Geschiedenis van Suriname

Part 42

Chapter 423,585 wordsPublic domain

Bevonden de Koloniale kassen zich in een droevigen toestand, de staat van landbouw en handel was mede niet zeer gunstig. Ofschoon Suriname nimmer een wezenlijke welvaart had genoten, was de Kolonie vooral sedert 1773 achteruitgegaan. Toen toch gingen de Franschen koffij bouwen en vervulden weldra de markten van Europa met dit product, waardoor de prijs der Surinaamsche koffij tot op de helft daalde, hetgeen een aanmerkelijk verschil te weeg bragt, daar de gemiddelde jaarlijksche uitvoer 12 millioen Amst. ponden bedroeg.

Langzamerhand verminderde de koffij-cultuur, doch vermeerderde die van de suiker.

Men kon rekenen, dat de Kolonie, in een gewoon jaar, 24 duizend vaten van 1000 pond ieder, voortbragt; daarbij leverden 4 vaten suiker een vat melassie van 100 gallons, dus 6000 vaten melassie, waarvan een gedeelte in de Kolonie gebruikt en het verdere naar Amerika, niet naar Holland, werd verzonden. De van de suiker verkregen Rum werd niet uitgevoerd; in Holland verkoos men liever den Arak uit Java, en op vreemde markten kon men niet tegen de Engelschen concurreeren, zoodat de Rum tot binnenlandsch gebruik bleef beperkt.

De Cacao-cultuur nam mede jaarlijks af en de uitvoer, die vroeger gemiddeld 350,000 pond bedroeg, verminderde gestadig.

De katoenteelt nam eenigzins toe en men kon den uitvoer op ongeveer 3,000,000--pond berekenen.

Kort na dat Suriname onder het Protectoraat van Engeland was gekomen (1799), hadden eenige Engelschen vergunning verzocht en erlangd, om gronden tusschen de rivieren Coppename en Corantijn in cultuur te brengen, waarop zij voornamelijk katoen en koffij verbouwden. Dat zoogenaamde Nickerie-district lag wel is waar ver van de oude Kolonie af, de Communicatie met Paramaribo was wel niet gemakkelijk, doch door de energie der daar gevestigde Kolonisten beloofde het van vrij groot belang te worden [1007].

Omtrent den handel deelt Heshuysen het volgende mede:

Jaarlijks, vóór den oorlog, kwamen ongeveer 35 Hollandsche schepen, van 200 tot 400 ton, met provisiën, voor de magazijnen en kooplieden, in Suriname aan, en vertrokken van daar, beladen met producten der Kolonie, naar het moederland.

Na de revolutie in 1795 kwamen er geene geregelde convooijen meer uit Holland, zoodat men genoodzaakt was de voor de Koloniën benoodigde artikelen duur van de vreemden te koopen.

Toen Suriname in 1799 onder Britsche bescherming werd gebragt, werden wel vele producten uitgevoerd, doch er was een zoo groote voorraad op de Engelsche markten, dat de helft der gewone prijzen niet kon worden bedongen. Ook sommige der uit Engeland aangebragte artikelen voldeden minder goed dan die, welke vroeger uit Holland kwamen. Vooral was dit het geval met het ijzerwerk van Duitsch fabrikaat, als: spijkers, nagels, enz., waarvan men, daar de gebouwen te Paramaribo van hout zijn, veel noodig had; de Engelsche spijkers waren of te hard, waardoor zij spoedig braken of te zacht en daardoor te buigzaam. Het te Inverness vervaardigde linnen, dat tot kleeding der negers moest dienen, beantwoordde ook zoo goed niet aan dat doel als het Osnabrugsch linnen. Dit Engelsch fabrikaat was van eene zoo slechte kwaliteit dat het niet tot het doel, om een geheel jaar te dragen geschikt was. Bij den vrede van 1802 begonnen landbouw en handel te herleven, doch door den spoedig daarop weder ontstanen oorlog werden de meeste, uit Suriname verzonden, schepen buit gemaakt. De assuradeurs wilden niet langer verzekeren, en de kooplieden leden groote schade.

Een andere voorname soort van handel, was de slavenhandel. Het verval hiervan was te verwachten. »De droombeelden van zoogenaamde philosophen", zoo leest men in de Memorie van Heshuysen: »verklaren zich tegen dien handel, en beschouwen hem als strijdende tegen de natuur der menschen--en aan het toegeven aan die droombeelden dankt Frankrijk het verlies van St. Domingo [1008], en het verval van zijne andere koloniën, en toch niet alleen die zoogenaamde philosophen maar zelfs sommige mogendheden stellen zich tegen dien handel. Frankrijk evenwel komt langzamerhand van zijne dwaze philantropie terug. De slaven-reglementen door Victor Hugues, den tegenwoordigen Gouverneur van Cayenne, uitgevaardigd, zijn zeer gestreng, en, na den vrede van Amiens, arriveerde te Suriname een schip onder Fransche vlag, met een lading slaven, welke hier verkocht werden."

Aan het slot dezer beschouwing wordt de wensch tot instandhouding van dien voordeeligen (doch menschonteerenden) handel uitgedrukt.

Daarna wordt in genoemde memories de handel met Amerika en de belangrijkheid daarvan voor de kolonie beschreven en tevens betuigd, dat zonder dien handel er weldra gebrek aan verscheidene onmisbare artikelen zoude komen [1009].

Verder worden door Heshuysen aan den Britschen landvoogd inlichtingen gegeven omtrent den vorm van het bestuur en den aard der verschillende ambten, betrekkingen enz., die in de kolonie werden geëmploijeerd; eenige bijzonderheden betreffende de blanke bevolking medegedeeld en ten slotte de geschiedenis verhaald en den tegenwoordigen toestand van de Indianen en de Boschnegers, bevredigde en anderen, beschreven.

De vorm van het bestuur en den aard der verschillende koloniale ambten en betrekkingen zijn reeds uitvoerig in de geschiedenis behandeld. Hetgeen in die memorien over de blanke bevolking wordt gezegd, komt in de hoofdzaak met het door ons medegedeelde overeen. »Zeldzaam is het", merkt Heshuysen aan: »dat een eigenaar op zijne plantaadje woont en zelfs de Burger-Officieren in de divisien moeten alzoo uit de Directeurs worden gekozen."--»Men beschouwt Suriname in den vreemde als eene rijke kolonie, doch dit is onwaar en het zou moeijelijk zijn, om drie personen in de kolonie te vinden, die een fortuin van 50,000 p. st. bezitten, enz. enz."

De voor de Engelschen vreemde verdeeling der Joden in Portugesche en Hoogduitsche, welke verdeeling en scheiding zoo naauwgezet in acht werd gehouden, werd door Heshuysen verklaard, als niet eerst in Suriname maar reeds in Holland te zijn ontstaan.

»De Joden die uit Spanje en Portugal naar Holland waren gevlugt, hadden voor het grootste gedeelte, eene beschaafde opvoeding genoten, en er waren vele rijken en aanzienlijken onder hen. Toen zij in Holland aankwamen vonden zij aldaar een aantal geloofsgenooten, die uit Duitschland, Polen en Rusland geweken, in Holland godsdienstvrijheid genoten en aan wie tevens eenige burgerlijke regten waren verleend. Deze geloofsgenooten echter waren grootendeels onbeschaafd, ruw en arm en met dezulken wilden de Portugesche Joden geen gemeenschap oefenen. Zij vormden daarom eene afzonderlijke gemeente; ieder had hare eigene synagoge en zoo ver ging die afscheiding, dat er bepaald werd, dat geen huwelijken onder elkander zouden mogen plaats hebben. Die laatste bepaling werd wel door de wet des lands niet geldig verklaard, doch men hield er zich evenwel naauwkeurig aan. Van beide Israëlitische gemeenten vestigden zich leden in Suriname, maar ook daar werd die afscheiding streng gehandhaafd. De regtsmagt aan de Joden op hunne Savane toegestaan en aldaar door hen uitgeoefend, strekte zich slechts tot de Portugesche en niet mede tot de Duitsche Joden uit [1010].

De geschiedenis van den strijd met de wegloopers werd vervolgens uitvoerig medegedeeld--haar op te nemen zou slechts eene herhaling zijn. Het getal der Negers, die nog vijandig tegen het koloniaal Gouvernement waren, wordt opgegeven als:

Bonni-negers, 150 mannen, 100 vrouwen en 200 kinderen, te zamen 450 personen, deze woonden bij of over de Marowyne; Goliath-negers 150 mannen, 160 vrouwen en 40 kinderen, deze woonden tusschen de rivieren Suriname en Saramacca; Coffij-negers, 12 mannen, 16 vrouwen en 14 kinderen, te zamen 42 personen, welke hun verblijf tusschen de Coppename en Cassawina hielden.

Bij dit getal van 842 nog steeds in vijandschap met de blanken levende Marrons, moest nog worden gerekend de bevolking van de hier en daar in de kolonie verspreidde wegloopers-kampen, en de nu en dan hunne meesters ontvlugte slaven.

De bevredigde boschnegers bestonden uit: Auca-negers, p. m. 600 mannen, 700 vrouwen en 1000 kinderen, tezamen 2300 personen; Saramacca-negers, 670 mannen, 630 vrouwen en 1200 kinderen, te zamen 2450 personen; Boucou en Musinga-negers, 120 mannen, 130 vrouwen en 200 kinderen, te zamen 450 personen. Het geheele getal der met het Gouvernement in vriendschap levende, zoogenaamde bevredigde boschnegers, bedroeg alzoo 5200 personen.

De Indianen waren in drie stammen verdeeld: Caraïben, Arrowakken en Warauen. Hun aantal werd op vier à vijf duizend mannen, vrouwen en kinderen, begroot. Deze allen leefden in goede verstandhouding met het koloniaal bewind [1011].

Door eigen aanschouwing en door de hier aangehaalde belangrijke memories van Heshuyzen was Green in staat gesteld het Britsche bewind behoorlijk omtrent den toestand der veroverde kolonie in te lichten. Zijn Gouvernement erkende de door hem bewezen diensten en gaf, bij schrijven van lord Camden, 23 Februarij 1805, zijne goedkeuring over zijn gehouden gedrag te kennen. Ook bij de kolonisten was Green bemind: als een man van gematigde beginselen, had hij niet met ijzeren hand van het regt des overwinnaars gebruik gemaakt, maar eerbiedigde de koloniale wetten, en handelde, waar hij kon, in gemeen overleg met het Hof van Policie.

Dit blijkt o. a. uit het volgende. In Januarij 1805 kwam zekere mr. Henhuys in Suriname, voorzien van een brief van Edward Cooke, Esq., den tweeden secretaris van staat voor het Departement van koloniën, waarin gemeld werd, dat genoemde persoon door lord Camden en de lords commissioners of the Treasury, den Gouverneur werd aanbevolen voor de betrekking van Boekhouder-Generaal. Henhuys was in de kolonie bekend, zijnde vroeger klerk op het bureau van den Gouvernements-secretaris geweest, terwijl hij tevens het ambt van weesmeester had bekleed. Green wendde zich tot het Hof om nadere inlichtingen omtrent Henhuys, voor hij hem, volgens het verlangen van den Britschen Minister van koloniën, als Boekhouder-Generaal aanstelde. Het Hof van Policie zeer vereerd met dat vertrouwen van den Gouverneur, voldeed aan het verzoek van Green en leverde weldra eene magt van papieren als bewijsstukken in, om aan te toonen dat Henhuys, in zijne kwaliteit als weesmeester, niet zoodanig had gehandeld, dat men hem nu voor den post van Boekhouder-Generaal kon aanbevelen. Green leende gehoor aan dezen raad en Henhuys, ofschoon door het Britsche Gouvernement aanbevolen, werd niet met het door hem begeerde ambt bekleed, maar dit definitief opgedragen aan den provisioneelen Boekhouder-Generaal Heshuysen »een man grijs geworden in de dienst der kolonie, goed met de finantiële en andere aangelegenheden bekend, bekwaam in het Fransch en redelijk wel bedreven in het Engelsch" [1012].

De kolonie was rustig; tegen een onverhoedschen aanval der in de W. I. zee kruisende Fransche zeemagt waren behoorlijke voorzorgsmaatregelen genomen; de nieuwe vijand: Spanje, die mede Engeland den oorlog had verklaard werd niet zeer gevreesd [1013], zoodat Green vermeende grond te hebben, om te gelooven, dat de kolonie Suriname niet gemakkelijk uit de handen van het Britsch bestuur zou worden gerukt [1014].

De gezondheid van Green had door een langdurig verblijf in Tropische gewesten, veel geleden; tevens verlangde hij naar Oud-Engeland; om welke redenen hij verlof vroeg, om naar Engeland terug te mogen keeren [1015]; dit verlof werd hem toegestaan en bepaald, dat de Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, tijdens zijne afwezigheid, het burgerlijk en militair bestuur zou waarnemen [1016].

Den 13den April 1805 gaf Green hiervan kennis aan het Hof van Policie, en stelde der vergadering de vraag voor, of men nog eenig verzoek aan Z. B. M, had te doen, hetgeen hij dan, bij zijne komst in Engeland, gaarne in persoon zou willen ondersteunen. Het Hof betuigde, bij deze gelegenheid, zijn leedwezen over het vertrek van een man »in wiens magt het had gestaan," zoo luidde het antwoord: »om de kolonie het lot des oorlogs te doen ondervinden, dan in steede van dit hadde hoogst zijn Edele Gestrenge alles aangewend, wat tot geluk, welvaart en voorspoed van dit wingewest heeft kunnen strekken" [1017].

Den 15den April 1805 wierd den volke bij publicatie kennis gegeven van het aanstaande vertrek van den landvoogd [1018]; en reeds twee dagen later, den 17den April, verliet Green de kolonie.

De Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, die den 12den April te Suriname was aangekomen, presideerde voor het eerst in eene vergadering van het hof van Policie op den 18den dierzelfde maand, waarin de proclamatie omtrent de aanvaarding van zijn bestuur, als Luitenant-Gouverneur, werd vastgesteld en daarna uitgevaardigd.

De korte regering van Green was vrij rustig geweest; doch zijn plaatsvervanger daarentegen had gedurende zijn bestuur met vele moeijelijkheden te kampen. Al kort na zijne optreding begon zich eene schaarschte aan sommige artikelen in de kolonie te openbaren. Door de aanwezigheid eener vijandelijke zeemagt in de W. I. zee, werd de correspondentie zeer bemoeijelijkt, zoodat er reeds drie brievenmalen te Barbados waren aangekomen, zonder dat men in Suriname er een van had ontvangen [1019]; maar bovendien had de geregelde aanvoer der provisiën, met Engelsche schepen, geen plaats gevonden.

De handel met Amerikaansche en andere neutrale schepen was achtereenvolgens meer beperkt, en bij de Proclamatiën van 7 December 1804 en van 24 April 1805 de invoer van artikelen verboden, waaraan men nu juist behoefte begon te gevoelen. Hiertoe behoorden: boter, rund- en varkensvleesch, haringen en andere soorten van gezouten visch, traan, lijn- en raapolie, kaarsen, zeep, enz. Aan boter en aan haring was bepaald gebrek, en de andere artikelen waren niet dan tot hooge prijzen te bekomen.

En boter was eene eerste behoefte voor alle inwoners; gezouten vleesch en spek niet slechts voor de Directeuren en de andere blanken op de plantaadjes, die zich moeijelijk altijd van versch vleesch of spek konden voorzien, maar ook voor de geringere volksklassen in Paramaribo en voor de koloniale troepen; haring en gezouten visch konden niet worden ontbeerd voor de slavenbevolking.

De traan was benoodigd voor de lampen op de plantaadjes, bij welker licht de negers hun avondwerk moesten doen; de raap- en spermacetie-olie voor de lampen en de kandelaars in gebruik bij de blanke bevolking. De lijnolie diende, om, met verwstoffen vermengd, de huizen, die allen van hout waren, voor bederf te bewaren; de zeep tot het wasschen van linnen, enz.

Daar men vrees koesterde, dat het nog lang kon duren, voordat de Britsche zeemagt in die wateren, in genoegzamen staat was, om te zorgen, dat de handel met Engeland vrij en ongehinderd kon plaats vinden, wendde het Hof van Policie zich tot Hughes.

In dit ter dier zake ingeleverd verzoekschrift werd verzocht: om, behalve den invoer der artikelen, bij Proclamatie van 24 April 1805 vrijelijk aan Amerikaansche of andere neutrale schepen vergund die vergunning uit te strekken tot de bovengenoemde artikelen en dit tot het einde van het jaar 1805. Ten einde te zorgen, dat Engeland boven andere natiën bevoorregt bleef, bood men aan, om, boven het, van het reeds per neutrale schepen aangevoerde, regt van 8 pCt., hiervoor nog 12 pCt. inkomende regten te betalen, en den uitvoer tot rum en melassie beperkt te houden. Zoo de Gouverneur bezwaren had omtrent den invoer van kaarsen en zeep, die anders voornamelijk uit Engeland kwamen, wilde men die bovendien nog met 10 pCt. extra inkomend regt belasten, »waaruit", gelijk men ten slotte aanvoerde: »genoegzaam bleek, dat het volstrekt niet in de bedoeling van het Hof lag, om vreemdelingen met Engelschen gelijk te stellen" [1020].

Hughes antwoordde hierop, dat hij onmogelijk dit verzoek kon toestaan, daar het tegen de scheepvaart- en handelswetten van Groot-Brittanje en tegen verscheidene, onlangs uitgevaardigde, besluiten van het Parlement streed. Hij gaf als zijne meening te kennen, dat de Britsche zeemagt in de W. I. zee, weldra genoegzaam zou zijn, om den handel te beschermen; doch--zoo er volstrekt gebrek aan het een of ander mogt komen, en de gelegenheid zich aanbood, om hierin door middel van neutrale schepen te voorzien--dan zoude hij daartoe toestemming verleenen [1021].

Bij een herhaald dringend aanzoek van het Hof verleende Hughes, bij publicatie van 28 Augustus 1805, vrijheid tot den invoer van Boter, Visch, Kaas en Olie [1022]. Ook later, toen de nood dit vereischte en de Engelsche schepen geen vleesch en spek hadden aangebragt, kocht hij dit van een Amerikaansch schip [1023].

De ongunstige staat van de geldmiddelen der Kolonie, welke reeds onder Green bestond, bereikte weldra eene hoogte, die voorziening noodzakelijk maakte. De te korten in de onderscheidene kassen (zie bladz. 529) namen toe--in de kas der Modique lasten was een nadeelig slot van f 400,000.--; in de kas ter verdediging tegen de wegloopers ruim f 100,000.-- en de belastingen, die reeds drukkend waren, konden moeijelijk verhoogd worden. Wat dan nu te doen? Het Committé van Finantiën stelde voor, om het Hoofdgeld van f 1,-- tot f 2,10 te brengen,--maar hoe weinig baatte dit; Hughes sprak er van, om eene leening te sluiten,--doch waar zou men de gelden vinden ter betaling der interesten; Heshuysen betoogde, dat de beste wijze, om in den nood te voorzien, bestond: in de uitgifte van kaartengeld of obligatiën. [1024]

Tot het opvolgen van dien raad van Heshuysen werd weldra besloten;--men was in Suriname hier zoo aan gewend--en, na verkregen magtiging van het Britsch bestuur, werd het papieren geld op nieuw vermeerderd met 4000 billets de banque, ieder à f 125 dus te zamen voor eene som van f 50,000. Het Britsch Gouvernement had bij het verleenen van zijne toestemming hiertoe, echter uitdrukkelijk bepaald, dat men de noodige voorzorgen moest gebruiken, ten einde het Britsch bewind, zoo Suriname, bij den vrede, teruggegeven werd, voor alle aansprakelijkheid ten deze te vrijwaren [1025]. Deze maatregel hielp echter weinig; spoedig heerschte er op nieuw geldgebrek in de koloniale kassen. Een op nieuw aangevraagde vermeerdering van papieren geld werd nu door de Engelsche regering niet toegestaan [1026], en zoo wist men weldra niet meer wat te doen:--alleen voor het onderhoud van het vrijcorps kwam men jaarlijks meer dan f 100,000 te kort. Het Hof drong bij herhaling aan, om vrijheid te erlangen tot vermeerdering van het papieren geld, of ondersteuning der Engelsche regering te ontvangen voor het onderhoud van het vrijcorps [1027].

De gedurige vermelding der geldkwestiën neemt eene groote plaats in deze geschiedenis in, en dit verwondere niemand: want speelt overal in de burgerlijke maatschappij het geld eene groote rol, in eene volkplanting, waar het voornaamste doel der zich nederzettenden is: geld te verdienen, overheerscht de geldkwestie bijna alle andere. Dat het beoogde doel: rijk te worden, velen in den strik deed vallen en in meniglei verzoekingen bragt, bevestigt op nieuw de waarheid van Gods Woord, hetwelk dit heeft voorzegd. Op het goud, verkregen ten koste van het zweet en bloed van medemenschen, rustte geen zegen. Het vermogen, dat niet, onder den zegen Gods, door eigen inspanning verworven, maar door aan anderen afgepersten arbeid is verkregen, werd roekeloos verkwist en evenmin als er orde en spaarzaamheid heerschten in de beheering der koloniale geldmiddelen, evenmin was dit, in den regel, bij particulieren te vinden. Vandaar dat er gedurig veel meer dan ergens elders, regterlijke vervolgingen, verkoop bij executie en gijzeling om schulden plaats hadden. Soms ook trachtten personen de kolonie te verlaten, ten einde vrij van hunne schuldeischers te zijn. Om dit te beletten werd door Hughes eene verordening uitgevaardigd, waarbij kennis werd gegeven: dat er voortaan geen passen aan vertrekkende personen zouden worden afgegeven, ten zij men, 14 dagen vooraf, daarvan ter Gouvernements-Secretarie aangifte deed, en zulks in de nieuwspapieren werd afgekondigd, ten einde de crediteuren gelegenheid te geven, zich daartegen te opposseren, in geval van niet voldoening hunner vorderingen [1028].

In naauw verband met het doel »geld te verdienen", stond de telkens benoodigde aanvulling der uitgeput wordende slaven bevolking. En hierin kwam weldra eene groote verandering.

De welsprekende stemmen van mannen als Wilberforce, Buxton en andere menschenvrienden tegen den menschonteerenden slavenhandel, waren lang als die eens roependen in de woestijn geweest. Zij werden echter telkens en luider en luider herhaald; die edele mannen lieten zich niet door miskenning of bespotting weerhouden; in de kracht huns Heeren gingen zij voort, openlijk en krachtig, tegen dien gruwel te getuigen; eindelijk vonden hunne stemmen weerklank, eerst bij enkelen, later bij meerderen; het werd eene volkszaak en de zaak was gewonnen. De Heer had hunne pogingen gezegend en bij Parlements-acte werd eerst die gruwelijke handel beperkt en spoedig daarna geheel verboden.

Het ligt niet in ons plan om hier eene geschiedenis van de afschaffing des slavenhandels, die na eenige jaren door de afschaffing der slavernij in Britsch koloniën werd gevolgd, te schrijven; wij willen ons thans slechts bepalen tot het schetsen van den indruk, dien deze maatregel in Suriname teweeg bragt.

Bij Parlements-acte van 23 Mei 1806 was bepaald, dat jaarlijks geen grooter aantal slaven, ter vermeerdering of aanvulling der magten, mogt worden ingevoerd, dan hoogstens drie voor ieder honderdtal, reeds in de kolonie aanwezig. Hughes handelde overeenkomstig deze verordening. In 1806 verleende hij vergunning tot den aanvoer van 987 slaven [1029]; in 1807 tot een getal van 467 [1030].

In Suriname was men over deze beperking zeer ontevreden; men wendde zich daarom bij herhaling tot den Luitenant-Gouverneur, en toen dit bleek vergeefs te zijn, door tusschenkomst van Engelsche agenten, aan de Britsche regering. Zekere Simon Cock te Londen, agent van Melville in Suriname, leverde een verzoekschrift aan het Britsche Gouvernement in; hij uitte daarin de meening, dat indien deze maatregel werd doorgezet, de kolonie, in plaats in bloei toe te nemen, onder het Britsch bestuur, belangrijk zou achter uitgaan. Melville had, ten bewijze van de noodzakelijkheid van een ruimeren aanvoer van slaven, o. a. aan Cock gemeld, dat er, op verscheidene plantaadjes vooral een groot gebrek aan vrouwen was, daar er zich soms honderd mannen tegen slechts vijf vrouwen bevonden [1031].

Uit deze door Melville, ten zijnen profijte, aangeduide bijzonderheid blijkt op nieuw, hoe zeer schandelijke winzucht de eischen der natuur over het hoofd deed zien. Wat bekommerde er men zich in Suriname over, of de slavenmagten alzoo moesten afnemen, zoo men door nieuwen invoer hierin slechts kon voorzien. Het stelsel der slavernij geeft aanleiding tot gruwelen van allerlei aard.

De meermalen herhaalde verzoeken, om opheffing der beperking van den slavenhandel, werden niet toegestaan. Integendeel, in December 1807 ontving men in Suriname de Parlements-acte betreffende de geheele afschaffing van den slavenhandel, welke met 1 Januarij 1808, in werking zoude komen [1032].