Geschiedenis van Suriname

Part 34

Chapter 343,589 wordsPublic domain

Nog in hetzelfde jaar, doch reeds na het vertrek van Wichers, werd een etablissement »Voorzorg" geheeten, in Saramacca, daartoe aangewezen, provisioneel voor slaven, doch hetwelk, volgens later te maken bepalingen, ook voor blanke lijders zou kunnen dienen; de opzigter werd f 600 traktement, rantsoen, schrijfbehoeften toegekend [780].

Werd er alzoo eenige voorziening gebragt in de verzorging der slaven, die aan de Boassie leden, het was minder om hun lot te verzachten, dan wel om gevreesde besmetting voor te komen. Verbetering van het lot des slaafs was geene zaak, die de harten of hoofden der kolonisten bezig hield, en een man als P. F. Roos, die der vrijheid bezong, en o. a. in zijn vers »Suriname verheerlijkt," in kreupeldicht aandringt, »om tempelen der vrijheid gewijd op te rigten," verheugt zich, eenige regelen lager, in het vooruitziet: »dat Africa op nieuw voor Nederland een magazijn van kloeke slaven zal wezen" [781]. De verzen van dien door velen gevierden man, vloeijen over van allerlei schampere aanmerkingen jegens de arme negers: hij (de vrijheidsvriend?) keurt het ten hoogste af en is zeer verontwaardigd, indien zij den arbeid weigeren, omdat zij noch voedsel, noch kleeding ontvangen [782].

Wichers wordt door sommige schrijvers (Stedman en andere) geprezen, dat hij ook jegens de slaven menschlievendheid betoonde, doch behalve het feit, dat hij een neger (Apollo, weglooper van La Bonne Amitie) door het Hof ter dood veroordeeld, die straf kwijt schold en hem in plaats daarvan in boeijen aan 's landswerken liet arbeiden [783], vinden wij in de officieele bescheiden hiervan weinig vermeld. De vreesselijke straffen jegens de slaven bleven in volle kracht; in Augustus 1787 werd ook de wreede en onmenschelijke straf, het afzetten van een been onder de knie, weder toegepast op den neger Jakje [784].

Dat Wichers òf in het algemeene vooroordeel van dien tijd omtrent de behandeling der slaven deelde, òf dat hij geen zedelijke kracht genoeg had om hier tegen te getuigen, is ons niet volkomen duidelijk. Aan welke oorzaken dit dan moet worden toegeschreven beslissen wij niet; maar zeker is het, dat de vermelding van het volgende, een pijnlijken indruk op vele lezers zal maken:

Bij mondelinge overeenkomst met de bevredigde boschnegers was bepaald, dat de weggeloopen slaven, die door hen gevangen en aan de regering werden overgeleverd, niet met den dood gestraft, maar slechts veroordeeld zouden worden, om, in boeijen, voor het land aan de forten of op het Cordon te arbeiden [785]; de meester ontving voor het gemis van den arbeid zijns slaafs f 200.-- restitutie uit de kas tegen de wegloopers. Het niet voltrekken der doodstraf aan de gevangen genomen wegloopers maakte wel geen artikel van het met de boschnegers gesloten vredesverdrag uit, maar was aan dezen op dringend verzoek later toegestemd en tot 1788 getrouw nageleefd. Toen echter werd die belofte ingetrokken, daar men vermeende: »dat het wegloopen hierdoor werd aangemoedigd" en het Hof besloot, dat voortaan de weggeloopen slaven, die door de boschnegers gevangen en aan de regering werden overgeleverd, op dezelfde wijze als anderen zouden worden gestraft [786].

Het wegloopen nam evenwel gestadig toe en de aanvallen der Marrons op de plantaadjes herhaalden zich telkens [787]. De meeste diensten ter beteugeling huns overmoeds werden door het vrijcorps verrigt, en terwijl men dit moest erkennen, wenschte men er dan ook de uitbreiding van; doch het bezwaar hiertegen lag in de groote kosten, die vereischt werden tot de vorming en het onderhoud van dit corps. Voornamelijk door de uitgaven hiertoe benoodigd en door die van het aanleggen van het Cordon was er een te kort in de kas tegen de wegloopers ontstaan, tot welks dekking men schulden had moeten aangaan: de stad Amsterdam alleen had een voorschot gedaan van f 700,000.-- en heeren Directeuren f 719,314.-- [788]. Die schuld te vermeerderen was niet raadzaam; de belasting op de producten te verhoogen had ook vele bezwaren, en toch het vrijcorps moest ten minste in stand worden gehouden. Wichers stelde hiertoe aan het Hof voor: om de vroegere belasting van f 1,-- hoofdgeld voor ieder persoon (vrije of slaaf), die sedert eenige jaren afgeschaft was, weder in te voeren; daarenboven als nieuwe belasting te verordenen dat ieder slaaf, die voortaan met de vrijheid zou worden begiftigd, hiervoor f 100.-- aan de kas tegen de wegloopers zou betalen en ieder slavin f 50.--. De te manumitteeren slaven konden, indien zij hiertoe geschiktheid bezaten, door driejarige dienst bij het vrijcorps, van het betalen dier genoemde som worden vrijgesteld [789]. Wichers vermeende (zoo drukte hij zich uit), dat de vrijheid een zoo kostbaar geschenk was, dat hij, die dezelve ontving, gaarne eene dergelijke som zou willen betalen, of zich tot eene vrijwillige dienst bij het vrijcorps verbinden; maar Wichers bedacht ongetwijfeld niet, dat er eene groote onbillijkheid en onregtvaardigheid in gelegen was, om den arme bij een eindelijk toekennen van natuurlijke, doch lang onthouden regten, hiervoor nog te laten betalen. Dergelijke redenen golden te dier tijde weinig; het Hof vond de beide voorstellen van Wichers zeer aannemelijk; HH. Directeuren schonken er hunne toestemming aan en ze werden in resolutiën geconverteerd [790].

De geldkwestie heeft steeds ongunstig op de vrijmaking der slaven gewerkt; niet slechts deed zij in het hier genoemde op nieuw onbillijkheden begaan; zij oefende ook een noodlottigen invloed uit op het kwijten eener schuld jegens de kleurlingslaven, welks grootheid men eenigermate had beginnen te gevoelen. De kleurlingslaaf was nog ongelukkiger dan de negerslaaf. Uit gemengd bloed gesproten, van zwakker ligchaamsgestel, was hij voor den zwaren arbeid minder dan de negers geschikt. Viel die arbeid hem zwaar, dubbel pijnlijk troffen hem de vernederingen en beleedigingen, die hij als slaaf moest verdragen; want ook in zijne aderen stroomde het bloed zijner vaderen. En trilde de vader van verontwaardiging bij de geringste aanranding zijner vrijheid; diens kind moest lijden en zwijgen, zelfs de bij grofste schending, en zijn medelotgenoot, de zwarte negerslaaf, beschouwde den kleurlingmakker met wantrouwen.

In 1781, onder den wakkeren Texier, was eene commissie benoemd om: zoo mogelijk maatregelen te beramen, ten einde kinderen, gesproten uit gemengde geslachten, den schat der vrijheid te bezorgen. Die commissie hield vergaderingen, discussiën, bragt verslag uit en--dit duurde tot 1790--eindelijk werd door het Hof besloten de zaak provisioneel te laten rusten: 's lands finantiën lieten niet toe, om den koopprijs aan de eigenaren te betalen; het was moeijelijk, om daarenboven die kinderen eene goede opvoeding te doen erlangen, en--men troostte zich hiermede: dat er door de vaders dier kinderen meermalen brieven van manumissie werden aangevraagd [791].

Zij die door hunne ontvlugting zich zelven de vrijheid hadden verworven; die tot behoud daarvan een strijd met Europesche soldaten niet hadden geschroomd en slechts door den moed van het vrijcorps gedwongen waren geworden de kolonie te verlaten, en over de Marowijne een veilig toevlugtsoord te zoeken, bragten nog meermalen vrees en schrik in de kolonie. De Marrons, die met hun opperhoofd Bonni, den man van gemengd bloed, in 1776 over de Marowijne waren getrokken, hadden zich eenigen tijd rustig gehouden, doch in de laatste tijden weder van zich doen hooren en de kolonisten door enkele strooptogten verontrust. Die onrust bij de kolonisten werd vermeerderd door geruchten omtrent eene dubbelzinnige houding van het Fransche Gouvernement van Cayenne, dat toch schijnbaar in vriendschap met het onze verkeerde. Er kwamen namelijk klagten over verstandhouding tusschen dat Gouvernement en de Bonni-negers; men verhaalde dat zij er door van allerlei gereedschappen en ook oorlogsbehoeften werden voorzien, ja dat er sprake van was, dat eenige Franschen zich bij hen zouden vestigen. Zelfs de Aucaner-boschnegers, (onze bondgenooten) waren hierover niet geheel zonder ongerustheid [792].

Het Gouvernement van Suriname besloot op zijne hoede te zijn en trachtte in de eerste plaats het wantrouwen der Aucaners tegen Bonni te vermeerderen, om van die zijde steun te erlangen en ten tweede versterkte men het vrijcorps, om in staat te zijn de gevreesde aanvallen, zoo mogelijk, te keeren.

Men hield een wakend oog en het bleef nog eenigen tijd vrij rustig; Bonni verschalkte hen echter. In Augustus 1788 berigtte de Joodsche Burgerkapitein, dat er een gerucht liep: »een gedeelte der bende van Bonni was over de Marowijne getrokken en bedreigde de plantaadjes" [793]. Nog bleef het een wijle stil; zou het een onwaar en valsch gerucht zijn geweest? Neen! weldra werd het bevestigd; daar klinkt eensklaps de droevige mare door de kolonie: De mannen van Bonni hebben de plantaadje Clarenbeek aangevallen den blankofficier gedood, vier soldaten gekwetst, het grootste gedeelte der slavenmagt medegenomen en als gevangene den directeur Merle [794].

Vooral dit laatste bragt eene algemeene schrik teweeg; men stelde zich in de kolonie voor, dat Bonni de Merle onder des uitgezochtste martelingen zou doen sterven. Bonni deed echter niet alzoo; hij behandelde de Merle goed en wilde hem, blijkens een brief door dezen, aan eenige vrienden in Paramaribo, geschreven, tegen een behoorlijke losprijs vrijgeven [795].

Wat nu te doen? Bonni vervolgde zijne strooptogten en achtervolgens werden nog drie plantaadjes door hem overvallen. De nood steeg; er moest met kracht worden gehandeld. De dappere Friderici, de bekwame opperbevelhebber van het vrijcorps, was in 1785 tot hoofdofficier bij de troepen der kolonie en Inspecteur der linie van defensie benoemd; niettegenstaande zijne werkzaamheden hierdoor zeer waren vermeerderd en men hem alzoo een officier tot eigenlijken chef van het vrijcorps had moeten toevoegen, was hij echter in naam chef gebleven (voorzigtigheidshalve, omdat hij er zoo zeer bij bemind was). [796]

Friderici, die beter dan iemand anders in staat was over de waarde van het vrijcorps te oordeelen, verwachtte van deszelfs diensten bij eene geregelde expeditie tegen Bonni, de beste resultaten. [797]

Hij stelde voor met gezegd korps offensief te handelen en tot dekking daarvan eene goede militaire post aan de Marowijne te plaatsen. Om den aanval met kracht te kunnen doorzetten, wenschte hij het vrijcorps onmiddellijk te versterken, door aankoop van schutternegers. Het Hof kon zich hiermede in theorie wel vereenigen, maar--het ontbrak aan genoegzame soldaten en aan geld tot aankoop »van schutternegers"--men zou zich alzoo tot verdedigings-maatregelen moeten bepalen [798].

Aan de Marowijne werd een militaire post, uit soldaten en een groot gedeelte van het vrijcorps bestaande, opgerigt. Zoo ver klom de stoutmoedigheid van Bonni, dat hij met zijne bende den 5den November 1789 hierop een aanval beproefde. De eerste conducteur van het vrijcorps Stoelman en zijne onderhebbende manschappen weerden zich echter zoo dapper, dat de aanval mislukte en de Marrons de vlugt moesten nemen. [799]

Bonni en zijne mannen hadden hunne dooden en gekwetsten medegevoerd en zich op een der talrijke eilanden in de Marowijne terug getrokken. Hen hier te vervolgen had vele moeijelijkheden, maar wat moed of beleid niet vermogt, werd door verraad gemakkelijk gemaakt. Bij Bonni bevond zich een neger, Ascaan genaamd, zijn onderhoofdman die zijn vertrouwen genoot. Deze neger echter was een verrader, hij verliet Bonni, kwam tot de Aucaners en gaf zijn voornemen te kennen om de blanken te dienen, terwijl hij, als bewijs zijner goede trouw, zijne vrouw en een zoon als gijzelaars aan hun wilde overlaten. Dit voorstel, der regering aangeboden, werd gretig door haar aangenomen. Door den verrader geleid gelukte het op den 30sten April 1790 Bonni's dorp, Aroukoe op een eiland in de Marowijne gelegen, te overvallen. Bonni bood dapperen wederstand, maar van verscheiden zijden aangetast moest hij wijken. De Marrons leden groote verliezen: zes negerinnen vielen den overwinnaars in handen. Van Merle, die nog altijd door Bonni als gijzelaar werd gehouden, had zich gedurende het gevecht in een Birri Birrimoeras verborgen en werd daar door kapitein Kremer gevonden. Na de vlugtenden zoo veel mogelijk afbreuk te hebben gedaan, liet men de verdere vervolging voor het oogenblik varen, en keerde met vreugdegejuich naar Paramaribo terug. [800]

Ascaan ontving tot loon voor zijn verraad, de vrijheid, onderofficiers-gagie en f 100 douceur.

Hoewel een groot gedeelte van Bonni's bende ontkwam, was echter zijne kracht gebroken; kommer, ellende en hongersnood waren voortaan het deel zijner mannen. Bonni was niet langer gevaarlijk voor de kolonie.

De bekende tegenstander der Marrons, de vrijneger Quassy, was in Mei 1787 in hoogen ouderdom overleden. [801] Deze merkwaardige man, die getrouw aan de blanken, evenwel een buitengewonen invloed op zijne zwarte landslieden bezat, welke hem voor een Obia-man, een toovenaar ja voor een godheid aanzagen, was reeds door Mauricius tot onderhandelingen met de Marrons gebruikt. De vijanden van Mauricius hadden zijn trouw verdacht gemaakt, doch de uitkomst heeft geleerd, dat deze beschuldigingen valsch waren en meermalen werden van zijne goede diensten door opvolgende Gouverneurs gebruik gemaakt. [802] Hij had dikwijls belooningen van Gouverneurs en Raden ontvangen; de Prins van Oranje had hem een fraaijen met goud gegallonneerden rok en punthoed, benevens een gouden gedenkpenning geschonken. In de laatste jaren woonde hij in een goed huis te Paramaribo, hetwelk hem, benevens het gebruik van een paar slaven tot zijne dienst, kosteloos, door de regering ten gebruike was afgestaan. In 1730 had hij den geneeskrachtigen wortel, die sedert naar hem Quassy-hout genoemd is, ontdekt. Door die ontdekking en de gunsten welke hij van de regering genoot, had hij zich groote rijkdommen kunnen vergaderen, doch een ongebonden zedeloos leven was zijn ongeluk. [803]

Den 10den November 1785 had de bijzonderheid plaats, dat op de rivier Suriname een eenmast vaartuig arriveerde, met slechts één eenigen persoon J. Schakfort, bemand, komende van Londen, laatstelijk van l'Orient (eene zeestad met 17,800 inwoners, in het Fransche departement Mortriban, aan de baai port Louis en den mond der Scarpe), van waar het den 6den Julij 1785 vertrokken was, hebbende niets dan krijt tot lading [804].

Buitengewone voorvallen als groote branden, zware ziekten, enz. vielen tijdens het bestuur van Wichers niet voor; alleen werd er op den dag zijner aankomst, den 22sten November 1784, eene ligte aardschudding waargenomen, welke echter evenmin als die twee jaren later, den 21 Julij 1787, plaats vond, eenige schade veroorzaakte [805].

Wichers genoot groote eere en onderscheiding van zijne meesters, de Directeuren en Regeerders der Kolonie. Op hun verzoek ook werd door H. H. M., bij Resolutie van 7 Maart 1785, hem den rang van Generaal-Majoor bij de troepen van den Staat toegekend. Door deze rangsverhooging (de vorige Gouverneurs waren slechts kolonels) werd dan ook de titel van WelEdelGestrenge in dien van HoogEdelGestrenge veranderd. Die benoeming was den meesten Surinamers aangenaam en bij de daaropgevolgde felicitaties werd hem veel hartelijkheid betoond [806]. Wichers was vrij algemeen bemind en de verhouding met de beide Hoven was zeer vriendelijk en welwillend, In de laatste jaren van zijn verblijf kwamen er echter weder moeijelijkheden. Het begeven van ambten door den Gouverneur alléén, tot welks begeving het Hof oordeelde mede regt te hebben, was gelijk meermalen weder eene bron van onaangenaamheden [807]. Voornamelijk evenwel kwam er verschil over de ten uitvoerlegging van een besluit van HH. Directeuren betreffende de weeskamer.

Het departement der weeskamer liet steeds veel te wenschen over. Door verscheidene Gouverneurs waren er wel verbeteringen beproefd, doch zij hadden weinig gebaat. Ook Wichers had veranderingen aangebragt. Het tractement der Weesmeesters was door hem van f 3500 tot f 4000 verhoogd, terwijl dan de provisiën aan de kas en niet aan Weesmeesters vervielen. [808] Radicale verbetering bleef echter noodig. Directeuren wenschten eene nieuwe Wees-Curatele en onbeheerde Boedelskamer op te rigten en zonden daartoe een instructie aan Gouverneur en Raden, waarbij zij tevens sterk aandrongen, dat deze zaak spoedig tot stand kwam. [809] Hun wil was bepaald uitgedrukt en toen sommige Raden hier tegen eene sterke oppositie vormden, wenschte Wichers, dat men, vóór alle dingen gehoorzaamde en daarna beklag deed. De oppositie was echter zoo krachtig, dat de zaak voor het oogenblik werd uitgesteld. [810] Directeuren lieten zich hierdoor niet afschrikken en in November van hetzelfde jaar kwam er een uitdrukkelijk bevel, dat, ongeacht de bezwaren van sommige Raden, de, den 30sten Julij 1788 in vergadering van HH. Directeuren en Regeerders vastgestelde, Instructie en Ordonnantie voor de nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedelskamer der Kolonie Suriname in werking moest worden gebragt. Dit geschiedde; drie Weesmeesters en Curators werden aangesteld, de twee oudste op een tractement van f 5000, de jongste op f 4000; terwijl twee Raden van Policie met het toezigt werden belast [811]. Drie leden der oppositie leverden een protest in; Wichers liet dat stuk (65 bladzijden fijn geschreven), om hen genoegen te doen, in de notulen opnemen; Wichers trachtte verzoening te bewerken door o. a. aan twee leden der oppositie het toezigt op te dragen, doch dezen, de heeren Wolf en Frouin, weigerden echter, en legden kort na het vertrek van Wichers hun ambt als Raden van Policie neder en getroosten zich, om gewillig de f 6000 boete te betalen [812].

Behalve de onaangenaamheden hieruit ontstaan, kwamen er ook klagten over de aanmatigingen der door Wichers aangestelde Joodsche Regenten, hetwelk hem mede veel verdriet veroorzaakte.

Wichers verlangde naar eenige ontspanning en misschien ook wel wenschte hij in Holland een en ander nader te bespreken. Hij verzocht verlof om een reis naar het vaderland te mogen doen, wat hem werd toegestaan. Den 11den Junij 1790 deelde hij dit in de vergadering van het Hof mede en nam van hetzelve een hartelijk afscheid. Tot zijn plaatsvervanger, bij zijne afwezigheid, was door Directeuren benoemd, de heer Jurriaan François Friderici. Deze heer was reeds een maand te voren, ter vergelding van zijn betoonden vlijt en ijver door HH. Directeuren benoemd tot Commandeur en eersten Raad van het Hof van Policie [813]. Hij zou dezelfde magt als een Gouverneur ad Interim hebben, de gewone eed van getrouwheid moest in zijne handen worden afgelegd--doch de plegtige installatie achterwege blijven.

Twee dagen later vertrok Wichers naar zijne plantaadje, digt bij Paramaribo; ging den volgende dag den 14 Junij 1790 scheep op het fregatschip de Standvastigheid, kapitein Bosman Prahl en aanvaardde de reis naar Nederland [814]. Hij keerde echter niet naar Suriname terug.

Uit het medegedeelde zal men de vroeger gemaakte opmerking moeten toestemmen, dat Wichers onmiskenbare verdiensten had en onder de beste Gouverneurs van Suriname kan worden gerekend, doch dat de lof, dat hij tegen de gruwelijke behandeling der slaven, met allen ijver, zou hebben gewaakt, onverdiend was.

Friderici, de dappere Friderici, werd algemeen geacht en door het vrijcorps als een vader bemind. Men zag het alzoo met genoegen, dat bij het vertrek van Wichers, aan Friderici het bestuur der kolonie werd toevertrouwd. Hij aanvaardde dit echter niet onder den gewonen titel van Gouverneur ad Interim, maar als Commandeur die »verder door de Edele Groot Achtbare Heeren Directeuren en Regeerders der opgemelde colonie geauthoriseerd was, omme het Gouvernement, geduurende het verlof van den Gouverneur-Generaal Wichers waar te nemen."

De gewone eed van getrouwheid werd alzoo wel door de civiele en militaire authoriteiten aan Friderici gedaan, doch de plegtige installatie bleef achterwege. Ruim twee jaren bleef hij onder dezen titel de kolonie besturen en altijd nog bleef men de terugkomst van Wichers verwachten. In eene vergadering van het Hof van Policie den 8sten Maart 1792 echter legde Friderici eene missive van H. H. Directeuren van 30 November 1791, over, waarbij kennis werd gegeven, dat Wichers zijne demissie als Gouverneur-Generaal had erlangd [815].

Nadat men hiervan zekerheid had bekomen, hoopte men dat Friderici definitief als Gouverneur zou worden aangesteld. Die hoop werd niet teleurgesteld.

Den 7den Augustus deszelfden jaars, de verjaardag van H. K. H. de Princes van Oranje, gaf Friderici op de parade mededeeling van zijne aanstelling als Gouverneur-Generaal der kolonie Suriname. Op den 24sten Augustus 1792, de verjaardag van den Erfprins van Oranje (later Koning Willem I), werd hij als zoodanig plegtig geïnstalleerd [816]. In December 1798 ontving hij zijne benoeming als Generaal-Majoor.

De gewone feesten als parade, gastmaal, bal enz. bleven niet achterwege; terwijl ook daarenboven het huis van den heer Raad van Policie Stolkert en van andere particulieren inwoners der kolonie, mitsgaders twee op de reede liggende schepen, met de wapens van Friderici en toepasselijke bijschriften prijkten en prachtig waren geïllumineerd.

Nog verscheidene dagen lang duurden de feestelijkheden, die eindelijk den 13den Augustus werden besloten met een brillant souper aan het Gouvernementshuis van 250 couverts, gevolgd door een bal, dat tot 's morgens 1/2 6 ure werd voortgezet [817].

Zooveel mogelijk trachtte Friderici bij voor hem en voor de kolonie belangrijke gebeurtenissen, die hij wenschte te vieren, die feestviering te doen plaats hebben op die dagen, waarop een der leden van het vorstelijk geslacht verjaarde, en steeds werden die herinneringsdagen door hem met luister herdacht, want Friderici was een warm voorstander van het Huis van Oranje.

Friderici ging in dezen niet mede met den tijdgeest, die meer en meer de banden, die ons Vaderland aan Oranje verbonden, vaneen trachtte te rijten.

De beginselen der Fransche vrijdenkers, die de revolutie in Frankrijk te voorschijn riepen, waardoor een braaf vorst boeten moest voor de misdrijven zijner voorgangers en waardoor de ongebreidelde hartstogten der volkeren in beweging werden gebragt, hadden ook in ons Vaderland verdervend gewerkt; ook aldaar waren de gemoederen verhit en door allerlei drogredenen was het eene partij gelukt om Neêrlands volk van Oranje te vervreemden. De invloed dier beginselen werd ook in Suriname gevoeld en hierdoor ontstonden verwikkelingen, die noodlottige gevolgen voor de kolonie na zich sleepte, welke Friderici niet kon verhoeden.

De algemeene toestand van Suriname was bij den aanvang der regering van Friderici niet zoo geheel ongunstig te noemen, als eenige jaren vroeger. Friderici was door en door met de koloniale belangen bekend en een ijverig voorstander van landbouw en industrie; men hoopte, dat onder zijn wijs en voorzigtig bestuur de kolonie tot meerderen bloei en meerdere welvaart zou geraken. Die hoop nog werd vermeerderd door het stijgen der prijzen van de koloniale producten, en hoewel de schaarschte aan geld zich nog wel pijnlijk deed gevoelen, en er nog gedurig plantaadjes in handen der hypotheekhouders voor schuld overgingen--troostte men zich met de betere vooruitzigten.