Part 38
Wel had hij door verscheidene oorzaken geleden, doch in evenredigheid der werkbare negers was hij in de laatste 6 jaren eer toe- dan afgenomen. De suikerplantaadjes vooral gaven, door de aanplanting van het Molukkisch riet, waarvan eenige jaren te voren door een vriend van Friderici, den heer Aquart uit Martinique, eenige planten waren gezonden, eene nieuwe hoop op eene voordeelige opbrengst. De katoencultuur was door aanleg en uitbreiding van vele plantaadjes in de Motkreek, Sapouripi en Mattappica aanzienlijk vermeerderd. De koffij- en Cacaoteelt echter ging achteruit.
Het verval der koffijplantaadjes in beneden Commewijne en wel voornamelijk aan de regterhand in het opvaren, was zoo sterk, dat verscheidenen niet meer uit de opbrengsten konden worden onderhouden, waarom Friderici, op aanhouden van verscheidene ingezetenen, de landen, tusschen het zeestrand gelegen, had doen verdeelen en uitgegeven en alzoo was afgeweken van het project in den jare 1772 door den landmeter Helleday ontworpen.
Saramacca begon een bewoond en gecultiveerd distrikt te worden; de aldaar geteelde koffij was reeds »de waag gepasseerd" en binnen weinige maanden zou de eerste suikermolen in dat kwartier in werking worden gebragt.
Velen der ingezetenen hadden door de roofzucht der Engelsche kapers en andere gevolgen van den oorlog aanzienlijke verliezen ondergaan; vele anderen daarentegen hadden de omstandigheden groote winsten opgeleverd, onder deze laatsten behoorden de inwoners van Paramaribo en voornamelijk de Joodsche kooplieden. De huizen in de stad waren 25 pCt. in waarde gestegen en de huishuren pro rato. Als reden van deze tijdelijke welvaart vermeldt Friderici dat »de koopman en winkelier en vele anderen thans gebruik maakten van de gelden, die eigenlijk aan het vaderland en aan hunne crediteuren aldaar behoorden, doch nu niet opgeëischt wierden." De staat der magazijnen werd in die missive opgegeven: »als door bij tijds genomen arrangementen nog voldoende wat de levensmiddelen aanbelangde, doch slecht van kleeding en nog minder van ammunitie voorzien." Het militair- en defensiewezen liet veel te wenschen over. Het corps vrijnegers was met 100 man versterkt; het aanstaande vertrek der scheepsmagt waardoor de grootste middelen ter defensie der kolonie ontvallen, werd zeer door Friderici betreurd; hij vreesde voor het verlies der kolonie, zoo de vrede niet spoedig gesloten werd.
Vooral omtrent de finantiën is de missive uitvoerig. Door de exorbitante aankoopen voor de magazijnen, het onderhoud van het Eskader en de reparatiën aan de schepen waren buitengewone uitgaven geweest; daarenboven hadden de fournissementen aan het bestuur van Cayenne en voor de vaartuigen der Fransche republiek, die in Suriname korter of langer tijd vertoefden, vele uitgaven vereischt.
De inkomsten waren zeer verminderd door de stremming der vaart naar het moederland, waardoor de uitvoer der producten werd belet. Friderici had alzoo tot buitengewone middelen zijne toevlugt moeten nemen, namelijk de uitgifte van kaartengeld en obligatiën. Daar deze maatregel door het Committé bij rescriptie van 1 Julij 1797 goedgekeurd was, had Friderici ook ruimschoots van dat verlof gebruik gemaakt, en, gelijk wij reeds hierboven vermeldden, aan kaartengeld en obligatiën voor twee millioen guldens in circulatie gebragt. Wanneer men hierbij rekende de vroegere van tijd tot tijd door Gouverneurs en Raden uitgegeven kaartengeld en obligatiën dan rouleerde toen in de kolonie f4,513,242 : 15 stuivers aan papieren geld, dat eigenlijk geen reëele waarde tot onderpand had. Ongeveer twee millioen hiervan berustte in de verschillende kassen der ontvangers en in die der wees- en onbeheerde boedelskamers, waar de gelden ten behoeve van minderjarigen waren gedeponeerd.
Deze massa van papieren geld was veel te groot voor de kolonie; als een eerste gevolg hiervan had zij het weinige goud en zilver geld, dat in circulatie was, doen verdwijnen; terwijl bij ruiling of inwisseling van kaarten tegen gouden of zilveren munt reeds 30 pCt. werd betaald. Hieruit bleek dat die papieren munt in mistrouwen kwam, want vroeger gold de zilveren spaansche daalder of piaster nooit meer dan 55 stuivers papieren geld. Friderici maakte alzoo het Committé opmerkzaam, dat er bij continuerend geldgebrek een ander middel tot aanvulling der kas bij de hand moest genomen worden.
Door het kantoor der inkomende en uitgaande regten werd bij deze gelegenheid aan het Committé gerestitueerd f 342,366 : 9 stuivers, en uit de kas der hoofdgelden f 199,304: 7 : 4 in differente wisselbrieven. Die wissels waren grootendeels getrokken op het Committé van de zaken der Marine, wegens geleverde goederen enz. voor het eskader. Friderici vermeende dat ze wel met betaling zouden worden gehonoreerd en vleide zich alzoo met de hoop, dat het Committé hierdoor in staat zou worden esteld, om eenige der hoogst noodige artikelen voor de magazijnen aan te koopen en naar Suriname te zenden [917].
Den 22sten Junij 1799 verzond Friderici weder een brief naar het Committé. De berigten omtrent de binnenlandsche rust waren geruststellende, doch de missive behelsde vele klagten over de arbitraire handelwijze der Franschen, die vooral door het nemen van Amerikaansche schepen naar Suriname bestemd, veel ongerief veroorzaakten, en waartegen vruchteloos was betoogd: dat de Bataafsche republiek neutraal behoorde te zijn en dat er ook nog geene formele oorlogsverklaring tusschen Frankrijk en Amerika had plaats gevonden en alzoo het nemen van schepen ongeoorloofd was. De Franschen bekommerden zich weinig over deze vertoogen en maakten het Friderici zeer lastig [918].
De vrees voor een aanval der Engelschen werd weldra verwezenlijkt. Den 13den Augustus 1799 vertoonde zich voor den mond der rivier eene Engelsche vloot, onder commando van Lord Hugh Seymour; een aanmerkelijk getal troepen, onder bevel van den Luitenant-Generaal Trigge, bevond zich mede aan boord. Men bereidde zich in de kolonie tot tegenweer, doch de tijdingen omtrent de groote magt der Britten verontrustte de gemoederen en had men weinig hoop op een goeden uitslag. Den 16den Augustus zond de Engelsche bevelhebber eene sommatie tot overgave. In den grooten krijgsraad die nu gehouden werd besloot men, »daar de omstandigheden, waarin zich de Colonie sedert eenigen tijd bevond, eene behoorlijke verdediging onmogelijk maakte en omdat er geene andere middelen waren om de Colonie van eene totale omwenteling en verwoesting te bevrijden" de capitulatie hier en daar eenigzins gewijzigd aan te nemen en »de Colonie Suriname alzoo te stellen onder immediate protectie van Zijne Britsche Majesteit."
De artikelen der aangeboden capitulatie waren:
1o. Suriname zal komen onder protectie van Z. B. M;
2o. de inwoners zullen genieten: zekerheid van personen, vrije uitoefening hunner godsdienst en rustig bezit van hun eigendom.
De bezittingen der Spanjaarden en Franschen zullen hiervan worden uitgezonderd;
3o. de schepen, artillerie, ammunitie, enz. enz. zullen worden overgeleverd aan de Engelschen;
4o. de schulden der kolonie zullen worden voldaan uit de gewone belastingen;
5o. Geene veranderingen in het belastingstelsel zullen ingevoerd of nieuwe belastingen opgelegd worden, dan met goedkeuring der beide partijen;
6o. zoo de kolonie bij den vrede in het bezit van Z. B. M. mogt blijven, zal zij gelijke regten met de andere Britsche bezittingen in West-Indië ontvangen;
7o. De troepen onder bevel van den Gouverneur kunnen overgaan in dienst van Z. B. M.; de zeelieden evenzeer;
8o. de civiele ambtenaren blijven in functie, mits eed doende aan Z. B. M.
Door Gouverneur en Raden was verder nog verzocht:
1o. eene nadere guarantie der particuliere eigendommen;
2o. het toestaan der vaart van neutrale schepen, voornamelijk de Amerikaansche;
3o. dat de Bataafsche troepen, die in Britsche dienst overgingen, in de kolonie zouden verblijven, en dat zij, die niet genegen waren om zich aan de dienst van Z. B. M. te verbinden, vrijheid zouden erlangen om als particulieren in de kolonie te blijven of dezelve te verlaten;
4o. de Spaansche troepen te veroorloven naar Spanje terug te keeren;
5o en 6o. dat jegens de militairen en zeelieden bij de overgave der forten en schepen militaire honneurs zouden worden waargenomen;
7o. eene nadere explicatie van de uitzonderingen bij alinea 2 in het 2e artikel der capitulatie bedoeld.
Het eerste, vijfde en zesde dier verzoeken werden volkomen toegestaan; betreffende het tweede en derde zouden nadere bevelen uit Londen worden verwacht, die men echter vermoedde dat gunstig zouden luiden; omtrent het vierde werd bepaald, dat men wel de Spaansche troepen zou overvoeren, doch hen als krijgsgevangenen tegen Britsche gevangenen uitwisselen; als nadere explicatie van artikel 2, 2e alinea werd gezegd: dat de eigendommen dergenen, die tegen Groot-Brittanje krijgden en die der onderdanen van de Fransche republiek onder sequestratie zouden worden gebragt, tot dat nadere bevelen daaromtrent de nadere gedragslijn zouden voorschrijven [919].
Friderici drukt in zijne missive dato 22 Augustus aan het Committé, waarbij hij de overgave der kolonie meldt, den wensch uit: »dat de inwoonders inmiddels, tot dat het lot der Colonie door een finale generaale vreede geheel zal zijn beslischt, niet uit het oog zullen verliezen de mercantiele engagementen, welke zij met het moederland hebben gecontracteerd, en dat zij door hunnen eiver en naarstigheid zullen kunnen herstellen de meenigvuldige verliezen welke zij hebben ondergaan."
Den 20sten stevenden zes Engelsche fregatten de rivier Suriname op. Er heerschten rust en stilte; den 22sten werden de forten overgegeven; den 26sten ontsloeg Friderici in de vergadering van het Hof van Policie de leden van hunnen eed aan de Bataafsche republiek, waarop zij zich en corps begaven naar het hotel van den Luitenant-Generaal Trigge, om in zijne handen den eed van getrouwheid aan Z. M. Koning George den derde af te leggen [920].
Suriname stond dan nu onder Engelsche bescherming en men trachtte de nieuwe heeren door ongevraagde diensten aan zich te verpligten. Zoo werd door het Hof bepaald, om aan de Hollandsche soldaten, die niet veel lust betoonden om in Engelsche dienst over te gaan, daar zij slechts f 50:- handgeld ontvingen, uit de kas der kolonie daarenboven f 25:- aan te bieden, ten einde hen daartoe bereidwilliger te maken [921]. De Generaal Magan, met het opperbevel der troepen in Suriname belast, werd uit eigen beweging door het Hof, uit consideratie dat hij naar behooren zijn rang moest kunnen ophouden, vrije woning en f 18000,-- 's jaarlijks als zoogenaamd servies of tafelgeld verstrekt, enz. enz. [922].
Het corps jagers en het vrijcorps verkregen nu den naam van Royal white and Royal black chasseurs. Ofschoon onder de troepen van Z. B. M. ingelijfd, bleven ze echter soldij uit de koloniale kas genieten. Friderici had dit aangeraden, daar hij deze sacrifice noodig achtte, voornamelijk om te beletten dat het laatstgenoemde uit de kolonie werd verzonden en een ander corps negers er voor in de plaats werd gesteld, zoo als de Engelsche bevelhebber van plan was. De Britsche generaal, die dit op die voorwaarde had toegegeven, zag zeer spoedig de belangrijkheid van dit corps in. Hij wenschte deszelfs vermeerdering en drong er ook op aan, dat de leden evenveel soldij en rantsoen zouden erlangen als de andere soldaten in dienst van Z. B. M. Aan dit verzoek, op eene jaarlijksche vermeerderde uitgaaf van f 15000,-- geschat, werd nolens volens voldaan [923].
Den 2den September 1799 werden door den Engelschen bevelhebber Trigge drie proclamatiën uitgevaardigd: de eerste behelsde het bevel aan alle ambtenaren en inwoners om den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen. Zij die dit weigerden verloren hun regt van inwoning in de kolonie, werden gesteld buiten de protectie aan ieder bij de capitulatie toegezegd en waren genoodzaakt de kolonie te verlaten.
De tweede regelde de sequestratie der eigendommen toebehoorende aan onderdanen van den koning van Spanje of van burgers der Fransche republiek, die in Suriname woonden.
De derde strekte om den koers van het in omloop zijnde geld te bepalen: een piaster werd gesteld op 55 stuivers, de wigtige Johannes houdende 8 engels op f 22,--. Had men voor eenige weken vrees voor een overval der Engelschen gekoesterd en was die vrees verwezenlijkt, -- nu de kolonie onder protectie der Engelschen was gekomen, moest men op zijne hoede zijn tegen de vorige vrienden, de Franschen. De posten aan de Marowyne werden versterkt, een ligt vaartuig werd ingerigt om telkens verkenningen te doen en tevens de correspondentie met het Engelsche hoofdkwartier te onderhouden.
Hiertoe werd uit de kas der modique lasten f 40,000,-- gefourneerd [924].
Weldra deed zich de geldnood deerlijk gevoelen. Behalve de gewone en de reeds genoemde buitengewone uitgaven, waren er nog verscheidene van anderen aard. De benoodigdheden voor 's lands gasthuis werden vroeger uit de lands-magazijnen verschaft; daar deze nu aan de Britten waren overgegeven, moest bij aanbesteding hierin worden voorzien en in een zeer korten tijd klom de subsidie tot f 90,000,-- [925]; de toeneming der bevolking van Paramaribo had het inrigten van een nieuw kerkhof noodig gemaakt; eerst had men daartoe de zoogenaamde Hortus Surinamensis voor f 20,000,-- willen aankoopen, doch daar zich sedert eene andere gelegenheid namelijk een tuin daarnaast gelegen, toebehoorende aan Mesquita, had opgedaan, die beter geschikt was en voor f 10,000,-- kon verkregen worden, had men dit laatste perceel gekocht [926]. Het heerschen der kinderpokken, waartegen voorzorgsmaatregelen werden genomen, had mede buitengewone uitgaven vereischt [927]. Bij het toenemen der bevolking van Saramacca achtte men het aldaar gelegen etablissement van Boassie-zieken Voorzorg als gevaarlijk voor de bevolking en werden dus voorloopig door Friderici eenige toebereidselen gemaakt om het aan de Nickerie over te brengen. Hoewel het Hof de latere beslissing hierover zich voorbehield, had dit echter ook reeds onkosten veroorzaakt [928]. De toestand der gevangenis was zoo slecht, dat de een na den ander ontvlugtte, waardoor ook hierin moest voorzien worden [929]. Door den toevloed van vreemdelingen en het rondzwerven van afgedankte matrozen werd de omtrek van Paramaribo zeer onveilig en hadden aanrandingen van personen en huisbraken plaats, zoodat het getal der policiedienaren met 4 werd vermeerderd en dezen nu ook in montering werden gestoken: blaauwe rok, roode kraag, witte knoopen, wit vest en broek, het wapen der kolonie aan een zilveren ketting op de linkerborst, de onderschout ontving een degen, de policiedienaren sabels [930]. Dit alles kostte geld en de kassen waren uitgeput. De wissels op het Committé van Marine in Nederland getrokken wegens geleverde goederen aan de oorlogsschepen, kwamen allen met protest terug. Bij het berigt hiervan had er eene onstuimige vergadering van het Hof plaats. Sommige leden wilden den Gouverneur aansprakelijk stellen en eischten, dat hij als endosseur de 25 pCt. herwissel en verdere protestkosten zou betalen: hieraan werd echter geen gevolg gegeven [931]. Ook uit Engeland kwamen missives van de regering, die den kolonisten verre van aangenaam waren. De Britsche regering namelijk kwam er tegen op, dat de producten uit de kolonie in neutrale, Amerikaansche en andere schepen, werden verzonden, waardoor Engeland niet die voordeelen van het in bezit nemen der kolonie trok als men had verwacht; ook achtte de Britsche regering het billijk, dat de in- en uitgaande regten ten voordeele der kroon kwamen. Hierover hadden belangrijke discussiën plaats. Het Hof vermeende, in de eerste plaats, dat als men met de afzending der producten wachten moest, tot dat Engelsche schepen dezelven kwamen afhalen, een groot gedeelte opgestapeld zou moeten blijven en bederven en dit uitstel alzoo ruïneus voor den kolonialen landbouw zijn; ten tweede, dat de door de Britsche regering begeerde inkomsten van de belasting der in- en uitgaande regten, in strijd was met de capitulatie. »Er was bepaald", zoo luidde de redenering: »dat alle wetten in stand zouden blijven. Wel kwamen de in- en uitgaande regten vroeger ten profijte van de kas der Sociëteit, doch deze moest dan ook voor de verdediging der kolonie zorgen. En thans--vele voorschotten hiertoe vereischt waren geput uit de kas der modique lasten, die toch uitsluitend voor de huishoudelijke behoeften der kolonie was bestemd, welke voorschotten nog niet terugbetaald waren; de belasting op de producten ten behoeve van de kas tegen de wegloopers bragt f 300,000 op, doch het onderhoud van het vrijcorps kostte jaarlijks ruim f 200,000, dat van het cordon f 74,000; daarbij was er f 2,000,000 schuld te betalen wegens het uitgegeven kaartengeld en de obligatiën; zoo dit verzuimd werd zouden de houders hiervan, die het ter goeder trouw hadden aangenomen, totaal geruineerd zijn." Verder beklaagde het Hof zich over de arbitraire handelwijze der officieren van het Custom house, die meermalen in de regten van den Raad Fiscaal ingrepen; »en" hiermede eindigde hun betoog, »Suriname was wel onder protectie van Z. B. M., doch er nog geene bezitting van." Men verzocht den Gouverneur over een en ander de noodige remonstrantiën te doen bij den Secretaris van Staat, den heer Dundas, of anderen [932].
Door den geldeloozen staat der kassen geschiedden de betalingen ook ongeregeld. Het vrijcorps o. a. ontving geen behoorlijke soldij en zelfs beklaagde zich de Engelsche Commandant, dat hij reeds voor de voeding van dit corps had moeten zorgen [933]. De Britsche bevelhebber Magan leverde in 1801 eene rekening »wegens verschillende vivres ten gebruike der troepen in soldije der colonie van 29 Augustus 1799 tot 27 Junij 1800 verstrekt ad f 110,578:19" [934]. Friderici drong er bij het Hof op aan, dat men toch het mogelijke beproeven zou, om het vrijcorps voor de kolonie te behouden en niet in onmiddellijke dienst van Z. B. M. te doen overgaan, daar dan welligt, even als zulks met het Royal Dutch bataillon was geschied, het naar de Berbice zou worden gezonden en een ander met den toestand van Suriname onbekend corps deszelfs plaats zou innemen [935]. Na herhaalde en breedvoerige discussiën werd eindelijk den 13den Januarij 1802 besloten, om den Britschen Commandant aan te schrijven, dat men Z. B. M. zeer voor zijn betoonden goeden wil bedankte, doch voor het tegenwoordige niet in staat was de rekening van de geleverde vivres te betalen [936].
Paramaribo nam intusschen in uitgebreidheid toe: het Combé, dat zich tot aan Zeelandia uitstrekte, werd als eene wijk onder den naam van voorstad Zeelandia ingedeeld [937]; eene nieuwe quotisatie der huizen van Paramaribo ter regeling van belasting geschiedde in 1801 [938]. Nieuwe bepalingen omtrent het reinigen der straten, onderhoud der bruggen en wegen enz., werden te gelijker tijd uitgevaardigd. De luxe nam toe, naarmate de toestand zorgelijker werd, gelijk men dit meer bij volken en bijzondere personen vindt. De behandeling der slaven bleef slecht: de notulen zijn als opgevuld met onderscheidene door meesters of directeurs omtrent hen begane wreedheden. Vele slaven en slavinnen stierven ten gevolge der wreede en onmenschelijke straffen hun op last hunner meesters toegediend. Om de reeks der gruwelen niet te veel te vermenigvuldigen, deelen wij slechts twee gevallen uit de vele mede. De directeur C. Varenhorst mishandelde in den regel zijne slaven, deed ze zwaar werken, en onthield hun zelfs het noodige voedsel. Op een bloot vermoeden liet hij een neger zwaar kastijden, daarna met de beenen in eene boei sluiten en met eene ketting om den hals aan eene post bij den suikermolen vastmaken. Hij verbood zijnen slaven dien armen man eenig soelagement te verstrekken, en alzoo kwam de neger weldra uit gebrek »in verstinking en verrotting" om. En nog werd de Directeur door het Hof in het gelijk gesteld en de aanklagers ontvingen een Spaansche bok [939].
Schreiber, Directeur der plantaadje Arendsrust, liet een neger op vermoeden, dat hij een minnehandel met zijne concubine Betje had aangeknoopt, ophijschen, deerlijk met zweepen slaan, toen afnemen en nu aan de post der gaanderij vastbinden en met tamarinde roeden geeselen en op verschillende plaatsen van zijn ligchaam branden, en daarna in een houten boei spijkeren, waar hij weldra bezweek en op last van den Directeur in een gat werd geworpen en met ongebluschte kalk bestrooid. Betje die zwanger was, werd mede opgebonden, met tamarinde roeden gegeeseld en op »eene schandelijke en afschuwelijke wijze" gebrand. Toen er eindelijk bevel tot gevangenneming van dien onverlaat was gegeven, had hij zich reeds met de vlugt gered [940].
In de rivier werden telkens lijken van slaven gevonden, die met een paar steenen of kogels om den hals in het water waren geworpen om de moeite van het begraven te besparen; hiertegen werd eene verordening uitgevaardigd [941].
Volgens regterlijk vonnis werden bijna maandelijks slaven gehangen of geradbraakt; in Mei 1800 werd de neger Efa gecondamneerd, om gebonden aan een paal levend te worden verbrand [942]; Spaansche bokken werden bijna dagelijks onder de galg of in het fort Zeelandia toegediend. De militairen aldaar gekaserneerd poogden soms die executie door goedwillige tusschenkomst soms door feitelijken tegenstand te belemmeren en beklaagden zich ook dat dit »bijna dagelijks voorkomend spectakel onaangenaam en rebutant was." Er werd hierover in het Hof gedelibereerd en men vreesde dat het een pernicieusen invloed op de slaven zou uitoefenen zoo zij bemerkten dat blanken de straffen hun toegediend onbillijk vonden. Friderici stelde daarop voor om dergelijke straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren [943].
Suriname verloor in korten tijd al zijne Hervormde predikanten. Den 11den December 1799 overleed Ds. de Vos en den 1sten Maart 1800 Ds. Groeneveld. De vacante plaatsen bleven langen tijd onvervuld. Het Hof vermeende, dat gelijk vroeger HH. Directeuren hiervoor zorgden, dit nu de pligt van Koning George den derde was en verzocht Friderici zich daartoe aan Z. B. M. te wenden [944].
De Luthersche predikant doopte, trouwde, bezocht kranken en ter dood veroordeelde misdadigers en ontving hier voor eene gratificatie [945].
In November 1801 verzocht de kerkeraad van Paramaribo, daar eene wettige benoeming thans onmogelijk was, vrijheid om zekeren Abraham van Tricht, vroeger te Nieuwdam in Nederland, daarna op St. Thomas en later predikant der Hervormde gemeente in Amerika, thans in Suriname aanwezig, als herder en leeraar te mogen aannemen. Het Hof stond slechts toe, dat hij voorloopig de predikdienst zou vervullen [946].