Part 45
Geen straf zal vermogen uitgeoefend te worden, alvorens zulk een slaaf 48 uren lang in het binnen-fort gezeten heeft, in dien tusschentijd moet het bovengemelde getuigschrift aan de heer Fiscaal worden toegezonden, welke alleen geauthoriseerd is, om de straf te decideeren welke aan de misdaad is evenreedig. Dezelfde Regulatie moet in acht genomen worden op het Piquet of Schoutenhuis." [1090]
Ook andere maatregelen door Bonham omtrent deze aangelegenheid genomen, getuigen van zijne goede gezindheid jegens de slaven; hij ontzag ook niet hen, die hoog in staat waren en tot de zoogenaamde aanzienlijken van Suriname behoorden, te doen vervolgen en straffen; zoo het hem bekend werd, dat zij hunne slaven mishandelden.
Werden de pogingen van Bonham, om mishandeling der slaven te keeren, geweldig tegengewerkt, nog meer tegenwerking ondervond zijn streven, om de regten der afwezige crediteuren te handhaven. Dit vooral deed velen vijandig tegen hem worden en beroerden de gemoederen van velen in Suriname.
Bonham zag met leede oogen de verkwisting aan, welke sommige kolonisten niet slechts hun eigen belang deed verwaarloozen, maar waardoor ook de belangen der afwezige crediteurs, in Holland, (toen in Frankrijk ingelijfd) schade leed. Hij vergenoegde zich echter niet om deze verkwisting met droefheid gade te slaan, maar poogde ze paal en perk te stellen. Reeds kort na de aanvaarding van het bewind over Suriname, had hij, aan den Secretaris van Staat voor het Departement der koloniën Earl of Liverpool, het voorstel gedaan, om de belangrijke sommen, die zich in de handen van sommige individuen bevonden, doch die eigenlijk aan personen in Holland behoorden, in de koloniale kas te doen deponeren en ze aldaar te doen berusten, tot een algemeenen vrede; hij begrootte het bedrag dier gelden op f 600.000 à f 800,000. [1091]
Den 12den Maart des volgenden jaars schreef hij: »Het kwam mij voor, dat het goed ware, om een vertrouwd persoon naar Suriname te zenden, als Curator over de verhypothekeerde plantaadjes, en dat aan dien persoon een naauwkeurig verslag moest worden gegeven van den staat dier plantaadjes, enz. Er zijn vele personen in de kolonie wier plantaadjes verhypothekeerd zijn ten behoeve van personen in Holland wonende. Door de wet van 26 Januarij 1812 worden deze lieden gebaat; maar, omdat zij nu voor een tijd in de vreedzame bezitting hiervan zijn gewaarborgd, zullen zij mogelijk verkwisten wat hun niet toekomt, speculatiën doen, enz. enz., zoodat het zeer noodig ware, in het belang der hypotheekhouders, dat hierop eene behoorlijke contrôle worde gehouden." [1092]
Het Britsch Gouvernement keurde dezen voorslag goed en regtmatig, en benoemde, den 12den Maart 1813, tot het houden dier contrôle zekeren heer John Bent, die daarop den 15den Mei 1813 in Suriname arriveerde.
Denzelfden dag van Bents aankomst, maakte Bonham de Proclamatie op, die twee dagen daarna werd uitgevaardigd, waarbij de bevoegdheid van Bent en de verpligtingen der representanten van de afwezige erfgenamen werden beschreven. Die Proclamatie luidde o. a. aldus:
»Aan zijde van de kroon is de ontvanger en bestierder (John Bent), mede Administrateur en geauthoriseerd om generaallijk de administratie te controleeren, van, en over al de plantagiën of andere gronden, doorgaands deze colonie, aan zoodanige personen als voorschreven is, behoorende. De gemelde ontvanger en bestierder zal de afscheping en consignementen van alle, en iegelijk specie van Producten, Proviniëerende van al zulke plantagiën, of gronden naar Groot-Brittanniën bepalen, reguleeren en bestieren, derwijze, dat al zulke producten zullen worden geconsigneerd, aan de respectieve Huizen van Negotie in Groot-Brittannië, aan dewelke zoodanige producten gewoonlijk zijn, werden geconsigneerd, en wijders dat alle cognossementen van dusdanige producten door den gemelden ontvanger en bestierder aan zoodanige geconsigneerden moeten werden ingevuld, voor rekening van de commissarissen; ten dien einde door de kroon aangesteld, te weten aan Hendrik Fagel en Greenville Penn, Esquires; en zoo dikmaals de verkoop van eenige gedeelte der dusdanige producten in de colonie mogte noodig zijn, hetzij ter betaling van aangekochte noodwendigheden, of andere onvermijdelijke uitgaven, zoo zal aan hem insgelijks zoodanige verkoopen zijn gedemandeerd, en zal de opbrengst derzelve, zoodra hij die zal ontvangen hebben, worden uitgekeerd, aan degeenen die van ieder respectieve Administratie het comptoir houdt; ten einde regelmatigheid in de rekeningen mogen werden bewaard, en dat het geld mag worden besteed, tot de eindens voorschreeven:
"Aan zijde van de afwezige eigenaren, zal de mede-administratie blijven, in de handen van diegenen die tot hiertoe in de qualiteit hebben gefungeerd, en zullen zij gehouden zijn, het huishoudelijke van zoodanige administratie te bestieren, en daarvoor aansprakelijk wezen, de bebouwing behoorlijk te onderhouden, de tucht onder de slaven te handhaven, en er generaallijk de Directie van de Plantagiën te bestieren, in stricte overeenkomst met de ten dien einde, in de colonie geëtablisseerde wetten, en inrigtingen en in alle gevallen het belang van de eigendommen, onder derzelver bestier, na hun uiterste vermogen bevorderen. In de volvoering van deze pligten zullen nogthans geene onkosten van aanbelang, hetzij tot de gewoonlijke Leverantiën of tot de Reparatiën van gebouwen, door den persoon of personen, die de Administratie aan zijde van den Eigenaar, waarnemen, mogen gemaakt worden, buiten de sanctie van den gemelden ontvanger en bestierder den heer John Bent, alvorens daartoe te hebben verkregen; terwijl het duidelijk moet verstaan worden, dat die in geval van noodzakelijkheid, altoos moeten geschieden, naar de allerzuinigste grondbeginsels, en met de goedkeuring en toestemming van alle partijen.
De voormelde mede-administrateuren worden al verder gerequireerd, om met het minst mogelijk vertraag de Directeurs van de Respectieve Plantagiën, of andere eigendommen voormeld, te gelasten, om aan het comptoir van den gemelden ontvanger en bestierder, binnen de eerste week van iedere maand, een exacte Duplicaat-Maandlijst, volgens coloniaal gebruik, in te zenden, benevens een Duplicaatlijst van zoodanige benoodigheden of requisiten, als voor de plantagiën vereischt mogen worden, moetende dezelve op 't zelve tijdstip, en met dezelfde gelegenheid, geadresseerd als boven, verzonden worden, als die aan de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren.
En zullen de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren, ten einde den gemelden ontvanger en bestierder in staat te stellen, duidelijk en voldoende, den staat en gesteldheid van de Respectieve Plantagiën of gronden voorschreven, te kunnen nagaan, onverwijld ten comptoire van den gemelden ontvanger en bestierder, fourneren, een copij van de laatst gemaakte inventaris, benevens een uittreksel van de generale rekeningen, loopende tot den 15den Mei 1813, van ieder plantagie of grond, onder derzelver administratie. Voor de getrouwe volvoering zijner respectieve pligten, »zal de gemaakte ontvanger en bestierder gerechtigd zijn, tot een vierde gedeelte van de provisie, die gewoonlijk aan de Administrateuren van Effecten in deze colonie wordt toegestaan, en de Administrateuren aan zijde van de eigenaren, tot de overige drievierde parten van dien, tot nader order." [1093]
Naauwelijks was die proclamatie uitgevaardigd, of er verhief zich eene sterke oppositie tegen het opdragen van eene zoo groote magt aan den ontvanger en bestierder. De Administrateuren van plantaadjes (eigenaars bevinden zich weinig in Suriname) vermeenden door dezen maatregel, in hunne regten gekrenkt, in hunne belangen verkort en in hunne magt en aanzien besnoeid te worden; deze personen en eenige kooplieden, wiens belangen met die der Administrateuren overeenkwamen, stelden er zich dadelijk ten sterkste tegen.
Weldra circuleerde in de kolonie eene petitie, die door Bonham »een oproerig geschrift" werd genoemd, tegen dezen maatregel ter onderteekening. Die petitie was opgesteld door de heeren Vlier en de Rives, regtsgeleerden, van wie het, (altijd volgens Bonham) wel bekend was, dat zij vroeger tot de Jacobijnsche partij in Suriname hadden behoord. Bonham verbood de verdere circulatie van dat geschrift; hij eischte het van Vlier terug, en beval, dat de beide opstellers, Vlier en en de Rives, binnen tien dagen, ieder eene borgtogt van f 10,000 zouden stellen, ter verzekering van hun verder rustig gedrag als goedgezinde onderdanen; terwijl zij, bij gebreke daarvan, uit de kolonie zouden verwijderd worden.
Die gestrengheid bereikte echter het daarmede beoogde doel niet. Door sommige lieden in de kolonie werd desniettegenstaande de afkeer tegen Bents commissie luide verkondigd, en men liet niet na, allerlei ongunstige gevolgtrekkingen daaruit op te maken en valsche geruchten (the most scandalous falsehoods) omtrent dezelve te verspreiden, zoodat vele weigerachtig bleven, om de verlangde opening aan Bent te doen.
Ook in het Hof van Policie, welks leden voor het grootste gedeelte uit Administrateuren bestonden, openbaarde zich een heftige geest van tegenstand. Het Hof leverde aan Bonham eene remonstrantie in, waarbij de verklaring werd afgelegd, dat de proclamatie van 15 Mei de grootste consternatie had verwekt, zoo wegens deszelfs onmiddellijk effect en de schorsing van alle bezigheden, daardoor veroorzaakt, als wegens de onbepaalde uitgebreidheid der magt, die hierbij aan John Bent werd verleend. Men vroeg dus nadere uitlegging omtrent die magt, en verzocht aan den Gouverneur om, terwijl zij zich over deze commissie, aan Z. K. H. den Prins Regent zouden wenden, voorloopig de Commissie van John Bent te schorsen. Bonham antwoordde hierop, 1o. dat hij zich niet gehouden achtte, om aan het Hof als zoodanig, een nadere verklaring te geven; doch dat hij en John Bent, als particulieren, bereid waren alle mogelijke inlichtingen te verleenen; en 2o. dat hij niet geregtigd was, om duidelijke en stellige bevelen van Z. K. H. den Prins-Regent te wederstreven.
De leden van het Hof bleven echter bij hunne, reeds bekend gemaakte gevoelens, volharden; en zij verlangden eene buitengewone vergadering te houden, om nader over deze zaak te discussiëren. Die vergadering, gehouden 31 Mei 1813, was zeer onstuimig. Dezelfde vragen over en vertoogen tegen Bents commissie werden door de leden gedaan en door Bonham op dezelfde korte en bondige, doch tevens wel eenigermate hooghartige wijze beantwoord. Eindelijk zeide een der leden, de heer Halfhide (vroeger horologiemaker te Londen) op beleedigenden toon: »Ik geloof, dat de Prins-Regent deze kolonie wenscht te ruïneeren." Bonham vatte hierop vuur en antwoordde: »De Prins-Regent wenscht zulke dingen niet, maar gij, hoe durft gij eene dergelijke aanmerking in mijne tegenwoordigheid maken; ik zou u deswege wel kunnen schorsen." Halfhide sprak nu op uittartenden toon: »Gij wilt mij schorsen? Ik wil niet geschorst worden en ik hoop dat het Hof mij in mijn verzet hiertegen ondersteunen zal." Bonham beantwoordde deze uittarting door te zeggen: »Nu mijnheer, gij zijt geschorscht, ik schors u." Halfhide geheel door drift overheerd, riep toen op eene alles te bovengaande beleedigende wijze: »Dan moogt gij uwe soldaten wel zenden, om mij in het fort te plakken, zoo gij durft. Ik wil niet geschorst worden." Bonham trok aan de bel en sloot de vergadering.
Bonham die volstrekt de man niet was, om slechts door woorden te dreigen, maar die van handelen hield, schreef, te huis gekomen, onmiddellijk het bevel tot schorsing van Halfhide en zond het hem te huis. Halfhide die begreep dat hij te ver gegaan was, verzocht den Gouverneur om een mondeling onderhoud, doch dit werd hem geweigerd.
De leden van het Hof van Policie gevoelden, bij eenig nadenken, toch ook de dwaasheid van hunnen eisch aan Bonham, om stellige bevelen van Z. K. H. niet ten uitvoer te doen leggen, en »zij waren geheel van haar stuk gebragt" (disconcerted) [1094]
Het Britsch Gouvernement had steeds begeerd, dat deze zaak in der minne geschiedde. Bent was aanbevolen zijne commissie met matiging waar te nemen. Hij moest zoo veel mogelijk de administrateurs het huishoudelijk bestuur overlaten, en de consignatiën, zoo veel mogelijk, op den ouden voet laten. Steeds moest hij voor oogen houden het eigenlijk doel zijner commissie, namelijk: dat het bestuur over de verhypothekeerde plantaadjes geregeld en behoorlijk ging, opdat zij, indien een gehoopte vrede tot stand kwam, zonder verwijl en met zoo weinig moeijelijkheid als mogelijk was, aan de eigenaars konden worden overgegeven, waardoor aan de bedoeling der Britsche regering zou worden voldaan. [1095]
Deze begeerte en bedoeling van de Britsche regering met Bents commissie, werden echter verhinderd, èn door de heftige tegenstand tegen die commissie èn welligt ook eenigermate door de heftigheid, waarmede Bonham dien tegenstand zocht te onderdrukken.
Bonham, die zich niet zoo spoedig uit het veld liet slaan, vaardigde den 2den Junij 1813 eene nieuwe proclamatie uit:
»Naardemaal de heer Bent, ontvanger en bestierder der eigendommen van afwezigen, aan ons heeft te kennen gegeven, dat onze Proclamatie de dato 15 Mei 1813, ontbiedende de houders van alle eigendommen, bij gemelde proclamatie uitgeduid om derzelver opgaven van dien, op of voor den 27sten Mei in te leveren, niet ten volle is worden nagekomen; zoo wordt bij dezen bekend gemaakt, dat ten dien einde een verder uitstel zal worden verleend, tot Donderdag den 10den dezer. Na welke dag de Administrateuren van Plantagiën in 't bijzonder, die verzuimen daaraan te voldoen, hiermede worden aangezegd, dat zij niet slechts in derzelver administratie zullen worden vervangen, maar benevens alle andere personen, die hieraan blijven in gebreke, aan zoodanige verdere poenaliteiten onderhevig zijn, als een besluitvolle ongehoorzaamheid aan zijner Majesteits bevelen, mogen noodzakelijk maken, hun op te leggen. En alzoo ons is ter kennisse gekomen, dat onderscheidene kwalijk gezinde lieden, zijn trachtende, om de gemoederen van het algemeen, met valsche geruchten te beangsten, aangaande de uitwerking van de bedoelde commissie; zoo wordt bij deze de ernstige waarschuwing gedaan, dat de allerstrengste maatregelen promptelijk zullen worden aangewend, tegen alle degeenen, die in het vervolg mogen bevonden worden, gebruik te maken, hetzij in gesprekken of anderzins, van al zulke onbehoorlijke en oproerige taal. Wordende al verder hiermede bevolen, dat wanneer eenige twijfel mogte ontstaan, aangaande eenige der pointen, in verband staande met den eigendom, waarop onze Proclamatie de dato 15 Mei 1813 is toe te passen, de belanghebbende personen zich om uitlegging zullen hebben te vervoegen, bij den gemelden ontvanger en bestierder den heer Bent, of wel aan ons, naar dat de omstandigheden der zaken, zullen schijnen te vereischen. En opdat niemand van deze onze Proclamatie eenige ignorantie zoude mogen pretenderen zal dezelve alom worden gepubliceerd en aangeplakt, ter plaatse waar men gewoon is zulks te doen, en van Plantagie tot Plantagie worden rondgezonden." [1096]
Den 20sten en 21sten Junij werden in nieuwe proclamatiën nader een en ander omtrent Bents commissie geëxpliceerd. Evenwel bleef er onwil heerschen. Bonham meende tot strengere maatregelen de toevlugt te moeten nemen. De Administrateuren Taunay, Winkelbach en Fuchtenberg hadden, zonder Bent hiervan kennis te geven, op eigen gezag 100 okshoofden suiker verzonden; allen werden daarop uit hunne administratiën van buitenlandsche eigendommen ontslagen; Taunay daarenboven als Raad van Policie. [1097]
Velen bleven achterlijk in de verpligte inzending van maandstaten der plantaadjes, zie proclamatie 15 Mei, aan John Bent, die daarom den 26sten Augustus 1813, de navolgende annonce deed:
»Daar verscheidene Directeuren van Plantagiën, onder de vereenigde administratie van den ontvanger en bestierder, in weerwil van Zijne Excellentie den Gouverneurs Proclamatie van den 21sten Junij 1813, nalatig geweest zijn om den gemelden ontvanger en bestierder, de maandelijksche lijsten, welke gerequireerd worden toe te zenden, zoo wordt aan zulke personen hiermede bekend gemaakt, dat er op den 15den dag van iedere maand een lijst van de namen der nalatigen, in dit respect aan den Fiscaal zal worden overgegeven, ten einde zijn Ed. tegen dezulken overeenkomstig de wetten kan procederen,--en de heeren Administrateuren worden verzogt, aan de onderscheidene Directeuren onder hun, hiervan kennis te geven, opdat zij geen onwetendheid zouden kunnen voorwenden van de straf, aan welke zij waarschijnlijk, door het volharden in hunne nalatigheid zullen onderworpen zijn.
(get.) Joh. Bent, Ontvanger en Bestierder."
Als voorname bezwaren tegen Bents commissie werden opgenoemd: 1o. zijne groote bezoldiging, die op 30,000 pond sterling 's jaars werd begroot; 2o. dat één man een zoo uitgebreide administratie niet behoorlijk kon voeren; 3o. dat er eene hardheid in lag voor sommige Londensche huizen hunne consignatiën te verliezen; en 4o. dat de verleiding voor Bent om gunsten te verleenen, te groot was.
Bent wederlegde die bezwaren in een brief, waarvan een extract door Bonham aan het Departement van kolonie werd gezonden. Op het eerste bezwaar, omtrent de te hooge bezoldiging, antwoordde Bent, dat dezelve niet zoo hoog was, als men veronderstelde; het zou veel wezen indien zijn inkomen 15,000 pond sterling bedroeg, en daarvan moest hij een dozijn klerken, een groot etablissement onderhouden. Wat het tweede bezwaar, de veronderstelde onmogelijkheid om zulk eene uitgebreide administratie alleen te houden betrof, toonde hij aan, dat die uitgebreidheid meer scheen, dan ze inderdaad was. Het geheele bestier der verhypothekeerde plantaadjes werd uitgeoefend door zeven of acht hoofdadministrateurs, die als het ware de geheele kolonie in bezit hadden; de verdere administrateurs waren het niet veel meer dan in naam en hun werkkring was tot het huishoudelijk bestuur der plantaadjes beperkt; op deze wijze werd reeds het toezigt over het geheel gemakkelijk gemaakt en verder, bij vermeerdering van werkzaamheden, vermeerderde Bent eenvoudig het aantal zijner klerken. Over het derde bezwaar, de onbillijkheid, dat sommige Londensche huizen hunne consignatiën door zijne commissie verloren, was hij zeer kort en merkte slechts aan, dat niemand, die eerlijk handelde door zijne commissie zou worden benadeeld en omtrent het vierde, de verzoeking om gunsten te verleenen, was genoeg waarborg te vinden, behalve in de bekende eerlijkheid van zijn karakter, in de omstandigheid, dat zijne mede-administrateuren, die hem zeer vijandig waren gezind, met arendsoogen zijne gangen nagingen en hem bij de geringste aanleiding hiertoe heftig zouden beschuldigen.
In dienzelfden brief deelt Bent mede, hoe de plantaadjes in Suriname onder hypothecair verband waren gekomen, hoe de bestuurders dier Fondsen in Holland, de administrateurs in Suriname benoemden; doch dat alles hebben ook wij reeds vroeger in de geschiedenis behandeld.
Verder beschrijft hij de wijze waarop door de gemagtigden (de administrateuren) de zaken werden bestierd. Het oordeel van Bent hierover is zeer ongunstig. Als een klein bewijs hoe de handelwijze dier heeren nadeelig voor de crediteuren was, verhaalt hij, dat van sommige inwoners, die hunne goederen aan personen in Holland bij erfenis vermaakt hadden, niet slechts de plantaadjes onder beheer der administrateurs bleven, maar dat dezen zelfs de getesteerde gelden in handen hielden, terwijl tegen deze handelingen niets was te doen; ook geen processen hielpen hiertegen, want daar de geregtshoven in Suriname grootendeels uit administrateuren bestonden, was hiervan geen regt tegen lieden van hunne soort te wachten.
Van de directeurs der plantaadjes getuigt Bent, dat zij een soort van dronken lieden waren, die de slaven allerwreedaardigst behandelden; zoodat het zeer noodzakelijk was, dat het Gouvernement zich het lot dier armen aantrok. »In geen deel der wereld," dus besluit hij zijnen brief, »hebben zoo vele misbruiken van allerlei aard plaats, als hier."
Bent begeerde die misbruiken te keer te gaan en daartegen doortastend te handelen. Het schijnt o. a., dat er kwade trouw plaats gehad heeft bij het aankoopen van benoodigdheden voor de plantaadjes, want den 14den October 1813, deed hij de navolgende aankondiging:
»Zeer buitensporige prijzen gebleken hebbende in de laatste maandlijsten wegens gedane leverantiën, ten behoeve van sommige plantagiën, onder mijne mede-administratie en beheering, zoo geve ik aan een ieder, die zulks aangaat kennis, dat bij de jaarlijksche betaling van de rekeningen van plantagies, geene zullen worden goedgekeurd, zonder dat de bewijzen, waaruit dezelve gefourneerd zijn, eerst ten deze comptoiren zullen zijn geapprobeerd geweest, ter verkrijging van welke het ten allen tijden noodzakelijk zal zijn, om de Requisitie te vertoonen, met de prijzen gesteld nevens ieder Articul dat gerequireerd werd.
John Bent. Ontvanger en Bestierder [1098]."
Om alle mogelijke knoeijerijen bij den verkoop der producten tegen te gaan, werd door Bonham besloten, die voortaan publiek te doen plaats hebben; waartoe hij 11 December 1813 de volgende proclamatie uitvaardigde:
»Naardemaal in aanziening van onze proclamatie de dato 21 Junij 1813, als ook die van vroegere datum, waarbij de pligten van den ontvanger en bestierder, aan zijde van de kroon, als mede van de administrateuren, aan zijde van de afwezige eigenaren zijn werden gedetailleerd, het aan ons als oirbaar is voorgesteld, om met de tot dusverre gebruikelijke wijze van het uit de hand verkoopen van producten, gepercipieerd op de plantagiën onderhevig aan de commissie van den ontvanger en bestierder, te doen veranderen, in een publieke verkoop, bij advertissementen en inschrijvingen.
Zoo lasten en bevelen wij bij dezen, dat de voormelde wijze onverwijld zal worden aangenomen, en, ten einde hetzelve onmiddellijk effect te doen sorteren, zoo worden de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, ontboden om aan den gemelden ontvanger en bestierder, lijsten in te zenden, van zoodanige quantiteiten en qualiteiten van producten, waarvan de verkoop noodzakelijk zijn mag ter betaling van de binnenlandsche onkosten; ten einde hij tot den verkoop derzelve, de noodige advertentie kan doen, tegen zoodanige tijdstippen, als voor de belangens van de kroon meest raadzaam en voordeelig moge geoordeeld worden, werdende den gemelden ontvanger en bestierder hiermede gelast, om alle inschrijvingen, welke ingevolge zijne advertissementen mogen gedaan worden, in onze tegenwoordigheid te openen, wanneer de, voor de respectieve eigendommen, voordeeligste aanbiedingen, mits geapprobeerd zijnde, zullen worden aangenomen.
Ende wij waarschuwen op de ernstigste wijze hiermede, alle de vreedzame en welgezinde ingezetenen dezer kolonie, tegen de arglistigheden van zekere lieden, die trachtende zijn, om twijfelingen en angstvalligheden in de gemoederen van het algemeen te prenten, en wij gelasten insgelijks mits dezen, dat, bij aldien er wegens den inhoud van onze proclamatie de dato 21 Junij of van eenige ander onzer proclamatiën of notificatiën eenig onderscheid van gevoelen mogt ontstaan, ten aanzien van de magt, en de pligten van den gemelden ontvanger en bestierder, en van de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, de gemelde partijen of wie het ook zij, die zichzelve beschouwen, als te zijn aangedaan, buiten de bedoeling van onze onderscheidene beschikkingen, derzelver respectieve gevallen, aan ons zullen overlaten, als het opperhoofd dezer kolonie, om door ons dadelijk te worden geredresseerd of geëxpliceerd.
En opdat niemand van deze onze proclamatie eenige ignorantie zouden pretendeeren, zal dezelve alom worden gepubliceerd en geaffigeerd, ter gewoonlijke plaatsen, en van plantagie tot plantagie worden rondgezonden.