Part 41
»Schippers en supercargas worden gelast, hij hun arrivement in de kolonie, aan het kantoor tegen de wegloopers eene verklaring af te leggen, of zij hunne lading in een pakhuis wenschen op te slaan en vandaar te verkoopen, in welk geval zij moeten betalen (boven de 4 pCt. inkomende rechten) 10 pCt. voor pakhuisrecht, of het recht om pakhuis te mogen houden. Zij die daartegen handelen en hunne waren heimelijk in 't klein verkoopen, verbeuren eene boete van drie duizend gulden." [988]
Nam in dien tijd Frankrijks magt en aanzien op het vaste land toe; Engeland daarentegen behield en vermeerderde zijne overmagt op zee, zoodat de bescherming der Britsche vlag door de koopvaarders zeer gewenscht werd. De handelsvloten, die uit Suriname naar Europa gingen, genoten thans die veelvermogende bescherming. Te Barbados was het eigenlijke hoofdkwartier der Britsche krijgs- en zeemagt voor de West-Indië gevestigd. De Gouverneurs der andere koloniën, zooals: Suriname, Demerary, Berbice, moesten zich tot de te Barbados gestationneerde bevelhebbers wenden: om onderstand in troepen of ter verkrijging van convooi voor de uitzeilende schepen. Zoo dit eenigzins mogelijk was werd hieraan voldaan, gelijk uit brieven en kennisgevingen als de volgende van Commodore Hood aan Green blijkt:
»Blenheim, Barbados den 20sten Julij 1804.
Sir!
Verzoeke Uwe Excellentie de goedheid te willen hebben aan diegenen, die onder uw gouvernement behooren, kennis te geven, dat, op den 3den October aanstaande, een oorlogsschip op de hoogte van Suriname zijn zal, om de na Europa gedestineerde koopvaardijschepen onder bescherming te neemen ten einde zich met het generale convooi op de bestemde verzamelplaats te vereenigen."*
In October 1804 verliet eene vrij aanzienlijke koopvaardijvloot, met koloniale producten beladen, Suriname, en zette koers naar Europa; den 27sten Januarij 1805 zeilde op nieuw eene vloot, nu uit 32 schepen bestaande, uit, onder geleide van Z. B. M. oorlogsvaartuig Imogene, direct bestemd naar Engeland [989].
Wel is waar, Engeland behield zijne overmagt op zee, doch zij werd hem door Frankrijk sterk betwist. Verscheidene Fransche kapers maakten de W. I. zee onveilig en nu en dan vertoonde zich een Fransch eskader in die wateren. De correspondentie werd hierdoor zeer belemmerd en de handel bemoeijelijkt. Zoo was o. a. in het begin van 1805 wederom eene handelsvloot gereed om den steven naar Engeland te wenden; men wachtte slechts op een voldoend convooi. Op de aanvraag daartoe, ontving Green een schrijven van den Commodore Hood, waarbij berigt werd, dat met het uitzeilen der schepen moest worden gewacht, totdat er eene superieure Britsche magt aanwezig was en de vijand deze zeeën had verlaten. Hij beloofde echter veertien dagen te voren kennis te geven, wanneer er een convooi gereed was, ten einde men behoorlijk de goederen zou kunnen laden [990].
Het nabijgelegen Cayenne kon als station of vereenigingspunt beschouwd worden voor de meeste expeditiën, die uit Europa tegen de Britsche bezittingen in de West-Indië werden afgezonden. Green drong daarom sterk bij de Britsche regering aan, om pogingen aan te wenden, ten einde Cayenne te veroveren; volgens door hem ingewonnen berigten zoude die verovering eene gemakkelijke taak zijn, daar het garnizoen slechts uit drie à vier honderd slecht gekleedde en gewapende blanke soldaten, benevens zes honderd gewapende negers bestond [991].
Was den inwoners van Suriname gunst bewezen door de verleende concessiën omtrent het handelsverkeer met Amerikaansche schepen; was de hoop op voordeel, door een regelmatigen afzet der koloniale producten aan Engelsche kooplieden, bij den planter verlevendigd; was men redelijk wel tevreden over de gematigdheid waarmede Engeland de veroverde kolonie behandelde;--dit alles nam niet weg, dat men toch nu en dan gevoelde, onder de magt eens vreemden te zijn gebragt. Het moest den Surinamer, wien Nederland als het dierbare moederland lief was, ongetwijfeld pijnlijk hebben aangedaan, toen vaderlandsche schepen, voor goeden prijs verklaard, verkocht werden en de opbrengst der koopsom onder de Britsche militairen en matrozen, nemers der kolonie, werd verdeeld. Doch hoe pijnlijk dit ook voor het nationaal gevoel mogt geweest zijn, het was volgens het regt des oorlogs. Dit regt geeft den veroveraar aanspraak op eene regelmatige verdeeling van den op den vijand behaalden buit, en het kon alzoo niemand in Suriname ergeren, dat ook dien overeenkomstig werd gehandeld. In de Surinaamsche courant van 5 October 1804, las men daaromtrent de volgende advertentie:
»Bij deze wordt kennis gegeven aan HH. Exc. den Generaal Majoor sir Charles Green en den Commodore Sam. Wood, aan de officieren, soldaten, zeelieden en zeesoldaten van de armee en de marine, »NEEMERS DEZER KOLONIE," dat de geverifieerde verkooplijsten van de goederen en schepen, die als prijzen gecondemneerd en op publieke vendue, bij den geaccrediteerden vendumeester verkocht zijn, ter visie liggen ten huize van den heer Barry te Paramaribo en van den heer Bent te Barbados, en dat alle bewijzen en de daartoe specteerende papieren zullen voorgelegd en aan hun nader onderzoek onderworpen worden. De verkooplijsten der carga's van de schepen Pelicaan en Henriette Johanna liggen insgelijks ter visie; ofschoon nog niet bepaaldelijk door het Admiraliteitshof te Barbados gecondemneerd. De waarde van het fregat Proserpina en de oorlogssloep Pylades, het grof geschut met deszelfs toebehooren wordt in Engeland bepaald.
De plantagiën, negers, enz. aan het Bataafsche Gouvernement en de kolonie toebehoorende, zijn aan de agenten niet overgegeven. De gelden, die de verkoop van de gecondemneerde eigendommen opgebragt heeft, zullen dadelijk, nadat 's konings orders ten opzigte der evenredige verdeeling ontvangen zijn, uitgedeeld worden, waarvan behoorlijke kennis zal gegeven worden.
get. J. Bent, Agent voor de armee, Th. Barry,
Waarnemende voor den WelEdele heer James Maxwell, Agent voor de marine." [992].
In de courant van 22 October 1804 treft men weder eene dergelijke advertentie aan, nu omtrent den verkoop op den 26sten dier maand van: de snelzeilende schoener George, met koperen bodem, zijnde een prijs der NEEMERS van de kolonie [993].
Green wenschte den toestand der kolonie, zoo veel mogelijk, goed te leeren kennen; hij wilde weten hoe of de zaken stonden; doch de vervulling van dezen wensch bleek verre van gemakkelijk te zijn. Als vreemdeling, onbekend met de taal des lands, kostte het hem moeite zich de noodige inlichtingen te verschaffen.
Wat hij zelf doen kon, namelijk: door eigen aanschouwing, de verdedigingsmiddelen der kolonie inspecteren, bewerkstelligde hij al zeer spoedig. Volgens zijne brieven aan lord Camden, destijds secretaris van staat voor het departement van koloniën, leidde dit onderzoek tot de overtuiging: dat er steeds eene sterke militaire magt aanwezig behoorde te zijn; want dat men, bij een aanval van buiten, niet veel op de hulp der inwoners zou kunnen rekenen. Dezen toch zouden hunne bezittingen niet gaarne in de waagschaal willen stellen, daarbij was het getal der blanke bevolking niet groot en die weinigen nog over het geheele land verspreid, terwijl meer dan 2/3 der blanke bevolking in Paramaribo uit Joden bestonden, »en dezen", schrijft Green: »zijn niet geschikt voor krijgshaftige ondernemingen (for warlike operations)." Eene gebonden inspectie over de militie (men zou thans zeggen: schutterij), die uit blanke en vrije kleurlingen was zamengesteld, had Green er ook geen hoogen dunk van gegeven. Hij bevond ze slecht gewapend en geheel zonder krijgstucht (miserably armed and totally without discipline); tevens vermeende Green, dat de blanke inwoners, bij een aanval van buiten, genoeg de handen vol zouden hebben, met hunne slaven in toom te houden [994].
Wat de kennis van den finantieelen toestand en van landbouw en handel, enz. betrof, klaagde Green er over, dat de Engelschen, tijdens het Protectoraat over de kolonie, zoo geheel onbekend met den algemeenen staat van zaken waren gebleven. Hij beschouwde als de voornaamste oorzaak daarvan, het aanblijven van Friderici als Gouverneur. Friderici had getracht alles, zoo veel mogelijk, bij het oude te laten; hij had hierbij steeds het doel voor oogen gehouden, »om de Colonie voor den Prins van Oranje te bewaren," gelijk hij zelf later verklaard heeft [995]. Daarbij ook had Friderici, onbekend met de Engelsche wetten, belasting blijven heffen op de inkomende en uitgaande goederen, zoowel van Engelsche als van neutrale schepen; terwijl eerstgenoemde hiervan vrij gesteld hadden moeten worden. Niettegenstaande deze en nog andere buitengewone ontvangsten, ten behoeve der souvereinskas, hadden de uitgaven de inkomsten overtroffen. Bij het vertrek der Engelschen uit Suriname (1802), leverde Friderici eene memorie aan het hof van policie in, waaruit bleek, dat de uitgaven uit de souvereinskas, ten gevolge van aanvragen, die hij, in de toenmalige omstandigheden moeijelijk kon weigeren, zoo vele waren geweest, dat hij genoodzaakt was geworden gelden uit de koloniale kas te nemen.
Tijdens het protectoraat was geen geregelde verantwoording aan de Britsche autoriteiten gedaan. Wel waren door den secretaris van staat Dundas van tijd tot tijd eenige vragen daaromtrent aan Friderici gedaan, doch hij had dezen zeer en vague beantwoord; terwijl bij het spoedig daarop gevolgd vertrek der Engelschen, deze zaak was blijven rusten. Green echter wenschte behoorlijk verantwoording te doen van iedere farthing (de kleinste Engelsche munt, ongeveer 1 1/2 cent Holl.), die in de souvereinskas kwam of uit dezelve werd betaald, en dit van het tijdstip van de overgave der kolonie aan de Engelschen [996].
Om kennis van den finantiëlen toestand, enz. te bekomen, vervoegde Green zich tot den Raad-Boekhouder-Generaal, Heshuijsen, die daarop, in verscheidene belangrijke memorien, in de Fransche taal, een vrij goed overzigt gaf van den finantieelen toestand, en daarbij de geschiedenis van de achtereenvolgens ingevoerde belastingen, van den oorsprong van het kaarten gelden der obligatiën mededeelde. Evenzeer waren de memorien van Heshuijzen over den landbouw en handel, over de Indianen, den strijd met de wegloopers, den toenmaligen toestand der bevredigde Boschnegers en van die Boschnegers, die nog in vijandschap met het Gouvernement leefden, hoogstbelangrijk. De voornaamste bijzonderheden, die daarin worden vermeld, hebben wij reeds in den loop der geschiedenis behandeld. Wij zullen dus thans slechts datgene overnemen, waardoor men beter in staat kan worden gesteld, om den toestand, waarin de Britten Suriname vonden, te leeren kennen, en een onpartijdig oordeel over hun bestuur uit te brengen.
Het beheer over de finantiën was tweederlei. Een gedeelte stond onder onmiddellijk toezigt van den Gouverneur, een ander onder dat van den Gouverneur en het Hof van Policie of onder dat van het Hof alleen.
De fondsen, waarvan den Gouverneur het beheer was opgedragen, maakten te zamengevoegd de zoogenaamde sociëteitskas uit. Na de omwenteling in 1795, toen de sociëteit werd vernietigd, moest hiervan verantwoording worden gedaan aan den Raad der Coloniën, het committé en hoe die verdere collegiën later genoemd werden, en kwam het overschot ten voordeele van den staat. Onder het protectoraat verviel dit aan de Britsche kroon; bij den vrede van Amiens, toen de kolonie aan de Bataafsche republiek werd overgegeven, ten voordeele dier republiek, en nu Suriname eene Engelsche bezitting was, aan Z. G. B. Majesteit: de kas werd nu even als tijdens het protectoraat genoemd souvereins-kas (sovereyns-chest) of 's konings-kas.
De inkomsten dezer kas bestonden thans uit de hoofdgelden, vendue-geregtigheden, grondbelasting en recognitie-gelden [997].
De eerstgenoemde inkomsten: In- en uitgaande regten, vervielen, voor zoover die anders in de souvereins-kas kwamen, als zijnde in strijd met de Britsche zeevaartwetten en de oprigting van het koninklijk tolhuis (custom house). Van de opbrengst der hoofdgelden, moesten slechts de bij dat bureau geëmploijeerde ambtenaren worden betaald, en van de opbrengst der vendue-geregtigheden moesten, behalve de ambtenaren aan dit kantoor werkzaam, daarenboven het onderhoud van het fort Amsterdam en de Redoutes, later ook het tractement van den Gouverneur worden betaald. Uit de inkomsten der grondbelasting en recognitie-gelden werd behalve aan de ambtenaren (twee secretarissen en de klerken van het bureau) een gedeelte van het salaris van den Raad-Boekhouder-Generaal en van zijne klerken uitbetaald. Het onderhoud der posthouders bij de Indianen, benevens de geschenken aan dezen telken jare uit te deelen, werden mede uit laatstgenoemde kas bekostigd [998].
Het totaal bedrag der uit de souvereins-kas betaald wordende tractementen bedroeg, behalve het tractement van den Gouverneur, ruim f 50,000.
Bij het opmaken dier kas op 1 November 1804 was er voorhanden eene som van f 49,463.18 doch er moest daarentegen nog worden betaald: tractementen f 15,000.-- werklieden aan het fort Amsterdam f 15,447.01 rekeningen voor idem f 13,687.15 presenten aan de Indianen f 10,000.-- --------- somma f 54,138.16
zoodat er een te kort was van f 4,674.18.
En schijnen echter in dat jaar nog vele betalingen aangezuiverd te zijn geworden, daar de Souvereins-kas op 31 December 1804 sloot met een batig saldo van f 162,347.11.7 1/2 [999].
De Koloniale kassen bestonden uit: de Modique lasten en de kas tot verdediging tegen de wegloopers. De ontvangsten der eerstgenoemde: Modique lasten, waren van verschillenden aard, gelijk wij reeds vroeger hebben medegedeeld. Hieruit werd alles betaald, wat tot de burgerlijke administratie der Kolonie behoorde, als: de verschillende Civiele en regterlijke ambtenaars, de onkosten der Justitie en Policie, van kerk- en schooldienst; het onderhoud van bruggen en wegen, van 's lands gebouwen en der hospitalen en inrigtingen ter verpleging der Melaatschen. De kassen der Gemeene weiden, der kerkgeregtigheden, der Militie van de blanken, van de vrije Mulatten en Negers en de kas van de Exploiteurs, werden wel afzonderlijk beheerd, doch men kan ze als onderafdelingen der Hoofdkas (Modique lasten) aanmerken, daar ieder overschot in de Hoofdkas werd gestort, die, aan den anderen kant, de, in die respective kassen ontstane, tekorten moest aanvullen.
Aan de kas opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers waren, in den loop des tijds, mede verschillende ontvangsten gekomen. Hare voornaamste uitgaven bestonden in: het onderhoud van het Cordon en van het corps Negerjagers.
Beide kassen bevonden zich in een erbarmelijken staat. Bij die der Modique lasten bedroeg het te kort f 60,000.-; bij die ter verdediging tegen de wegloopers kwam jaarlijks ruim f 100,000.- te kort.
Het stond te vreezen, dat dit nadeelig slot, bij beiden, zou toenemen, door vele en steeds klimmende uitgaven. Uit de kas der Modique lasten werd alleen aan tractementen ongeveer f 200,000.- betaald, en deze reeds aanzienlijke som werd nog aanmerkelijk verhoogd door een besluit genomen door het Hof van Policie in zijne vergadering van 18 Junij 1804. Bij dat besluit toch werd Green uit erkentelijkheid voor de milde wijze, waarop hij jegens de veroverde Kolonie handelde, en overeenkomstig het gebruik in andere Britsche Koloniën bestaande, om de waardigheid van 's Konings vertegenwoordiger op te houden--aangeboden: eene jaarlijksche toelage uit de Koloniale fondsen van f 60,000.-- en aan de officieren der Britsche krijgsmagt f 30,000.-- [1000];
Dit aanbod, door het Hof op kiesche en beleefde wijze aan Green gedaan, werd door hem met dankbaarheid aangenomen [1001].
Het tractement van den Gouverneur, die uit 's Konings kas mede f 60,000.- ontving, werd alzoo vrij beduidend, doch de uitgaven van de Koloniale kas: Modique lasten, (men hield deze jaarlijksche gratificatie ook bij de volgende Gouverneurs vol) tevens beduidend vermeerderd. Die van de kas tegen de wegloopers klommen mede aanzienlijk, daar het corps Negerjagers, op order van Green, nieuwe montering en verhooging van soldij ontving [1002].
Eene der eerste zorgen van het Hof van Policie moest dus zijn, om de inkomsten der koloniale kassen te vermeerderen. Dat dit noodzakelijk was, werd door alle leden gereedelijk toegestemd, doch over de wijze hoe dit te bewerkstelligen, was men het niet zoo spoedig eens. Na een door de finantiële commissie uitgebragt rapport en vele discussiën stelde het Hof eindelijk voor:
1o. de belasting op de manumissie der slaven, die slechts vijf à zes duizend gulden opbragt, te verhoogen; (die armen moesten dus weder het gelag betalen);
2o. dit zelfde te doen omtrent de zegelbelasting, die nu niet meer dan f 20,000 bedroeg; en
3o. te trachten, zooveel mogelijk, op de uitgaven voor het cordon en voor het corps negerjagers te bezuinigen: men hoopte dat Green hierin te hulp zou komen, door, uit de magazijnen der Britsche krijgsmagt, goedkoop kleedingstukken en wapenen voor het corps jagers te verstrekken [1003].
Het eerste voorstel: verhooging der manumissiebrieven, werd door den Gouverneur goedgekeurd en reeds den 11den Julij 1804 de publicatie daaromtrent uitgevaardigd:
»Uit aanmerking, dat, onder de middelen, die gevoegelijk kunnende dienen, tot de dringende ondersteuning der financiën, is voorgekomen: de verhooging der belasting op de manumissie van slaven, geconsidereerd de voordeeligen staatsverwisseling van zoodanige voorwerpen, de maatschappij aanspraak geeft op derzelver erkentenis, en, onaangezien de groote vermenigvuldiging dezer vrijlaatingen, Wij (de Gouverneur) in ervaring zijn gekomen hoe weinig deze tak der inkomsten opbrengt; invoegen de billijkheid (?), gegrond op de vermoedelijke gunstige omstandigheden der manumittenten, dit middel aan augmentatie onderhevig maakt, buiten en behalve dat het acres der gemanumitteerden sints eenigen tijd, zoo merkelijk is toegenomen, dat zulks tot een motief te meer in dezen is strekkende, gestatuëerd, dat van nu voortaan, voor elken slaaf »ter obtien van brieven van manumissie" ten behoeve van de cassa tegen de wegloopers, zal moeten worden betaald: van die van 't mannelijk en vrouwelijk geslacht, boven de 14 jaren oud, de som van f 500 en van kinderen, beneden de 14 jaren f 250 [1004]."
Ook de zegelbelasting werd meer productief gemaakt [1005]; doch de voorgestelde bezuiniging zoowel voor het cordon als bij het corps negerjagers bleef achterwege; en--weldra ging men weder over tot de in Suriname gewone wijze, om de tekorten te dekken: het maken van papieren of kaartengeld.
Omtrent den oorsprong van papierengeld in de kolonie is de Memorie van Heshuijsen zeer belangrijk.
In de eerste tijden der kolonie was de suiker, gerekend tegen een stuiver het pond, wettig betaalmiddel; later werd wel eenig gemunt geld door de sociëteit ingevoerd, doch dit verdween spoedig uit de kolonie zoodat weldra schaarste van geld ontstond. De andere betaalmiddelen waren wisselbrieven, betaalbaar 6 weken op zigt, door planters op hunne correspondenten in Holland getrokken. Deze wissels, in blanco geëndosseerd, liepen soms jaren vóór zij naar Holland werden opgezonden. De planters, die niet als solied bekend waren, konden moeijelijk wissels afgeven, daar ze niet werden aangenomen; maar ook, indien de Plantaadje van de een of anderen als solied bekende planter door de Marrons werd aangevallen en verwoest, zonden de houders de wissels onmiddellijk naar Holland, doch dan kwamen zij menigmaal met protest terug, hetgeen 25 pCt. per wissel kostte.
Onder Gouverneur Crommelin werd voorgesteld om een voor Suriname alleen gangbare munt, van tin, te maken. Door H. H. M. werd dit verzoek van de hand gewezen en als toen in 1761 besloten, om cartonnen of kaartengeld, met het kleine 's landszegel voorzien, uit te geven, (zie bladz. 265-64.)
De kolonisten ontvingen dit kaartengeld gaarne; men was in Suriname aan papierengeld gewend, en men verkoos het door het koloniaal Gouvernement gewaarborgde boven hetgeen door particulieren werd uitgegeven. Men had nu eenmaal den voet op een verkeerden weg gezet en ging daarop met rassche schreden voort. Te vergeefs waarschuwde de sociëteit, H. H. M. enz., tegen die gedurige vermeerdering van een geldswaardig papier, waarvoor geen degelijke waarborg bestond. Wij hebben reeds dikwijls doen opmerken dat men voortaan in Suriname, bij elke finantiële moeijelijkheid, er al zeer spoedig toe overging, om op die wijze in de tekorten voorzien; zoodat bij de komst der Engelschen voor zes millioen gulden van dat kaartengeld, door Gouverneurs, met medewerking van het Hof van Policie, uitgegeven, in omloop was.
Behalve dit was nog door Friderici voor f 2,385,750 papieren geld in omloop gebragt, zonder de toestemming van het Hof van Policie (zie bladz. 477). Heshuysen verdedigt in zijne memorie dit gedrag van Friderici op de volgende wijze:
De in 1795 in Holland plaats gehad hebbende revolutie vervulde sommige heethoofden met fantastique ideën van vrijheid en gelijkheid, die ieder op zijne eigene wijze uitlegde. Vooral hinderde het velen, dat de Gouverneur zoo veel meer magt dan een gewoon Raadslid had, en daarom beproefden eenige wargeesten die magt te verminderen en stelden zich daartoe aan het hoofd eener partij.
Nu had de Gouverneur vele groote uitgaven te doen: hij moest alles koopen, wat voor de magazijnen noodig was, en dit twee à driemaal duurder betalen, dan het in vredestijd in Holland kostte; terwijl in vredestijd alles door de sociëteit en later door het Committé van coloniën in Holland werd gekocht en betaald. Verder moest de Gouverneur voorzien in het onderhoud van het eskader, dat onder bevel van van Braak in de kolonie was gearriveerd: van Braak was wel van een crediet-brief, doch niet van geld voorzien. De ontvangst bij de onderscheidene kassen was niet genoegzaam ter voorziening in die buitengewone uitgaven; daarenboven was de handel met Holland verstoord. Er moest op de eene of andere wijze in dezen geldnood worden voorzien; doch daar de Gouverneur zich, op eigen gezag, geen middelen daartoe kon verschaffen, hoopte de reeds genoemde partij, die sterk in het hof van policie vertegenwoordigd werd, dat Friderici, door dien nood gedrongen, zich aan de voorwaarden zou moeten onderwerpen, die zij goed vond voor te schrijven. Maar de Gouverneur, na tot het laatste oogenblik te hebben gewacht, en geen ander middel ter uitredding ziende, daar de gewone middelen door de pretentiën van de Cabale impracticabel waren, vaardigde den 2den December 1796 een besluit uit, waarbij hij voor rekening van het committé van Coloniën, in omloop bragt f 250,000 in kaarten en obligatiën, geteekend door den Boekhouder-Generaal. Dit trof de cabale als een donderslag en vooral was zij uit het veld geslagen, toen die daad van den Gouverneur niet slechts door het committé goedgekeurd, maar hem daarenboven vrijheid werd verleend, om dit, zoo het noodig mogt zijn, te herhalen. Zoo was de Gouverneur aan die laag der tegen hem vijandige partij ontsnapt. Alles was zoo zeer in het geheim geschied, dat de cabale geen gelegenheid had gehad, om het publiek tegen deze nieuwigheid op te zetten; zij moest het aanzien, dat het publiek evenveel vertrouwen in dat nieuwe papier stelde, als in hetgeen op last en met medewerking van het Hof was uitgegeven. Het werd echter slechts gebruikt ter betaling van de buitengewone uitgaven, en niet op hypotheek uitgegeven of tot andere einden gebezigd. De Gouverneur in het vervolg geld noodig hebbende, creëerde dan maar weder van dat papier (zie bladz. 477), zoodat toen de kolonie onder Protectoraat der Engelschen kwam (1799) er hiervan in omloop was f 2,385,750 [1006].