Geschiedenis van Suriname

Part 36

Chapter 363,667 wordsPublic domain

In Januarij 1794 kwam weder eene vrij aanzienlijke vloot, onder convooi van het fregat de Erfprins van Brunswijk, kapitein P. Hartsinck, in Suriname aan. Niettegenstaande de drukkende tijden heerschte er levendigheid en vertier, doch de nabijheid van Cayenne bleef steeds verontrusten. Friderici was niet alleen op zijne hoede tegen een mogelijken aanval van die zijde, maar wilde verder gaan en eene poging aanwenden om Cayenne te veroveren. Hij vond zich genoopt dat plan in goeden ernst aan het Hof voor te stellen om de volgende redenen: in December 1793 had men in Suriname vernomen dat, bij besluit der Nationale conventie te Parijs, de slavernij in de Fransche koloniën was afgeschaft, doch dat dit besluit nog niet in Cayenne bekend was en de negers zich tot heden rustig gedroegen. Nu vreesde Friderici dat, zoodra de negers in Cayenne deze tijding vernamen, zij tot groote wanordelijkheden zouden overslaan en dat de slaven in Suriname, indien hun het gerucht van de vrijmaking hunner lotgenooten in eene naburige kolonie ter oore kwam, met geweld trachten zouden hunne vrijheid te verwerven, enz. Friderici vermeende op medewerking van de meeste eigenaren van plantaadjes en slaven in Cayenne te kunnen rekenen, »daar zij," zoo sprak Friderici: »minder afkeerig zouden wezen, onder Hollandsche bescherming, met slaven te kunnen blijven voortwerken, dan onder den Franschen naam, hunne bezittingen te zien verwoesten en ter prooi aan losbandig gepeupel te laten." Hetgeen de kans op welslagen vermeerderde was de zekere wetenschap die men had dat de militaire bezetting in Cayenne thans zeer gering was en dat de in Suriname aanwezigen zeekapiteins volkomen met dit plan instemden en hunne goede diensten tot verwezenlijking er van bereidwillig aanboden.

De raden van policie, misschien meer nog dan Friderici, bevreesd voor de gevolgen van de vrijmaking der slaven in Cayenne in betrekking tot die in Suriname, zagen er echter groote zwarigheden in, want de onderneming kon mislukken en, al gelukte zij, hoe moeijelijk zou de voortdurende bezetting zijn. De kolonie Suriname zou ook hierdoor te veel van eigen verdediging worden ontbloot; daarbij vreesden de Raden van policie, dat het verkeer met de inwoners en slaven van Cayenne, reeds zoo zeer door een revolutionairen geest bezield nadeelig op Suriname's inwoners en slaven zoude werken [862]. Er werd alzoo geen verder gevolg aan dit plan van Friderici gegeven, en toen eenige maanden later (in Augustus 1794) verscheidene Surinaamsche planters een verzoekschrift aan het Hof indienden, waarbij men, op dezelfde gronden als vroeger door Friderici was aangevoerd, aandrong om eene poging tot verovering van Cayenne te beproeven, werd ook dit verzoek door het Hof van de hand gewezen [863].

De vrees bleek echter overdreven te zijn geweest. De tijding van het decreet der Nationale vergadering te Parijs bereikte wel de ooren der slaven in Suriname en bragt eenige agitatie onder hen teweeg, doch dezelve werd gemakkelijk onderdrukt. Eenige slaven vlugtten naar de Marowijne, omdat zij, zoo als zij aangehouden wordende, voorgaven, naar het land der vrijheid wilden gaan; gevangen zijnde, boetten zij voor hunne zucht naar vrijheid met strenge spaansche bokken en werden daarop in ketenen geklonken. Hier en daar hadden zamenscholingen der slaven plaats; op de gronden tusschen Zeelandia en Paramaribo, (het zoogenaamde Combé) pleegden zij eenige ongeregeldheden en baldadigheden. Scherpe verordeningen, waaraan met alle kracht de hand gehouden werd, werden daarop uitgevaardigd en niet slechts zamensprekingen verhinderd, zamenrottingen uit elkander gejaagd en de daders gestraft, maar ook hunne feesten, als: danspartijen (baljaren) does enz. verboden of beperkt [864]. De slaven in Suriname die zagen dat tegenstand nutteloos was en slechts hun lijden verzwaarde, bleven zuchtende zich onder hun juk krommen.

In Cayenne bleek het dat de revolutiekoorts bij de negers minder hevig dan bij de blanken was. De vandaar naar Suriname gevlugte Franschen verhaalden, dat het bewuste Decreet den 15 Junij 1794 te Cayenne was geproclameerd. Toen dit den negers bekend was geworden, had hun dit blijdschap gegeven, doch geene buitengewone sensatie veroorzaakt: zij waren rustig aan den arbeid gebleven. Eerst door het onvoorzigtig gedrag van den Commissaris-Civiel, uit Frankrijk gekomen om het decreet in werking te brengen, waren eenige ongeregeldheden ontstaan. Men had de negers in de clubs en de gemeentens ingelijfd en met accollades in het publiek ontvangen, en door deze, zeker voor de negers zeer ongewone eerbewijzingen, waren zij eenigermate opgewonden geworden [865].

Het bewind te Parijs had een decreet van verbanning tegen velen der aanzienlijkste inwoners van Cayenne uitgevaardigd en dit werd met alle rigeur ter executie gelegd. Dien tengevolge vlugtten van tijd tot tijd verscheidene personen naar Suriname en vonden aldaar een gastvrij onthaal [866], zelfs werd een der immigranten, de Fransche edelman Henry Nicolas Gilles, als officier bij de krijgsmagt aangesteld. De berigten dier vlugtelingen omtrent de gevolgen van de afschaffing der slavernij in Cayenne waren vrij eenparig en getuigden dat de vrees daar omtrent niet was verwezenlijkt [867].

Surinames ingezetenen bleven echter vol bezorgdheid. De afschaffing der slavernij in Cayenne was hun een doorn in het oog en luide gaven zij hunne blijdschap te kennen, toen zij vernamen dat de Engelschen de Fransche volkplantingen op de eilanden (uitgezonderd een gedeelte van St. Domingo) hadden veroverd en nu ook het plan hadden gevormd Cayenne in bezit te gaan nemen, welk plan echter niet ten uitvoer werd gelegd.

Een ander onrustbarend verschijnsel was de neiging tot desertie onder de militairen. Velen trachtten de kolonie te verlaten en zich naar de eene of andere Fransche kolonie te begeven en somtijds gelukte het hun; meerendeels echter werden zij achterhaald of kwamen in open booten van honger en gebrek om of werden door de golven verslonden.

Eene zeer vermetele poging tot ontvlugting geschiedde in April 1794. Een Amerikaansch schip, met 81 slaven geladen, kwam voor Braamspunt ten anker. De schipper liet zich, volgens gewoonte, naar Paramaribo brengen, ten einde den eed af te leggen, dat er aan boord van zijn schip geene besmettelijke ziekten heerschten. Den volgenden morgen ging hij met den doctor, tot nader onderzoek, naar Braamspunt terug, doch tot zijne verwondering, was het schip verdwenen. Zijn stuurman kwam hem met een paar matrozen in eene boot tegen roeijen en deze berigtte, dat in den vorigen nacht tien soldaten aan boord waren gekomen en de manschappen met geweld hadden gedwongen de ankers te ligten en koers naar Martinique te zetten. De stuurman had in de verwarring gelegenheid gevonden om te ontvlugten. De deserteurs bestonden uit een sergeant en soldaten zijner compagnie die dienzelfden nacht uit het fort Nieuw Amsterdam waren ontsnapt [868].

Was de gevaarlijke nabijheid van Cayenne eene oorzaak van gestadige vrees, waartegen men zich op allerlei wijze zocht te wapenen; werden onderscheidene maatregelen van voorzorg tegen een aanval van die zijde genomen, waren de notulen, de dagboeken, de officieele missives van dien tijd, opgevuld met betuigingen van vrees voor dien gevaarlijken nabuur, droegen zij vele blijken van vijandelijke gezindheid tegen de, toen aan het bewind in Frankrijk staande, personen,--weldra was alles veranderd--en men roemde de goede gezindheid der autoriteiten en men verheugde zich in de vriendschappelijke betrekkingen met Cayenne [869].

Die zoo veel van elkander verschillende verhouding tusschen de beide koloniën had haren oorsprong in de belangrijke gebeurtenissen die in Europa waren voorgevallen, waardoor de geheele stand van zaken was veranderd.

Wij zouden ons bestek overschrijden indien wij hier een min of meer omstandig verhaal dier in Europa en ons vaderland zich elkander snel opvolgende gebeurtenissen gaven. Dit behoort tot de algemeene en vaderlandsche geschiedenis en slechts voor zoo verre Suriname er onmiddellijk in werd betrokken, wordt er door ons gewag van gemaakt.

Gelijk van algemeene bekendheid is: De revolutionairen hadden gezegepraald; de Franschen waren in Nederland gekomen en door een gedeelte der verdwaalde menigte als redders begroet. Daar de Franschen de verwijdering van Willem de 5de en zijn huis als conditio sine qua non tot den vrede stelden, vertrok hij, om vergieten van burgerbloed voor te komen, den 18den Januarij 1795, met al de zijnen van Scheveningen naar Engeland.

In Maart 1795 was deze tijding in Suriname nog onbekend. Den 8sten Maart werd nog, als naar gewoonte, de geboortedag van den Prins van Oranje plegtig gevierd. In April kwamen echter verontrustende tijdingen; eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders die daarop betrekking had, werd in het Hof van Policie door Friderici ter tafel gebragt en gelezen. Den 21sten Mei 1795 ontving Friderici een brief van den Prins van Oranje van den volgenden inhoud:

»Edele, Erentfeste, vroome, onze Lieve Getrouwe.

Wij hebben noodig geacht, UEd. bij dezen aan te schrijven en te gelasten, om, zoo te Paramaribo, als verder in de colonie van Suriname, te admitteeren de Troupes, die van wegen zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden verzonden, en op de rivieren zoodanige oorlogsschepen, fregatten of gewapende vaartuigen, die van wegens hooggemelde Zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden gezonden, en dezelve te considereeren als troupes en schepen van eene Mogendheid, die in vriendschap en alliantie is met Hunne Hoog Mogende, en die derwaarts komen om te beletten, dat die colonie door de Franschen worde geïnvadeerd.

Waarmede,

Edele, Erentfeste, Vroome, onze Lieve Getrouwe,

Wij UEd. beveelen in Godes heilige protectie. UEd. goedwillige vriend.

(Get.) W. Pr. van Oranje.

Kew, den 7 Feb. 1795.

Ter ordonnantie van Zijne Hoogheid bij absentie van den Geheim-secretaris.

(Get.) J. W. Boejink.

Aan den Gouverneur van Suriname."

Welken indruk deze brief op Friderici en de leden van het Hof maakte, kunnen wij met geene zekerheid mededeelen, daar de notulen van Gouverneur en Raden van Januarij 1795 tot 20 Junij 1795 ontbreken. In het dagboek van Friderici van 21 Mei 1795 wordt eenvoudig de ontvangst er van gemeld en in de missive aan HH. Directeuren dato 25 Mei 1795 wordt, bij de verzending van een duplicaat, slechts gewag gemaakt, dat genoemde brief door Friderici in de vergadering van het Hof was ingebragt en voorgelezen [870].

Of Friderici als een aanhanger van Oranje, nog pogingen heeft aangewend om de Raden te stemmen ten gunste van dit in den brief van den Prins gedaan verzoek, of dat hij overtuigd dat dit toch niet baten zou, die poging heeft nagelaten, kunnen wij uit gemis aan bescheiden daaromtrent niet beslissen. Wij vermelden dus slechts: dat aan den wensch van den Prins om de Engelschen als vrienden te ontvangen, geen gehoor gegeven werd; dat men overeenkomstig de missive van HH. Directeuren en de daarbij gevoegde resolutie van 3 Februarij 1795 van H. H. M., den 16 April ontvangen, besloot de nieuwe orde van zaken in het vaderland te erkennen [871]. Friderici drong echter bij HH. Directeuren en Regeerders zeer aan om hem bepaalde bevelen over te zenden, »hoe hij zich ten opzichte van de Hooge Ambtspersonen en Ministers der Republiek hadde te gedragen, daar hem ook de legale kennisgeving van de veranderingen die in het vaderland hadden plaats gevonden ontbrak en hij alzoo niet wist in hoeverre dezelve op den staat van zaken in de coloniën moest influenceren." Hij beschrijft zijne positie als zeer zorgelijk, daar hij ten gevolge van onbekendheid daarmede, in de mogelijkheid kon komen, om zich bij voorkomende gelegenheden te gedragen op eene wijze, die misschien niet overeenkwam met de beschikkingen welke in de republiek zouden worden gemaakt, doch hij vertrouwde dat in zulke gevallen zijne zucht tot orde en een geregeld bestier als overeenkomstig met de bevelen, waarmede hij voorzien was, in acht zouden worden genomen [872].

Zijn gedrag werd door Directeuren geprezen en in de vergadering van de Provisioneele Representanten van het volk van Holland, gehouden op Dingsdag den 4den Augustus 1795, het eerste jaar der Bataafsche vrijheid, werd op voordragt van den Burger A. Vereul, pres. van het collegie van Directeuren, geresolveerd: »de Gedeputeerden ter generaliteit te gelasten, het bij H. H. M. daar heenen te dirigeeren, dat, daar de Gouverneur der kolonie Suriname, Jurriaan François Friderici, die in weerwil der misdaadige poging des gewezen stadhouders, in zorglijke en kommerlijke oogenblikken, niets dan zijn pligt gezien, en plegtig betuigd heeft, alles te zullen verrigten, wat van een man van eer, die het behoud der colonie voor het moederland boven alles stelt, kan worden verwacht, H. H. M. bij eene speciale resolutie hoogstderzelve genoegen over dit braaf gedrag des Gouverneurs tot heden gehouden, gelieven te betuigen, en denzelven tot het manmoedig persevereeren op dit zelfde loffelijk voetspoor aan te moedigen; en hem extract dezer resolutie bij eerste gelegenheid toe te zenden." [873]

In Suriname heerschte ook onrust, die Friderici, zoo spoedig mogelijk, wenschte te onderdrukken. Den 1sten Junij 1795 deed hij, in overeenstemming met het Hof, eene publicatie uitvaardigen, waarbij het vormen en bijwonen van genootschappen waar over de regten van den mensch werd gesproken, het verspreiden van ontrustende tijdingen, het drukken en uitgeven van libellen, het indienen van oproerige adressen streng verboden en het gehoorzamen der wettige overheid als eerste burgerpligt werd aanbevolen. De revolutionaire geest ofschoon ook wel in Suriname aanwezig, kwam echter niet tot die ontwikkeling als in Europa. De reeds genoemde maatregel bragt het zijne er toe bij, om die ontwikkeling te stuiten, doch er was meer: het eigenbelang hield die ontwikkeling tegen. Men begreep in Suriname zeer goed, dat nevens de in aantal geringe blanke bevolking eene andere, eene gekleurde, leefde die gretig naar de gelegenheid wachtte om het juk, dat haar drukte, af te werpen. Toegeven aan de droombeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap zou niet slechts agitatie onder de blanken te weeg brengen, maar zich welligt tot de slavenbevolking uitstrekken: het naburig Cayenne was tot leerend voorbeeld. De laatste tijdingen toch uit die kolonie luidden ongunstig. De slaven waren door de dwaze en onvoorzigtige handelwijze van sommige heethoofden uit Frankrijk in beweging gekomen: zij hadden zich van hunne meesters verwijderd en velen gaven zich aan losbandigheid over, doch werden door de krachtige handeling van den nieuwe Gouverneur Cointet tot rust en orde gebragt. [874]

Men moest voorzigtig zijn, daar men als het ware tusschen twee vuren stond, want in Demerary was een opstand onder de slaven uitgebroken en dringend werd van daar door den Gouverneur ad interim Beaujon hulp uit Suriname verlangd.

Eerst werd slechts hulp van 200 à 300 Indianen gevraagd »om de bosschen te doorkruisen en van wegloopers te zuiveren." Zoo spoedig mogelijk werd hier aan voldaan, door den posthouder aan den Corentijn aan te schrijven Indianen uit dat district op te roepen, te wapenen en naar Demerary te zenden, waartoe de goede hulp der Moravische broeders werd ingeroepen om de Indianen te bewegen aan die roepstem gehoor te geven. [875]

Weldra echter werd de nood in Demerary dringender. De wegloopers hadden militaire posten aangevallen en verslagen; hunne vermetelheid wies en zelfs hadden zij den blanken reeds voorgesteld, dat dezen de kolonie zouden verlaten en dezelve aan hèn overgeven. Beaujon wenschte dus zeer ook hulp van militairen te ontvangen. Ofschoon men Suriname niet te zeer van krijgslieden ontblooten kon, werd evenwel een corps van p. m. 50 soldaten en 25 man van het legercorps onder den Luitenant-Kolonel Stoelman naar Demerary tot Secours gezonden [876]. Met behulp van dit corps werd de opstand der slaven onderdrukt en keerde Stoelman met zijne manschappen in December 1795 terug [877].

De goede maatregelen door Friderici en het Hof en andere genoemde en niet genoemde omstandigheden werkten alzoo mede dat Friderici van den toestand van Suriname in het slot zijner missive aan HH. Directeuren en Regeerders kon getuigen: »Ik zal deese onaangenaame berichte" (zoo als die over Demerary, den slechten stand der geldmiddelen enz. enz.) »eenigzints veraangenaamen met de verzeekering dat deze colonie zig bij continuatie blijft distingueeren door zijne rustige toestand, dat in het generaal genomen de vooruitzichten van de aanstaande insameling der producten zeer aangenaam zijn, en dat eene aansienlijke voorraad van derselver voortbrengselen ter afscheeping zijn gereed liggende; vleijende zig den planter dat eerlang eene generaale vreede de gepaste middelen tot de overvoering van deselve na den vaderlande zal kunnen opleveren. [878]

De wensch naar een generalen vrede werd nog niet vervuld. Er zou nog veel bloed stroomen en Europa, ter prooi aan onderlinge verdeeldheid, verscheurd en vertreden worden, vóór dat men zich over den gewenschten vrede verblijden en er den Heere voor danken kon.

Hoewel men zich in Suriname aan de nieuwe orde van zaken in het vaderland had onderworpen, wachtte men zich echter, om door overijlde maatregelen den gang der zaken vooruit te loopen. In de vergadering van het Hof van 8 Julij 1795 bragt Friderici de kwestie van het afleggen der Oranje-cocardes (in 1787 verordend) ter sprake. Hij vermeende dat, ofschoon de nieuwspapieren de verandering in de staatsgesteldheid der republiek mededeelden, men echter hiermede wachten moest tot een stellig bevel van den souverein (H. H. M.) zulks gebood. Het Hof vereenigde zich met dit voorstel en oordeelde ook dat indien men hierin overijld te werk ging, er welligt opschudding door zoude ontstaan en dat het vooral niet dan met overleg en in overeenstemming met de kapiteins der aanwezige oorlogsschepen moest geschieden [879].

Een paar dagen later kwam de resolutie van H. H. M. van 11 April 1795 aan. Deze resolutie had vooral de strekking om verkeerde uitlegging van de resolutie van 4 Maart 1795 tegen te gaan. De resolutie van 4 Maart behelsde: »de erkenning van de eeuwige en onveranderlijke beginsels van Gelijkheid, Vrijheid en algemeen Broederschap, zoo wel als de daaruit voortvloeijende rechten en plichten van den mensch en burger, mitsgaders de souvereiniteit van het geheele volk van Nederland;" de afschaffing en vernietiging van »de erffelijke waardigheeden van den Stadhouder" enz. enz., »zoo als dezelve waren toegekend geweest en feitelijk geresideert hadden in den persoon of het huis des Princen van Oranje," enz. enz.

Men schijnt in Holland bevreesd te zijn geweest, dat men in de koloniën spoedig te ver zou gaan, gelijk uit de resolutie van 11 April die wij hier laten volgen blijkt:

»Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap. Extract uit het Register der Resolutiën van de Hoogmogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden.

Sabbathi den 11 April 1795.

Het eerste jaar der Bataafsche vrijheid.

De Gecommiteerden van Holland hebben ter vergadering voorgedragen: dat zij ter kennis van hunne principalen gebragt hebbende de Missive van den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën alhier op gisteren ingekomen, en breeder aldaar vermeld, door dezelven waren gelast om dien aangaande te doen een voorstel.

Waarop dien conform is goedgevonden en verstaan, te verklaren dat H. H. M. zich met ernst zullen bezig houden om het charter voor de coloniën te bepalen: en dus wel ernstig begeeren, dat niemand de deswegens te houdene deliberatiën vooruit loopen en door eene willekeurige interpretatie van Hoogstderzelver publicatie van den 4den Maart dezes jaars, de thans plaats hebbende order van zaken eigendunkelijk veranderen.

Dat in tegendeel alle opperhoofden, collegiën van regeringen, officianten en ingezetenen in de respective coloniën alle de reeds gegevene of nog te geevene ordres van den Raad der coloniën ofte van zodanige andere Directie waar onder zij gesteld zijn, zullen moeten respecteeren en gehoorzaamen tot tijd en wijlen zij daarvan door Haar Hoog. Mog. zelve op eene legaale wijze, zullen zijn ontslagen; gelastende Haar Hoog. Mog. de opperhoofden of de derzelver plaats bekleedende, alle attroupementen of daaden van geweld, met alle rigeur tegen te gaan en de geenen die dezelve mogten pleegen, ter rigoureusten te doen straffen.

En gelasten insgelijks aan alle commandanten van 's lands troepen zo te lande als ter zee, omme de gestelde machten in het handhaven van rust en goede order, en in het volvoeren dezer beveelen met al hun vermogen te adsisteeren, op poene dat de opperhoofden en commandanten voor alle omissien en verzuim deswegens zullen aansprakelijk zijn.

En zal uit hoofde van het spoedig vertrek van schepen naar de West Indiën extract van deze Haar Hoog. Mog. Resolutie worden gezonden aan den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën, met last om van den inhoud van deselve ten spoedigste kennisse te doen geven aan de respective coloniën, ten einde alle confusiën voor te komen, die door het achterblijven dezes orders zouden kunnen ontstaan.

(Was Geparapheert) J. G. H. Hahn, Vt.

Accordeert met voorz. register.

(Was Getekend) W. Quarles."

Deze resolutie (die van 4 Maart schijnt toen nog niet te zijn ontvangen) werd bij publicatie den ingezetenen bekend gemaakt. Oefeningen in den wapenhandel, zonder consent der Authoriteiten, en het vormen van bijzondere corpsen, zoogenaamde vrijkorpsen, werd hierbij tevens verboden [880].

Intusschen begonnen sommige ingezetenen en zelfs slaven zich met de driekleurige Fransche cocarden te versieren. Wel werd hiertegen straf bedreigd en ook enkele personen gestraft, doch Friderici achtte het niet raadzaam, langer het afleggen der oranje-cocarde uit te stellen. Hij trad daarover in overleg met den colonel-commandant Millet van Coehoorn en den kapitein ter zee van Overvelde, en den 20sten Julij 1795 werd tot het afleggen derzelve besloten, dat echter, ten opzigte van de militairen, eerst den 26sten Augustus plaats had en, voor de burger-officieren, den daarop volgenden dag [881].

In de laatste dagen van Augustus 1795 werd door Friderici eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders ontvangen, waarbij gevoegd was eene resolutie van H. H. M. dato 5 Junij 1795, behelzende mededeeling van een tractaat van vrede, vriendschap en alliantie, den 16den Mei tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en die van Frankrijk gesloten, welk tractaat den 4den Junij te Parijs geratificeerd was; een duplicaat der reeds genoemde resolutie van 4 Maart omtrent de erkenning van de regten van den mensch, de vernietiging van het stadhouderschap en de vervallen verklaring van den Prins van Oranje, was hierbij gevoegd. Friderici wilde nu het een en ander doen publiceren, doch stelde voor, om van de laatstgenoemde resolutie dat gedeelte, hetwelk betrekking had op de erkenning van de regten van den mensch, achterwege te laten, daar dit mogelijk agitatie bij de slaven zoude verwekken. Friderici vreesde zeker dat zij zich eens mogten gaan verbeelden ook menschen te zijn en regten te hebben. Het Hof achtte het echter oorbaar, dat de geheele resolutie werd gepubliceerd, doch liet aan den Gouverneur over, met dien verstande en voorzigtigheid te handelen als hij mogt goedvinden [882].

Friderici liet toen den 31sten Augustus de resolutie omtrent het tractaat van vrede, vriendschap en alliantie met Frankrijk publiceren en den 8sten September de resolutie van 4 Maart, terwijl die van 11 April er tegelijk onder werd gedrukt [883].