooplieden tot bevordering hunner belangen over te halen en dit gelukte hun.

De laatstgenoemden ondersteunden het verzet der Surinaners bij de Britsche regering, ter opschorting of opheffing van Bents commissie, die, volgens eene petitie door 40 administrateurs onderteekend, zoo nadeelig voor de kolonie was, dat--indien Bents commissie in haar geheel werd uitgevoerd, de kolonie zoude worden geruïneerd. Men trachtte deze bewering te staven, door aan te voeren: 1o. dat door Bent overal eerst in te moeten kennen, vele vertragingen werden veroorzaakt, ja de handen als gebonden waren; 2o. dat de aan Bent verleende magt veel te groot was, en 3o. dat de slaven, die vrijheid hadden, om zich op Bent te kunnen beroepen, daardoor het vereischte ontzag voor hunne meesters uit het oog verloren. Verder beklaagde men zich in diezelfde petitie over de gestrenge maatregelen door den Gouverneur genomen tegen Vlier en de Rives, waarbij hij tevens de wetten der kolonie had verkracht [1104].

Tegenover dit ongunstig getuigenis van Surinaamsche administrateurs staat dat der door de Regering benoemde commissarissen Fagel en Penn, in een brief dato 29 November 1813 aan George Hamilton, Esq. omtrent Bents commissie afgelegd.

Deze heeren toch verklaarden, dat hun uit de ontvangen stukken en statistieke opgaven enz. duidelijk bleek, dat John Bent met ijver en naauwgezetheid zijn pligt vervulde. De door hem ingeleverde staten waren in behoorlijke orde en muntten door naauwkeurigheid uit. Men verkreeg ook daardoor een goed overzigt over den toestand der cultuur, enz.

De suiker-plantaadjes bleven zich goed staande houden, doch de koffij-plantaadjes vervielen, vooral was het lot der slaven op de laatsten zeer beklagenswaardig, want zij werden er geheel verwaarloosd.

Fagel en Penn stelden het Britsch Gouvernement voor, om in plaats van de magt van Bent te bekorten, die te vermeerderen, en zoo verre uit te breiden, dat hij beter in staat zou zijn de mishandelingen der slaven en hunne verwaarloozing tegen te gaan. Reeds nu had zijn invloed gunstig gewerkt op de slaven zelf; gevlugte slaven waren door zijne bemiddeling vrijwillig terug gekomen; doch hij had veel te strijden tegen den onwil der Directeuren, die hem meermalen in zijne goede voornemens belemmerden. Genoemde commissarissen verzochten het Britsch Gouvernement, om geen acht te slaan op de klagten der Londensche kooplieden te dezer zake. Dezen toch ontleenden hunne informatiën van administrateuren en directeuren in Suriname, welke zeer den vroegeren verwarden toestand, waarbij zij alleen belang hadden, terug wenschten [1105].

Had de oppositie in Suriname schijnbaar eenigen tijd gerust; weldra verhief zij zich tot eene onrustbarende hoogte. Het volgende geval was hiertoe de voornaamste aanleiding:

De balansen en de gelden, behoorende aan twee boedels, namelijk van de overledene F. Gomarus groot f 170,784:10--3 en van P. Bloeddoorn groot f 27.000 berustten onder het bestuur der weeskamer. Bent vermeende dat deze balansen en gelden mede onder zijn bestier moesten worden gebragt; hij schreef er Bonham over, die zijne overtuiging deelde en daarom aan het bestuur der weeskamer schreef, om die balansen en gelden aan Bent over te dragen. Bonham wachtte vier maanden te vergeefs op antwoord; den 3den Januarij 1814 rigtte hij zich op nieuw per missive tot bedoeld bestuur en eischtte de overgave van papieren en gelden aan John Bent.

Het bestuur der weeskamer was van gevoelen, dat die overgave, door hen niet kon geschieden, zonder eene finale kwijting en decharge van de erfgenamen, aan wie het vervolgens te beslissen stond, of zij de gelden al of niet aan Bent wilden overgeven, zoodat bestuurderen der weeskamer niet aan het verlangen van den Gouverneur konden voldoen, daar zij niet tegen hunnen eed en tegen de wetten der kolonie vermogten te handelen. Bonham antwoordde kortelijk, dat hij met hunne redenering niets te maken had, maar dat hij begeerde gehoorzaamd te worden. De leden van het bestuur der weeskamer bleven echter bij hunne weigering volharden. Die weigering was onderteekend door C. G. Veldwijk, Raad-Fiscaal, J. Lolkens, 2de fiscaal, A. Melville, Raad-Boekhouder-Generaal en verder door M. J. Schüster, D. Rochetan en H. L. Pierre Gentil.

Bonham zag hierin eene opzettelijk wederstreven van zijne bevelen en was daarom zeer vertoornd. Hij ontsloeg onmiddellijk den boekhouder-generaal Melville en den 2de fiscaal Lolkens. In de plaats van Melville benoemde hij M. van der Tanck, de betrekking van 2de fiscaal bleef voorloopig onvervuld. Hij had gewenscht om den raad-fiscaal Veldwijck te gelijk te ontslaan, maar kon niet zoo dadelijk een voor dit ambt geschikt persoon vinden. Toen echter eenige dagen later Schüster, een regtsgeleerde, die wel de weigering mede had onderteekend, doch later zijn spijt over deze daad in een brief aan Bonham te kennen gaf, dacht Bonham deze zwarigheid opgelost te zien, en ook Veldwijck werd ontslagen en Schüster voorloopig als raad-fiscaal aangesteld [1106].

De strenge maatregelen troffen echter geen doel.

De uit hunne ambten ontslagen fiscalen en de boekhouder-generaal waren ook wel vroeger tegen de commissie van Bent geweest; doch tijdens zij hunne ambten bekleedden waren zij meer gebonden. Nu echter wierpen zij zich in de armen der ontevreden partij. Ook bij het hof, dat zich een tijd lang stil had gehouden verhief zich de oppositiegeest tegen de gestrenge maatregelen van het Gouvernement. Bonham liet zich echter door niets afschrikken; hij belegde eene buitengewone vergadering van het hof, die ook door personen, tot zijnen staf behoorende, werd bijgewoond; hier, in eene korte en bondige rede, hield hij allen hun pligt voor, om de bevelen van den Souverein en diens vertegenwoordiger in de kolonie te gehoorzamen; terwijl hij hun, die hierin nalatig bleven, met ontzetting uit hunne betrekking bedreigde. Men begreep dat Bonham woord zou houden en de bedreiging volvoeren, zoodat het hof, ofschoon gedwongen, toegaf [1107].

Veldwijk diende een rekwest bij Bonham in, welke hem antwoordde, dat hij op zijne bekwaamheid niets had aan te merken; dat hij evenwel ontevreden was over zijn gedrag op den 31sten Mei 1810, op welken dag hij, in plaats van het Hof met den Gouverneur te verlaten, was achter gebleven, zeker niet met goede oogmerken, en dat hij sedert dien tijd dikwijls over gebrek aan ijver en waakzaamheid door hem (Bonham) was berispt geworden; doch dat de eigenlijke reden voor zijn ontslag was: zijne weigering in de kwaliteit van weesmeester om de bevelen van den Gouverneur te gehoorzamen. Bonham kon dus niet op zijn genomen besluit terug komen, maar aan Veldwijk stond het vrij zich deswegens tot het Britsch Gouvernement te wenden [1108].

Daar Bonham niet toegaf, wendden zich de afgezette ambtenaren per rekwest tot Lord Bathurst. In deze rekwesten verdedigden zij hun gedrag omtrent de zaak der weeskamer en beklaagden zich over hun door Bonham willekeurig gegeven ontslag [1109]. D. J. Wernink, Hollandsch predikant te Londen, en Steenbergen, koopman, vroeger te Amsterdam thans mede in Londen woonachtig, ondersteunden deze verzoekschriften bij de Britsche regering.

Behalve genoemde petitiën kwamen op nieuw twee rekwesten tegen Bents commissie, uit Suriname, bij het Britsch Gouvernement in. De hoofdinhoud der rekwesten was: dat men de Britsche regering verzocht, om zoo zij de maatregelen omtrent de verhypothekeerde plantaadjes volstrekt wenschte door te zetten, het beheer aan eene commissie en niet aan een enkel persoon op te dragen. Een dezer rekwesten was door vier, het andere door vier en tachtig personen onderteekend [1110]. Het Britsch Gouvernement leende ten deele gehoor aan deze klagten en aan Bonham werd bevolen, dat hij de gemoederen niet door noodelooze gestrengheid nog meer moest verbitteren, maar integendeel trachten moest om ze door inschikkelijkheid tot verzoening te brengen.

In Europa waren intusschen belangrijke gebeurtenissen voorgevallen: Napoleon was genoodzaakt geworden Frankrijk's troon te verlaten en zich met de souvereiniteit van het eiland Elba te vergenoegen; de volkeren, die een zoo geruimen tijd onder het juk des Franschen heerschers hadden gezucht, erlangden hunne vrijheid weder en ook Nederland herkreeg zijn volksbestaan.

Deze groote gebeurtenissen oefenden mede invloed uit op de verdere handelwijze der Britsche regering in Suriname.

Daar de Britsche regering begreep, dat haar bewind over Suriname waarschijnlijk van korten duur zou wezen, wilde zij een maatregel, dien zij voornamelijk in het belang der crediteuren had genomen, doch die zoo veel tegenkanting in de kolonie ondervond, niet langer doorzetten, en zij besloot de commissie van Bent op te heffen.

Bonham gaf bij proclamatie van 8 Junij 1814, daarvan den volke kennis:

»Naardien Zijne Majesteits minister ons door de paquet, hebben gecommuniceerd, dat het Zijne Majesteit had behaagd, uit aanmerking van de »groote gebeurtenissen onlangs in Europa voorgevallen," om de commissie van den ontvanger en bestierder van eigendommen van afwezigen op te schorten, met last op gezegde ontvanger en bestierder der eigendommen welke hij, uit krachte van voorschreven commissie onder zijn bestier mogte hebben, weder over te geven. Zoo gelasten en beveelen wij bij deezen allen en een iegelijk dewelke ter zaake voorsz. met gezegden ontvanger en bestierder, de mede-administratie hebben, of wie zulks anders zoude mogen aangaan, zich ter zijnen kantore te vervoegen, ten einde hunne respectieve rekeningen zoo spoedig mogelijk te vereffenen, opdat de verder aan hem gegevene beveelen, ten volle kunnen worden gehoorzaamd, zullende op vertooning van zijn certificaat ter gouvernements secretarye, dat die vereischtens nagekomen zijn, de sequestratie van alle zulke eigendommen dadelijk ontheven worden.

En opdat niemand, van deze onze proclamatie eenige onkunde zoude kunnen voorgeven, zal dezelve alom worden gepubliceerd en geaffigeerd ter gewoone plaatse, en van plantagie tot plantagie rondgezonden.

Gegeven te Gouvernementshuize in de kolonie Suriname, deze den 8ste Junij 1814, en in het 54ste jaar Zijner Majesteits regering.

P. Bonham" [1111].

Bonham ontving eene berisping van zijn gouvernement over zijn gedrag en werd op nieuw aanbevolen om op verzoenende wijze te werk te gaan. Hij antwoordde daarop en verdedigde zijn gehouden gedrag in een brief aan lord Bathurst dato 12 Junij 1814. Hij betuigde in dien brief, dat gestrengheid niet in zijn karakter lag; dat hij niets liever wenschte dan met ieder in vrede te leven; doch, dat de vervulling van zijn pligt jegens de Souverein hem hooger ging. Die pligt schreef hem voor: 's Konings bevelen te doen gehoorzamen, en hoewel hij de wetten der kolonie in ernst wilde handhaven, had hij zich soms in de noodzakelijkheid bevonden, om die wetten ter zijde te stellen, daar ze de uitvoering van 's Konings bevelen onmogelijk maakten en tot eene doode letter zouden hebben verlaagd. Hij had veel goeds van Bents commissie verwacht, en ze daarom krachtdadig bevorderd; maar had hierbij tevens zoo veel tegenstand ondervonden, dat het leven hem sints dien tijd, met regt moeijelijk was gemaakt; zelf was hij genoodzaakt geworden, om personen, die dagelijks aan zijne tafel aten, het huis te ontzeggen; hoe hij belasterd en beleedigd was zou Bent, die den 18den Julij uit Suriname naar Engeland zou vertrekken, den minister kunnen mede deelen.

Wat de zaak omtrent de Weeskamer betrof, verklaarde hij, lang geduld te hebben geoefend; maar daar men steeds in het geheim beraadslaagde en de geheele toeleg van het bestuur was om onder een schoonschijnend voorwendsel, Bents commissie tegen te werken, was hij tot het nemen van krachtige maatregelen genoodzaakt geworden. Hij erkende, dat hij nu en dan wel een hoogen toon had gebezigd, die ongetwijfeld in Engeland zelf ongerijmd ware geweest, »maar" zoo vervolgt hij: »de lieden hier zijn zoo onwetend en tevens zoo hardnekkig, dat zij, zelfs voor hun eigen welzijn, in toom moeten worden gehouden (the people here, who are very ignorant, proverbially obstinate and must be driven in to measures, even for their own benefit). Bonham zou echter, volgens verlangen van den minister, toegeven waar dit eenigzins mogelijk was.

Bonham gaf dan ook weldra een bewijs van zijne verzoenende gezindheid door Lolkens den 20sten Augustus 1814 in zijn ambt als 2e fiscaal te herstellen. Deze heer had hier echter weinig genot van, daar hij reeds drie dagen daarna, den 23sten Augustus overleed [1112].

Thans verder te gaan vermeende Bonham ongeraden te wezen, daar dit eene zekere zwakheid zou verraden [1113]; doch de Britsche regering bleef bij hem aanhouden om nog meerdere stappen van verzoening te doen. Bonham gaf toe en ook Taunay werd weder als raad van policie in het Hof toegelaten; terwijl twee actiën, welke Bonham tegen hem had, niet vervolgd werden. »Maar wat is hiervan het gevolg?" schreef Bonham later aan lord Bathurst en hij zelf beantwoorde deze vraag door te vervolgen: »datgene wat immer bij zulk onwetend en laatdunkend volk het geval is: hij denkt nu dat ik bang ben om hem te straffen en hij begaat eene nieuwe beleediging, waarvoor hij nu lijden moet."

Deze hier bedoelde beleediging bestond daarin, dat toen Taunay op nieuw in het Hof was toegelaten, hij daar volhield, dat hij vroeger goed had gehandeld en onwettig geschorst was. Bonham achtte deze stijfhoofdigheid eene beleediging hem als Gouverneur aangedaan, en de zaak werd mede door het Hof alzoo beschouwd en Taunay in staat van beschuldiging gesteld, daarna formeel als lid ontslagen en onbekwaam verklaard, verder een ambt te bekleeden en daarenboven verwezen tot eene geldboete van f 12,750-- en de kosten van het proces.

Bonham vond deze straf bij lange na niet zwaar genoeg doch daar het Hof dit vonnis als hoogste geregtshof, had gewezen, had de Gouverneur als partij zich wel buiten beraadslagingen gehouden, maar het als president moeten onderteekenen. Hij beklaagde er zich bij lord Bathurst over, dat men te Londen op slechte informatiën afging; »want," schrijft hij: »ware dat niet het geval geweest, dan zouden de heeren Barry and Broth Taunay nimmer een gentleman of high respectability hebben genoemd, daar hij zoo iets niet is en daarenboven over het algemeen als de wreedste man in de kolonie bekend is" [1114].

Toen bepaald was, dat Suriname weder aan Nederland zou worden teruggegeven, wendden Taunay en Winkelbach zich tot den Nederlandschen gezant te Londen Fagel en bragten hier hun beklag over Bonham uit. Fagel zond die rekwesten aan de Britsche regering en antwoordde, dat hij geloofde, dat Bonham de grenzen zijner magt verre had overschreden, doch dat hem zou gelast worden nadere informatiën te geven. Na het ontvangen van dit bevel gaf Bonham aan lord Bathurst het berigt: dat hij bij zijne komst in Engeland alle papieren desbetreffende zou medebrengen, en dat het dan zou blijken, dat hij goed had gehandeld [1115].

Hiermede eindigt onze mededeeling betreffende de Bents commissie, die zoo veel gerucht in de Surinaamsche wereld maakte. Wij hebben ze verhaald, zoo als ze ons uit de officieele bronnen, berustende op Her Majesty's State Paper Office en door particuliere berigten, is bekend geworden.

Is het gedrag van Bonham welligt niet in alles geheel van willekeur vrij te pleiten, is b. v. zijne handelwijze tegenover het bestuur der weeskamer niet van willekeur vrij te pleiten, zoo kunnen wij hem niet te hard vallen, indien men de moeijelijkheden en de heftigheid van den tegenstand beschouwt, dien hij bij de uitvoering van deze, door zijnen souverein bevolen maatregel ondervond, terwijl men verder onpartijdig oordeelende, moet erkennen, dat de Britsche regering bij de instelling van Bents commissie uit edele beweegredenen heeft gehandeld en dat geen baatzuchtig eigenbelang maar opregte begeerte om de regten der hypotheekhouders te beschermen, hare drijfveer was. Al neemt men voor een oogenblik aan, dat de Britsche regering in de keuze harer middelen heeft gedwaald, dan nog heeft zij ter goeder trouw gedwaald. Wij gelooven echter dat het controleren der administrateurs eene zeer goede zaak was, en wij beroepen ons hierbij op de getuigenis van een man, die als Nederlandsche staatsman zich een welverdiende roem heeft verworven, en die later een plan voorstelde, dat veel overeenkomst met Bents commissie had [1116].

De tijd naderde intusschen dat Suriname weder onder het bestuur van Nederland zou komen. Reeds in Junij 1814 werd de tijding in Suriname ontvangen van den tusschen Groot-Brittanje en Frankrijk gesloten vrede; in Augustus van het zelfde jaar ontving men de parlements acte, waarbij de handel tusschen de Vereenigde Provinciën (Nederland) en een gedeelte van Z. B. M. koloniën werd toegestaan. De officieele vertaling dier acte luidde aldus: »Naardien het is dienstig geoordeeld geworden, om in de tegenwoordige omstandigheden aan de onderdanen van de Vereenigde Provinciën te vergunnen handel te drijven met de coloniën Suriname, Demerary, Essequebo, Berbice, Curaçao, St. Eustatius, Saba en St. Martin, in Amerika en de West-Indiën, welke voorheen behoord hebben aan het gouvernement van de Vereenigde Provinciën, doch zich hebben overgegeven aan Zijner Majesteits wapenen en thans in het bezit van Zijne Majesteit zijn; zoo is 't, dat Zijne Koninglijke Majesteit, op den raad en in overeenkomst met de Geestelijke en Wereldlijke Lords, en de leden van het Lagerhuis, in dit tegenwoordig Parlement vergaderd, en op derzelver Authoriteit heeft besloten: Dat van en na het passeeren van deze acte alle onderdanen van de Vereenigde Provinciën, en aldaar woonachtig, in eenig schip of vaartuig gebouwd in het gebied van de Vereenigde Provinciën en aankomende onderdanen van de Vereenigde Provinciën, en bevaren wordende door een kapitein en drie vierde gedeelte der matrozen, onderdanen van gezegde provinciën zijnde of in eenig Brittannisch gebouwd schip of vaartuig aankomende en bevaren wordende volgens de wet, wettiglijk zullen kunnen en vermogen invoeren in voornoemde coloniën van de Vereenigde Provinciën, en uitvoeren naar de Vereenigde Provinciën, en niet direct naar eenig ander plaats, alle zulke goederen, waren en koopmanschappen, als men volgens de wet in de voornoemde coloniën mogen worden ingevoerd, of nu volgens de wet uit de voornoemde coloniën van Groot-Brittanien mogen worden uitgevoerd, doch geene andere goederen, waren of koopmanschappen hoe ook genaamd, tegen betaling in alle gevallen van dezelfde imposten als door Brittaniesche onderdanen in gezegde eilanden of coloniën moeten betaald worden, zich verbindende aan dezelfde verbanden en dezelfde voorwaarden en schikkingen nakomende, als bij den invoer van, en de uitvoer naar Groot-Brittanie plaats vind, niettegenstaande een acte, gepasseerd in het twaalfde jaar van de regering van Zijne Majesteit Koning Karel de tweede, ten titel hebbende: Acte ter aanmoediging en vermeerdering van verzending en zeevaart, of in eenige andere acte hiertegen strijdende; onder beding echter, en het zij verder besloten, dat den kapitein of bevelvoerder van elk zoodanig schip of vaartuig zal vertoonen aan de behoorlijke officieren van de Tol, in de haven van invoer en uitvoer, een vergunningsbrief van de Brittanische Minister resideerende in de Vereenigde Provinciën, authoriseerende het schip of vaartuig, om gezegde reis voort te zetten ten opzigte van zoodanige invoer en uitvoer; op straffe van verbeurdverklaring en boete als bij gezegde acte op het verbreken van de wet op verzending en zeevaart van Zijne Majesteits Koloniën bepaald is" [1117].

Van deze vergunning werd spoedig gebruik gemaakt en, op Vrijdag den 23sten December 1814, arriveerde, ter reede van Paramaribo, het eerste Hollandsche schip, direct van Amsterdam, zijnde: de Surinaamsche vrienden, kapitein C. Kraay; en weldra werd dit door andere gevolgd. Ook de sedert eenigen tijd, door het uitbreken van oorlog tusschen Noord-Amerika en Engeland, gestoorde Amerikaansche handel werd hersteld, daar de vrede tusschen de beide rijken den 24sten December 1814 werd geteekend [1118].