Geschiedenis van Suriname

Part 37

Chapter 373,629 wordsPublic domain

Den 27sten Augustus werden de civiele autoriteiten door Friderici van den eed aan den stadhouder ontslagen, en den 31sten Augustus de militairen. Dien dag was er een feestelijke maaltijd bij Friderici om deze heuchelijke? gebeurtenis te vieren, die door de Raden van Policie, de kapiteinen der oorlogsschepen en hoofdofficieren der bezetting werd bijgewoond [884].

Daar er nu eene alliantie met Frankrijk was gesloten, werden de afgebroken betrekkingen met Cayenne weder aangeknoopt. De officieele tijding dier alliantie werd door Friderici naar Cayenne gezonden, èn om daardoor een blijk te geven van zijne blijdschap over dezelve èn om de autoriteiten aldaar te nopen de Fransche kapers, die het inkomen der Amerikaansche schepen zeer belemmerden, van de kust te doen verwijderen [885].

Men moest nu ook op zijne hoede zijn tegen nieuwe vijanden, de vorige bondgenooten, de Engelschen. Om het inkomen der rivier voor groote schepen die met het vaarwater onbekend waren, zoo veel mogelijk te belemmeren, liet Friderici voor f 12.-- à f 14.000 te Cayenne twee oude, aldaar opgebragt zijnde, Engelsche schepen koopen, welke men daarna bij Braamspunt deed zinken [886].

Even als in het moederland trachtten de Franschen zooveel voordeel mogelijk van de alliantie met Nederland te trekken. Zoo schreef de Fransche gezant in Amerika o. a. een brief aan Friderici, waarin hij in hoogstbeleefde termen verzocht om Cayenne van allerlei benoodigdheden, voornamelijk levensmiddelen, te voorzien, daar men in die kolonie aan alles gebrek had. Zoo de magazijnen in Suriname hiertoe geen genoegzame voorraad hadden, dan verzocht hij dat men daartoe van Amerikaansche schepen het noodige zou aankoopen, en dit met producten uit Suriname betalen--alles bij wijze van leening. Friderici raadpleegde met het Hof hoe in deze te handelen. Terwijl men oordeelde moeijelijk aan dezen exorbitanten eisch te kunnen voldoen, vreesde men aan den anderen kant om de Franschen te vertoornen. Men besloot alzoo om de weigering in zeer beleefde termen in te kleeden, zich op den slechten staat der openbare kassen te beroepen, en tevens het een en ander wat men eenigzins missen kon te zenden. Ook schreef men daarover aan H. H. Directeuren, om hunne nadere bevelen te ontvangen [887].

Men zag in de kolonie verlangende naar de toegezegde versterking uit, zoo dat men met blijdschap den 12den Mei 1796 het berigt vernam, dat de langverwachte vloot de rivier Suriname kwam opzeilen. Deze vloot, onder bevel van den Vice-Admiraal van Braak, bestond uit vijf oorlogsvaartuigen en een koopvaardijschip. Van Braak werd den 17den Mei plegtig gerecipieerd en verscheen den 20sten Mei in het Hof van Policie. Hij trachtte daar in eene uitvoerige rede, volgens den geest van dien tijd, den ommekeer van zaken als een hoogst gunstige te schetsen en de handelwijze van den Prins van Oranje als slecht, en misdadig te doen voorkomen. Hij prees den Gouverneur en de Raden van Policie, omdat zij geen gevolg hadden gegeven aan het verzoek van den Prins om de kolonie in handen van den algemeenen vijand, het trotsche Engeland, over te geven, en omdat zij getoond hadden hun pligt en hunne roeping te begrijpen, door reeds de Oranje-cocarde te doen afleggen en het krijgsvolk en de burgers van den eed aan den Prins van Oranje te ontslaan. Hij deelde verder mede dat H.H.M, den 5den October 1795 de Directie der Sociëteit van Suriname hadden vernietigd en den 9den in plaats daarvan aangesteld: een Committé tot de zaken van de koloniën en bezittingen op de kust van Guinea en in America, welk Committé zou bestaan uit 21 leden, waarvan 7 leden meer bepaald met de directie van den militairen staat, 7 met het huishoudelijk bestier der koloniën en 7 met het beheer der commerciële zaken zouden worden belast; een Advocaat Fiscaal tot waarneming van het regt der Hooge Overheid in cas van misdaden door burgerlijke of militaire ambtenaren in de colonie geperpetreerd; mitsgaders in cas van delicten welke door suppoosten of bedienden, aan hetzelve Committé werden gesubjecteerd; een Secretaris voor het geheele Committé en een Ontvanger-Generaal, met de geldelijke administratie belast. De leden zouden genieten een jaarlijksch traktement van f 2000, de Advocaat-Fiscaal f 4000, de Secretaris f 6000 en de Ontvanger-Generaal f 2500; allen ontvingen daarenboven vergoeding van reiskosten. Tot president werd benoemd A. Vereul, tot secretaris W. Irhoven van Dam, tot Advocaat-Fiscaal Jacob Spoors [888].

Als reden van de vernietiging der vorige Directie en der instelling van genoemd Committé werd in de resolutie van 9 October 1795 het volgende aangevoerd:

»Dat de te voren bestaan hebbende West-Indische Compagnie dezer landen, oorspronkelijk, even als de Oost-Indische Compagnie is geweest een commerciëerend ligchaam, dog hetwelk sedert vele jaren, vóór deszelfs vernieting, hoewel geheel en al van aard en natuur veranderd zijnde, zoodanig, dat door hetzelve geen commercie, hoegenaamd, meer werd gedreeven, nogthans, even als of het nog een commerciëerend ligchaam ware, directie of de administratie had van den handel op Essequebo, Demerary, St. Eustatius, Curaçao en de bezittingen van den staat langs de kust van Guinée, terwijl de colonie van Suriname en de Berbice wederom door eene afzonderlijke Sociëteit en Directie geadministreerd werden, zoodat alle dezelve in geenerlei verband staan met malkanderen, en er derhalve nimmer eenige gemeenschappelijke schikkingen kunnen worden gemaakt.

»Dat deze onderscheidene ligchamen daarenboven eeniglijk geadministreerd wordende door kooplieden of regtsgeleerden, het ook toen niet anders zijn kon, of derzelver staat van defensie zoo te water als te lande, moest meestal verzuimt of kwalijk gedirigeerd, ten minste niet zoodanig behandeld worden, als van lieden, die genoegzame kennis hadden van hetgeen daartoe behoord, zou kunnen en moeten worden verwagt. Gelijk men ook in den laatsten oorlog met Engeland heeft gezien dat alle dezelve (Suriname misschien eenigzins uitgezondert) zig in zodanigen staat bevonden, dat de meeste op de eerste vertooning van een vijand, zijn genomen, en tegen den geringsten aanval niet te defendeeren waren.

»Dat de ontaarding der West-Indische Compagnie van een ligchaam van commercie in een van louter administratie haar langzamerhand buiten staat gesteld heeft, om zelfs de interessen van haare gemaakte schulden te betaalen, waardoor de houders van een important capitaal, dat zij in der tijd hadden genegotieerd, derzelver interessen hebben moeten missen, en waardoor de Compagnie zelve in een totaal discrediet is vervallen, waaromme dat men onder het voorig bestuur verpligt is geweest, dezelve op het einde van haar Octroy (schoon op eene wijze, die vis à vis van haare particuliere crediteuren, zoo Actionisten als anderzints, van geene onbillijkheid, ja men mag wel zeggen onregtvaardigheid, vrij te spreken ware) geheel te moeten ontbinden, en in haare plaats eene andere directie van zaaken aan te stellen.

»Dat bij hun Hoog Mog. op den 1sten Junij 1792 eindelijk, na lange en breede overleggingen, is aangesteld een Raad over de coloniën in America en over de bezittingen van den staat in Africa, waardoor nogthans dezelfde coloniën en bezittingen, die te vooren onder de administratie der West-Indische Compagnie gestaan hadden, onder de directie en beheering van deezen Raad waren gebragt, te weeten: de coloniën Demerary en Essequebo, de eilanden van St. Eustatius en Curaçao, en de bezittingen van den staat op de kust van Africa, terwijl de colonie van Suriname en van Berbice weder gebleven zijn onder de administratie van de zogenoemde Sociëteit van Suriname, en de Directie van de Berbice, en er dus even als te vooren eene drieleedige beheering bleef plaats hebben, tot groot nadeel der coloniën en tot merkelijk bezwaar der kosten, welke tot goedmaaking van zoodanige drieleedige administratie vereischt worden.

»Dat de Souverain, door deze wijze van alle de voors. coloniën van den staat in de West-Indiën te administreren, nimmer behoorlijke informatie of zekerheid hebben kan omtrent derzelver toestand zoo te water als te lande.

»Dat die daar nauwlijks meer van weten kan dan alle de voorsz. directiën denzelven wel gelieven te informeeren: en dat deeze bij hunne Instructie of speciaale ordres niet verpligt zijnde, om daarvoor te zorgen naar behooren, en door derzelver instelling en inrigting daartoe zelfs geheel ongeschikt, het niet te verwonderen is wanneer dezelve coloniën bij geleegenheid van eenen oorlog in eenen slegten staat bevonden worden, tot merkelijk voordeel van den vijand, en tot onuitspreeklijk nadeel voor den Staat.

»Dat daarenboven door de tegenwoordige wijze waarop de West-Indische coloniën genoegzaam ieder afzonderlijk geadministreerd worden, alle onderlinge schikkingen ten opzigte van elkanderen niet alleen zeer moeijelijk, maar zelfs ondoenlijk zijn, terwijl men zig niet considereert, als leden van een en hetzelfde ligchaam, maar veeleer als corpora, die een onderscheiden belang hebben, die jaloers zijn van elkanderen, en dat in plaats van eene gemeenschappelijke werking tot generaal nut en voordeel, en tot een zo veel mogelijk eenparig bestuur over alle de voorsz. volkplantingen en bezittingen, er integendeel eene geheimhouding omtrent elkanderen, en eene onverschilligheid omtrent elkanders voorspoed en geluk plaats heeft, welke onder eene welgereegelde regeringsvorm van een land geen plaats altoos behoorden te hebben.

»Is goedgevonden en verstaan, enz. enz. [889]."

Nadat Friderici en anderen de gewone redevoeringen, bij dergelijke gelegenheden in gebruik, hadden gehouden, legde hij daarop in handen van van Braak den eed af: aan H. H. M. of aan zoodanige regering, welke door den wille des volks in het vervolg zal worden gekozen, alsmede aan het genoemde Committé [890].

Den volgenden dag nam van Braak dien eed af van de officieren der bezetting en van de zeemagt. Friderici werd gecommitteerd de Raden in den eed te nemen. Deze heeren hadden hiertegen eenige bezwaren, niet wegens gehechtheid aan de vorige orde van zaken, maar omdat zij gemeend hadden dit collegaliter aan van Braak te hebben moeten doen. Na eenig tegenstribbelen gingen zij er evenwel toe over, waarna de noodige publicatiën werden uitgevaardigd [891].

Er was in Suriname thans ook nog al wat gisting, die echter door krachtige maatregelen spoedig werd onderdrukt. Reeds in Januarij was door Hendrik Schouten uitgegeven een Tijdschrift, onder den titel: »Nieuwsverteller of Zamenspraak tusschen Louw en Krelis," en door Beeldsnijder een libel: »Hans en 't Schaduwbeeld," die beide »tendeerde om de vriendelijke ommegang en eenigheid onder de ingezeetenen deezer colonie te verminderen en partijzucht, laster en wrevel te weege te brengen, tot werkelijk nadeel van de goede ordre en het publiek belang." Friderici verbood de verdere verspreiding hiervan [892]. In de Zaturdagsche en in de Woensdagsche couranten waren weder, zonder voorafgaande approbatie, artikelen geplaatst die beleedigende voor de regering, en tegen de goede orde strijdende waren. Friderici hield voortaan strenge censuur om dit te voorkomen [893]. Daarenboven liepen eenige vrije Mulatten van de burgerwacht en begingen baldadigheden, doch werden spoedig in arrest gebragt [894]. Ook bij sommige feesten der aanzienlijken vielen ongeregeldheden voor en zelfs ontzag de predikant La Pra zich niet om in de herberg in verachtelijke termen over het Hof en den Gouverneur te spreken. Hierom bij Friderici ontboden, behandelde La Pra hem brusquement en dreigde zich tot van Braak te zullen wenden. Friderici bragt hem evenwel tot zijnen pligt terug [895].

A. Vereul, de president van het Committé, sprak bij het openen der eerste zitting den 2den November 1795 o. a. de volgende woorden: »Donkere wolken hangen boven de loopbaan, welke ons heden ontsloten is. Het trotsche Engeland, welks oorlogskielen, in groot getal, de zeeën drukken, gelijk hunne misdaden de beide waerelddeelen; welks bloeddorstigheid door het bloed, dat reeds gestroomd heeft, schijnt aan te wakkeren, bedreigt ook de Westersche Bezittingen des staats" [896]. Hierin sprak hij in zoo verre eene waarheid uit, dat werkelijk de Engelschen de West-Indische bezittingen bedreigden. Reeds in Mei was er tijding gekomen dat Demerary zich bij capitulatie aan den Britschen vlootvoogd had overgegeven: die tijding werd sedert bevestigd [897]. Van tijd tot tijd vertoonden zich Engelsche schepen aan de kust, maakten zich soms van Fransche, naar Suriname bestemde schepen meester en attaqueerden Indiaansche booten, die met levensmiddelen voor de post aan de Marowyne waren afgezonden [898].

Friderici trad met van Braak in overleg over de beste maatregelen van verdediging der kolonie, doch den 12den Augustus 1796 overleed de man, van wien Friderici in zijne missive aan het Committé had getuigd, dat hij met ijver en voorzigtigheid de belangrijke taak, die hem opgedragen was, trachtte te vervullen [899]. Het bevel over het eskader werd door kapitein Hartsinck overgenomen, met wien van tijd tot tijd weder moeijelijkheden voorvielen.

Den 5den September 1796 werd bij trommelslag gepubliceerd het Manifest van de Bataafsche republiek, of wel der Nationale Conventie representeerende het volk van Nederland (zoo luidde de naam der toenmalige regering die voor een wijle in plaats van H. H. M. was gekomen) tegen het rijk van Groot-Brittanje [900].

De Engelschen trachtten verstandhouding aan te knoopen, en ofschoon zij de kust blokkeerden, bewezen zij echter onderscheidene beleefdheden. In November zonden zij o. a. een pakket aan den Gouverneur, die het in tegenwoordigheid van het Hof opende. Behalve een zeer beleefden brief aan den Gouverneur bevatte het verscheidene brieven aan particulieren, die door de Engelschen uit een door hen genomen schip waren genomen en nu werden overgemaakt. Die brieven werden aan hunne adressen bezorgd [901]. Eenige dagen later zond de Engelsche Commodore een vaatje boter als geschenk aan Friderici, die dit echter niet aannam, zoodat de Britsche officieren onverrigter zake moesten terugkeeren [902].

Terwijl de vijand de kusten bewaakte en de toevoeren van levensmiddelen en ammunitie zoo veel mogelijk verhinderde, vermeerderden de moeijelijkheden voor Friderici. De zeekapitein Hartsinck klaagde over het achterblijven van verscheidene door hem gerequireerde betalingen; in den Raad ontstond meermalen verschil; sommige leden legden hunne betrekkingen neder en waren er met moeite toe te bewegen om de daarop gestelde boete te betalen en het viel bezwaarlijk, geschikte personen ter vervulling dier betrekking te verkrijgen. De Raad Docher beklaagde zich in het Hof over den droevigen finantiëelen toestand en ijverde zeer tegen de gestadige vermeerdering van het kaartengeld; de Raad Saffin had dezelfde klagten en was tevens zeer ontevreden over den Raad Boekhouder-Generaal, die uit de kas der Modique lasten wissels had doen ligten ten behoeve van de kassa tegen de wegloopers; andere Raden hadden gedeeltelijk dezelfde grieven, waarbij later nog kwam de ontevredenheid over de quotisatie der prijzen van de producten door het Committé bepaald [903]. Friderici zag echter geen kans om anders in de bestaande behoefde te voorzien, dan door het maken van kaartengeld en het aanspreken van de kas der modique lasten ten behoeve der verdedigingsmaatregelen, terwijl zij anders meer bepaaldelijk voor de huishoudelijke zaken der kolonie was bestemd. Hij liet dus in Julij 1796 weder voor 50 mille daarna voor 250 mille en in Julij 1797 voor 350 mille, in April 1798 voor f 400,000, in November 1798 voor f 600,000 aan kaartengeld en obligatiën stempelen; hij verdedigde de maatregelen van den Raad Boekhouder-Generaal en--hoewel hij genegen was »om alles op de vriendelijkste wijze te termineeren," stelde hem (volgens zijn getuigenis) »ongemesureerde onmatige heerschzugt, de geest van partijschap en ontevreedenheid meer als eens in de noodzakelijkheid om van dien algemeenen regel af te gaan, zoo hij geen gevaar wilde loopen om de ordre van zaaken ten eenemale te zien vervallen en hem zelf ten speelpop van hunne (hij bedoelt hiermede de leden van het Hof) wandrogtelijke gevoelens te maaken [904]". Het Raadslid Docher werd dan ook ontslagen [905], en Friderici ging voort om met of zonder goedkeuring van het Hof datgene te doen, wat hij in het belang der kolonie oirbaar achtte, en hij handhaafde het bevel van het Committé omtrent de quotisatie der prijzen van de producten. Zijn gedrag scheen door het nieuwe Committé goed opgenomen te worden, daar hij in Julij 1797 in zijn privé f 21,000 ontving, als vermeerdering van tractement ad f 6000 's jaars, berekend van 1 Januarij 1794, op welk tijdstip hij die vermeerdering aan H. H. Directeuren had verzocht [906].

In Februarij 1798 bereikte de droevige tijding Suriname, dat de Hollandsche vloot onder Admiraal de Winter den 16 October 1797 totaal door de Engelschen geslagen was [907].

Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat de Nederlandsche weldadigheid zich ook nu in Suriname niet verloochende. Door de Maatschappij van Landbouw in de Warappa-kreek werd onmiddellijk na het vernemen van die ramp f 500 aan Friderici toegezonden ter tegemoetkoming in het lot der gekwetsten en der weduwen en weezen van de bij dien zeeslag gesneuvelden. Ook andere giften kwamen daartoe in [908].

Het oefenen der gastvrijheid omtrent hen die van tijd tot tijd uit Cayenne vlugten, om de arbitraire maatregelen der toenmalige bewindslieden te ontgaan, veroorzaakte meermalen moeijelijkheden en vele missives werden tusschen Friderici en de elkander snel opvolgende Gouverneurs, Commissarissen enz. enz. hierover gewisseld. Vooral had er eene geanimeerde correspondentie plaats toen Pichegru, Barthelemy, Aubry, Villot, La Reu, Ramel, Dosfonville en Tellier die den 18den Fructidor (4 September) 1797 door het Directoire gearresteerd, en naar Cayenne waren gebannen, waar zij door den Gouverneur met gestrengheid werden behandeld, met eene Pirouette (Fransch vaartuigje) naar Suriname waren gevlugt. Zij kwamen den 9den Junij 1798 aan de Motkreek aan en door het opgeven van valsche namen en het vertoonen van echte of valsche papieren waren zij goed ontvangen. Spoedig echter eischtte de Gouverneur van Cayenne Jeannet de vlugtelingen op, doch Friderici verontschuldigde zich met de mededeeling, dat hij ze uit het oog verloren en vergeefsche pogingen had aangewend om ze te doen arresteren, zoodat hij vermeende dat ze reeds de kolonie hadden verlaten. Noch het Journaal van Friderici noch de gevoerde correspondentie geven eenig blijk, dat de Gouverneur hun vertrek oogluikend heeft toegestaan. Teenstra evenwel vermeldt dit en het door een der heeren uitgegeven verhaal schijnt dit te bevestigen, en het komt ons mede niet onwaarschijnlijk voor, daar Friderici zich dikwijls beklaagt over de handelwijze der Fransche Gouverneurs, Commissarissen, Agenten enz., en de nabuurschap van Cayenne hem, ofschoon er in schijn eene goede verstandhouding heerschte, meer tot last dan tot genoegen strekte [909].

De zaken gingen verder hun gewonen gang. Ongeregeldheden in het administratief beheer bij sommige collegiën, voornamelijk het collegie van kleine zaken, werden zoo goed mogelijk tegen gegaan [910]; in 's lands gasthuis gaven de binnenvader en moeder door een losbandig gedrag een slecht voorbeeld aan de gealimenteerden; in het Conventum Deputatorum en in het Collegium Medicum hadden vele kibbelarijen plaats en Friderici had werk om het een en ander, ten minste eenigermate, in goede orde brengen en de harmonie te herstellen. Dat hier en daar ook nog aanhangers van den prins van Oranje waren, blijkt uit verscheidene stukken. Op een maaltijd bij den heer Opitz werd o. a. eene conditie door een zeeofficier ingesteld: »Oranje boven en de keezen naar de verdoemenis." De zaak werd onderzocht doch later ontkend. Het scheen echter dat reeds meermalen dergelijke scènes voorvielen [911]. De wreede en tirannique behandeling der slaven bleef bestaan. Meermalen vindt men gewag gemaakt dat slaven door hunne meesters of meesteressen zoodanig werden mishandeld, dat zij aan de gevolgen hiervan overleden [912].

De toestand in het vaderland, waar men, terwijl men meer en meer de zelfstandigheid verloor en onder Franschen invloed geraakte, met groote woorden hoog opgaf van de Bataafsche vrijheid, werkte mede niet gunstig op Suriname. De onophoudelijke veranderingen in het staatsbestuur, het telkens optreden van nieuwe mannen, maakten het handelen met energie onmogelijk.

In April 1799 ontving men in de kolonie de publicatie van het uitvoerend bewind, dato 16 Mei 1798, betrekkelijk het aannemen en in werking stellen der nieuwe staatsregeling, waardoor de nationale vergadering verviel [913]. Andere publicatiën over het inrigten van schepen ter kaapvaart volgden [914]; doch wat baatte de daartoe verleende vrijheid, daar het noodige materieel en de manschap ontbrak en Suriname intusschen van zijne beste verdediging, die van een goed Eskader, werd ontbloot? Reeds in November 1798 was door den burger de Mist het bevel tot het vertrek der vloot overgebragt en in Februarij 1797 gaf de Commandant-kapitein Hartsinck aan Friderici kennis, dat hij niet langer vertragen kon met het opvolgen der ontvangen bevelen om eersdaags met het grootste gedeelte zijner scheepsmagt, de kolonie te verlaten: alleen eenige ligte vaartuigen zouden achterblijven. De Gouverneur en de Raden van Policie drongen er zeer op aan, dat Hartsinck bleef tot dat men over deze zaak naar het vaderland had geschreven, doch de door hem ontvangen bevelen tot vertrek waren te stellig, zoo dat hij zich zeilvaardig maakte en het Eskader den 21 Maart 1799 Suriname verliet [915].

Als tot vergoeding der aan de kolonie ontrukte magt kwam in Februarij 1799 een corps Spaansche hulptroepen van 600 man, onder bevel van Don Manuel D'amparan, scheepskapitein in dienst van den koning van Spanje. Valkenaer, gezant der Bataafsche republiek aan het Hof van Spanje, had er veel toe bijgedragen dat deze hulp werd verleend. Zij kwam echter wel wat laat, daar zij reeds in 1797 was beloofd [916]. Dit korps Wallons werd als dappere soldaten geroemd, doch de kolonie had er niet veel dienst van, maar wel veel kosten. Eerst moesten zij gekleed worden, want zij waren in erbarmelijke plunje; »de snijders moeten voor het corps Wallons maken 600 kamisoolen met mouwen, 600 pantalons, daar zij slecht van kleeding zijn voorzien;" hun moest eene hooger soldij worden betaald dan de gewone militairen, waardoor men, om den naijver der anderen niet op te wekken, genoodzaakt werd een gedeelte der soldij, als in het geheim te betalen enz. enz.

Een algemeen overzigt van den toestand der kolonie in dien tijd wordt geleverd in eene uitvoerige missive door Friderici aan het Committé geschreven den 31sten Januarij 1799.

De Gouverneur geeft in die missive mededeelingen omtrent:

1o het politique en civiele wezen en de ambtenaren daarbij aangesteld; 2o den landbouw en den staat der ingezetenen; 3o den toestand der magazijnen; 4o het militaire wezen en defensie; 5o den toestand der finantiën.

Omtrent dit eerstgenoemde wordt door hem geklaagd: over de moeijelijkheden om, bij afnemende populatie, geschikte personen te vinden ter vervulling der betrekking van Raden voor de beide hoven, leden voor het collegie van kleine zaken, klerken ter secretarie tevens bekwaam voor de notariële praktijk; over gebrek aan Practizijns; over traagheid van de Curators der Wees- en onbeheerde boedelskamer, enz. enz. enz.

Wat den landbouw betreft is de schets niet ongunstig.