Part 35
Suriname was nog steeds eene belangrijke kolonie: volgens authentieke opgaaf van 1791 telde zij 591 plantaadjes, onder welke 46 waren, die aan de Joden toebehoorden. Wel zijn onder dat getal van ongeveer 600 plantaadjes ook begrepen de kleine kostgronden, aan welke bijna de naam van plantaadje niet toekwam, doch de uitvoer bewees dat men de kolonie niet gering moest achten; hij bedroeg in 1790 ruim 15,000 tot 20,000 okshoofden suiker, terwijl de belastbare waarde van een oxhoofd suiker tot f 200 was gestegen [818]. Verscheidene keeren vindt men gewag gemaakt van pogingen om de daarvan aan de Sociëteit te betalen belasting te ontduiken of ter sluiks suiker en andere verboden producten met Amerikaansche schepen te vervoeren [819]. Soms werden er belangrijke aanhalingen gedaan: o. a. in October 1791 werd door den Raad Fiscaal een pont met suiker, cacao, koffij enz. geladen, in beslag genomen, beneden de redoute Purmerend en voor een Amerikaansch schip bestemd. De netto opbrengst der geconfisceerde goederen bedroeg f 8251,12.10 2/3 [820].
De bevolking der kolonie werd in 1791 begroot op:
Zielen.
Christenen, Blanken op de plantaadjes 1,080 Blanken te Paramaribo 950 Portugesche Joden, op de plantaadjes en Joden Savane 250 in de stad Paramaribo 620 Hoogduitsche Joden, op de plantaadjes 30 in de stad Paramaribo 430 Mulatten en vrije negers 1,760 Slaven, op de plantaadjes 45,000 in de stad Paramaribo 8,000 [821]
De aanvoer der slaven was in de laatste jaren mede toegenomen, echter werden er steeds hooge prijzen besteed [822], want de slavenmagt--zoo zij niet gestadig werd aangevuld--nam af, zoo ten gevolge van hevige ziekten als door uitputting en door wegloopen.
Hield het wegloopen der slaven nog steeds aan, de vrees voor hunne aanvallen op de plantaadjes was veel verminderd sedert den slag bij Aroukoe, waar Bonni een zoo groot verlies was toegebragt. Bonni had zijne kracht verloren; vele zijner volgelingen verlieten hem of vielen in handen der aan de Marowyne geposteerde krijgsmagt, die van daar verscheidene expeditiën deed. In September 1791 werd o. a. onder bevel van den Luitenant-kolonel Beutler, een aanval op de bende van Bonni beproefd, die met eene overwinning van onze zijde eindigde waarvoor de genoemde Kolonel den 1sten Januarij 1792, wegens »zijn gehouden conduite" op de parade met eene eeredegen werd beloond [823]. In December 1791 liepen 3 vrouwen en 1 jongen van Bonni weg; in Maart, April en Mei 1792 werden verscheidene overloopers en gevangenen van zijne bende te Paramaribo opgebragt [824]. Bonni wenschte zelf vrede te maken en had kort na den slag bij Aroukoe daartoe pogingen aangewend; men had dit niet geheel afgeslagen, [825] doch voornamelijk om hierdoor het terrein beter te verkennen en tijd te winnen en tevens wantrouwen tusschen hem en de Aucaners, die zich onzijdig wilden houden, te verwekken [826]. Dit gelukte, en terwijl den Aucaners hun eenigermate dubbelzinnig gedrag werd vergeven, trachtte men hen tegen Bonni op te hitsen, en vorderde als een bewijs hunner goede gezindheid, dat zij onze troepen zouden ondersteunen. Indien men let op vele de krachten, die in het werk werden gesteld, om een man, die reeds door zoo velen verlaten was en die thans met zijne weinige getrouwen in kommer en ellende doorbragt en vaak honger en gebrek moest lijden, geheel ten onder te brengen, dan moet men tot de overtuiging komen, dat Bonni geen gewoon man was, maar iemand die onder andere omstandigheden als een held en onversaagd verdediger der regten zijner landslieden zou beschouwd zijn geworden. Die Mulat was een moedig man en toen men hem bijna als geheel verslagen achtte, gaf hij op nieuw een schitterend bewijs van dien moed. In Augustus 1792 tastte zijn zoon Agouroe het dorp der Aucaners, Anderblaauw, aan en nam o. a. de beide blanke soldaten, die aldaar de post van bijleggers vervulden, als gevangenen mede [827]. Nu echter had hij zich de Aucaners tot geslagen vijanden gemaakt en weldra boden 72 strijdbare mannen onder hen aan, om eene expeditie naar het dorp van Bonni te ondernemen. Gaarne nam het Gouvernement die krachtige hulp aan en in Februarij 1792 trokken zij onder aanvoering van hun opperhoofd Bambi op weg, om Bonni te overvallen [828]. Die expeditie bereikte volkomen het voorgestelde doel. Bonni werd overrompeld en daar hij zich moedig verdedigde, door Bambi gedood. Het zelfde lot onderging zijne onderbevelhebbers Cormantijn Cojo, Paedje en nog tien andere negers; zes en dertig zoo vrouwen als kinderen werden levend gevangen. De Aucaners maakten verder een vrij belangrijk buit aan ammunitie, corjalen, gereedschappen enz: door het omslaan der corjalen, waarin dit alles was geladen, op de klippen, werd slechts een klein gedeelte hiervan in Paramaribo gebragt [829]. Er heerschte groote vreugde over dezen uitslag der expeditie en in de buitengewone vergadering van het Hof, werd Friderici verzocht, om den Aucaners eene goede belooning hiervoor te geven; ook werd dankbaar de diensten erkend, die de Gouverneur in dezen nu en vroeger door zijne goed overlegde maatregelen had bewezen en hem verzocht een dag te bepalen, waarop hij de plegtige felicitatie zou kunnen verwachten.
Tevens werd besloten om de aan de Marowyne commandeerenden Officier Zegelaar te belasten, om een detachement uit te zenden, ten einde de door Bonni en Cormantyn Cojo nieuw aangelegde kostgronden te verwoesten en de ontvlugte, hier en daar verstrooide Bonni-negers te vangen of te dooden [830].
Zoo was dan eindelijk de gevreesde Bonni gedood en de vrees voor de gestadige aanvallen zijner bende geweken. Men achtte zich in Suriname zoo veilig, dat, toen Directeuren en Regeerders der kolonie bij het vernemen van den slavenopstand op St. Domingo, besloten twee oorlogsschepen naar Suriname te zenden, ten einde de volkplanters bij een dergelijke gebeurtenis de noodige bescherming te verleenen, er in het Hof besloten werd om aan Directeuren en Regeerders te berigten, dan men dergelijke hulp niet noodig had [831], en toen eenige dagen later de luitenant Verheuil, met 's Lands oorlogsbrik, de Pijl vóór de stad Paramaribo arriveerde, om de aangeboden hulp te verleenen, bedankte men hem beleefdelijk, waarop hij koers zette naar Berbice [832].
Kort na de optrede van Friderici in het bestuur, hadden er geruchten geloopen omtrent vijandelijkheden tusschen Engeland en Spanje. Bij de mogelijkheid, dat Suriname daar in op de een of andere wijze betrokken zou kunnen worden, was men op zijne hoede geweest en het oorlogsfregat de Eensgezindheid bleef toen ter beveiliging der kolonie op de reede voor Paramaribo [833]; daar latere tijdingen gunstiger luidden, verliet genoemd fregat de kolonie [834]; en men dacht zich nu ongestoord aan de bevordering van landbouw en handel te kunnen overgeven.
Friderici wenschte ook de armverzorging op een beteren voet te brengen, daar zij, niettegenstaande de telkens vermeerderende subsidiën, zeer veel te wenschen overliet. Vooral was het slecht bestuur van het Gereformeerd Diaconiehuis eene zaak, die noodwendig voorziening behoefde. Er werd daarom op zijn voorstel eene commissie door het Hof benoemd, om een en ander behoorlijk te onderzoeken. Die commissie bragt in de vergadering van 28 December 1790 verslag uit van den staat van het Gereformeerde Diaconiehuis. Dit verslag luidde o. a.: »men moet verbaesd staan over de slegte ordre, welke in onze Diaconie is heerschende en welke allengskens door een quaade gewoonte hand over hand is toegenoomen, en welke van den beginne af aan, had moeten teegegaan zijn, bij aldien een yder dat wie met soo veel sorgvuldigheyd toezigt van deese aan de soo veel kostende staat is toevertrouwd en aanbevoolen, op 't ernstigst zig deese zaak ter herte hadde genoomen."
Er werd--omdat men geene verbetering te gemoet zag indien het Diaconie-huis onder het beheer van den kerkeraad bleef--besloten, om aan HH. Directeuren voor te stellen dit gesticht onmiddellijk onder toezigt van het Hof te brengen. [835] De Directeuren konden zich, volgens hunne missive in December 1791 ontvangen, zeer goed met dit voorstel vereenigen [836] en daarop werd deze zaak ten einde gebragt.
Het bestuur werd opgedragen aan vier door het Hof te benoemen regenten; het toezigt berustte bij twee commissarissen (Raden van Policie); de binnenvader en moeder ontvingen als vast tractement f 1500 's jaars. Zij waren gehouden de nieuwe reglementen getrouw na te leven. [837]
Men was hiertoe zoo veel te eerder nog overgegaan, daar het langzamerhand ook eenigermate het karakter van Gereformeerd diakonie-, wees- en armhuis had verloren. De knapen werden ter opvoeding naar Amsterdam gezonden (van de meisjes vindt men geen gewag gemaakt); oude of gebrekkelijke lieden van andere geloofsbelijdenissen werden er ook opgenomen. De Luthersche gemeente toch, die nog geen tijding op hare aanvraag om hulp van directeuren had ontvangen, had verklaard buiten staat te zijn, om hare armen langer te verzorgen en daarop was besloten (zonder consequentie voor het vervolg) eenige armen der Luthersche gemeente in het Gereformeerde diaconiehuis op te nemen [838].
De Katholieken hadden nog geen gevolg gegeven aan hunne belofte in December 1788 gedaan, om, overeenkomstig artikel 3 der voorwaarden op hunne toelating gesteld, hunne eigene armen te verzorgen [839]. Men had dus ook provisioneel eenig Roomsche armen in het Gereformeerd Diaconie-huis opgenomen--en de pastoor Eeltjes verzocht in Augustus 1791, dat men wilde voortgaan, met die aldaar te verplegen, want het was hun onmogelijk het zelf te doen. Als bewijs dezer onmogelijkheid deelde hij mede, dat de geheele ontvangst zoo uit het vaderland als van diverse personen in de kolonie over 1790 hadden bedragen eene som van f 6185 : 17 : 8--welke som door de uitgaven overschreden was; tot 30 Junij 1791 bedroegen de ontvangsten f 2836 : 4 : 8 en beliepen de uitgaven reeds f 2717 : 8, terwijl er aan den apotheker nog te betalen bleef f 83 : 10 en toch men had de meest mogelijke zuinigheid in acht genomen; zelfs den pastoor, die op f 2600 tractement was beroepen, had zich te vreden gesteld met slechts f1500--te ontvangen. Het Hof stond hierop het verzoek toe, dat men nog een jaar op deze wijze zou voortgaan, doch dat men, indien dan nog niet door de Roomsch-Catholieke gemeente voldaan werd aan art. 5, men overeenkomstig het bepaalde bij artikel 7 de kerk zou doen sluiten [840].
In een volgend jaar werd echter op herhaald verzoek op nieuw een jaar uitstel verleend; men zou voortgaan met de Roomsch-Catholieke armen in het Diakonie-huis op te nemen, doch de Roomsch-Catholieke gemeente nam de verpligting op zich eenige alimentatie-kosten te betalen [841], doch ook aan deze verpligtingen konden zij niet voldoen [842].
Hadden de Diaconen door hun slecht beheer oorzaak gegeven, dat de zaak zoo ver was gekomen--zij wilden dit echter niet erkennen en protesteerden op hoogen toon tegen deze--zoo als zij het noemden--schennis hunner regten; de kerkeraad trok gedeeltelijk hunne partij en op sommigen vergaderingen vielen hevige tooneelen voor en werden de Commissarissen van het Hof beleedigd. Friderici ging echter voort en vermaande ernstig de predikanten, die niet beter de orde in de vergaderingen wisten te handhaven [843].
Het etablissement voor de Boassie-lijders aan de Saramacca, Voorzorg genaamd, voldeed ook vrij goed aan zijne bestemming en telkens werden de lijders--niet slechts slaven maar ook armen vrije negers, mulatten en blanken er op overgebragt [844].
Van de betrekkelijke rust in de kolonie wilde Friderici ook gebruik maken, om de kas tegen de wegloopers, waarin een groot te kort was, in beteren staat te brengen, waartoe een concept voor een nieuw reglement in het Hof van Policie werd ingebragt en bediscussieerd. [845] Daar volgens dit ontwerp de belasting zou worden verhoogd, verklaarden zich velen in de kolonie hiertegen en weldra werd een uitvoerig, door vele planters onderteekend rekwest aan het Hof ingediend, waarin o. a. betuigd werd, »dat de toestand van de volkplanting nog veel te wenschen overliet." [846] Dat deze betuiging waarheid behelsde, bleek behalve uit de gedurige overgang van plantaadjes in de handen der hypotheekhouders ook uit de slechte betaling aan de publieke kassen. Alleen aan het kantoor der modique lasten bleef, volgens door den ontvanger in December 1790 ingeleverde staat, door verscheidene personen nog te betalen f 142,168 : 13; en men kon rekenen, dat die personen het immer schuldig zouden blijven. [847] De kas tegen de wegloopers had groote uitgaven moeten doen, en niettegenstaande belangrijke inkomsten waren er groote schulden gemaakt. Blijkens den in Mei 1793 door den ontvanger ingeleverden staat, was het jaar 1792 wegens de binnenlandsche rust en de hooge prijs der producten zeer voordeelig voor de kas geweest: f 412,844,194 was in dat jaar ontvangen, maar was dit genoegzaam geweest tot bestrijding der uitgaven, het kon nog weinig baten tot delging der schuld. Die schuld bedroeg:
aan de Sociëteit f 2,342,474: 4.15 en aan het kantoor der modique lasten f 1,590,582:17.6 Alzoo te zamen. f 3,933,087: 2.5
of ongeveer 4 millioen gulden. Het verwondert ons dus niet, dat de Raden van Policie de onmogelijkheid inzagen, dezen schuld immer te boven te komen en daarom bij herhaling aandrongen dat H.H.M. zich voortaan met de kosten der verdediging zouden belasten, daar èn de inwoners èn de sociëteit hiertoe op den duur onmagtig waren. [848]
Men wenschte dit zoo veel te meer, daar de politieke horizon steeds duisterder werd. De in Frankrijk uitgebroken revolutie die reeds zoo verre was gegaan, dat de koning en koningin hun leven op het schavot hadden moeten verliezen, (21 Januarij 1793) bedreigde ook de republiek der Vereenigde Nederlanden, die reeds door tweedragt verscheurd werd. En dat Suriname in den worstelstrijd zou worden gesleept en de gevolgen daarvan ondervinden, was wel te denken.
Niet slechts was er oorlog tusschen Engeland en Frankrijk, en de ondervinding had geleerd hoe moeijelijk het was onzijdig te blijven, maar ook in het naburige Cayenne was reeds de regering veranderd en mannen aan het bestuur, tegen wie H.H.M, noodig achtten eene publicatie uit te vaardigen, strekkende, om het houden van eenige correspondentie te verbieden [849].
Suriname ging een moeijelijken tijd te gemoet.
In Cayenne waren reeds groote veranderingen voorgevallen; het bestuur was vervangen door eene revolutionaire koloniale vergadering, die nu het vroeger met Suriname gesloten cartel omtrent de uitlevering van deserteurs niet meer van kracht beschouwde. Eene poging om uit Suriname gevlugte deserteurs terug te erlangen, door Friderici aangewend, bleef zonder gevolg; de koloniale vergadering oordeelde dit niet te moeten doen: »nademaal alle menschen gelijk zijn, zij er geene van verschillende soort erkent en altijd gunstiglijk zal ontfangen die bescherming komen reclameeren."--Men strekte dit toen echter nog niet tot de slaven uit. Dezen werden beschouwd, als een artikel van koopmanschap, waartoe geen cartel noodig was [850].
Friderici liet nu een wakend oog op Cayenne houden, zoo door een gedeelte van het vrijcorps als door een gewapend vaartuig te doen af en aanvaren, om zooveel mogelijk de handelingen aldaar gade te slaan. In October 1792 werden de verwarde zaken eenigzins hersteld. Een Gouverneur, Ordonateur en Commissaris-Civiel kwamen, daartoe vergezeld, met een aantal soldaten (het tweede battailjon van het regiment Royal Alsace) in de kolonie. Ook werd getracht de vriendschappelijke betrekkingen met Suriname weder aan te knoopen. De per Fransche corvet gearriveerde commissaris keurde het gedrag der provisioneele bewindslieden in Cayenne omtrent het Cartel af en beloofde de door Friderici verlangde uitlevering der deserteurs, zoo mogelijk, nu nog te doen plaats vinden. De secretaris Berranger werd daarop afgevaardigd om naar Cayenne te gaan en aldaar alles nader te regelen. Berranger ging en vertoefde eenigen tijd in de Fransche volkplanting, waar hij met de uiterste beleefdheid werd behandeld, doch zijn doel: de uitlevering der deserteurs, niet bereikte, daar zij, reeds vóór zijne aankomst, naar Frankrijk waren vertrokken [851].
Was er alzoo een oogenblik verademing; weldra werden de gemoederen in Suriname op nieuw verontrust.
Geruchten van oorlog tusschen Engeland en Frankrijk gingen vooraf en verkregen telkens meer zekerheid [852]: het berigt dat de koning van Frankrijk Lodewijk den 16de, den 21{sten} Januarij 1793, door het schrikbewind te Parijs ter dood veroordeeld, op een schavot dit vonnis had ondergaan, bereikte den 26sten Maart 1793 Suriname [853]; een Engelsch schip bragt den 3den April eene missive van den heer Parry, Gouverneur van Barbados, over, waarin door genoemden Gouverneur aan Friderici gemeld werd, dat de thans in Frankrijk aan het hoofd der regering staande mannen den oorlog aan Engeland en aan de Republiek der Vereenigde Nederlanden hadden verklaard. Parry bood aan om, bij voorkomende gelegenheden, alle mogelijke dienst aan Suriname te bewijzen [854].
Men vernam tevens dat het garnizoen in Cayenne aanmerkelijk versterkt was geworden, zoodat er wel reden bestond om beducht te wezen; want er bevond zich in de kolonie slechts een oorlogsschip, de Jason, kapitein de Virieux, die door Friderici met moeite werd overgehaald, om nog eenigen tijd te vertoeven; terwijl de andere verdedigingsmiddelen gering en daarenboven nog in slechten staat waren. Men besloot dan ook de zeilree liggende koopvaardijschepen niet te doen vertrekken, ten zij door een behoorlijk convooi gedekt, en eenigen derzelven te doen wapenen om tot verdediging van de rivier te kunnen verstrekken.
Den 6den Mei 1793 kwam de luitenant-kolonel Millet van Coehoorn, die als expresse uit het vaderland naar Suriname was gedetacheerd, in de Kolonie aan, en bevestigde de door den Engelschen Gouverneur Parry reeds medegedeelde tijding van den door Frankrijk aan Engeland en Nederland verklaarden oorlog. Hij hing ook een treurig tafereel op van de gesteldheid der zaken in Europa in het algemeen en in Nederland in het bijzonder, daar men voorals nog niet, met eenige waarschijnlijkheid, kon voorzien welken keer dezelve zouden nemen. Als maatregelen van voorzorg werd het oorlogs-fregat Jason en drie gearmeerde koopvaardijschepen voorloopig bij Nieuw-Amsterdam en bij Braamspunt gestationeerd: een op de reede liggende Fransch vaartuig werd in beslag genomen [855].
In Julij 1793 ontving men de verblijdende tijding per missive van H.H. Directeuren en Regeerders dat de Franschen van Nederlandsch grondgebied waren verdreven. Friderici beval, in overeenstemming met het Hof, dat er een plegtige dankdag zou worden gehouden en dat, als bewijs van gehechtheid aan het vaderland, bij inschrijving giften zouden worden verzameld tot ondersteuning van de verdediging des dierbaren vaderlandschen gronds [856].
De schippers welke geladen waren en zeilree lagen, wenschten hunne reis naar Nederland aan te nemen en verzochten, zonder Friderici hiervan kennis te geven, den kapitein de Virieux hen te convoyeren. De Virieux was hiertoe wel genegen, doch Friderici en het Hof verklaarden er zich bepaald tegen, en toen de Virieux het voornaamste aangevoerde bezwaar: het ontblooten der kolonie van de noodige verdediging, wilde ontzenuwen door aan te merken: »dat indien men hulp ter defensie noodig had wel Engelsche schepen te krijgen waren" was men hierover zeer verontwaardigd en wees men den kapitein op »de onwelvoegelijkheid om bij vreemden hulp te zoeken zoo men nog zich zelf helpen kan." De Virieux gaf toe, mits hij zich door eene behoorlijke resolutie voor zijne superieuren zou kunnen verantwoorden, aan welk billijk verzoek werd voldaan [857].
Friderici wenschte de kolonie in een goed verdedigbaren toestand te brengen. In September 1793 hield hij in eene vergadering van het Hof, waar tevens de officieren der bezetting, de zee-kapitein de Virieux en diens luitenant Bisdom tegenwoordig waren, eene aanspraak, waarbij hij den benarden staat van zaken bloot lag en tevens de maatregelen voorstelde, die hij, in overeenstemming met den krijgsraad, besloten had ter verdediging der kolonie aan te wenden.
Deze maatregelen, die door het Hof werden goedgekeurd, waren als volgt:
1o Langs de kusten hier en daar wachten plaatsen, deze behoefden echter niet zeer sterk te zijn, daar eene landing op eene andere wijze dan door opvaren in de rivier Suriname, wegens hare groote moeijelijkheid niet waarschijnlijk was;
2o posteren een gewapend schip bij den mond der Commewijne op de hoogte der redoute Leiden en op 1/3 breedte der rivier Suriname, beneden de redoute Purmerend, een oorlogsschip, benevens drie gewapende koopvaardij-vaartuigen, vier platboomde vaartuigen als drijvende batterijen en twee à drie ponten tot branders inrigten en een sloep bij Braamspunt tot wachtschip. Verder de werken op het fort Nieuw-Amsterdam en die der andere forten en redoutes, in behoorlijken staat van tegenweer brengen; de post aan de Marowijne versterken, doch de militairen van de andere posten op de binnenlandsche lijn van defensie (het cordon) terugroepen, ter versterking van het garnizoen en deze militairen door 100 schutters-negers doen vervangen [858].
Het strekte den Gouverneur en den Kolonisten tot eene groote bemoediging toen den 6den October van hetzelfde jaar de koopvaardijvloot, onder convooi van drie oorlogsschepen, de Medea, kapitein C. Wiertz, de nieuwe Argo, kapitein E. van Braam en de Snelheid, kapitein C. Blois van Treslong, voor anker kwamen. Niet slechts werd de kolonie als nu genoegzaam van proviand en ammunitie voorzien, maar ook kon men nu, met minder vrees, een vijandelijken aanval te gemoet zien, daar twee der oorlogsvaartuigen (de beide laatstgenoemde) tot secours zouden blijven: de Medea zou de koopvaardijvloot naar Berbice en Demerary convoyeren en ook daarna te Suriname terugkeeren [859]. De kapitein de Virieux ontving den last om de in lading liggende schepen naar Curaçao te geleiden, van waar zij een ander convooi zouden erlangen. De schippers remonstreerden hiertegen, daar het saizoen thans zoo ongunstig was (de assurantie in October kostte 8 pCt. meer dan in Januarij); ook wenschten zij liever eene gelegenheid af te wachten om onmiddellijk de reis naar het vaderland te kunnen volbrengen [860]. Aan hun verzoek werd toegegeven; zij bleven tot den 4den Maart 1794 in de kolonie, wanneer een getal van 51 koopvaardijschepen, onder de geleide van de kapiteins de Virieux en van Braam, uitzeilden [861].