Part 43
De eischen van godsdienst en menschelijkheid hadden over die van zelfzucht en eigenbelang gezegevierd: Engeland had den eersten stap op den goeden weg gedaan, die weldra door de andere Europesche mogendheden werd nagevolgd; en--hoezeer men zich in Suriname over dien maatregel beklaagde--men was genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Men deed dit echter noode en trachtte nu zich door den sluikhandel in slaven schadeloos te stellen, en alzoo werden nog jaarlijks vele dier ongelukkigen ingevoerd. Vooral werd die sluikhandel in het district Saramacca gedreven. Reeds vroeger was de aanmerking gemaakt, dat door de onder Friderici plaats gehad hebbende uitgifte van gronden ter cultivatie, die in genoemd district gelegen waren en het dientengevolge omhakken der bosschen aan den zeekant, de verdediging der kolonie moeijelijk was geworden, omdat de vijand daar landingsplaatsen kon vinden. Bleef dit echter moeijelijk voor zware oorlogsschepen, ligtere vaartuigen, en men bezigde na de afschaffing des slavenhandels, kleine doch snelvarende schepen, om de slaven ter sluik in te voeren, konden er hunne lading meermalen ongehinderd aan wal brengen. Zelfs spreekt men van kanalen, die opzettelijk tot dit doel zijn gegraven. Om deze kwade praktijken tegen te gaan verbood Hughes, bij proclamatie, de verdere cultivering dezer gronden [1033]. En toch niettegenstaande al deze voorzorgsmaatregelen begroot men het getal der slaven, die jaarlijks ter sluik werden ingevoerd, op duizend.
Tijdens het bestuur van Hughes vond eene gebeurtenis plaats, die de gemoederen van velen met schrik en angst vervulde. Het corps negerjagers, dat de Kolonie, in den strijd tegen de Marrons, zoo veel dienst had bewezen, strekte later voornamelijk ter bezetting van het Cordon, dat onder Nepveu was aangelegd, ten einde de Kolonisten voor de overvallen en strooptogten der wegloopers te beveiligen. Ook nu lagen op de onderscheidene militaire posten detachementen van dit corps. Het onderhoud van dit corps kostte veel, maar toch was men zoo algemeen van de noodzakelijkheid en het nut van dit corps overtuigd, dat men zich gewillig die kosten getroostte: aan hunne getrouwheid was nimmer getwijfeld.
Men stelle zich de ontsteltenis voor, die het berigt te weeg bragt: »Een detachement der Negerjagers, op de posten Oranjebo en Imotapie, bij de Boven-Commewijne, heeft gerevolteerd en twee officieren, een sergeant, twee commissarissen en de Directeur eener plantaadje (allen blanken) vermoord; men heeft de muitelingen dadelijk door eenige soldaten en getrouw gebleven Negerjagers doen vervolgen, doch zij zijn naar Armina, bij de Marowijne gevlugt, en om hen aldaar, dat drie dagreizen verder, in een onbewoond oord ligt, te vervolgen is bijna onmogelijk."
Het getal der op de beide genoemde posten gerevolteerden bedroeg 30 man; 30 negers eener naburige plantaadje hadden gemeene zaak met hen gemaakt en waren mede gegaan; men vreesde, dat ook de Negerjagers van de post Armina, 20 in getal, deel aan het complot hadden--en dan wie wist hoe ver het zich uitstrekte. De vrees omtrent de bezetting van de post Armina bleef gegrond te zijn.
De revolterende Negerjagers kwamen aan gezegde post; het aldaar gestationeerd detachement vereenigde zich met hen, de aanwezige blanken, de officieren en chirurgijn werden vermoord; een ander detachement aan de post Mapane revolteerde mede en trok zich in de bosschen terug; de officieren en de sergeant ontsnapten echter gelukkig. Het geheele getal der oproerlingen bedroeg nu tusschen de zestig en zeventig zielen. [1034]
De eigenlijke beweegredenen tot dezen opstand liggen in het duister. Er schijnt geene voorafgaande muiterij te hebben plaats gehad, doch het plan tot den opstand was reeds gevormd toen de Majoor Gordon de Negerjagers op de Brandwacht, lang vóór de komst der Britsche troepen, commandeerde. Of de zucht naar geheele onafhankelijkheid hen tot deze daad heeft bewogen; of dat zij in den laatsten tijd minder goed behandeld waren, hetgeen het Britsche Gouvernement waarschijnlijk achtte [1035], en zij, daarover wrevelig, tot opstand overgingen; of dat, gelijk door sommigen beweerd werd, de planters, voor hooge prijzen, slaven aan het vrijcorps hadden afgestaan, die door hun oproerigen aard reeds op de plantaadjes gevaarlijk waren, wagen wij niet te beslissen. Misschien wel hebben al deze genoemde oorzaken in meerdere en mindere mate hiertoe medegewerkt. Hoe dit dan ook ware, het was een onrustbarend feit; want--het corps dat, vóór den opstand, uit 20 onder-officieren en 336 manschappen bestond, werd hierdoor aanmerkelijk verzwakt, en men voelde vrees omtrent de getrouwheid der overigen. Die vrees, ofschoon niet ongegrond, werd echter niet verwezenlijkt: de opstand breidde zich niet verder uit. Hughes nam evenwel de voorzorg, om op de posten bij het Cordon, die tot hiertoe alleen aan de Negerjagers waren toevertrouwd, ook andere soldaten te plaatsen en--sedert was daar, gedurende het Engelsch bestuur, eene vrij sterke militaire magt aanwezig.
Een ander bezwaar was:
Zeventig à tachtig goed gewapende negers, met de wijze van krijgvoeren in de bosschen bekend, stonden vijandig tegen de blanke bevolking over; zij vereenigden zich met de Bonni-negers en deden de kolonisten door rooven en plunderen en wegvoeren van slaven, in gestadige angst leven. Zij waren stoutmoedig genoeg: want in November vielen de opstandelingen en een groot aantal Bonni-negers, de nu door soldaten bezette post Armina aan; doch door het dapper gedrag der bezetting werden zij, na een hardnekkig gevecht, genoodzaakt af te trekken [1036].
Men beproefde om hen in hunne schuilhoeken te vervolgen, doch nutteloos. Hughes begaf zich in persoon naar Armina, ten einde het terrein te verkennen en daarna maatregelen te nemen; hij zag echter de onmogelijkheid in, om met eenige hoop op goed slagen, dieper de bosschen in te dringen en hij moest onverrigter zake terug keeren [1037].
Later vielen vier der oproerlingen den blanken in handen; list vermogt meer dan geweld. Een plantaadje-slaaf was door de muiters met geweld van zijne plantaadje gesleept, en werd hard door hen behandeld. Streng bewaakt, was het hem onmogelijk te ontsnappen, totdat zich eindelijk eene gelegenheid opdeed, om uit hunne magt te geraken, welke hij gretig aangreep. De muiters verlangden vrouwen te bezitten, en hun gevangene verhaalde hun nu, dat hij, op de plantaadje zijns meesters eene zuster en twee nichten had, die zich ongetwijfeld zouden verheugen, als zij bij de geheel vrije negerjagers mogten wonen; doch zij hadden geene gelegenheid om van haren meester te ontvlugten. Hij deed hen daarop een voorslag dien zij eerst mistrouwden, daarna bespraken, en eindelijk besloten ten uitvoer te leggen. Na eene sterke bedreiging van den plantaadje-slaaf, dat zij hem, bij het geringste blijk van verraad, zouden dooden, werden vier man, behoorlijk gewapend, met hem afgezonden, om de bedoelde vrouwen te halen. In eene boot voeren zij de rivier af en naderden weldra de plantaadje; voor het aan wal stappen maakte de slaaf hen opmerkzaam, dat zij, indien zij soms met hunne wapenen werden gezien, gevaar liepen ontdekt te worden, waarom hij hun raadde de geweren achter te laten. De negerjagers luisterden naar dezen raad, stapten in den avond aan wal, gingen naar de plantaadje en vonden daar in eene hut de drie meisjes. De plantaadje-neger wist heimelijk zijn voornemen aan haar bekend te maken, waarop zij schijnbaar zich genegen betoonden om mede te gaan. De vier jagers dachten nu hun doel bereikt te hebben; in blijdschap hierover vergaten zij alle gevaar, dronken de aangebodene rum en werden vrolijk. Toen zij door de in groote hoeveelheid gebruikte rum beneveld, niet meer wisten wat er omging, liep de slaaf haastig tot zijn meester en deelde hem deze zaak mede. De hut werd omsingeld, de vier negerjagers overrompeld, gebonden en naar Paramaribo gebragt. Hier werden zij scherp ondervraagd, en bekenden, dat de muiters hulp van de Aucaners hadden genoten, die ook hadden gezworen, hen niet te zullen verraden. Een hunner stierf in de gevangenis; de drie overgeblevenen werden den 20sten December 1806 ter dood gebragt. Het Hof van Policie had er sterk op aangedrongen, dat de straf van radbraken op hen werd toegepast; doch Hughes wilde deze barbaarsche straf niet doen uitvoeren. Zij werden dus gehangen, daarna onthoofd en hunne ligchamen verbrand. [1038]
Gelijk wij reeds op bladz. 522 hebben aangemerkt, was het eigenlijke hoofdkwartier der Britsche magt in West-Indië te Barbados gevestigd; zoodat de gouverneurs der andere koloniën zich bij belangrijke zaken, als verlangde versterking der krijgsmagt, enz., zich tot den te Barbados residerenden opperbevelhebber moesten wenden, terwijl aan officieren van minderen rang, onder de respectieve Gouverneurs in iedere kolonie het gezag over de aanwezige militairen werd opgedragen. Voor Suriname echter werd, in het begin van 1806, een hoofdofficier de Majoor-Generaal Archer benoemd, om het bevel over de krijgsmagt aldaar te voeren. Hughes stelde dientengevolge op de vergadering van het Hof van Policie voor, om dien onlangs in de kolonie gearriveerden officier, overeenkomstig zijn hoogen rang, eene toelage uit de koloniale kas te verstrekken; in welk voorstel werd toegestemd, en de jaarlijksche toelage op f 12,000 bepaald. [1039]
Archer dankte per missive voor deze gracieuse toezegging; doch kon echter zijne teleurstelling niet ontveinzen, die hij bij zijne komst in Suriname had ondervonden. Hij was namelijk gekomen in de verwachting van zoowel het burgerlijk als het militaire bestuur op zich te nemen, en zag nu zijn werkkring alleen tot het laatste bepaald. Archer deelde in zijnen brief daaromtrent het een en ander mede: »Sir Charles Green", zoo schrijft hij: »had verlof aan Z. M. gevraagd, om naar Europa terug te keeren; Hughes had hetzelfde verzoek gedaan. Ik was toen bij den staf in Ierland; een vriend van mij en van Hughes stelde mij voor, om, bij het openvallen der betrekking, van Gouverneur waarin ik nuttig kon zijn, hiernaar te dingen. De hoop waarlijk nuttig te kunnen zijn, was de reden en de reden alleen, waarom ik aanbood, om in een tropisch element te dienen, ik wendde mij dus tot den opperbevelhebber, en Z. K. H. was zoo vriendelijk, om zijnen secretaris een brief over deze zaak te dicteren aan den Bevelhebber der Britsche magt in W. I. William Meyers. Het is van algemeene bekendheid, dat deze heer, sedert door Beckwitz vervangen, mij voor de kolonie Suriname wenschte en reeds was er bevel gegeven, dat hetzelfde vaartuig dat mij zou overbrengen den Brigadier Generaal Hughes zou terugvoeren." Daar Archer dus zeer teleurgesteld was, verzocht hij de Britsche regering naar Europa terug te mogen keeren. [1040]
Tusschen Hughes en Archer kwamen al spoedig onaangenaamheden en het schijnt dat beide heeren niet op eene zeer vriendschappelijke wijze met elkander verkeerden.
De voorname aanleiding hiertoe was het volgende. Volgens gewoonte hadden de afstraffingen der slaven, met Spaansche bokken, plaats op het plein van het fort Zeelandia, waar zich tevens het Militaire Hoofdkwartier bevond. Reeds onder het Protectoraat (1799-1801) hadden de Britsche krijgslieden zich beklaagd over: »het bijna dagelijks voorkomende spektakel, als zeer onaangenaam en rebutant." Friderici had toen aan het Hof voorgesteld om deze straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren [1041]; doch daar de Engelschen kort daarop de kolonie verlieten, was noch het een noch het ander geschied, en nog, bijna dagelijks, werden die wreede barbaarsche straffen op dezelfde plaats den armen slaven toegediend. De Engelsche officieren en soldaten waren hierover zeer verontwaardigd, en een hunner kapitein Cramstown schreef een brief aan Archer, uit aller naam, waarin hij o.a. getuigde, dat dergelijke strafoefeningen niet slechts tegen alle menschelijkheid streden, maar dat ook de kreeten der ongelukkige wezens, gedurende hunne pijniging geslaakt (the cries of these poor wretches, suffering torture) de soldaten in de vervulling hunner pligten hinderden. [1042]
Archer deelde dezelfde overtuiging en verzocht daarom aan Hughes, dat hij bevel zou geven, om de kastijding der slaven niet langer op het hoofdkwartier van Z. B. M. troepen te doen plaats vinden: daar het menschelijk gevoel er tegen opkwam en het de Britsche vlag, onder welker bescherming zoo iets gebeurde, onteerde, enz. [1043]. Aangezien Archer geen dadelijk antwoord daarop ontving, wendde hij zich na eenige dagen opnieuw tot Hughes, met herhaling van het vorige verzoek [1044]. Hughes berigtte hem toen, dat hij zijne brieven en die van kapitein Cramstown aan het Hof overgelegd en de inhoud daarvan aan den Fiscaal had medegedeeld en het antwoord daarop afwachtte [1045]. De Fiscaal antwoordde reeds den volgenden dag. Hij rekende zich zeer beleedigd over de woorden in Cramstown's brief »the cries of these poor wretches suffering torture;" daar die woorden eene beschuldiging tegen hem Fiscaal inhielden, als of hij torture (pijniging) toe liet. Verder verklaarde hij, dat Zeelandia de geschikste plaats voor dergelijke afstraffingen was, daar men er ook tevens de gevangenis had; dat men het sedert onheugelijke jaren alzoo gewend was, en dat het tevens een regt der ingezetenen was hunne slaven daartoe naar het fort te zenden [1046]. Archer intusschen bleef aanhouden en verweet Hughes, dat hij van zijne magt geen beter gebruik maakte [1047].
Hughes zond hierop naar Archer copij der Notulen van het Hof der Policie, gehouden den 22sten Februarij 1806. De leden van het Hof beschouwden deze daad van Archer als eene poging tot verkrachting der wetten, die zelfs door den Souverein waren bekrachtigd; overigens kwam hunne beschouwing met die van den Raad-Fiscaal overeen [1048].
Archer verdedigde zich tegen de aantijging als of hij gepoogd had, de door zijnen Souverein bekrachtigd koloniale wetten, te verkrachten; tevens beschuldigde hij Hughes van zwakheid en inconsequentie, daar hij wel op eigen gezag belastingen had durven uitschrijven en toch niet een zoo groot kwaad durfde tegen te gaan. Om de bewering dat die straf geene pijniging was te logenstraffen, beschreef hij in gloeijende kleuren, het toedienen eener zoogenaamde spaansche bok; welke beschrijving, hoe waar ook, wij nogtans om het gevoel onzer lezers te sparen, achterwege laten. »Niet naar evenredigheid der misdaad van den gestrafte" eindigt hij zijn brief, »maar naar de door den meester betaalde som, worden meer of minder hevige slagen of een meer of min groot getal toegediend. Met het Hof of met den Fiscaal heb ik niets te maken; alleen met u en ik verzoek u hierover naar Engeland te schrijven of anders zal ik het doen" [1049]. Hughes antwoordde slechts, dat hij zijn brief had ontvangen [1050]; een later door Archer begeerd mondgesprek werd hem afgewezen, op grond, dat hij in zijn karakter als militair en als Luitenant-Generaal was beleedigd geworden. Hughes zond de onderscheidene documenten, betreffende deze naar Beckwitz; hij beklaagde zich zeer over den trotsheid en onhandelbaarheid van Archer, die met ieder kwade vrienden werd, en verzocht aan Beckwitz om Z. K. H. verder omtrent deze kwestie in te lichten, opdat Archer niet door eenzijdig verhaal zijn goeden naam en eere zoude benadeelen [1051]. Archer verliet weldra de kolonie; de zaken bleven op den ouden voet en de kastijding der slaven op het fort Zeelandia alzoo voortduren.
Van verschillende zijden rezen klagten over de handelwijze der beambten van Z. M. Customhouse. Die klagten hielden in, dat zij te hooge belooningen eischten; dat zij willekeurig de kantooruren verkortten en indien zij in tusschen-uren de belanghebbenden hielpen, het dubbelde der gewone som verlangden; en eindelijk, dat zij het den burgers zeer lastig maakten, door, zonder de wetten der kolonie in acht te nemen, in de pakhuizen te dringen, ten einde te onderzoeken of er zich sluikwaren in bevonden. In hoe verre deze klagten gegrond waren is moeijelijk met zekerheid te bepalen. Omtrent de eerste beschuldiging, beweerden de ambtenaren van het Customhouse, dat zij hun wettig tarief niet hadden overschreden; doch, omdat het kaartengeld in waarde was verminderd en in plaats van f 12,-- voor een pond sterling thans f 24.-- moest worden betaald, zij volgens dien koers rekenden; de tweede beschuldiging werd bepaald door hen ontkend en wat de derde betrof, getuigden zij hiertoe door de noodzakelijkheid om hun pligt te vervullen, te zijn gedwongen geworden. Omtrent deze laatste beschuldiging werden door de joden Sanches en Abrahams klagten bij Hughes en bij het Hof van Policie ingeleverd. Cameron, de hoofdambtenaar bij Z. M. Customhouse, was met eenige lieden bij het pakhuis van Sanches gekomen, en had den eigenaar verzocht, hetzelve te mogen onderzoeken, daar hij vermoedde, dat er gesmokkelde goederen in waren. Sanches erkende hem niet in zijne functie en weigerde dus het verzoek toe te staan. Cameron trok hierop een dolk en herhaalde met hooge woorden zijn verzoek; Sanches week op zijne bedreiging terug; vervolgens was »een hoop vreemde lieden" in het pakhuis gegaan en had 5 kistjes en 5 trossen touw uit het pakhuis naar het Custom-house vervoerd [1052].
De tweede Fiscaal Lolkens, die provisioneel als eerste fungeerde, daar Spiering, om redenen van gezondheid zijn ambt had nedergelegd, trok zich deze zaak aan. Hij vermeende dat Cameron in zijne regten had ingegrepen, en achtte zich hierdoor beleedigd. Lolkens wendde zich, per geschrifte, tot Hughes en stelde hem de navolgende vragen voor: 1o. of Cameron en de andere ambtenaren van het Customhouse al of niet aan de wetten der kolonie onderworpen waren; 2o. of hij (Lolkens) inzage mogt hebben van de wetten en reglementen voor het Custom-house, om dienovereenkomstig te kunnen handelen. Verder verlangde hij dat Hughes Cameron verbieden zou de door hem medegenomen goederen te verkoopen, totdat de Fiscaal zijn onderzoek volbragt en daarover rapport had gedaan. [1053]
De door Hughes aan Lolkens daarop verleende inlichtingen kwamen laatstgenoemden niet genoegzaam voor; terwijl Hughes zijne vragen niet categorisch, maar eenigzins onbepaald had beantwoord; doch hem zeer bepaald aan zijnen pligt had herinnerd, om de ambtenaars van 's konings Customhouse te protecteren. Lolkens diende nu een uitvoerig rapport bij het Hof in, en verklaarde daarin, dat de tolbeambten zich meermalen met geweld toegang tot de pakhuizen der ingezetenen hadden verschaft [1054]. Ook Sanches en Abrahams leverden rekwesten in aan het Hof en--aldaar onstonden over deze zaak hevige discussiën.
Hughes wilde deze zaak door commissarissen, daartoe door het Britsch bewind te benoemen, doen onderzoeken; hij zelf was niet te vreden over de beambten bij het Custom-house[Customhouse] en hij had reeds vroeger moeijelijkheden met Cameron gehad, bij gelegenheid dat door het Britsch Gouvernement zekere heer Bollingbroke naar Suriname was gezonden, om het ambt van vendue-meester te aanvaarden, en Cameron dit officie niet aan dien heer wilde overgeven [1055]. Hughes vermeende evenwel, dat Lolkens te ver ging en zijn eerbied voor de Britsche magt te veel uit het oog verloor, waarom hij hem uit zijn ambt ontsloeg [1056].
Door het Britsch Gouvernement werd vervolgens een onderzoek ingesteld en hiermede Charles Thesinger, Collector of H. M. Customs at St. Vincent belast. Het daarover door dien heer (na den dood van Hughes) ingediend rapport behelsde hoofdzakelijk, dat de klagten overdreven waren, dat particuliere grieven tusschen Hughes en de ambtenaren van het Custom-house tot eene onbillijke beoordeeling der laatsten hadden geleid; dat de Joden verbaasd veel sloken en streng onderzoek bij hen daarom noodzakelijk maakte; kortom, dat de ambtenaren van Z. M. tolhuis niet met regt van pligtverzuim konden worden beschuldigd [1057].
De landbouw en handel gingen tijdens het bestuur van Hughes niet achteruit. Van 5 Januarij 1807 tot 5 Januarij 1808 werden uitgeklaard: naar Engeland 31 schepen, naar de Britsche bezittingen op het vaste land van Amerika 8, naar Britsche West-Indische eilanden 23, naar de neutrale staten van Amerika 28, te zamen 118 schepen, beladen met voortbrengselen der kolonie. Bij de levendigheid van de scheepvaart verloor men wel eens de noodige voorzorg, om steeds bij het convooi te blijven, uit het oog; zoo werden in September o. a. drie uit de kolonie vertrokken schepen, tengevolge dier onvoorzigtigheid, door een Franschen kaper buit gemaakt: een dier schepen, de Neptunes, had goederen en papieren voor de Britsche regering aan boord [1058].
Hughes intusschen verlangde naar Engeland terug te keeren; hij verzocht en verkreeg daartoe verlof [1059]; echter heeft hij Engeland niet weder gezien; daar hij voor zijn vertrek nog in Suriname (27 September 1808) overleed [1060].
John Wardlau, de bevelhebber van de krijgsmagt nam, tot nadere beschikking van Z. B. M. het burgerlijk bewind op zich. Gedurende dit tusschenbestuur, van 27 September 1808 tot 1809, is weinig anders geboekt, dan dat de planters aan Wardlau eene memorie inleverden; waarbij zij vergunning verzochten, om--zooals dit reeds aan planters te Essequebo en Demerary was toestaan--hunne ladingen, onder een behoorlijk convooi, direct naar Engeland te mogen verzenden, in plaats van genoodzaakt te worden den omweg te nemen langs de eilanden onder den wind en St. Kits, die daarenboven gevaarlijker was [1061]. Echter geschiedde er tijdens dit interims-bestuur een belangrijk feit, dat wel niet in Suriname voorviel, maar toch voor genoemde kolonie, vooral voor hare veiligheid niet onbelangrijk was, namelijk: Cayenne werd door den Franschen bevelhebber, bij verdrag, aan Z. K. H. den Prins Regent van Portugal, toenmaals Bondgenoot van Groot-Brittanje en den Britschen vlootvoogd IJko overgegeven.
De Fransche Gouverneur van Cayenne, Victor Hugues was voornamelijk tot de overgave van den aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie overgegaan, omdat de slaven zich aan de zijde des vijands schaarden en daarenboven de kolonie met verwoesting bedreigden en reeds eenige plantaadjes, waaronder die van den Gouverneur, in brand hadden gestoken. (Zijne strenge reglementen, zie bladz. 537, hadden zeker de gemoederen der slaven verbitterd).
Hugues stelde o. a. als voorwaarde, dat de negerslaven ontwapend en naar hunne plantaadjes zouden terug gezonden worden, en dat zij, die door Z. K. H. den Prins Regent in militaire dienst waren aangenomen en in vrijheid gesteld, uit de kolonie zouden worden verwijderd, daar men van het verblijf dezer lieden, voortaan niets dan onrust en verwarring kon te gemoet zien [1062].
Het Britsche Gouvernement vermeende de bevolking der koloniën Suriname en Demerary genoegen te doen, door de vacante Gouverneursplaatsen door Hollanders te doen vervullen. De keuze daartoe viel op de gebroeders Bentinck, afstammelingen van een oud aanzienlijk en in de geschiedenis bekend Hollandsch geslacht, die, omdat zij zich niet met de bestaande orde van zaken in Nederland konden vereenigen, naar Engeland waren uitgeweken. Baron Henry Bentinck werd tot Gouverneur van Demerary; Baron Charles Bentinck werd tot Gouverneur van Suriname benoemd, en zij vertrokken, ter aanvaarding hunner betrekking in April 1809 uit Engeland. Baron Charles Bentinck arriveerde den 14den Mei 1809 te Paramaribo, en werd door John Wardlau, met de meeste vriendelijkheid, ontvangen. Bentinck vond de kolonie rustig en in de koloniale kassen, hem door Wardlau overgegeven, eene som van f 383,000 [1063].