Part 44
Met Bentinck kwam mede: een predikant voor de Hervormde Gemeente, Ds. P. van Esch, die vroeger op Curaçao had gestaan en een Duitsch Geneesheer Dr. Suppert. De Hervormde Gemeente te Paramaribo was reeds twee jaren zonder leeraar geweest; de Engelsche Gouverneurs hadden telkens het verzoek van het Hof van Policie ter voorziening in dat gemis, aan het Britsche bewind, ondersteund; doch men had niet spoedig een geschikt persoon hiervoor kunnen vinden. Aan Bentinck, die er zich te Londen moeite voor gaf, was dit eindelijk gelukt. [1064]
De komst van Ds. van Esch vervulde eene lang gevoelde behoefte, daar de kerkedienst nu weder geregeld kon worden waargenomen, en men hiervan goede verwachting koesterde ter bevordering van Godsdienst en zedelijkheid. Ook het schoolonderwijs bevond zich ter dien tijd in een ellendigen toestand; doch in hetzelfde jaar 1809 kwam de bekwame schoolonderwijzer Johannes Vrolijk in de kolonie. Hij was een inboorling van Suriname, een kleurling, en had in Nederland zijne opleiding genoten. Van toen af werd er spoedig eene verbetering bespeurd, die waarlijk verrassend was. Vrolijk had weldra eene groote welbezochte school en vormde zeer kundige leerlingen, die in de Surinaamsche maatschappij het sieraad uitmaken van den kring, waartoe zij behooren. De vermeerdering van het personeel der Geneesheeren door de komst van Dr. Suppert was mede een gewenschte aanwinst.
Baron Bentinck was door de blanke bevolking zeer bemind; hij trachtte, zoo veel mogelijk, hun belang te bevorderen: hij ging hierbij zelfs zoo ver, dat hij de belangen der Britsche regering, wier behartiging hem in de eerste plaats was toevertrouwd, wel eenigermate uit het oog verloor. Van geen der, in den Engelschen tijd, geregeerd hebbende Gouverneurs, bestaat zoo weinige officieele Correspondentie; daarom moeten de bijzonderheden, omtrent zijn bestuur, voornamelijk worden ontleend aan brieven, memoriën en verschillende andere stukken door zijn opvolger aan het Britsch Gouvernement overgelegd, en die misschien niet geheel onpartijdig zijn.
Voor zoo veel wij uit officieele en andere stukken kunnen opmaken, komt het ons voor, dat Baron Bentinck een goed man was, die werkelijk het welzijn van Suriname bedoelde.
Evenmin echter kan het worden ontkend, dat hij, door te groote toegevendheid en door den invloed van verkeerde raadslieden, bij gebrek aan genoegzaam doorzigt, een verwarden staat van zaken, voornamelijk wat de geldmiddelen betrof, veroorzaakte. Dat hij zelf geheel ter goeder trouw en niet met zelfzuchtige bedoelingen heeft gehandeld, vermeenen wij, dat buiten twijfel is.
Scheen bij de komst van Bentinck alles rustig te zijn, het bleek echter weldra, dat ontevredenheid onder de Aucaner-negers heerschte, omdat zij de gewone geschenken niet op hun tijd hadden ontvangen.
Bentinck trachtte hen, zoo goed mogelijk, te bevredigen, en drong bij het Britsch Gouvernement sterk aan, dat weder de gewone uitdeeling zou plaats vinden; daar hij zonder deze voor het uitbreken van vijandelijkheden beducht was [1065].
Ook werd er onrust in de Kolonie verwekt door zekeren Engelschman, Maxwill genaamd, die zich, bij uitvoerig schrijven, aan den Britschen Secretaris van staat, zeer over Bentinck beklaagde. Maxwill noemde den Gouverneur een vreemdeling, die geheel onder den invloed van anderen, voornamelijk onder dien van den Oud-Gouverneur Friderici staande, niet meer dan eene machine was. Hij beschreef Bentinck verder als omringd door vleijers, met name Anthony White, kapitein Pearce en Martijr, welke laatstgenoemde ook vroeger de raadsman van Hughes was geweest; doch aan wien Hughes nog vóór zijn dood het huis had verboden, en de in 1807 ontslagen, doch sedert op nieuw aangestelde 2de Fiscaal (Lolkens.)
Maxwill deelde verder mede, dat hij stappen had gedaan, ter ontdekking van een complot tegen Z. M. Deputy-Commissaris-Generaal Alexander, in welk complot ook Bentinck was gewikkeld. Waarin dat complot bestond, verhaalde hij niet; maar wel weidde hij veel uit over zijne gevangenneming, en slechte behandeling in den vunzigen kerker van het fort Zeelandia.
Of dat complot ergens elders dan in het brein van Maxwill heeft bestaan hebben wij niet kunnen ontdekken; veeleer komt het ons waarschijnlijk voor, dat Maxwill den Gouverneur en den Fiscaal had beleedigd en dien ten gevolge in de gevangenis is geworpen. [1066]
Keizer Napoleon, die zijn meestersstaf toen ook over ons vaderland zwaaide, had bij het zoogenaamde continentaal stelsel den invoer van koloniale producten verboden; al die voortbrengselen vervulden dus nu de markten van Engeland. Ook de Surinaamsche planters consigneerden hunne producten naar Engeland, waartoe zij verpligt waren. De aan Hollandsche kooplieden verschuldigde sommen wegens opgenomen gelden en de intresten daarvan konden dus niet worden betaald; want suiker enz. kon niet worden verzonden en geld bezat men niet; evenwel werden door gelastigden der Hollandsche kooplieden sommige personen in Suriname voor schulden geregterlijk vervolgd. Verscheidene kolonisten dienden in October 1811 een verzoekschrift in, dat alle vervolgingen, omtrent schulden aan Hollandsche Kooplieden, zouden worden geschorst, daar men thans om boven vermelde redenen, toch in de onmogelijkheid was, om ze te kunnen voldoen. Dit verzoekschrift werd in handen gesteld van de Reus, Raad-Fiscaal, die er gunstig op adviseerde, waarna het werd toegestaan. [1067]
De schuldenaars werden hierdoor tijdelijk uit hunnen druk verlost; doch bij velen was het nu, alsof zij geheel en voor altijd van het betalen hunner crediteuren vrij waren en--zij rigtten daarnaar hunne levenswijze en verteringen in en maakten weldra nieuwe schulden bij de Engelsche handelshuizen, die wederom voorschotten gaven en wel in ruime mate.
Men baadde zich in overdaad; de verkwisting van sommige kolonisten kende geen palen; »waarom zou men zuinig zijn?" redeneerden velen: »men had nu geld genoeg; want men behoefde geene remises naar Nederland te doen, en Engeland gaf hooge voorschotten."
Zoo redeneerden velen en handelden dien overeenkomstig; zoo leefde men in begoocheling voort en bedacht niet, dat de in Holland opgenomen gelden, door de jaarlijksche renten aanmerkelijk grooter werden.
In Suriname leefden velen volgens het ligtzinnig beginsel »après nous le déluge" zorgeloos voort, en thans vermeenden zij dit te meer te kunnen doen, daar de landbouw niet achteruit ging; want was wel door de wet op de afschaffing des slavenhandels de invoer van slaven verboden, ter sluiks werden genoegzaam negers ingevoerd; men behoefde dus hunne krachten niet te sparen en de handel zelfs bloeide.
De belangen der Surinamers werden te Londen door Agenten, welke door het Hof van Policie werden benoemd, getrouw en ijverig behartigd [1068], en in de kolonie zelve heerschte overal bedrijvigheid, zoodat ook de mindere klasse ruime verdiensten had.
Ook bestond er vrij algemeen eene goede gezindheid der Engelschen jegens de Surinaamsche burgers. Tot bewijs daarvan strekt o. a., dat de Engelsche officieren tooneelstukken in het gebouw van het tooneelgezelschap der Joden, de verrezene Phoenix, opvoerden, en de opbrengst van dergelijke voorstellingen, bezigden, om personen, die voor schulden in de gevangenis zaten, uit hunnen kerker te verlossen. Dit doel werd bij de aankondiging der te geven stukken, bepaaldelijk uitgedrukt, en de voorstellingen werden druk bezocht, zoodat menigeen de weldadige vruchten daarvan heeft gesmaakt.
De Joden echter werden in den Engelschen tijd vernederd en achteruit gezet. Zij mogten geene openbare bedieningen waarnemen; ten minste zij werden er niet toe geroepen.
Bentinck verpligtte de bevolking zeer aan zich, door te bepalen, dat voor de nieuwe kerk der Hervormde Gemeente, die men te Paramaribo wilde bouwen en waarvan de kosten op f 300,000 waren begroot, 1/3 dier kosten uit de Souvereins of 's Konings kas zou worden verstrekt. [1069]
Na deze gunstige toezeggingen van Bentinck, in de vergadering van het Hof van Policie op 1 Junij 1810, ging men weldra aan het bouwen; den 26sten Junij 1810 werd de eerste steen gelegd en reeds in 1811 werd de kerk voltooid. Zij werd koepelvormig gebouwd, op acht fraaije pilaren rustte het dak, verder prijkte zij met een goed orgel; doch naar derzelve inwendige ruimte of breedte was zij wat te laag. [1070]
Won Bentinck door dergelijke mildheid de liefde der Surinamers, nog meer steeg zijn aanzien bij hen door het volgende:
Na den opstand van sommige negerjagers was het corps gereorganiseerd, en ofschoon die nieuwe inrigting van hetzelve vrij wel aan het doel beantwoordde, waren de kosten voor onderhoud vermeerderd. Volgens de overeenkomst door Trigge en Hood met Friderici gemaakt, en sedert niet ingetrokken, moest dit corps uit de koloniale fondsen worden onderhouden. Reeds tijdens het bestuur van Hughes had men ondersteuning hiertoe verzocht (zie bladz. 544); doch op die vraag was geen antwoord gekomen. Het Hof wendde zich nu tot Bentinck en deze toonde zich niet ongenegen dit verzoek toe te staan, en--in de vergadering van 30 Augustus 1809--werd door hem aangenomen, om wat het onderhoud van het vrij-corps jaarlijks meer dan f 600,000 zou kosten, uit 's Konings kas te betalen. Het Hof had gewenscht, dat de som, door de koloniale kassen te dragen, op slechts f 500,000 werd bepaald; doch nam echter het aanbod van Bentinck dankbaar aan, onder voorwaarde, dat onder die som van f 600,000 tevens gedeeltelijk het onderhoud van het cordon, zoude worde begrepen. [1071]
Bentinck beging hier, geheel ter goeder trouw, eene groote onvoorzigtigheid; want toen men die toezegging had, bekommerde men er zich niet meer over, hoeveel het onderhoud meer zou kosten. Ruw werd er met de gelden omgesprongen en alzoo werden de kosten, in het jaar 1811, tot ongeveer f 1,200,000 opgevoerd. Dit alles kwam echter eerst na den dood van Bentinck aan het licht.
Bentinck overleed den 8sten November 1811 [1072]; zijn overlijden werd door de blanke bevolking met droefheid vernomen; de Surinaamsche couranten vermelden, met lof, zijne regtvaardigheid, zachtmoedigheid en verdraagzaamheid; en de dankbare burgerij rigtte hem later in de nieuw gebouwde Hervormde kerk te Paramaribo, een marmeren gedenkteeken op.
De Majoor-Generaal Pinson Bonham aanvaardde voorloopig het bewind, en werd 30 Mei 1812 definitief tot Gouverneur van Suriname benoemd.
Bonham was een geheel ander man dan Bentinck. Was Bentinck een goed doch tevens een zwak man, die zich te veel door anderen leiden liet; Bonham daarentegen bezat kracht, zelfstandigheid en energie. Met een vaste hand greep hij de teugels van het bestuur en ontzag niemand, waar hij vermeende dat zijn pligt hem gebood. Hij vond een verwarden stand van zaken in Suriname; hij wenschte dien te verbeteren èn orde èn regel in de verschillende takken van bestuur te doen heerschen. Dit echter was een moeijelijk werk; de tegenstand, dien hij daarbij ondervond, maakte hem soms bitter, en hooghartige trots deed hem soms de vereischte matiging uit het oog verliezen. Bonham was streng regtvaardig; hij bezat evenwel een medelijdend hart; want geen der vorige Gouverneurs trok zich het lot der arme slaven zoo krachtig aan, als Bonham. Wij zullen hem nu handelend zien optreden en onthouden ons van verdere aanmerkingen.
Zoodra Bonham het bewind had aanvaard, trachtte hij den wezenlijken stand van zaken te leeren kennen. Al dadelijk trof hem de slechte staat der finantiën. In de souvereins- of koningskas bevond zich slechts: aan papieren geld f 57,055, aan klinkende specie f 7,233, te zamen f 64,288.10. [1073] Dit geringe saldo in 's konings kas, noopte hem, om onmiddellijk een streng onderzoek naar de oorzaken daarvan in te stellen.
Al spoedig zag hij, dat men zijn voorganger met slechten raad gediend had, waarop hij onmiddellijk de voornaamste raadgevers van Bentinck, als: De Reus, Raad Fiscaal, en H. L. Meynertzhagen, Raad Boekhouder-Generaal, uit hunne functien ontsloeg en de heeren Egbert Veldwijk en Andrew Melville provisioneel in hunne plaats aanstelde.
Bonham ontdekte verder, dat bij ieder departement eene onbeschrijfelijke wanorde heerschte; bijna zoude men zeggen, dat de kolonie in staat van bankroet was; de wisselkoers voor een pond sterling bedroeg f 45 en zoo was alles naar evenredigheid. Dit moest anders worden. Vooral was men ten opzigte van de uitgaven voor het vrijcorps op ruwe en verkwistende wijze te werk gegaan. De administratie was op een veel te omslagtigen en kostbaren voet ingerigt. Twee en zestig personen waren voor een corps, dat slechts 380 man bedroeg, in onderscheidene betrekkingen geëmploijeerd en genoten bezoldiging; de Reus alleen ontving als Commissaris jaarlijks f 30,000. En dan de wijze van administratie! Door de Reus was met zekeren Cairstairs een contract aangegaan, tot levering van voedingsmiddelen voor genoemd corps, voor drie maanden a f 200,000; bij een ander contract was daarenboven aanbesteed: het leveren van rum en zoutevisch, mede voor drie maanden, voor f 100,000. Bentinck had te ligtvaardig contracten goedgekeurd, waardoor de kosten tot onderhoud van het vrijcorps, meer zou hebben bedragen dan de inkomsten der koloniale en souvereins-kassen te zamen.
Op voorstel van Bonham gaf het Hof als zijn gevoelen te kennen, dat Bonham niet gehouden was, om de door de Reus met Cairstairs aangegane contracten gestand te doen. Zij werden dan ook weldra door den Gouverneur vernietigd. [1074]
Daar er overal verwarring in de koloniale kassen heerschte werd er eene finantiële commissie, tot nader onderzoek, ingesteld; deze bestond uit den nieuwen Boekhouder-Generaal en de door het Hof benoemde heeren Eysma en Friderici. [1075] Uit dit onderzoek bleek weldra, dat er in de koloniale kas een deficit was van f 535,950.15. Om in de loopende en volstrekt noodige uitgaven evenwel te voorzien, had men de gelden die door het bestuur der weeskamer in de koloniale kas waren gedeponeerd, gebruikt; tevens waren nog vele schulden te betalen. [1076] Bij de verificatie der rekening van de Reus, als Commissaris van het jagercorps, werd door den nieuwen Boekhouder-Generaal al dadelijk een abuis ontdekt van f 23,000, welke som (volgens Bonham) de Reus in zijn eigen zak (his own pocket) had gestoken. [1077]
Kende Bonham nu den stand der zaken, hij was ook ijverig bedacht om hierin verbetering te brengen en dit zonder tot het anders zoo gewone middel, het maken van nieuw kaarten geld, zijne toevlugt te nemen. In vereeniging met het Hof voerde hij een betere heffing van de onderscheidene belastingen in; vele onregelmatigheden hielden hierdoor op en de gewone belastingen bragten nu veel meer op. Verder maakte hij het den onderscheiden ambtenaren tot pligt, om in al hunne administratiën eene behoorlijke zuinigheid in acht te nemen; en zoo nam Bonham voor, de evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven te herstellen.
Dit voornemen werd met ijver en energie ten uitvoer gelegd, en de uitkomst bekroonde de verwachting. Reeds in Julij 1813 kon Bonham aan het Britsch-Gouvernement berigten, dat, bij het einde van 1812, het deficit in de koloniale kas, groot f 335,950.15, geheel gedekt was; dat er bovendien in de eerste negen maanden, meer dan f 1,000,000 betaald was, wegens schulden, tijdens het driejarig bestuur van Bentinck gemaakt en onbetaald gebleven; en eindelijk, dat er nu, in plaats van een tekort in de kas, een saldo aanwezig was van f 99,180.16.1 1/2. Omtrent het vrijcorps meldde hij, dat de uitgaven voor hetzelve in de jaren 1809, 10 en 11, f 490,000 meer beliepen dan de door het Hof hiervoor gestelde som van f 600,000; en dit aanmerkelijk te kort door de souvereins-kas was gedekt; dat die uitgaven, zoo de contracten door de Reus met Cairstairs en anderen gesloten, waren nageleefd, in 1812 nog oneindig veel grooter zouden zijn geweest; terwijl zij thans door zijne bezuinigings-maatregelen, nog f 821.13 minder dan de door het hof toegestane som van f 600,000 hadden bedragen; zoodat uit de souvereinskas hiertoe geen penning behoefde bijbetaald te worden.
Het batig saldo van de souvereinskas bedroeg bij het einde van 1811 f 85,178.17.3 1/2; in dat jaar waren eraan buitengewone inkomsten voor eene som van f 187,317.10 ontvangen; daarentegen bevond zich in genoemde kas, bij het einde van 1812 (het eerste van Bonhams bestuur) eene som van f 487,213.10.13 1/2, niettegenstaande er ter reparatie van het Gouvernementshuis alleen f 61,328.83 alleen was noodig geweest. [1078] De rekening der souvereins en der koloniale kassen van 1804 tot het einde van 1812 werden, op last van Bonham, door den Boekhouder-Generaal Melville, in behoorlijke orde opgemaakt en naar Engeland overgezonden.
De finantiën werden gedurende het bewind van Bonham geregeld en ordelijk bestuurd; onnoodige uitgaven vermeden en verkwisting tegen gegaan. Uit 's konings kas werden van tijd tot tijd aanzienlijke sommen naar het Britsch Gouvernement overgemaakt; in de koloniale fondsen heerschte evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven; en er werd geen nieuw kaartengeld uitgegeven; integendeel in 1814 werd voor f 150,000 vernietigd. Het vertrouwen herleefde en de wisselkoers, die in 1811 eindelijk tot f 48,10 voor een pond sterling gestegen was, daalde in korten tijd tot f 25.
De nog door Bentinck (17 October 1811) bevolen volkstelling, zoowel van slaven als vrijen, werd onder Bonhams bestuur ten einde gebragt. De origineele staten dezer met groote zorg uitgevoerde volkstelling, zijn behoorlijk ingebonden in 16 folio deelen en berusten thans op H. B. M. state-papers-office te Londen. [1079]
Volgens deze volkstelling bestond de Portugesche Israëlitische gemeente uit 745 blanken en 79 kleurlingen bezittende 824 slaven; de Duitsche Israëlitische gemeente uit 547 blanken en 16 kleurlingen, bezittende 563 slaven; de Christengemeente uit 737 blanken (2/3 der blanken waren Joden). Het aantal vrije kleurlingen en negers, zoo Christenen als Heidenen bedroeg 2980, dus de geheele vrije bevolking 5104; de particuliere slaven 7115 en de plantaadje-slaven 42,223, met die der Joden (1387) te zamen 50,725. De geheele bevolking van Suriname, uitgezonderd de militairen, bedroeg alzoo 55,829 zielen. [1080]
Het predikambt werd bij de Hervormde gemeente bekleed door Ds. P. van Esch; bij de Luthersche door Ds. J. Koops en de kerkelijke diensten bij de Roomsch Catholieken waargenomen door een pastoor wiens naam niet genoemd wordt. Ds. van Esch ontving uit de koloniale kas f 1700, uit de souvereinskas f 5000; Ds. J. Koops uit eerstgenoemde f 500, uit de tweede f 500; de R. C. pastoor ontving van zijne gemeente ongeveer f 12,000.
Verder waren er eenige Moravische zendelingen, die in hunne kapel elken avond godsdienstoefening hielden, welke altijd vóór 8 ure was afgeloopen, omdat na dien tijd geen slaaf zich op straat mogt vertoonen zonder verlofbriefje van zijnen meester [1081]; en de meeste bezoekers dier kapel behoorden tot den slavenstand. Ook in de districten bevonden zich eenige zendelingen dier gemeente. Bonham legt omtrent hen een gunstig getuigenis af. »Zij voorzien geheel in hunne eigen behoeften. Zij werken met veel zegen; nimmer hoort men van eenige ongeregeldheden door hen verwekt, of worden klagten tegen hen vernomen." Hunne gemeente bestond uit 83 vrije negers, 20 vrije kleurlingen; 526 neger- en 21 kleurlingslaven. [1082]
Sedert de verovering van Suriname door de Engelschen, was er geen geestelijke (Clergyman), om de dienst, naar de gebruiken der Engelsche kerk, voor zijne landslieden te houden. Bonham wenschte hierin voorziening te brengen; hij bragt deze zaak in de vergadering van het Hof ter sprake, en, na eenige bezwaren, verkreeg hij de toestemming, om de zaal, boven de vergaderplaats van het Hof, vroeger als Hollandsch bedehuis gebruikt, voor de godsdienstoefening, volgens de Engelsche ritus, te gebruiken. Met eene uitgave van 150 pond sterling werd die zaal voor bedoeld gebruik geschikt gemaakt. Bonham stelde den Garnizoens-prediker Rev. M. Austin tot Official Clergy-man of the English congregation in Suriname aan. Austin ontving de bevoegdheid, om te doopen, huwelijken te sluiten, de lijkdienst voor gestorvenen te lezen, etc. »Tot dien tijd," schrijft Bonham, »werden de Engelschen in Suriname als honden, d. i. zonder eenige plegtigheid begraven." Het Hof stond als tractement voor den Engelschen predikant f 5000 toe; Bonham voegde uit de souvereinskas er f 5000 bij, dus te zamen f10,000; dat evenwel bij den toenmaligen wisselkoers niet veel meer dan 250 pond sterling bedroeg [1083].
Onder het bestuur van Bentinck was (3 November 1810) een schip, bestemd voor de Nickerie, met 21 slaven voor Paramaribo aangekomen. De beambten aan het customhouse hadden er beslag op gelegd, daar door dien invoer tegen de wet van de afschaffing des slavenhandels werd gehandeld. Bentinck kwam echter tusschen beide en verklaarde dit voor een bijzonder geval, een dat hem bekend was, en de aangebragte slaven werden in de gevangenis van de fortres Zeelandia opgesloten en bevonden er zich nog tijdens Bonhams komst aan het bestuur. Bonham vroeg, zoodra hij hiervan kennis had gekregen, aan het Britsch Gouvernement, hoe in dit geval te moeten handelen. [1084] Hij ontving hierop tot antwoord, dat die slaven, als tegen de wet ingevoerd, als vrijen moesten verschoond en goed behandeld worden; zij konden ook als soldaten bij het W. I. regiment worden ingedeeld. Bentinck had er niets van medegedeeld, doch dit was zoo zijne gewoonte. [1085] Bij een nader onderzoek, door Bonham ingesteld, bleek het dat de bedoelde slaven beschuldigd waren van op Martinique »met vergif te hebben omgegaan", en daarom voor eene geringe som waren gekocht door zekeren heer Bent, die in Suriname eene plantaadje had. Hun getal was tot veertien gedaald; zij waren oud; verscheidenen onder hen leden aan verlamming; voor de militaire dienst of voor den arbeid waren ze geheel ongeschikt; ze vrij te geven was gevaarlijk en niemand wilde ze in huis nemen. »Ik heb", schrijft Bonham, »regt medelijden met die arme schepsels, en vind het het beste, om ze naar het etablissement te zenden, waar de tot dwangarbeid veroordeelde negers zijn; daar kunnen zij behoorlijk gekleed en gevoed worden en stillekens voortleven." [1086] Het Britsch Gouvernement was hiermede echter nog niet tevreden en verlangde hunne geheele in vrijheidstelling, waaraan door Bonham werd voldaan. [1087]
Was Bonham streng regtvaardig, hij bezat echter, zoo als wij reeds vroeger hebben aangemerkt, een medelijdend hart en trok zich het lot der verdrukte slaven aan. Telkens vindt men hiervan het bewijs in zijne uitspraken aan de Britsche regering. Hij was verontwaardigd over de wreede wijze, waarop sommige kolonisten jegens hunne slaven te werk gingen.
»Ik heb," schreef hij o. a. aan lord Bathurst, »21 jaren in de West-Indiën verkeerd, en in iedere kolonie heb ik steeds gehoord, dat het eene zeer zware straf voor een neger was, om hem aan een planter in Suriname te verkoopen, en ik bevind nu dat zulks waarheid is." [1088] »Ik ben nog in geene kolonie geweest, waar de slaven zoo slecht worden behandeld, zulk slecht voedsel en zulke sobere kleeding ontvangen en waar zij toch tot zulk een zwaren arbeid, boven hunne krachten worden genoodzaakt." [1089] Bonham vergenoegde zich echter niet met zijne verontwaardiging te betuigen, maar nam maatregelen ter verbetering van het lot dezer ongelukkige wezens (those unfortunate Beings.) Om willekeurige afstraffingen, ten minste eenigermate tegen te gaan, vaardigde hij den 14den Mei 1814, de navolgende publicatie uit:
»Een iegelijk word hiermede gewaarschuwd van geen slaven in het binnen-fort (Zeelandia) te zenden, om gestraft te worden, zonder een schriftelijke aanklagt van de misdaad aan welke dezelve zich hebben schuldig gemaakt, aan de cipier over te geven, welke niet verpligt zal zijn, een eenige slaaf onder zijne bewaring te nemen, zonder zulk een getuigschrift.