Geschiedenis van Suriname

Part 33

Chapter 333,537 wordsPublic domain

Bij de mededeeling der bijzonderheden op kerkelijk gebied loopt het in het oog, dat werkelijk de verdraagzaamheid op godsdienstig gebied in Suriname veld won, ofschoon niet altijd de edelste beweegredenen de oorsprong hiervan waren. Ter kenschetsing van den aard derzelve deelen wij het oordeel mede, zoo als dat door tijdgenooten (de schrijvers der Historische proeve) daaromtrent werd gegeven.

»Misschien," redeneeren die schrijvers, »is er in de gansche wereld niet eene plaats te vinden, daar de verdraagzaamheid zich zo wijd uitstrekt, en zoo naauwkeuriglijk onderhouden wordt als in Suriname. Nooit hoort men er van eenigerlei godsdienstige geschilstukken; elk aanbidt daar God op zijne wijze; ieder doet naar hetgeen hij 't best en bekwaamst oordeelt ter behoudenisse zijner ziele."

Tot staving hiervan vermeldden zij, dat zekere Directeur eener Fransche plantaadje, die zich op reis te Lyon bevond, in gezelschap zijner landslieden, waar men breed opgaf van de verdraagzaamheid in Frankrijk, verhaalde, dat hij in Suriname had gegeten in een huis, waarvan het gezin bestond uit Heidenen, Joden, Roomsch-Catholieken, scheurzieke Grieken en Calvinisten; »zij zaten," voegde hij er bij, »aan tafel vrolijk en weltevreden en leefden voor het overige in de volmaakste eensgezindheid."

Het feit, waarop hij zinspeelde, was het volgende: Een jood van groote belezenheid en een gezond oordeel, had eene negerin tot bijzit; zij baarde hem verscheidene kinderen, welke in de Gereformeerde godsdienst werden opgeleid; vervolgens huwde hij de oudste dier dochters uit aan een Roomsch-Catholieken weduwnaar, die, uit zijn eerste huwelijk, een zoon had, die, in Rusland geboren, opgevoed was in de leerstellingen der Grieksche Kerk; zoodat de vader een jood was, de moeder eene Heidin, de dochter eene Gereformeerde, de schoonzoon een Roomsch-Catholieke en zijn kind een Griek. Toen de man kort daarna overleed, hertrouwde zijne weduwe met een Engelsch Presbyteriaan [754].

Na vermelding van dit feit volgt eene hernieuwde lofspraak op de verdraagzaamheid. Wij beamen dezelve niet: wel schuwen en haten wij alle onedele middelen om de godsdienst uit te breiden. Tot uitbreiding van het rijk des Heeren wenschen wij niets dan geestelijke wapenen te gebruiken; van eene andere handelwijze zien wij slechts onheil. Alleen over verkondiging van het Evangelie en aan een wandel overeenkomstig het Evangelie wil God zegen verleenen; maar de verdraagzaamheid, die hier geroemd en geprezen wordt, vloeit niet uit de ware bron, maar is een kenmerk van ligtzinnigheid en ongeloof, en zij verdraagt slechts wat daarmede overeenstemt en is vaak zeer vijandig en onverdraagzaam jegens dengene, die God in alle ernst wil dienen en daardoor getuigenis aflegt tegen alle zonde en goddeloosheid.

Thans willen wij de in Suriname ontwakende lust tot letterkunde iets nader beschouwen.

De smaak voor letterkunde bestond vóór den tijd van Mauritius volstrekt niet; langzamerhand begon hij eenigzins te worden opgewekt en weldra werd het niet langer als eene groote zeldzaamheid beschouwd, indien iemand zich Hollandsche, Spaansche en Fransche boeken aanschafte. Sommige Franschen, die, om de droevige tijdsomstandigheden, hun vaderland verlieten en zich in Suriname kwamen vestigen, wakkerden de lust voor letterkunde aldaar aan.

Het eerste genootschap van eenigzins wetenschappelijken aard, tot onderzoek der natuur, was in 1780 opgerigt. De heer Wichers, toen Raad Fiscaal, werd tot president verkozen, (zie bladz. 383) en naar Suriname, als Gouverneur-Generaal, teruggekeerd, bleef hij deze betrekking aanhouden. Maandelijks werd er vergadering gehouden en alsdan de door de leden ingeleverde geschriften gelezen en bediscussieerd.

De akkerbouw en de natuurlijke historie van Suriname waren voornamelijk de onderwerpen, welke dan werden behandeld. Ook werden metereologische waarnemingen gedaan, omtrent den staat des dampkrings, de zwaarte der lucht, de winden, die genoegzaam bestendig in elke maand waaijen, de graden van koude en warmte, volgens thermometer en barometer.

De geneesheer Schilling, een man vervuld met liefde voor de wetenschap, was een der ijverigste en verdienstelijkste leden van dit genootschap. Eigenaar eener uitgebreide verzameling van physische, chirurgische en optische instrumenten gaf hij zich veel moeite, om het onderwijs in de natuurkunde door proeven op te helderen, en alzoo de kennis daarvan onder de kolonisten te bevorderen. Eene dergelijke wijze was hiertoe bij uitstek geschikt, want de in Suriname geborenen, die nimmer Europa hadden bezocht, hadden niet genoeg aan bloote bespiegelingen om een of ander afgetrokken onderwerp te begrijpen; doch zoo men op zigtbare wijze, door proeven, een en ander kon aantoonen, dan verstonden zij het zelfs beter dan gewoonlijk bij Europeanen het geval is. Bij voorbeeld vruchteloos zou men een Creool door redeneringen hebben getracht te bewijzen, dat de lucht, die wij inademen, werktuigelijk uit ons kan worden weggepompt, zoodat wij dezelve ten eenemale missen, doch na eenige proeven met de luchtpomp in zijn bijzijn, begreep hij aanstonds de mogelijkheid en waarheid er van en was in staat, om daarover zeer verstandig te redeneren [755].

Dit genootschap had echter grooter vorderingen kunnen maken, indien de honoraire leden, die op de plantaadjes woonden, beter voldaan hadden aan het verzoek, om belangrijke waarnemingen omtrent het en een ander te maken en hiervan aan het bestuur kennis te geven; doch het ontbrak dezen heeren niet aan tijd maar wel aan lust [756].

Het eerste bepaald letterkundig genootschap dankt zijn oorsprong aan een rijk bejaard Israëliet, den heer de Montel. Deze heer, lid van de Portugesche Israëlitische gemeente in Suriname, was een groot beminnaar der Fransche letterkunde; hij onderhield eene geregelde correspondentie met den boekhandelaar Michaël Bey te Amsterdam, van wien hij de nieuwst uitgekomen boekwerken ontving, terwijl hij vele boeken aan Surinaamsche liefhebbers bezorgde.

De heeren Texier, Wichers, Friderici, Meinertshagen, van Dam, de geneesheeren Schilling en van Wiert, benevens verscheidene andere liefhebbers, werden hierdoor aangespoord, om in Suriname, eene bibliotheek op te rigten. Spoedig was zij zoo wel voorzien, dat zij destijds voor geene in Amerika behoefde te wijken en verscheidene groote bibliotheken in Europa evenaarde. De lust voor de letterkunde nam toe en toen de heer Wichers, wiens liefde voor de fraaije letteren bekend was, als Gouverneur in Suriname terug keerde, besloten eenige voorname Portugesche Joden, om een Collegie van letterkunde op te rigten, onder de zinspreuk: »Docendo Docemur."

Het prospectus, op eene voorloopige vergadering den 16den Februarij 1783 opgemaakt, is gansch niet onbelangrijk. Eerst wordt in dit stuk de goede aanleg der Surinamers geprezen, die slechts niet was ontwikkeld. Eene gebrekkige opvoeding had, zoo vervolgt dit betoog, de meeste jongelieden onkundig gelaten van hetgeen in eene beschaafde maatschappij onontbeerlijk is; de drift voor het spel, hun als het ware aangeboren, was eene andere belemmering, om iets goeds te leeren, terwijl zij daarenboven de redelijke vermogens verzwakte en schromelijke gevolgen daarvan te wachten waren. Daarom wenschten de oprigters van dit Collegie »iets nuttigs te bedenken en in gebruik te brengen, dat wel inzonderheid de jeugd tot een prikkel kan verstrekken, en, door leiding der natuurlijke nieuwsgierigheid, den lust opwekken tot het verkrijgen van kundigheden, waardoor hunne zeden beschaafd en zij alzoo den vaderlande nuttig zouden kunnen worden."

Zij vermeenden dit doel te kunnen bereiken, door het oprigten van een letterkundig collegie. Zij veronderstelden dat de betamelijkheid en eerbied, die men verschuldigd was aan een dergelijk genootschap, wier leden hunne ledige oogenblikken opofferden aan het welzijn der menschheid, van hoog gewigt moest worden beschouwd; ook waren er minder bezwaren, minder kosten aan verbonden dan aan het oprigten van publieke scholen, te meer daar de heer de Montel, kosteloos een vertrek in zijne woning, tot het houden der vergaderingen had aangeboden, benevens vrij en volkomen gebruik zijner belangrijke bibliotheek.

Elken zondag- en woensdag avond van 6 tot 9 ure zouden er vergaderingen worden gehouden, alwaar men, daar er gebrek aan kundige mannen als voorgangers bestond, eenige werken zoude lezen over: oude, Romeinsche en vaderlandsche geschiedenis, koophandel, scheepvaart, landbouw en ook over wijsbegeerte.

De lezing zou beurtelings in het Fransch en Hollandsch geschieden, en tevens gelegenheid tot onderlinge zamenspreking worden gegeven. Om lid te worden was de algemeene toestemming van allen noodig; de onkosten moesten door de leden worden gedragen. Ieder volwassene van beide secsen, zonder onderscheid van godsdienst, zou als toehoorder, na kennisgeving daarvan aan de leden, op de vergaderingen worden toegelaten. Dit prospectus werd aan Wichers toegezonden, die den 25sten Februarij 1785 hierop een antwoord gaf, waarbij hij zijne goedkeuring betuigde, zijne medewerking beloofde en eenige kleine aanmerkingen maakte. [757]

Behalve dit collegie waren er toen nog twee genootschappen, welker leden eenmaal in de maand bijeen kwamen, om elkander den inhoud van die werken, welke zij voor de beide genootschappen uit Holland ontvingen mede te deelen en ze onder elkander te verkoopen [758].

Een ander collegie onder den naam van Surinaamsche lettervrienden werd in 1786 opgerigt. Aldaar werden proeven geleverd van Hollandsche dichtkunst en taal; ieder lid leverde hetgeen het best met zijn smaak en bekwaamheid overeenkwam, dat dan door de gezamenlijke leden getoetst en verbeterd werd [759]. Jaarlijks werden te Paramaribo een of twee boekdeelen van de dichtkundige voortbrengselen van dit collegie gedrukt. De heer P. F. Roos, die een quarto boekdeel "Surinaamsche mengelpoëzij" heeft doen uitgeven en ook nog andere geschriften van politieken aard heeft vervaardigd, was voorzitter van dit genootschap [760].

In dit laatstgenoemd collegie schenen de meer en meer veldwinnende deïstische gevoelens eene voorname plaats in te nemen. Ten minste reeds kort na deszelfs oprigting werd er in het Conventus Deputatorium geklaagd over het licentieus boekdrukken, waartoe aanleiding gaf een dichtstukje voorkomende in den eersten bundel van de "uitspanningen der Surinaamsche lettervrienden." In dit vers getiteld: "de Wijsgeer op zijn sterfbedde, door N. C. L." kwamen zeer vrijgeestige denkbeelden voor en veel dat strijdig was met de leer der Gereformeerde kerk; waarom het Conventie verzocht, dat H. H. Commissarissen politiek deze zaak in het Hof ter tafel zouden brengen, opdat men in het vervolg waken kon tegen het drukken van dergelijke, de godsdienst aanrandende, geschriften. HH. Commissarissen meldden, dat hierover reeds in het Hof gesproken was, doch, dat men, daar de Autheur geen lidmaat der gereformeerde kerk was, en het stuk nu reeds was gedrukt, het voor deze keer onbemerkt zou laten doorgaan. De Gouverneur had echter bevolen, dat voortaan niets mogt worden gedrukt dan hetgeen te voren door hem was geapprobeerd, terwijl hij, wat van theologischen aard was, vooraf ter inzage zou geven aan den oudsten predikant van Paramaribo [761]. Het conventus nam genoegen met deze verklaring, doch sedert dien tijd vindt men in de Lemmata opgenomen: Licentieus boekdrukken.

In 1787 bragt de Raad-Fiscaal ter kennisse van het Hof, dat onder den titel van "Surinaamsche Spectator" bij de wed. J. Tresson, Junior, een periodiek werk werd uitgegeven, "dat", zoo luidde zijne aanklagt, "er zijn werk van scheen te maken, om, onder hoezeer quasie bedekte termen, egter duydelijk genoeg, personen van rang te denoteeren en omtrent deze hatelijke comparatiën te maken, welke in alle opzigten onbetamelijk waren."

Wichers berigtte, dat over diezelfde Spectator klagten bij hem waren ingekomen van den Gereformeerden kerkeraad, omtrent "eenige uytdrukkingen strijdig met de aangenomen principes van de openbare godsdienst." Op voorstel van den Gouverneur werd hierop besloten, de wed. Tresson strengelijk te waarschuwen zich van dit laatstgenoemde bepaald te onthouden [762].

Na al het hier opgenoemde zou men welligt geneigd zijn om te denken, dat er voor Suriname een tijdvak was aangebroken als in Athene onder Pericles, doch zou men zich ongetwijfeld zeer bedriegen. Er was, dit moet erkend worden, in dit opzigt, eenige verbetering gekomen; er was eenige smaak voor de letterkunde ontwaakt, maar men vorme zich daarvan geene te groote verwachtingen. "De letteren," merken schrijvers van dien tijd (die der Historische proeve) aan: "maakten in Suriname een geringen opgang, want de meeste bewoners, en zelfs verscheiden leden van de genoemde maatschappijen, gaven zich luttel moeite, om zich met een boek te onderhouden, of over onderwerpen van letterkunde te hooren spreken; 't welk dikwijls te weeg bragt, dat op de avonden der vergaderingen de collegiën bijkans zonder genoegzame leden waren, zelfs om diegenen aan te moedigen, welke zich de moeite gaven, om eenig letterkundig onderwerp te behandelen" [763].

De schets van het leven in Suriname ten tijde van Mauricius, zoo als wij dat op bladz. 181 enz. gaven, kon ook nu nog in vele opzigten worden toegepast. De veranderingen, sedert ontstaan, waren gering. In de gezellige bijeenkomst der aanzienlijken heerschte, dit moet erkend worden, minder ruwe, doch echter geen godsdienstigen toon. De lust tot vermeerdering van kennis was wel eenigzins opgewekt, maar de zucht tot vermaken evenzeer. Schouwburgen en Concerten werden vrij druk bezocht; speelpartijen werden echter nog meer door de mannen en jongelingen, bals door de vrouwen en jongedochters geliefd.

Ofschoon er veel sterke drank in Suriname werd gebruikt, waren er echter weinig eigenlijke dronkaards, en slechts in de kleine kroegjes, die door matrozen en het volk van de laagste klasse werden bezocht, vernam men nu en dan het rumoer van beschonkenen.

In de behandeling der slaven was weinig verbetering te bespeuren. De revolutionaire vrijheidskoorts, van Frankrijk ook in Suriname overgebragt, had daarop geen invloed. Wel waren de meeste blanken ijverige aanhangers der revolutionaire begrippen van dien tijd, doch vertraden de eerste en heiligste regten hunner donker gekleurde natuurgenooten met de voeten; zij schreeuwden voor zich zelven om eene onbestaanbare vrijheid en handhaafden tegelijk de gruwelijkste slavernij; men--maar wij vervolgen de geschiedenis.

Bij de beschouwing van den kerkelijken toestand en de armverzorging te dier tijde in Suriname, en bij het vermelden van de letterkundige ontwikkeling, zagen wij Wichers reeds hier en daar handelende optreden. Wij hadden meermalen gelegenheid om op te merken, dat de lofspraak, hem kwistig in de Historische proeve en ook elders toegezwaaid, niet onverdiend was.

Vooral sprong hierbij in het oog de hem toegeschrevene deugd van verdraagzaamheid, waarvan hij verscheidene bewijzen gaf. Bij de door de Roomsch-Catholieken toch verzochte vrijheid tot openlijke uitoefening hunner eeredienst, had de stem en voorspraak van Wichers in het Hof grooten invloed op de gereede toestemming van dat verzoek. Ook de Luthersche gemeente wilde hij gaarne in den nood, waarin haar armenkas verkeerde, helpen, en diende haar met goeden raad. Dat die raad, niettegenstaande de Luthersche gemeente dien opvolgde, niet baatte, lag niet aan Wichers, daar de Boekhouder-Generaal niet te bewegen was, om een gunstig advies op haar rekwest om subsidie uit te brengen (zie bladz. 414), en overeenkomstig dit advies werd tegen den wensch van Wichers, genoemd rekwest gewezen van de hand. De Hernhutters en hun arbeid nam Wichers welwillend in bescherming. Den Joden, door onderlinge twisten verdeeld, weigerde hij geene medewerking om hunne instellingen te regelen, en het door hen in hem getoonde vertrouwen beantwoordde hij door met ijver hunne zaken ter hand te nemen en tot een vrij goed einde te brengen.

Die verdraagzaamheid had echter hare grens: streng werd door Wichers de ongodsdienstige strekking van sommigen, gedurende zijne regering, in Suriname uitgekomen, geschriften gegispt en hiertegen maatregelen verordend. In het politieke scheen hij geen wrijving van gedachten te schuwen, want niettegenstaande de reeds vermelde klagt van den Raad-Fiscaal over de Surinaamsche Spectator, vinden wij geene berigten eener nadere vervolging.

De liefde van Wichers voor de fraaije letteren deed hem de daartoe eenigzins in de Kolonie ontwaakten lust aanmoedigen: terwijl de waarheid der bewering: dat hij een kundig en verlicht man was, door zijne andere handelingen, tijdens hij het bewind over Suriname voerde, bevestigd werd.

Suriname genoot na het eindigen van den oorlog met Engeland eene betrekkelijke rust. Daar er echter eenige vrees voor het uitbreken van vijandelijkheden tusschen onze republiek en den Keizer van Oostenrijk bestond, werd het garnizoen op het fort Nieuw Amsterdam vrij voltallig gehouden en een paar gewapende schepen op die hoogte in de rivier geposteerd [764]. Later werden de gemoederen weder verontrust door de uit Europa overgebragte tijdingen omtrent eene tusschen Engeland en Frankrijk te verwachten vredebreuk; waardoor de kolonie Suriname, zoo tusschen beider bezittingen gelegen, ligt in ongelegenheid zou kunnen geraken; waarom dan ook eenige voorzorgen niet overbodig werden geacht [765]. De komst van Fransche schepen, die depêches van den Gouverneur van Cayenne overbragten, werd toen met een wantrouwend oog aangezien [766]; terwijl ook de houding van het Fransche Gouvernement dier kolonie, ten opzigte der Bonni-negers, dit wantrouwen versterkte [767]. Het geschil tusschen Oostenrijk en onze republiek, bepaalde zich tot Europa en had geen dadelijke nadeelige gevolgen voor Suriname; de verwikkelingen tusschen Engeland en Frankrijk, waarbij ons vaderland werd betrokken, strekten zich onder de regering van Wichers nog niet tot Suriname uit. Wichers had alzoo gedurende zijn bestuur geen inval van buitenlandsche vijanden te wederstaan; de vaart werd niet gestremd zoo als onder Texier; men behoefde niet als toen vrees voor een door die stremming veroorzaakte hongersnood te koesteren en men kon alzoo aan de overige belangen der kolonie meer zorg wijden.

Van die betrekkelijke rust werd dan ook door Wichers gebruik gemaakt, om door gepaste maatregelen de cultuur te bevorderen en den gezondheidstoestand te verbeteren. Aan de Mot-, Matappica- en Warappakreeken werden van tijd tot tijd plantaadjes aangelegd, voornamelijk ter bebouwing van katoen. Digt gewassen kreupelhout belette echter de weldadige werking der zeelucht, belemmerde de cultuur en was van nadeeligen invloed op den gezondheidstoestand. Wichers liet hierom veel hout omhouwen en deze openkappingen, die den frisschen zeewind vrij spel gaven, waardoor de lucht werd afgekoeld, begunstigde de cultuur en verbeterde den gezondheidstoestand [768].

Een landbouwkundig genootschap, dat in Suriname werd opgerigt, genoot zeer de gunst en bescherming van den Gouverneur. Hij woonde soms deszelfs vergaderingen bij en verleende gaarne zijne voorspraak bij heeren Directeuren om goedkeuring op hunne pogingen tot wetenschappelijke behandeling van den landbouw te erlangen [769].

Echter ging de landbouw niet vooruit; vele plantaadjes werden verlaten: door gebrek aan de benoodigde slavenmagt, waarover bittere klagten werden aangeheven [770], door het gemis aan het onontbeerlijk kapitaal, de afwezigheid der eigenaren en door vele andere oorzaken.

Gedurig werden plantaadjes voor schuld aan den hypotheekhouder verkocht en telkens vindt men in de notulen gewag gemaakt van aanzoeken tot het Hof, om ontheffing van de verschuldigde 3 pCt. transportkosten. (Dit werd meestal toegestaan, totdat de Boekhouder-Generaal hiertegen opkwam en daarna wees het Hof dergelijke verzoeken meermalen van de hand [771].)

In 1789 en 90 rees de waarde der producten. De prijs die jaarlijks werd vastgesteld, waarvan de 5 pCt. belasting moest worden betaald, was in 1789 het vat suiker f 90, het pond heele koffij 9 stuivers, gebroken dito 7 stuivers, schoone katoen het pond 18 stuivers, vuile dito 10 stuivers, cacao het pond 4 stuivers. In 1790 werd de prijs der suiker tot f 100 per vat gebragt. Sommige planters trachtten deze voordeelen nog te vergrooten door suikervaten te doen vervaardigen, waarin soms 1300 pond werd geladen; men wilde alzoo de verhoogde belasting ontgaan, doch de Boekhouder-Generaal protesteerde tegen deze kwade practijken en verzocht hiertegen voorziening [772]. Deze voordeelen waren echter niet in staat het toenemende verval te wederhouden; behalve de reeds meermalen genoemde oorzaken, werkten ook andere omstandigheden, die wij later zullen vermelden, hiertoe mede.

Gingen de plantaadjes achteruit, de stad Paramaribo nam echter voor het uiterlijke zeer in bloei toe. Bij een plan tot straatverlichting, in de notulen opgenomen, werden 230 lantaarnen noodig geacht, waaruit reeds eenigermate de uitgestrektheid der stad blijkt. Het getal huizen werd hierbij opgegeven 1776 te bedragen, dus ongeveer 700 meer dan Teenstra en Sypensteyn vermelden [773]. Die straatverlichting kwam echter niet tot stand en nog heden heerscht bij avond en nacht duisternis op Paramaribo's straten. Om den voortdurenden aanwas der bevolking te gemoet te komen, werd door Wichers den grond gelegd voor eene voorstad of buitenwijk. Het Combé (een aloude Indiaansche naam), gelegen tusschen de stad en het fort Zeelandia, werd daartoe uitgemeten en in erven en tuinen verdeeld [774].

Wichers liet het Gouvernementshuis verfraaijen en van eene beneden galerij voorzien [775]; doch openbare gebouwen werden onder zijn bestuur niet opgerigt. Een houten gebouw voor eene vischmarkt toch, kan men bijna niet als zoodanig noemen. Evenwel was het eene goede zaak; er werd nu een verbod uitgevaardigd, om elders in de stad visch te verkoopen en de walgelijke overblijfsels van den visch, die vroeger hier en daar werden nedergeworpen, verpesten niet langer de lucht door onaangename reuk; terwijl nu tevens een beter toezigt op de hoedanigheid van den aangeboden visch kon worden uitgeoefend. Zindelijkheid en gezondheid werden alzoo beide hierdoor bevorderd [776].

De behoefte aan eene inrigting ter verpleging van Boassie-zieken, afgezonderd van alle anderen, was reeds sedert lang in de kolonie gevoeld. Bij het heerschen der kinderpokken in 1764 was in de nabijheid der stad Paramaribo wel tijdelijk een gebouw opgerigt (zie bladz. 274), waar de lijders aan die epidemie moesten worden verpleegd; doch dit ligt getimmerd gebouw kwam spoedig in verval en werd geheel ongeschikt tot het opnemen van zieken. Het was hoogst wenschelijk, eene dergelijke inrigting tot stand te brengen, want jaarlijks breidde zich die vreesselijke Boassie uit. Ook nu werd deze zaak in het Hof op nieuw herhaaldelijk ter sprake gebragt en in Augustus 1786 werd daarover eene missive aan H. H. Directeuren gezonden [777]. De kerkeraad der Luthersche gemeente drong mede op het nemen van afdoende maatregelen aan; hij verzocht, om voor de door Boassie besmette armen, die zich tot de Diaconie der Luthersche gemeente vervoegden, een plaats aan te wijzen, waar zij afgezonderd van anderen konden worden verpleegd. Ofschoon de armenkas in slechten toestand verkeerde, (zie bladz. 405) bood de kerkeraad echter aan, om hiervoor, naar evenredigheid, uit die kas bij te dragen [778].

Het duurde, niettegenstaande herhaalden drang, nog een geruimen tijd vóór hieraan gevolg werd gegeven. Eindelijk in 1790 bragt de Raad van Policie Becker een ontwerp ter tafel, dat breedvoerig bediscussieerd en met eenige wijzigingen aangenomen werd [779].