Geschiedenis van Suriname

Part 39

Chapter 393,599 wordsPublic domain

Den 18den December 1801 deelde Friderici de blijde tijding aan het Hof mede, dat hij van Z. B. M. minister Hobar te Londen berigt had ontvangen dat den 1sten October 1801 de Preliminaires of peace tusschen Z. B. M. en de Fransche republiek waren geteekend en eenige dagen later geratificeerd [947]. Er was alzoo stilstand van wapenen ter zee en te lande. De vrede naderde en gelijk algemeen bekend is, den 27sten Maart 1802 werd te Amiëns de vrede geteekend, en bepaald dat de Engelschen al de door hen in bezit genomen Hollandsche koloniën, behalve Ceylon, zouden teruggeven. Terwijl men nu de Bataafsche commissarissen verwachtte om de kolonie over te nemen, bleef alles provisioneel op den ouden voet voortgaan. De fortificatiën, de barakken en de andere publieke gebouwen geraakten meer en meer in een vervallen staat. De Engelschen hadden niet veel voor haar onderhoud gedaan en de koloniale kas liet geene verbetering toe. De ammunitie verminderde. De Engelschen hadden reeds bij het begin der in bezitneming van Suriname de koperen kanonnen weggevoerd en de ijzeren alleen overgelaten, en 's lands magazijnen door hen als prijs beschouwd, werden geledigd doch niet weder gevuld. Deze provisioneele toestand was een toestand van kwijning en met verlangen werden de Bataafsche commissarissen en troepen te gemoet zien.

Zij bleven lang uit: windstilte, contrarie winden, onkunde der schippers deden de reis 16 weken duren. Den 13den November 1802 eindelijk kwam het eskader onder bevel van den kolonel kapitein ter zee O. W. Blois van Treslong op de kust van Guiana (bij de Marowijne) aan. In October hadden de Gouverneurs van St. Eustatius en St. Martin reeds het eskader verlaten, om zich naar hunne bestemming te begeven; nu scheidde zich ook van hetzelve de Gouverneur-Generaal van Demerary en Essequebo van Meerten: Blois van Treslong kwam met 's rijks fregat Proserpina en 6 transportschepen met troepen voor Paramaribo.

Er bevonden zich nog wel 2 Engelsche oorlogsschepen, doch de transportschepen bestemd om de Engelsche troepen over te voeren, niet langer op de aankomst der Bataafsche kunnende wachten, hadden reeds de kolonie verlaten. De Britsche Commandant wenschte nu tot overbrenging naar de eilanden van 1500 man de aangekomen schepen te gebruiken, maar daar die voor een ander doel waren bestemd, kon de Hollandsche kapitein in dit verzoek niet treden. Door bemiddeling van Friderici werd de Britsche Commandant overgehaald dit plan te laten varen. Den 28sten November werden de Bataafsche troepen ontscheept en voorloopig in sommige publieke gebouwen gehuisvest. Twee Engelsche transportschepen waren inmiddels opgekomen om de Britsche troepen op te nemen.

Den 2den December werd er door den Engelschen Commandant A. Campbell eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de autoriteiten en ingezetenen van den eed van getrouwheid aan Z. B. M. gedaan, werden ontslagen. Blois van Treslong ging aan het inventariseren der forten enz. en den volgenden dag werd bepaald om de Bataafsche vlag te hijschen. Dit geschiedde den volgenden dag met vele plegtigheden en terwijl de lucht van een daverend hoezee weergalmde. 's Avonds waren vele huizen van particulieren geïllumineerd; de Engelsche magt verliet dienzelfden avond de rivier en Suriname was voor een wijle weder eene Nederlandsche bezitting [948].

Friderici zou de kolonie echter niet langer besturen. Het staatsbewind der Bataafsche republiek had bij besluit van 5 Julij 1802 zijne voorloopige schorsing bevolen en denzelfden dag, waarop de Bataafsche vlag op het fort Zeelandia werd geheschen, werd hem door Blois van Treslong zijne suspensie aangezegd. Hij bleef echter zijne goede diensten bewijzen: »de goedwillende medewerking" van den gesuspendeerden Gouverneur wordt in de missives van Blois van Treslong zeer geprezen [949]. Friderici verliet de kolonie niet, als ambteloos burger genoot hij een welverdiende en eervolle rust van staatszaken en legde zich met ijver op den landbouw toe. Door velen geacht en bemind overleed hij den 11den October 1812 en werd in den nieuwen Oranjetuin begraven en zijn graf met een wit marmersteen gedekt. Om zijne nagedachtenis nog meer in eere te houden vereenigde zich later eenige personen in de kolonie en deden ter linkerzijde van den predikstoel in de Gereformeerde kerk een prachtig wit marmeren gedenkteeken, voorstellende eene doodkist, waarbij een grenadier staat te weenen, oprigten [950].

Friderici had gedurende den moeijelijken tijd van zijn bestuur steeds met ijver en getrouwheid de belangen der kolonie, naar zijn beste weten, bevorderd. Dat hij, de aanhanger van het huis van Oranje, zich zoo spoedig in de nieuwe orde van zaken na de revolutie schikken kon, mogen wij hem niet te zwaar aanrekenen. Hij handelde hierin zoo als de meeste mannen van zijnen tijd, terwijl wij vertrouwen, dat het belang der aan hem toevertrouwde kolonie de voornaamste drijfveer zijner handelwijze was. Streng regtvaardig, soms zelfs niet van overdrevene gestrengheid vrij te pleiten, dat echter ook veel aan den toestand, waarin hij leefde, moet worden toegeschreven, schijnt hij tevens een godsdienstig man te zijn geweest: zijne brieven en andere officieele stukken getuigen hiervan. Ook bij zijne klagten over ware of vermeende verongelijkingen heerschte niet die bittere geest als bij Mauricius en Nepveu. Als krijgsman had hij vele blijken van dapperheid gegeven en het vrijcorps was voornamelijk door hem geworden, wat zoowel Engelschen als Bataven erkenden, »een corps tot onberekenbaar nut der colonie". De landbouw had groote verpligting aan hem, doch zijne geldelijke administratie liet wel wat te wenschen over. Hij dreef de vermenigvuldiging van het papieren geld, soms tegen den goeden raad van het Hof door, en werd hierin ondersteund door het bestuur in Nederland, dat toenmaals ook, om de ledige kassen te vullen, papier uitgaf, dat geene reëele waarde vertegenwoordigde. Wij willen echter gelooven dat het moeijelijk was op andere wijze in de bestaande behoefte te voorzien. De eer van een zeer verdienstelijk Gouverneur te zijn geweest kan Friderici niet worden ontzegd.

Den 4den December 1802 presideerde Blois van Treslong in eene buitengewone vergadering van het Hof en in de gewone van 6 December maakte hij de suspensie van Friderici bekend en tevens dat hij gecommitteerd was om met de twee oudste raden van policie W. H. van Ommeren en D. Brederode voorloopig het bestuur waar te nemen, tot dat door het staatsbewind op andere wijze daarin zou voorzien zijn [951].

Eenige publicatiën werden uitgevaardigd als: eene behelzende de bekendmaking der schorsing van Friderici en het aanvaarden van het provisioneel bewind door de reeds genoemde heeren; en waarbij berigt werd, dat het staatsbewind, als de hoogste uitvoerende magt der Bataafsche republiek, ingevolge de aangenomene acte van staatsregeling door het Bataafsche volk, het bestuur over de West-Indische coloniën gedemandeerd had aan een raad der Amerikaansche coloniën en bezittingen der Bataafsche republiek en achtervolgens deszelven besluit, tot leden van denzelven had aangesteld de burgers: H. Costerus, J. H. Mulders, D. Werner en G. A. W. Ruysch en tot secretaris F. E. Turr; eene waarbij verordend werd, dat alle publieke kantoren weder op den ouden voet moesten worden hersteld, verwekte veel tegenstand, daar zij hoofdzakelijk ten doel had de door Friderici bij publicatie van den 19den Februarij 1802, geschorste belasting aan de kas tegen de wegloopers weder in te voeren [952].

Het provisioneel bewind achtte de herstelling er van echter noodig, want de publieke kassen waren in een »deplorablen" toestand.

Uit een aan den raad der Amerikaansche coloniën overgelegden staat blijkt o. a. dat in de kas van het kantoor der in- en uitgaande regten aan zilver en goud geld aanwezig was

voor eene somma van f 6896.-- oud en ongangbaar geld f 935.-- zoo dat te zamen f 7831.-- aan specie in die kas was: dit was de eenige specie in 's lands kassen. Verder bevond zich in die kas aan kaarten-geld, obligatiën en wissels eene som van f 1782:14. 9 2/3 in de kas der hoofdgelden f 53136:17.12 2/3 in die der venduregten f 100361:12.12 Doch behalve dat dit papieren geld slechts eene zeer betrekkelijke waarde had, die van de tijdsomstandigheid afhing, waren ook nog verscheidene kassen met schulden bezwaard. In de kas der Modique lasten was aanwezig (altijd aan papieren geld) eene som van f 409,659: 5. 8 doch zij was schuldig f 660,509:11. 7 2/3 in de kas der gemeene weiden eene som van f 157,9:12 2/3 en schuldig f 1491: 4. 8

Voornamelijk echter bevond zich de kas tegen de wegloopers in ongunstigen toestand: in kas was er niets, wel nog had zij te vorderen f 418,686:16:11, maar was daarentegen schuldig aan de stad Amsterdam f 700,000:- aan de voormalige sociëteit f 1,707,987:12:3, behalve nog aan verschillende ingezetenen wegens huur van slaven, die aan het cordon hadden gearbeid: tegen over dit laatste stond, dat ook vele dier ingezetenen hun quotum nog moesten aanzuiveren, men rekende dit in globaal te compenseren. Sedert 1796 was de rekening dier kas niet opgemaakt [953].

Het Provisioneel bewind hoopte, dat de kolonie, nu weder aan Nederland gehecht, door de uitbreiding van den landbouw en degelijken handel, weldra de geledene verliezen zou te boven komen. Om de in Suriname toenemende zucht tot speculatie te bedwingen, werd den 31sten Januarij 1803 eene publicatie uitgevaardigd, waarbij alle negotiatiën, zonder voorafgaande goedkeuring van het bewind, werden verboden [954]. Er waren verblijdende teekenen. Drie Hollandsche koopvaarders waren reeds, volgeladen met stapelproducten, naar het Moederland vertrokken; veertien hadden hunne vracht gedeeltelijk geladen en zouden weder spoedig volgen; de laatste koffijpluk was door de vele regens wel niet voordeelig geweest, doch de aanstaande beloofde een goeden oogst; in het district Saramacca waren vele nieuwe gronden uitgegeven [955], en er heerschte (volgens hun schrijven) nieuwe moed en opgewektheid om, daar ook nu weder een nieuwe aanvoer van slaven was gekomen [956], met ijver de handen in een te slaan, ten einde landbouw en koophandel te bevorderen.

De verdedigingswerken der kolonie werden hersteld en verbeterd; behalve de troepen met Blois van Treslong mede gekomen, arriveerden in Maart nieuwe uit het vaderland, terwijl ook de corpsen blanke en negerjagers in stand werden gehouden. Ofschoon de Instructie van Blois van Treslong luidde, om geen der officieren, die den eed aan Z. B. M. hadden gedaan, in Bataafsche dienst te nemen, vermeende het Provisioneel bewind echter eene uitzondering te moeten maken omtrent hen, die bij de genoemde corpsen dien rang bekleedden. Men achtte het noodig die corpsen, die ook in koloniale soldij waren gebleven, in hun geheel te moeten houden. Van de zijde der negerjagers zelve ontstond echter eenige moeijelijkheid. Sommigen van hen droegen nog op hunne mutsen koperen platen, waarop W. P. v. O. stond. Toen de kolonel van Batenburg die platen door andere wilde doen vervangen, betoonden zij zich weigerachtig; zij wenschten niet in Bataafsche dienst te treden en vermeenden trouw te moeten blijven aan Z. B. M., aan wien zij den eed hadden gedaan. Het kostte veel moeite hen te overreden en zes van hen die halsstarrig bleven weigeren, werden in arrest gezet [957].

Het provisioneel bewind scheen niet zeer in den geest van verscheidene kolonisten te zijn en, hoe kort van duur het was, kwamen er al zeer spoedig moeijelijkheden, zoo met den Raad Fiscaal Wohlfahrt als met anderen [958].

Bij gelegenheid dat de nieuwe, door het Bataafsche volk aangenomene staatsregeling zou worden gepubliceerd, maakte de Raad Fiscaal tegen de daarin voorkomende bepaling, waarbij het zoogenaamd scherper Examen: de Tortuur of Pijnbank, werd afgeschaft, bezwaar indien niet ter-gelijkertijd hetgeen in Holland daarvoor in de plaats was gekomen, in werking wierd gebragt.

Wohlfahrt trad weldra af en werd door Chr. J. Valkenaer opgevolgd.

In het vaderland was intusschen Pierre Berranger, vroeger Secretaris van Friderici, benoemd tot Commissaris-Generaal en Gouverneur o. i. van Suriname. Berranger kwam den 5den December 1803 in de kolonie aan, en nam den 9den December het bewind over.

In zijne eerste missive aan den Raad der coloniën, dato 28 December 1803, berigt hij, dat zijne komst den kolonisten veel genoegen deed, daar er tusschen hen en het Provisioneel bewind geschillen bestonden, »die hij echter niet naspeuren wilde." Reeds dadelijk beklaagde hij zich over Blois van Treslong, »die zeer geraakt was over de woorden te water en te lande," waarover hem volgens artikel 2 zijner instructie het opperbevel was opgedragen. »Hij heeft", schrijft Berranger verder, »zich uitgelaten, dat hij mij niet zou gehoorzamen, zoo ik iets omtrent den dienst beval--en ik zal dit toch moeten doen, daar ik volgens artikel 9 mijner Instructie alleen verantwoordelijk ben; het zal mij echter aangenaam zijn nader schrijven te ontvangen, waardoor de grenzen van ieders gezag worden afgebakend, daar zich kruissende magten in den staat zelden den vijand afbreuk doen" [959]. Dat deze spreuk waarheid bevat leerde ook hier weder de ondervinding, gelijk wij nader zullen zien.

Het defensiewezen was in vrij goede orde. De krijgsmagt bedroeg 1829 man, en aan kruid en kogels was geen gebrek. Berranger wilde de verdedigingsmaatregelen echter nog verbeteren en riep daartoe ook de schutterij op; hij inspecteerde haar--en hoewel zij sedert de installatie van Friderici geen dienst had gedaan, roemde hij echter haar betoonden goeden wil en wenschte haar verder te organiseren. Hij bragt ook verbeteringen in het bestuur van het hospitaal. Hoewel een goed en doelmatig gebouw, waren, daar de beste vertrekken door officieren en beambten werden gebruikt of tot apotheek enz. ingerigt, de zieken in lage, vochtige, ongezonde kamers gehuisvest; terwijl de geneeskundige verzorging allerellendigst was. Het geheel was »een gedrocht, dat men bijna niet wist hoe aan te tasten." Na een paar maanden evenwel was alles behoorlijk ingerigt [960]. De Roomsch Catholieke kerk, die door Friderici werd gesloten, omdat zij hare verpligting, de verzorging harer armen, niet naleefde, werd door Berranger (zelf R. C.) weder geopend [961]. Ook werd door hem, in overeenstemming met het Hof, bij den voortdurenden herderloozen staat der Gereformeerde gemeente (van Tright had 26 December 1802 zijne afscheidsrede gehouden) bevolen, dat voortaan, te beginnen met Januarij 1804, op alle zon- en feestdagen, door een lid van den kerkeraad eene predikatie zou worden gelezen, gebeden en gezongen, en werd ieder lid der kerk zeer tot bijwoning daarvan uitgenoodigd [962].

Ofschoon liberaal in beginsel, raadde hij echter de gelijkstelling der gezindheden en de benoembaarheid van iederen burger tot alle ambten af, omdat er zoo een groot getal Joden in de kolonie waren en hunne benoeming verwarring zoude veroorzaken [963]. Het verspreiden van boekwerken zonder consent werd door hem op eene boete van f 500 verboden [964]. Ook strekte hij zijne liberaliteit niet tot de slaven uit, daar hij hunne manumissie belemmerde, door te bevelen, dat ieder die een slaaf wilde manumitteren eene borgtogt van f 2000 moest stellen [965].

Berranger stelde ook aan den Raad der coloniën een nieuw belastingstelsel voor, »waardoor de rentenier, die meestal woekert, de eigenaar van particuliere slaven, die of nutteloos de weelde voedt, door het houden van een sleep bedienden, of ongehoorde winsten van hunne verhuring ontvangt, en de eigenaars van woningen in Paramaribo, die een grooten huurprijs trokken, meer zouden moeten betalen, doch de landbouwer daarentegen ontlast worden.

Daar in den regel de uitgaven 1 1/2 millioen gulden bedroegen, stelde hij tot dekking daarvan voor, het volgende:

12,000,000 pond koffij, gemiddelde opbrengst, te belasten met 1 stuiver per pond f 600,000. 20,000 vaten suiker, gemiddelde opbrengst, met f 20 het vat f 400,000. 3,000,000 pond katoen, gemiddelde opbrengst, met 2 stuivers per pond f 300,000. 500,000 pond cacao, gemiddelde opbrengst, met 3/4 stuiver per pond f 18,750. 10 pCt. op de houtplantaadjes f 30,000. Idem op het zegel f 150,000. 80 schepen van 100 ton jaarlijks f 20 per ton f 160,000. Op de slaven te Paramaribo f 10 per hoofd f 100,000. Op de venduen f 30,000. --------- Te zamen f 1,888,700.

Alle verdere belastingen, behalve die van huishoudelijken aard, als: kerkgeregtigheden, vischmarkt, houtmarkt, tapperijen, enz., af te schaffen, terwijl, zoo de inkomsten de uitgaven mogten overtreffen, kon dit meerdere worden aangewend tot verbetering van de openbare gebouwen enz.

Bij zijn plan daaromtrent drong hij tevens aan, dat bij het te maken nieuwe charter (men had dit reeds in 1795 beloofd, doch 9 jaren later was het nog niet gereed) voor de koloniën, zou worden bepaald, dat alle kassen onder het eigenlijk Gouvernement wierden gesteld, waardoor verwarringen zouden worden voorkomen [966].

Berranger schreef, dat hoe kort hij er nog slechts had vertoefd, »de colonie echter reeds een geheel ander aanzigt verkreeg: de geesten waren levendig en ieder is te vreden." Dat Berranger zich wel wat veel aan illusien overgaf, vermeenen wij met zekerheid te mogen veronderstellen; evenwel de scheepvaart nam toe, in korten tijd waren vele schepen binnengekomen en, met rijke ladingen bevracht, vertrokken [967]; doch weldra werd aan al deze gegronde of overdrevene verwachtingen voor goed de bodem ingeslagen.

De vrede te Amiens gesloten, was kort van duur: de fakkel des oorlogs werd weder ontstoken en op nieuw bedreigde Britsche magt de koloniën van den staat. Den 25sten April 1804 vertoonden zich 31 Engelsche grootere en kleinere oorlogsschepen aan de kust, bij Saramacca en Braamspunt; den 27sten bemeesterden zij met 2 Fregatten en 2 Brikken, na eenige wederzijdsche kanonschoten, Braamspunt, en het aldaar aanwezige garnizoen, waaronder 5 gekwetsten waren, werd krijgsgevangen gemaakt. De Britten nu meester van de rivier stevenden den 28sten April, met 22 schepen, de Suriname op. Twee linieschepen bleven aan den mond der rivier de wacht houden, de andere fregatten werden naar de Warapa kreek en naar de Saramacca afgezonden; dienzelfden avond om 8 ure werd de kolonie gesommeerd door de Engelsche bevelhebbers Charles Green en Samuel Hood. Onmiddellijk werd daarop op de plantaadje Voorburg krijgsraad gehouden. De militaire leden van den krijgsraad wenschten de kolonie tot het uiterste te verdedigen en achtten dat »de defensie-staat te respectabel was, om zich zonder verdediging over te geven." De raden van policie als vertegenwoordigers van den burgerstand vreesden »het verlies der eigendommen, en bij eene zoo aanzienlijke magt als waarmede de vijand de colonie bedreigde, zagen zij meer heil in eene capitulatie dan in tegenstand." Berranger deed opmerken dat het moeijelijk was om met 580 man, die nog verdeeld waren tusschen het fort Nieuw Amsterdam en de redoutes Purmerend, Leijden en Friderici, vier à vijf duizend soldaten, mariniers en matrozen, waarop de magt der Engelschen begroot werd, te wederstaan, doch »dat men beproeven moest eene voordeelige capitulatie te verkrijgen, waarbij in een geheim artikel werd bepaald, dat na het sluiten van den vrede, de kolonie weder aan de Bataafsche republiek zou worden overgegeven."

De heeren Blois van Treslong en Batenburg vooral opposeerden zich hier tegen ten sterkste, waarop Berranger hun de vraag voorstelde of zij, indien hij, volgens zijne bevoegdheid, het op zich nam eene capitulatie aan te nemen hem hierin zouden gehoorzamen. Blois van Treslong en Batenburg antwoordden ontkennend; Berranger stond toen van zijn presidialen zetel op en na het zeggen: »zoo gij mijn gezag ontkend, heb ik niets meer te doen; ik zal eenvoudig de aangeboden voorwaarden afslaan," keerde hij toornig naar Paramaribo terug, om aldaar de rust te bewaren.

Den 30sten ontscheepte de vijand zijne manschappen aan de Jonkermanskreek en des nachts werden de redoutes Leijden en Friderici stormenderhand door 100 matrozen en 50 soldaten veroverd. Er werden weinig personen bij deze verovering gekwetst; doch door het springen eener kruidkist werden 2 officieren en drie man gedood en 20 man, allen Engelschen, gewond. De Engelschen in het bezit van de redoute Leijden rigtten tegen over het fortres Nieuw Amsterdam eene mortierbatterij op en lieten troepen langs de rivier Commewijne trekken om het fort van achteren aan te tasten [968]. Vijf honderd man landden aan de Warapa-kreek, die zich bij de anderen voegden. De attaque zou nu van de achterzijde en van den kant der rivier door de schepen te gelijk worden ondernomen. De luitenant van Beugen weigerde het corps vrij negers naar de fortres te geleiden om aldaar dienst te doen, zoodat Berranger geen middel van »contrainte" voorhanden hebbende, aan het verzoek van Batenburg, om deze versterking te ontvangen, ten einde omsingeling te voorkomen, niet kon voldoen [969]. »Batenburg, ongeacht de uitventing zijner dapperheid," gaf Berranger kennis van het gevoel zijner onmagt--en eindigde met, zonder Berranger te kennen, eene capitulatie met den vijand te sluiten, die, zijns inziens, in alle opzigte eervol en voordeelig, volgens Berranger echter, alleen eervol en voordeelig voor de militairen, doch schadelijk en nadeelig voor de kolonie was.

Berranger vaardigde, om zich tegenover het publiek te regtvaardigen, eene publicatie uit, waarin hij alle verantwoordelijkheid van zich af en op den kolonel Batenburg wierp [970].

Suriname was intusschen voor Nederland verloren en de Engelschen hadden op nieuw bezit er van genomen, en met deze mededeeling eindigen wij het derde tijdvak.

De behandeling van het derde tijdvak, ruim 120 jaren, (1683-1804) heeft in onze schets der geschiedenis eene vrij groote plaats ingenomen. Er viel zooveel te vermelden dat wij het voornaamste als het ware slechts hebben kunnen aanstippen en toch reeds hebben wij vele droevige tooneelen moeten schetsen. Mogten wij soms hier en daar eenige lichtpunten opmerken en wijzen op de energie van sommige Gouverneurs, op de dapperheid van enkele militairen, of op den werkzamen ijver der kolonisten, dit bepaalde zich echter tot die weinige lichtpunten. Er was op den door God zoo rijk gezegenden bodem van Suriname door 's menschen hand een giftboom geplant, welks wortelen zich ver uitstrekten, den grond bedierven en hem ongeschikt maakten om goede planten en gewassen voort te brengen. De vruchten die aan dien boom groeiden veroorzaakten den dood aan wien ze at en reeds de uitwaseming er van verpestte den dampkring. Met andere woorden: de slavernij geworteld in het volksbestaan verstikte alles goeds. Waar slavernij heerscht kan de zegen Gods niet rusten. Het stelsel der slavernij is een zondig stelsel en zonde is een schandvlek der natiën.