Geschiedenis van Suriname

Part 4

Chapter 43,631 wordsPublic domain

Nu werden voor het eerst eigenlijke plantaadjes aangelegd, en weldra beliep hun getal 40 à 50. Hier werd hoofdzakelijk suiker geplant; op eenigen nam men ook op nieuw de proef met de tabaksteelt, welke echter niet zeer gelukkig uitviel; van meer belang was de houtvelling voor het gebruik in de kolonie, zoo voor het bouwen der huizen als ter oprigting der suikermolens. Beide waren in den beginne zeer eenvoudig, de molens werden door paarden of ossen gedreven. De tigchelsteenen, benoodigd tot het metselen der ketels, om suiker te raffineeren, werden door de kolonisten mede zelven gemaakt. Onderling belang verbond hen en alzoo kwamen zij meermalen op eene bepaalde plaats bij elkander en bewerkten dan in gemeenschap datgene, waartoe afzonderlijke personen niet in staat zouden geweest zijn [18].

Lord Parham, die zich werkelijk jegens deze volkplanting zeer verdienstelijk had gemaakt, en die de eerste proef geheel op eigene kosten had gedaan, werd in 1662 door koning Karel II, bij uitvoerigen giftbrief [19] in het bezit van Suriname bevestigd.

Bij deze acte werd het volle eigendom der landen en kusten van Suriname, den 2den Julij 1662, geschonken aan Sir Charles Willoughby, Graaf van Parham, en aan Laurens Hide, tweeden zoon van den grootkanselier graaf van Clarendon en aan hunne nakomelingen of regtverkrijgenden.

De regering werd onder het opperbestuur van lord Parham vastgesteld, en bestond uit een gouverneur, den raad en de gemeente, terwijl de kolonie volgens de Engelsche wetten en eenige bijzondere keuren werd bestuurd.

Terwijl de kolonie in korten tijd in uitgebreidheid en belangrijkheid toenam, kwamen er gedurig meerderen aldaar, om hun geluk te beproeven of om andere oorzaken. Weldra vestigden zich hier mede uit Cayenne een vrij groot aantal Joden, die door lord Parham, uit overweging van het groote nut en voordeel, dat zij de nieuwe volkplanting konden aanbrengen, in alles met de Engelschen gelijk gesteld en voorts in hunne godsdienst en burgerregten gehandhaafd werden.

Zij deelden deze voorregten met hunne geloofsgenooten, die met lord Parham uit Engeland waren aangekomen.

Daar de Joden steeds een zoo belangrijk gedeelte der bevolking hebben uitgemaakt en nog uitmaken, willen wij deze nederzetting, een weinig uitvoeriger mededeelen en vinden wij ons genoodzaakt de geschiedenis hooger op te halen.

De Joden, die in grooten getale in Spanje en Portugal woonden en aldaar, voornamelijk onder de overheersching der Mooren, tot grooten luister en rijkdom waren gekomen, werden na de verdrijving van de laatsten, door de katholieke vorsten van dat land zeer verdrukt en vervolgd, gelijk ons de geschiedenis leert. Om deze vervolging te ontwijken hadden velen zich in het nieuw ontdekte Brazilië nedergezet, en hoewel zij daar ook nog veel van den haat der katholieke geestelijken en anderen moesten lijden, was dit, in betrekkelijken zin, toch minder dan in Spanje en Portugal.

Eene gouden eeuw brak voor hen aan, toen de Nederlanders voor een goed deel meester in Brazilië waren geworden, en onder de roemrijke regering van Maurits van Nassau namen zij in aanzien en rijkdommen toe. Als een bewijs hiervan diene de vermelding van het feit, dat toen Maurits in 1644 Brazilië verliet, de Joden hem verzochten, om het prachtige paleis, door hem gebouwd, te mogen koopen, ten einde hetzelve tot eene Synagoge in te rigten.

De zaken der Nederlanders gingen, gelijk bekend is, na het vertrek van dezen kundigen landvoogd, spoedig achteruit, en weldra verloor Nederland geheel het rijke Brazilië.

De voorspoedszon der Joden aldaar begon nu ook te tanen, en in 1654 werd hun de vrije godsdienstoefening en weldra zelfs het verblijf op Portugeesch grondgebied ontzegd. De Stadhouder van Portugals koning verleende evenwel aan de talrijke Joodsche bevolking nog eenigen tijd, tot regeling harer zaken, mitsgaders een zestiental schepen, met vrijgeleide, om naar Holland te stevenen. Een aantal dezer Braziliaansche Joden vestigden zich op een ander punt in het Nieuwe werelddeel. Sommigen hunner wendden zich naar Cayenne, dat, gelijk wij hiervoren zagen, in 1656-1657 voor een groot gedeelte door de Hollanders in bezit was genomen, en thans onder het bestuur van Gerrit Spranger stond.

In 1659 werden door de Bewindhebbers der W. I. Compagnie aan David (Cohen) Nassy belangrijke voorregten toegestaan, als: vrijheid van godsdienstoefening, vrijheid van tienden voor den tijd van twintig jaren en verlof om eene volkplanting in Cayenne te vestigen. De W. I. Compagnie verleende dit charter aan David (Cohen) Nassy den 12den September 1659. Hierbij werden de grenzen bepaald, welke ten opzigte der andere, op het vaste land van Cayenne, door hem in acht moesten worden genomen.

Dit aan Nassy verleende Octrooi was zoo gunstig, dat in het volgende jaar een getal van 152 Joden, uit Livorno, zich bewogen vond, om derwaarts over te komen, die dan ook, zonder verhindering op hunnen weg te ontmoeten, aldaar aankwamen en er zich, met grooten dank aan God, onder hunne geloofsgenooten nederzetteden.

Genoemde Nassy muntte onder de andere Joden uit, en kan eenigermate als hun hoofd beschouwd worden, terwijl hem dan ook den titel van Patroon der Kolonie door de W. I. Compagnie werd toegekend; met hem werden ook de contracten enz. gesloten.

Echter hadden noch hij, noch zijne geloofsgenooten lang genot van de hun in Cayenne toegekende regten, daar Nederland spoedig daarna Cayenne verloor.

Niettegenstaande Nederland te dien tijde met Frankrijk in vrede leefde, verscheen er den 11den Mei 1664 eene Fransche vloot, onder bevel van den heer de la Barre, luitenant ter zee, uit naam van de Fransche Maatschappij der Evennachtslinie, op de reede van Cayenne.

De Hollandsche gezagvoerder Spranger, die geen kwaad vermoedde, was buiten staat eene zoo groote magt af te keeren, te meer daar de Indianen hem verlieten en landwaarts introkken.

Den 15den Mei 1664 werden het fort en de verdere bezettingen aan de Franschen overgegeven, die de ingezetenen plunderden en velen van hen naar Frankrijk medevoerden.

De Joden besloten alzoo, daar zij van nu af gedurig verontrust werden, hunne volkplanting naar een ander oord te verleggen en kozen daartoe Suriname, alwaar zij, gelijk wij reeds opgemerkt hebben, door lord Parham met blijdschap ontvangen werden, daar zij èn door hunne kennis van den landbouw èn door hunne rijkdommen, beide in Brazilië reeds opgedaan en verkregen, welkome gasten waren [20].

Ten dien tijde of iets vroeger hebben zich ook eenige Nederlanders aan de Commewijne nedergezet, ongeveer vijf en twintig mijlen landwaarts in, die met de Indianen in vrede leefden en met hen eenen vrij grooten handel in letterhout en andere artikelen dreven. Deze leefden aldaar, vonden hun bestaan in een eerlijken handel en waren zonder slaven [21].

De Engelschen en Joden hadden echter reeds slaven; hoewel het niet uitdrukkelijk gemeld is, blijkt dit echter uit den loop der geschiedenis.

In Suriname's uitgestrekte wouden waren dus de Indianen niet langer de eenige meesters en heeren, hadden de vroegere ontdekkingstogten en het zoeken naar goud door de Europeanen opgehouden en waren de eerste nederzettingen mislukt; de volharding der Europeanen had gezegepraald.

Europa had vasten voet in Suriname verkregen; de toestand was er veranderd, Suriname was eene Europesche kolonie geworden, en zou dit voor lang blijven. Zij is dit nog.

Voortaan zou de strijd over het bezit meer zijn tusschen de Europesche natiën onderling dan tusschen haar en de oorspronkelijke bewoners; deze worden naar de binnenlanden verdrongen en weldra niet meer geteld; zij verminderen in kracht en magt, naarmate die bij de vreemdelingen toenemen. Slechts van tijd tot tijd zien wij hen uit hunne bosschen te voorschijn komen, om zwakke pogingen ter verdrijving der vreemdelingen te beproeven; later om met hen handel te drijven, en helaas! om van hen dien verderfelijken giftdrank te ontvangen, die hunne gezondheid verwoest, die hen ontvatbaar maakt voor geestelijke, voor eeuwige dingen.

Europa, Europa! heeft daarvoor de Heer des hemels en der aarde u VOOR EEN TIJD magt gegeven om beheerscheres der wereld te zijn?

De Engelschen en anderen bouwden in dit hoekje der aarde hunne tabak en suiker; de kolonie ging voorspoedig vooruit. Doch deze rustige tijd zou niet lang duren; weldra werd zij door gebeurtenissen verstoord, die wederom eene groote verandering te weeg bragten, welker vermelding tot het tweede tijdvak behoort.

TWEEDE TIJDVAK.

VAN 1667 TOT 1683.

Terwijl de Engelschen en anderen zich meer en meer voor goed in Suriname trachtten te vestigen, en de nieuwe kolonie in betrekkelijk korten tijd in bloei toenam, vielen er in Europa gebeurtenissen voor, die eenen grooten invloed op de onderscheidene bezittingen der verschillende Europesche natiën in de nieuwe wereld zouden uitoefenen, waardoor Suriname in het bezit van een wel is waar klein, maar dapper volk zou komen, hetwelk zich, trots allen wederstand en onderlinge verschillen, langen tijd in dat bezit handhaven zou, en hetwelk Suriname, na een twaalfjarig gemis, nu nog als eigendom bezit.

De kleine staat of republiek der Vereenigde Nederlanden was reeds sedert 1661 in oorlog geraakt met Engeland, alwaar Koning Karel II, na den dood van den protector Oliver Cromwell, in 1658 gestorven, in 1660 weder den troon zijns vaders bestegen had, en nu ten koninklijken zetel verheven, spoedig de hulp, de ondersteuning, de bescherming vergat, die hij als banneling in Nederland zoo ruimschoots had genoten.

De strijd werd van beide zijden met afwisselend geluk gevoerd; vooral oogstten onze zeehelden, als de Kortenaar, de van Nessen, van Gent, de Evertsen, de Vries, vooral Cornelis Tromp en de Ruijter, de schrik des Oceaans, toen vele en welverdiende lauweren [22].

De Zeeuwen, die moedige waterleeuwen, gaven meer dan eens blijken, dat zij niet ontaard waren van die heldendeugd, welke eenmaal Spanje's grooten koning deed sidderen. Om overal zoo veel mogelijk den algemeenen vijand afbreuk te doen, rustten zij in 1666 drie schepen uit en eenige kleine vaartuigen, met 300 soldaten bemand, en stelden dit eskader onder bevel van den kapitein ter zee Abraham Crynsen, terwijl de kapiteins Julius Lichtenberg en Maurice de Rame over de troepen het commando voerden. Deze kleine vloot zette koers naar Suriname. Den 28sten Februarij 1667 stevenden deze drie oorlogsschepen en eenige kleine vaartuigen de rivier Suriname op. De Engelsche vlag woei van den stengel der schepen; zij zeilden de rivier op tot onder de sterkten der Engelschen; hunne krijgslist, het voeren der Engelsche vlag, mislukte; onkunde met de seinen verraadde hen. De bevelhebber der sterkte, William Biam, die bij afwezigheid van lord Parham het bevel voerde, liet terstond op het kleine eskader losbranden. Dan ook hier was men op alles voorbereid; van de schepen werd de volle laag gegeven; de krijgsknechten stapten aan land, en na eene korte schermutseling, waarbij de aanvallers slechts één man verloren, werd de sterkte, die slecht voorzien was, ingenomen, bij verdrag overgegeven, en des namiddags woei voor den eersten keer de Prinse vlag, de Nederlandsche vlag van het fort, sedert »Zeelandia" genoemd. De schielijke overgave door de Engelschen was mede veroorzaakt, doordat 600 man van de plantaadjes en overige deelen der kolonie, in allerijl ontboden, eenige uren te laat kwamen. [23]

De onzen maakten een verdrag met de ingezetenen en suikerplanters aan de rivieren de Commewijne en Suriname, waarbij bepaald werd, dat dezen onverlet in hunne bezittingen zouden blijven, mits eed doende aan den Staat.

De goederen van hen die weigerden, en die der afwezigen, benevens die van den Engelschen gouverneur William Biam werden verbeurd verklaard en de soldaten krijgsgevangen gemaakt. Voorts moesten de ingezetenen honderd duizend pond suiker als brandschatting opbrengen [24].

De in de kolonie gevestigde Joden vervoegden zich tot Crijnsen, om bestendiging der voorregten, hun door lord Parham verleend, te erlangen; zij vonden een gunstig gehoor.

De bevelhebber Abraham Crijnsen stelde den heer Jozef Nassy aan tot Commandeur der rivieren Eracubo en Canamana, en onder verscheidene andere plegtige verklaringen, door hem uit naam der Staten van Zeeland aan de bewoners der kolonie gedaan, behoort ook, dat hij den Joden beloofde, dat zij de voorregten, hun door de Engelschen verleend, zouden blijven genieten; en in het 3de en 4de artikel van zijne Acte, later door de Staten van Zeeland goedgekeurd, werd er bijgevoegd, »dat de Joden gerekend werden alsof zij geboren Hollanders waren." [25]

Na hierop het fort met eenige nieuwe werken versterkt, met palisaden omzet en een garnizoen van 120 man achter gelaten te hebben, benevens 15 stukken geschut en levensmiddelen en den noodigen krijgsvoorraad voor 6 maanden, vertrok Crijnsen met zijn eskader van daar, om nieuwen roem en lauweren te behalen, die hij dan ook ruimschoots verwierf, en waarvoor hij door de Admiraliteit van Zeeland met eerbewijzen en bevordering beloond werd [26].

Hij bevrachtte ook een schip, dat naar Zeeland stond te vertrekken, met den buit, welke op meer dan f 400,000 geschat werd.

Indien men rekent, dat men dezen buit prijs maakte op eene plaats, die men overwonnen had, met het oogmerk om ze te behouden en te vergrooten ten voordeele van den overwinnaar, dan moet men erkennen, dat de kolonie Suriname toen reeds als eene gansch niet onbelangrijke bezitting beschouwd kon worden.

Maurits de Rame bleef als bevelhebber achter.

De oorlog tusschen de republiek der Nederlanden en het koningrijk Engeland nam kort hierna een einde. Den 31sten Julij 1667 werd te Breda de vrede tusschen Holland en Engeland gesloten, en werd aldaar bij het tractaat bepaald, dat al de plaatsen, die door de wederzijdsche vijanden vóór of op den 10den Mei veroverd waren, aan den overwinnaar zouden verblijven, maar dat alle na dien dag veroverde plaatsen aan hunne vorige bezitters zouden worden teruggegeven.

Kwam alzoo Nieuw-Amsterdam, sedert New York genaamd, volgens dit tractaat in handen der Engelschen, Suriname daarentegen bleef onder de magt der Zeeuwen.

In Suriname had men evenwel nog geen dadelijk genot van dien gesloten vrede.

Aldaar verkeerde men in geene geringe vrees door het vernemen der tijding, dat de Engelsche bevelhebber John Hermans met een eskader naar Amerika was vertrokken, om de Fransche en Nederlandsche bezittingen in dat werelddeel te verontrusten. Die vrees bleek weldra niet ongegrond te zijn. Hermans kwam in October, [27] met 1 groot oorlogsschip, 6 fregatten en 2 kleine transportschepen voor Cayenne en bemagtigde dat na eenigen wederstand van de zijde der Franschen. De ridder De Lezy, die vruchteloos getracht had dit te beletten, nam met twee honderd man de vlugt naar Suriname, en deelde het berigt mede, dat men aldaar mede weldra een bezoek van de Engelschen te duchten had; en die droevige verwachting werd spoedig eene droevige wezenlijkheid. Hetzij, dat de tijding van den te Breda gesloten vrede aan den bevelhebber van dit eskader nog onbekend gebleven was, hetzij dat lord Parham, de gouverneur van Barbadoz, zich op deze wijze over het verlies van zijn eigendom willende wreken, de hand in het spel had, den 18den October 1667, verscheen genoemde John Hermans met zeven oorlogsschepen en eenige kleinere, bemand met twaalf honderd man, voor de rivier de Suriname, zeilde met eenige schepen dezelve op tot voor het fort »Zeelandia", en begon dit met kracht te beschieten, zoodat spoedig 34 man der belegerden, of gedood of gekwetst, negen stukken geschut onbruikbaar gemaakt, de borstweringen en stormpalen omver geschoten werden en eene bres werd gevormd, alwaar wel tien man naast elkander door konden gaan; hierdoor werd de bezetting genoodzaakt te kapituleren. Terwijl men hierover krijgsraad hield, klommen de Engelschen over de muren en bemagtigden alzoo de sterkte. Eenige der Fransche vlugtelingen, die hunne dienst den gouverneur hadden aangeboden en zich dapper gedroegen, verhaalden later, dat het fort, na eene moedige verdediging, werd ingenomen door verraad van den majoor, die een der poorten voor de Engelschen ontsloot.

Hoe dit ook zij, het fort werd veroverd, de bezetting krijgsgevangen gemaakt en alles geplunderd.

Meer dan 500 bewoners, voor het grootste gedeelte Engelschen en Joden, wier suikerplantaadjes zich 4 mijlen ver langs de rivier uitstrekten, moesten zien, dat hunne molens, ten getale van 32 of 33 werden vernield of weggevoerd. Na een verblijf van drie weken keerde Hermans van daar naar Barbadoz terug, alwaar hij zijne gevangenen met den bevelhebber de Rame en andere Hollandsche officieren aan land zette [28].

Het tractaat, te Breda gesloten, moest echter nageleefd en de kolonie Suriname weder overgeleverd worden; de bepalingen deswege waren duidelijk.

Lord Parham, die wegens de ontrooving van de door hem gestichtte en sedert door zijnen vorst aan hem en zijne nakomelingschap ten eeuwige? dage geschonken volkplanting van wraaklust brandde, zocht, daar hij de overgave der kolonie niet beletten kon, haar zoo veel mogelijk afbreuk te doen. Hij zond zijnen zoon Henry met een oorlogsschip en drie koopvaardijschepen, reeds nadat de vrede afgekondigd was, naar Suriname, om de daar zijnde Engelschen te overreden die kolonie te verlaten en zich naar eene Engelsche te begeven, en om al de suikermolens en slaven met zich te nemen, terwijl hij hen, die dit weigerden, als wederspannigen beschouwde.

Onze Staten klaagden daarover bij den Britschen koning, die zich bereid toonde, eene rigtige uitvoering aan het vredesverdrag van Breda te geven, en die dan ook aan lord Parham het bevel gaf, de veroorzaakte schade te vergoeden en de kolonie voortaan niet verder te verontrusten. In plaats van dit bevel op te volgen, stak Henry, de zoon van lord Parham een suikermolen in brand, en wilde de vesting niet ontruimen, die hij dreigde te slechten, vóór hij vertrok. Zelfs liet hij van daar 168 slaven, 126 stuks vee, 21,000 pond suiker en 8 suikermolens naar Barbadoz vervoeren. Men liet van onze zijde niet na aan den koning van Engeland daarover beklag en verzoek om herstelling in te leveren.

Bij minnelijke schikking werd eindelijk goed gevonden, dat zij, die volgens hun vrijen wil de kolonie wilden verlaten, dit konden doen met hunne slaven en goederen; dat zij dezen ook vóór hun vertrek mogten verkoopen; maar hun werd verboden hunne achter te laten bezittingen, haven, schuren of molens te verwoesten; lord Parham werd door zijnen vorst belast de door hem gemaakte schade te vergoeden. In hoeverre aan dat laatste gevolg is gegeven blijkt niet duidelijk uit de geschiedenis, en wat het eerste betreft: twaalf honderd Engelschen, waaronder verscheidene Joden, die met lord Parham uit Engeland waren gekomen, verlieten Suriname met hunne slaven en goederen en gingen naar Jamaika, alwaar zij met blijdschap werden ontvangen. Later in 1677 vertrokken nog 10 Joodsche familiën, met hunne slaven, te zamen 322 personen uitmakende. [29]

Eindelijk werd de republiek der Nederlanden, ingevolge de schikkingen (gevolgd op den tweeden oorlog) bij het 5de en 7de artikel van het tractaat van Westminster, in dato 9-19 Februarij 1674, in het eigendom van Suriname bevestigd [30].

Abraham Crijnsen, de dappere veroveraar in 1667, nam in het volgende jaar 1668 weder bezit van deze kolonie en trachtte de verwarde zaken aldaar te regelen.

De toestand der nieuwe kolonie was uiterst moeijelijk; zij begon zich eenigermate te ontwikkelen onder het bestuur der Engelschen; onder dezen bestond een gewenschte, vereenigende band, daar voornamelijk zij, die in Engeland onder de regering van den protector Oliver Cromwell over den gang der zaken aldaar ontevreden waren, zich naar Suriname hadden begeven, en deze overeenkomst in staatkundige gevoelens bevorderde de maatregelen, om met vereende krachten handen aan het werk te slaan, ten einde in dat nieuwe werelddeel deze nieuwe kolonie te vestigen en uit te breiden. De Joden met van Parham mede gekomen, verblijd over de vrijheden en voorregten, welke zij hier genoten, spanden mede hunne beste krachten in, ter bevordering van het algemeen welzijn, en de Braziliaansche Joden paarden bij eenen even sterken aandrang hiertoe nog daarenboven de kennis van den landbouw, die zij in Brazilië hadden opgedaan en aanzienlijke rijkdommen, die zij aldaar hadden verworven. Indien wij dit een en ander in aanmerking nemen, verwondert het ons niet, dat men na een zoo kort aantal jaren reeds van bloei en voorspoed spreken kon.

Dan nu, hoezeer was die toestand veranderd. Gezwegen van de noodlottige gevolgen van den oorlog, van de brandschatting door Crijnsen opgelegd; gezwegen van de verwoesting en plundering later op bevel van Willoughby, lord van Parham geschied, welke schade hierdoor veroorzaakt was, dit alles kon hersteld worden; maar zwaarder drukte der nieuwe kolonie het vertrek van 1200 volkplanters, die met hunne slaven en goederen naar Jamaika gingen; hierdoor werd eene moeijelijk te herstellen breuk gemaakt; vele naauwelijks ontgonnen gronden lagen door gebrek aan werkende handen niet slechts ledig, maar keerden weldra tot den natuurstaat terug, hetgeen in de tropische gewesten zoo spoedig het geval is, indien de werkende hand der menschen ophoudt het onkruid uit te roeijen en verder den grond tot cultivatie geschikt te maken. Hoe men in dit gebrek trachtte te voorzien zullen wij nader zien; men begrijpt dat dit echter eerst langzamerhand kon geschieden. Eene andere moeijelijkheid voor het Nederlandsche bestuur was hierin gelegen, dat de in de kolonie overgeblevenen, voor een groot gedeelte meer Engelsch dan Hollandsch gezind waren, hetgeen uit den aard der zaken gemakkelijk te verklaren is.

Daarbij kwam nu het verschil tusschen de Algemeene Staten en de Staten van Zeeland over het eigendomsregt en het gezag van en over Suriname.

Reeds zeer spoedig ontstond hierover verschil en wel bij de benoeming van een Gouverneur.

Zeeland matigde zich het gezag, ten minste het Dominium utile over deze kolonie aan, als zijnde door den Zeeuwschen Commandeur Crijnsen veroverd, en besloot alzoo den kapitein Philip Julius Lichtenberg, als Gouverneur naar Suriname te zenden. De Algemeene Staten echter oordeelden, omdat die verovering ten hunne koste geschied was, dat Lichtenberg den eed op zijn last en bevelschrift voor hen moest afleggen, en geboden hem zijn vertrek tot nader orde uit te stellen. Later echter wilden H. H. M. hem op den 26sten November 1668 een lastbrief geven. Hieraan ontbrak nog slechts de goedkeuring der Staten van Zeeland; dan deze, uit vrees dat Crijnsen inmiddels mogt vertrekken, en oordeelende, dat de onderbevelhebber onbekwaam was om met kracht tegen de ondernemingen der Engelschen te handelen, zonden intusschen genoemden Lichtenberg den 4den December 1668, zonder behoorlijk eerst den eed op zijne commissie gedaan te hebben naar de kolonie.

De redenen, door Zeeland hiervoor ter verontschuldiging van dezen maatregel bijgebragt, werden geldig geoordeeld en de Algemeene Staten gaven Crijnsen, of bij deszelfs afwezen den op hem in rang volgenden persoon volmagt, om Lichtenberg den eed af te nemen.