Geschiedenis van Suriname

Part 40

Chapter 403,606 wordsPublic domain

Wel is Suriname eene productieve kolonie geweest, doch eigenlijken bloei heeft zij niet gekend. Wel heerschte er soms weelde, maar wezenlijke welvaart bestond er niet. Het geroep der werklieden die de landen maaiden, en wier loon verkort werd, het geschrei dergenen die oogsten, kwam tot de ooren van den Heer der Heirscharen, tot Hem die liefde is, doch die tevens regtvaardig is. De waarschuwing van den apostel Paulus: »Dat niemand zijnen broeder vertrede", die eisch der christelijke liefde, werd in Suriname niet betracht --men vertrad den broeder; hij, voor wien Christus zijn dierbaar bloed heeft gestort, werd als een zaak beschouwd, als--en soms minder dan--een redeloos dier behandeld. Dat de slaaf ook geestelijke behoeften had, werd niet erkend; de Heer gedacht aan dien nood, en op zijnen tijd verwekte hij een zendingsgeest bij de lieve Moravische gemeente, en mannen uit hun midden verkondigden, met trouwe liefde, hoewel onder veel tegenstand, den armen slaaf de blijde boodschap der genade in Christus Jezus, aan alle menschen verschenen. Bij de behandeling der zendingszaak zullen wij meermalen worden getroffen over de trouw en de liefde Gods en ook over die Zijner waardige dienstknechten.

Wij hebben gepoogd, om door eene getrouwe mededeeling der geschiedkundige feiten, Suriname's lotgevallen in de drie eerste tijdperken aanschouwelijk voor te stellen. Wij hopen hiermede verder voort te gaan en de Heer geve, dat de eenvoudige waarheid der geschiedenis er toe moge bijdragen, om meerder belang in Suriname te doen stellen, dan tot heden wordt betoond.

VIERDE TIJDVAK.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Suriname gedurende Engeland's overheersching. Van 1804 tot 1816.

Wij kunnen ons eenigzins voorstellen welk een pijnlijk gezigt het een dapperen bevelhebber en zijnen dapperen krijgsmakkers moet zijn, indien hij, door de omstandigheden genoodzaakt de aan zijne verdediging toevertrouwde sterkte den vijand over te geven, de vlag, het symbool van het gezag zijns souvereins, ziet nederhalen, om plaats te maken voor die van den overwinnaar, den straks nog fel bestreden vijand; velen getuigden liever een roemvollen dood op de wallen te hebben gevonden, dan dergelijke vernedering te moeten ondergaan.

Als mensch kunnen wij dit gevoel begrijpen, doch zoo wij waarlijk Christen zijn en het woord der Schrift gelooven: »dat alle dingen medewerken ten goede dengenen, die God lief hebben", is het echter niet goed aan dat gevoel toe te geven, daar steeds de overtuiging levendig moet zijn, dat niets bij toeval geschiedt, maar alles ter vervulling van den raad Gods, en zoo kan ook de Christen-krijgsman, die getrouw zijn pligt heeft betracht, zich zonder morren, ofschoon met droefheid in het hart, aan die schikking onderwerpen, waarin hij de hand van zijnen God erkent, die verhoogt en vernedert wien Hij wil, en ook hierin moet worden verheerlijkt.

Wij kunnen het ons eenigermate voorstellen, hoe trouwe burgers, vervuld met liefde voor hun vaderland, die mede goed en bloed ten offer bragten ter verdediging van den dierbaren vaderlandschen grond, te moede zijn, zoo de vaderlandsche vlag weggenomen en vervangen wordt door die van den vijand, den vreemde, die nu over hen heerschen zal.

Hoe pijnlijk het voor den geschiedschrijver is, om te gewagen van een tijdvak, gedurende hetwelk zijn vaderland onder vreemde overheersching zuchtte, wordt reeds eenigzins door mij gevoeld, nu ik met mijn overzigt van de geschiedenis van Suriname, eene Nederlandsche volkplanting, genaderd ben tot het tijdvak 1804-1816, dat der Engelsche overheersching. Maar hoe pijnlijk het dan ook valt, toch wensch ik onpartijdig te zijn en mij te wachten om, door partijdige liefde voor mijn vaderland verblind, de handelingen van de overheerschers in een verkeerd licht te plaatsen. In hoeverre het straks geschetste weemoedig gevoel bij den bevelhebber der Bataafsche troepen, bij zijne onderhoorigen, bij den Interims-Gouverneur Berranger en bij de inwoners van Suriname aanwezig was, toen de kolonie in Engelsche handen overging, willen wij niet beslissen; dat het zeer sterk sprak hebben wij bij het onderzoek der officieele en andere bescheiden niet kunnen ontwaren; ook buitengewone daden van heldenmoed en burgertrouw kunnen wij niet vermelden.

Gelijk wij reeds bij het slot der vorige afdeeling deden opmerken: Er heerschte verdeeldheid, er bestond onderling wantrouwen en afgunst tusschen den Commissaris-Generaal, den Gouverneur ad interim Berranger en de bevelhebbers der land- en zeemagt, den Luitenant-Colonel Batenburg en den Schout bij nacht Blois van Treslong.

Deze verdeeldheid, dat wantrouwen, die onderlinge afgunst belette eene krachtdadige verdediging. Officieren door het voorbeeld hunner superieuren weggesleept, weigerden zich aan de bevelen van den Gouverneur te onderwerpen. Dit bragt verwarring te weeg: de voor het fort Nieuw Amsterdam aangevraagde levensmiddelen werden niet verzonden; twee compagniën vrijheden, bestemd voor eene post bij de plantaadje Zoelen, ten einde de omsingeling van de fortres door den vijand te beletten, vertrokken niet derwaarts, de luitenant van Beugen met hun geleide belast, maakte allerlei uitvlugten; eene versterking van het garnizoen aldaar door schutternegers werd evenzeer door dergelijke redenen verhinderd [971]. Heldhaftig kan de verdediging niet worden genoemd, slechts bij de redoute Leijden had een min of meer ernstig gevecht plaats. De Engelschen vermeesterden de redoute en een gedeelte hunner magt, aan de Commewijne geland, trok, door een verrader geleid, achter het Fort Nieuw Amsterdam om en vond, door het vroeger verzuim, geen tegenstand op den weg, en omsingelde alzoo de voornaamste sterkte der kolonie, het fort Nieuw Amsterdam. Batenburg achtte nu het voortzetten van den strijd tegen eene groote overmagt, een te ongelijken kamp, die slechts nutteloos bloedverlies ten gevolge zou hebben; hij bood den Engelschen bevelhebber eene capitulatie aan, die met kleine wijzigingen werd aangenomen.

Berranger ofschoon niet tegen het sluiten eener capitulatie, blijkens zijn advies in den krijgsraad, protesteerde echter tegen deze handeling van den bevelhebber bij proclamatie en wierp alle verantwoordelijkheid er van op Batenburg. Om de stemming der inwoners, onder dit alles, te doen kennen, strekke de mededeeling van een paar artikels uit de Surinaamsche couranten van dien tijd. In die van Woensdag 2 Mei 1804, uitgegeven bij L. E. A. Heiman, leest men het volgende artikel:

»Paramaribo 2 Mei 1804.

Was er ooit een tijdstip, sedert het oprijzen van dit wingewest, uit de moerrassen van Amerika, dat den geest van de daarin belanghebbende gaande maakte, zoo is het gewis het tegenwoordige. Nog weten wij niet of de nationale heldhaftigheid der Bataven, dan of wel de stoutmoedigheid der strijders van Albion dit plekje lands, door den onmeetbaren oceaan van het moederland afgescheiden, behouden of vermeesteren zal; in beide gevallen, doch van welke evenwel maar Een zal plaats hebben, zal de gemaatigde, bescheiden, en zich naar de omstandigheden des tijds verstandig voegende conduite aller welgezinde colonisten, oneindig veel bijdragen tot het coloniaal welzijn."

Dit artikel vloeit zeker niet over van vaderlandslievende gevoelens, het wekt niet tot moed en volharding op, maar tot een zich verstandig voegen naar de omstandigheden des tijds.

In diezelfde Courant van den 3den Mei 1804 vindt men een, dat den zelfden geest ademt:

»Onder het afdrukken dezes begint het politieke raadsel, waarover men zich omtrent 10 dagen de hoofden gebroken heeft, zijne oplossing allengs te naderen.

De inhoud der Proclamatie, op heden alhier op de gebruikelijke wijze gepubliceerd, laat ons niet toe langer aan 't lot dezer Colonie te twijfelen.--Het middelpunt der verdediging aan den overwinnaar afgestaan zijnde, vervalt alle verdere tegenkanting van zelve en ieder vriend der menschheid alhier en zijner mede-colonisten zal het bestier der Voorzienigheid zegenen, dat geen burgerbloed vergooten is, noch dat andere rampen, welke beleegeringen gewoonlijk vergezellen, over onze schedels losgebarsten zijn."

De burgerwacht of schutterij, ofschoon door Berranger, kort na zijne komst, eenigermate georganiseerd, had geen aandeel aan den strijd genomen, maar was te Paramaribo gebleven om aldaar de rust te bewaren en had alzoo weinig gevaar geloopen van bloed te verliezen.

De blanke bevolking van Suriname was ook niet zoo bepaald anti-Engelsch gezind, als sommige publicatiën en proclamatiën van dien tijd zouden doen gelooven. Er bestonden hiervoor gegronde redenen. Het algemeen belang en voornamelijk dat van de geldschieters in Holland had veel geleden tijdens den duur van het zoogenaamd protectoraat van den Koning van Engeland (Augustus 1799 tot November 1802), doch verscheidene planters hadden groote voordeelen genoten, daar aanzienlijke Britsche kapitalen, in de kolonie geplaatst, hen in staat hadden gesteld, om hunne producten te vermenigvuldigen [972], en--hetgeen men hierbij ook niet over het hoofd moet zien--zij waren, gedurende dien tijd, bevrijd geweest om aan hunne verpligtingen jegens de Hollandsche geldschieters te voldoen. De hoop op dergelijke voordeelen lachte sommige kolonisten nu op nieuw toe en deed hen daardoor de verovering der kolonie door de Engelschen niet als eene zoo groote ramp beschouwen.

De met de Engelsche aangegane capitulatie was, de omstandigheden in aanmerking genomen, niet onvoordeelig te noemen. Bij de opeisching der kolonie door de Engelsche bevelhebbers, werden o. a. de volgende voorwaarden aangeboden: de ingezetenen zouden volle zekerheid voor hunne personen en vrije uitoefening van godsdienst genieten; het behoud hunner bijzondere eigendommen, van welken aard die ook zijn mogten, werd hun gewaarborgd; de wetten der kolonie zouden van kracht blijven en de vertegenwoordiger der Britsche troon zou slechts zulke verordeningen mogen maken, als tot tijdelijke voorziening in de verdediging der kolonie noodig werden geoordeeld en die maatregelen nemen, welke den koophandel met Engeland regelden; de verschillende civiele autoriteiten, uitgenomen den Gouverneur, konden, mits den eed aan Z. B. M. doende, hunne betrekkingen blijven waarnemen [973].

Daar men deze voorwaarden niet had aangenomen en de Engelsche bevelhebbers, zich bij de weigering hadden verklaard, hieraan dan ook niet langer gebonden te zijn; en terwijl men nu tegenstand had geboden, vreesde Berranger, dat de capitulatie, door Batenburg aangegaan, wel eervol en voordeelig voor de militairen zou zijn, maar minder in het belang der inwoners. Die vrees bleek echter ongegrond te zijn. Batenburg had bij zijne capitulatie voorgesteld: »dat alle articulen, welke ten voordeele der ingezetenen bij de sommatie waren voorgeslagen, in haar geheel zouden worden nagekomen", waarop de Engelsche bevelhebbers antwoordden: »Zijne Britsche Majesteit heeft ons stricte orders gegeeven de gunst voor de Colonie Suriname zoo veel moogelijk is te verleenen, en waarborgen u dat zulks zal worden geobserveerd zo als is aangeboden" [974].

Voornamelijk echter waren de voorwaarden der capitulatie gunstig voor het garnizoen: aan hetzelve was toegestaan met krijgseer uit te trekken, de officieren zouden hunne degens behouden. Aan de vrouwen en kinderen en verdere personen aan het garnizoen verbonden, werden dezelfde voorregten als aan de militairen verleend; allen zouden, zoodra er eene bekwame scheepsgelegenheid was, naar eene der havens van de Bataafsche republiek worden vervoerd en hun werd veroorloofd in de krijgsdienst te blijven, mits niet te strijden tegen Z. B. M. of deszelfs geallieerden; geen anderen, dan die dit vrijwillig begeerden, zouden in dienst van Z. B. M. worden geëngageerd. Betrekkelijk het corps, bekend onder den naam van witte en zwarte jagers, meer bepaald in dienst van de kolonie staande, zou met het Coloniaal Gouvernement behoorlijk schikkingen worden getroffen.

De Engelschen waren alzoo weder, volgens het regt van den oorlog, meesters van Suriname. De overgave der forten, magazijnen, ammunitie, enz. had achtereenvolgens plaats, terwijl het garnizoen met krijgseer uittrok en de officieren met beleefdheid door de Engelschen werden behandeld: alleen de Commissaris-Generaal ad interim Berranger werd als krijgsgevangene beschouwd.

Den 6den Mei 1804, des namiddags ten één uur, werd op het fort Zeelandia de Engelsche vlag geheschen, en kort daarna kwam de Generaal-Majoor Sir Charles Green van het fort Nieuw Amsterdam met zijn gevolg te Paramaribo. De oud-Gouverneur Friderici en de Bataafsche Commissaris-Generaal maakten dienzelfden dag nog, de hooge Collegiën den volgenden, hunne opwachting bij genoemden bevelhebber [975].

Den 7den Mei werd door Sir Ch. Green en S. Hood eene proclamatie uitgevaardigd, waarvan de officieele vertaling luidt:

»Alzoo de volkplanting van Surinamen en onderhoorige districten, door de wapenen van zijn Groot-Brittannische Majesteit is veroverd en dus geworden een wingewest van het vereenigd Rijk van Groot-Brittagne en Ierland, zo hebben wij nodig gedagt door deze tegenwoordige alle goede ingezetenen deezer plaatze te vermaanen zich rustiglijk en vreedsaam te gedragen en zodanig als betaamd aan getrouwe onderdaanen van Hooggemelde Zijne Majesteit, geevende wij hunlieden de volkomenste verzekering, dat derzelver goederen en bezittingen in alle opzichten veilig zijn en beschermd zullen worden, waartoe de strictste ordres aan de troupen gegeven zijn, en dat ons het welweezen der ingezetenen, als Zijner Majesteits onderdanen, door Hoogstdezelve is aanbevoolen. Strekkende het mede een ieder tot narigt, dat het Civiele Gouvernement dezer volkplanting en onderhoorige districten, door den Generaal Major Sir Charles Green zal worden waargenomen tot dat deswegens Zijner Majesteits nadere beschikkingen zullen bekent zijn" [976].

Bij publicatie van 8 Mei 1804 maakte Sir Ch. Green bekend, dat hij het bestuur der kolonie, als wettig vertegenwoordiger Z. B. M., had aanvaard en gelastte, dat de wettig geconstitueerde magten, te weten: het Hof van Policie en Criminele Justitie, het Collegie van kleine, vacerende over groote zaken, de Curateele kamer, de Commissarissen van Gemeene weide, de Joodsche Weeskamers en alle andere personen, die eenig publiek ambt of betrekking bekleeden, met de uitoefening van derzelver respectieve pligten blijven voortgaan;--wordende degenen, die onder de zoo even bedoelden begrepen zijn, gelast, op den 9den Mei, des voormiddags ten 9 uur, zich te vervoegen ten Gouvernementshuize, ten einde den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen [977].

Den 9den Mei presideerde Green voor het eerst in het Hof van Policie en werd de eed van getrouwheid aan Z. B. M. door de Raden van Policie en vervolgens door de andere Collegiën in zijne handen afgelegd [978]; waarna alles verder geregeld werd om een en ander in verband te brengen met den toestand der kolonie, als nu zijnde eene Engelsche bezitting.

De Gouverneur gaf den 19den Mei, bij Proclamatie bevel, dat de eed van getrouwheid aan Z. M. moest worden gedaan, door de stadbewoners, binnen den tijd van 14 dagen, te rekenen van den 28sten Mei en door de plantaadje-bewoners binnen vier weken. De Gouverneur zegt, in bedoelde proclamatie, te verwachten, »dat niemand oorzaak zal geven, om zoodanige middelen van gestrengheid te moeten gebruiken, als derzelven ongehoorzaamheid aan dezelve anderzints zoude moeten noodzakelijk maken [979].

De Britsche autoriteiten gingen,--dit moet erkend worden, met gematigdheid te werk en trachtten de inwoners van Suriname door toegefelijkheid te winnen--echter toonden zij Heeren en Meesters te zijn en dulden niet, dat men zich op eenigerlei wijze tegen hun gezag verzette, of dat men aan personen, die de Engelsche belangen, zelfs meer dan betamelijk voorstonden, daarover verwijtingen deed. Dit ondervond o. a. de Secretaris der Kolonie du Moulin, een man die door Berranger als uiterst bekwaam en als een warm patriot wordt geprezen. Du Moulin was in twist geraakt met zekeren van der Hoop, die de Engelschen tot gids had verstrekt en hij voegde den verrader scherpe verwijtingen toe, die zich daarover bij den Engelschen Gouverneur beklaagde en het gevolg hiervan was, dat du Moulin uit de Kolonie werd verbannen [980]. Het staatsbewind der Bataafsche republiek had in Februarij 1804 van goederhand berigt ontvangen, dat zekere F. S. C. P. van der Hoop door het Engelsch Gouvernement zou zijn belast geworden met de commissie, om zich over Barbados naar Suriname te begeven, ten einde aldaar, met den Gouverneur dier Kolonie en met den Commandant der troepen, betrekkingen aan te knoopen en hem te trachten te bewegen gemelde Kolonie aan het Britsch Gouvernement over te geven.--Waarop besloten werd den Kapitein ter zee W. O. Blois van Treslong, Commanderende 's lands Eskader in de W. I., aan te schrijven hieraan geen gehoor te geven, maar, in overleg met den Gouverneur of het Gouvernement, de Kolonie op de best mogelijke en rigoureuste wijze te verdedigen. Dit schrijven werd echter niet door Blois van Treslong ontvangen, maar viel den Engelschen in handen, en berust thans op Her Majesty's statepapers office [981].

Berranger toonde mede zich niet genegen om zich naar de wenschen van de Britsche autoriteiten te voegen. Batenburg had hem verzocht om wissels op het bewind der Bataafsche republiek te trekken, ter goedmaking der verschenen doch nog niet betaalde soldijen; terwijl hij daarenboven, bij een additioneel artikel der capitulatie, met de Engelsche bevelhebbers was overeengekomen: dat de Bataafsche troepen, tot op het oogenblik van hun vertrek uit de Kolonie, de gewone soldij zouden blijven ontvangen. Berranger weigerde aan dit verzoek te voldoen en gaf, bij zijne Missive aan den Raad der Amerikaansche Coloniën van 30 Julij 1804, als reden dezer weigering, op, dat:

1o hij reeds, op den 13den Mei 1804, als krijgsgevangen was beschouwd en dus in alles had gedefungeerd;

2o gedacht had om, zonder buitengewone omstandigheden, die betalingen uit de gewone kassen te kunnen doen, zonder traites op het committé;

3o ontwaarde, dat het grootste gedeelte der soldaten dienst bij de Engelschen nam, en hij dus geene roeping gevoelde om overloopers te soldieeren, en eindelijk;

4o zeer wel meende in te zien, dat die traites, zonder dat zulks bij dezelve wierd uitgedrukt, tot eene gratificatie voor de officieren zouden verstrekken en »die heeren gewisselijk geen aanspraak op eenige gunst hadden."

Batenburg gaf daarop zelf wissels uit, die echter niet gemakkelijk endosseurs vonden, en Berranger,--»om met niets te doen te hebben, of zelfs niets te schijnen zulks te zoeken" vroeg en verkreeg verlof om zich, op zijn eerewoord, naar zijne plantaadje te begeven, tot dat nader omtrent hem zou worden beslist. [982]

Er namen, gelijk wij hier boven zagen, vele soldaten dienst bij de Engelschen; sommigen daarentegen bleven hun vaandel getrouw; anderen zwierven in de Kolonie om en, daar zij zonder vast middel van bestaan waren, leefden zij ten koste van de burgers. Tegen deze vagabondage werd door den Gouverneur Green eene proclamatie uitgevaardigd, waarbij bedoelde personen werden gelast zich, binnen 14 dagen, naar het Hoofdkwartier te begeven, op poene van, bij nalatigheid hiervan, als vagebonden aangemerkt, als zoodanig opgevat en behandeld te worden. De ingezetenen werden vermaand om geen dier personen te huisvesten of te verbergen, als zullende tegen de Contraventeurs volgens de gestrengheid der wetten worden gehandeld [983].

De oud-Gouverneur Friderici, die door het Bataafsch bewind uit zijnen post was ontslagen, voedde hoop om nu weder aan het bestuur te komen. Hij wendde zich daartoe per missive aan den Britschen Secretaris van staat voor het departement van Koloniën Lord Hobart, en bood dezen zijne diensten aan. Lord Hobart dankte hem, bij vriendelijk schrijven, voor zijne aan de Engelschen betoonde welwillendheid, doch wees zijn verzoek beleefdelijk af, als reden opgevende dat aan Green was beloofd, bij welslagen, met het bestuur te worden belast [984].

Daar Suriname nu eene Britsche bezitting was geworden, moest de handel van de Kolonie met Groot Brittanje worden geregeld. Bij Proclamatie van 29 Mei 1804 werd »aan alle Britsche onderdanen de handel naar en van deze Kolonie veroorloofd, met in achtneming van alle rechten, schikkingen, voorwaarden, bepalingen, poenaliteiten en verbeurdverklaringen, als op den handel naar en van Z. B. M. Coloniën, Plantagiën en eilanden, ergens in de West-Indië gelegen, zijn vastgesteld, of voortaan bij wetten nog zullen worden vastgesteld" [985].

Wij hebben meermalen doen opmerken van welk een groot belang de handel van Suriname met Noord-Amerika was. Amerikaansche schepen toch bragten steeds die goederen aan, welke onontbeerlijk voor de plantaadjes waren; terwijl hunne retourvracht uit Melassie en Dram, beide in Europa niet zeer gewild, bestond. Door de planters was dikwijls bij de Sociëteit van Suriname aangedrongen, om hun te vergunnen ook andere producten als: suiker, koffij en katoen, te verkoopen, doch zij hadden hierop immer een weigerend antwoord bekomen. De Sociëteit wilde dit verzoek niet toestaan, omdat zij meende hierdoor het groote voordeel der consignatie aan hare kantoren, te verliezen, en vermeende dat, zoo dit zelfs onder vele restrictiën werd toegegeven, de planters hiervan misbruik zouden maken. Toen door de finantiële moeijelijkheden, waarin de Kolonie achtereenvolgens geraakte, vele plantaadjes in handen van Hollandsche geldschieters overgingen, werd door dezen ook uitdrukkelijk bepaald, dat de consignatie der uitgevoerde producten voortaan aan hen moest geschieden.

Gedurende het Engelsch protectoraat had deze handel of liever het misbruik dat, volgens begrip der Engelschen, hiervan door de Colonisten werd gemaakt, aanleiding tot eenige verwikkelingen gegeven (zie bladz. 491). De planters drongen nu sterk bij den Britschen Gouverneur aan, om den in- en uitvoer in Amerikaansche schepen geheel of ten minste gedeeltelijk toe te laten. Aan dit verzoek werd door Green gehoor verleend:

»Provisioneel voor den tijd van vier maanden wordt de invoer gepermitteerd in Amerikaansche of andere neutrale bodems, toekomende aan onderdanen van mogendheden in vriendschap met Z. G. B. M. levende, van: pik, teer, terpentijn, hennip, vlas, masten, raas, boegsprieten, duiken, kuipen, deksels, timmerhout, singels en alle andere soorten van houtwaren, paarden, hoornvee, schapen, varkens, gevogelte en pluimvee van allerlei soort, brood, beschuit, blom, erwten, boonen, aardappelen, tarwe, rijst, haver, garst en allerlei granen, gezouten vleesch, spek, boter, ingelegen en drooge zoutevisch van het grondgebied van Amerika of van zoodanige mogendheden hierboven gemeld, mits betalende op den invoer 4 pCt., zoowel van de goederen hiervoren vermeld, als van dezulken waarvan men hierna den invoer mogt goedvinden toe te staan.

Wordende aan de hierboven bedoelde schepen den uitvoer gepermitteerd van suiker, rum en melassie, (mits niet te boven gaande de waarde van het beloop hunner ingebrachte lading) tegen betaling van een uitgaand recht van 8 pCt." [986]

Deze voor de kolonisten gunstige bepaling werd wel den 26sten September voor drie en den 7den December 1804 voor vier maanden verlengd, doch met eenige restrictiën: de uitvoer werd nu tot rum en melassie beperkt en bij eene latere bepaling van 24 April 1805 strekte die beperking zich ook tot den invoer uit [987].

De schippers en supercargas der neutrale schepen veroorloofden zich echter weldra eene eigenmagtige uitbreiding der hun toegekende voorregten, daar zij hunne ladingen niet onmiddellijk en in het groot aan de gevestigde kooplieden verkochten, doch dezelve in pakhuizen opsloegen en zoo stuksgewijze van de hand zetteden. Deze handeling benadeelde èn de gevestigde kooplieden èn de koloniale kas.

Dit misbruik moest worden tegengegaan. Green vaardigde dientengevolge de volgende proclamatie uit: