Part 30
Texier had goed gezien, want wel ontving men den 31sten Januarij, door een vlugteling uit Essequebo, het berigt, dat de Hollandsche Gouverneurs van Demerary, Essequebo en Berbice den eed van getrouwheid aan de Engelschen hadden afgelegd en daarop door dezen in hunne ambten hersteld waren [660]; doch weldra mogt men zich in de ontvangst van betere tijdingen verheugen. Den 6den Maart 1782 kwamen Indianen over land in Paramaribo en bragten de tijding aan, dat de drie genoemde volkplantingen zich, zonder een enkel schot tot tegenweer te hebben gedaan, aan den Franschen Admiraal Kersaint hadden overgegeven. [661]
Daar sedert eenigen tijd de krijgskans zich in de West-Indische zee ten nadeele der Engelschen gekeerd had, werd de kust van Suriname meer vrij en kwamen er nu en dan schepen met provisie aan. Reeds den 3den October 1781 arriveerde een Amerikaansch schip, met visch, tabak, ajuin enz. geladen, waardoor Texier de hoop koesterde, dat er weldra meerderen zouden komen, en die hoop werd verwezenlijkt. [662] Den 28sten derzelfde maand kwam weder een Amerikaansch schip met plantains, bakkeljaauw enz. ter reede aan, en den 30sten October arriveerde een Fransch schip uit Martinique, door den broeder van den Gouverneur Texier bevracht, met wijn, blom, zeep en meer andere »zeer te pas komende goederen," dat 11, 15 en 16 November door andere schepen uit Martinique, met provisie, gevolgd werd. [663]
De communicatie met Cayenne was nu ook weder hersteld, en Texier roemt zeer de beleefdheid en hulpvaardigheid van den Franschen Gouverneur Tiedmont. Om in het nog voortdurend gebrek aan levensmiddelen te voorzien, (het door genoemde schepen aangebragte was, naar evenredigheid der behoeften, zeer gering) werd er een persoon naar Cayenne gezonden en gemagtigd, om aldaar eenige inkoopen te doen. Die gemagtigde werd met de meeste vriendelijkheid behandeld en zelfs bragten eenige schepen van het eskader, onder Kersaint, ter besparing van kosten, provisiën mede. [664] Niettegenstaande dit alles, bleef er nog schaarschte in de kolonie heerschen, want de voorraad der levensmiddelen op de oorlogsschepen was bijna verteerd en de 21 koopvaardijschepen waren van alles ontbloot.
Den 3den April 1782 kwam voor het eerst, sedert geruimen tijd, een Hollandsch schip ter anker voor Paramaribo. Het was uit Rotterdam en bragt wel brieven voor particulieren, maar geen depêches voor den Gouverneur mede. Texier vond het zeer onaangenaam, dat hij geene nadere tijding omtrent den stand der zaken, noch nadere bevelen ontving. Hij klaagt in zijn dagboek, dat hij niet wist hoe hij handelen moest met de producten, die in de pakhuizen opgeslagen waren; ze eenigermate voor bederf te bewaren, dat evenwel niet geheel kon geweerd worden, veroorzaakte groote kosten; daarbij waren de magazijnen uitgeput; door gebrek aan kleeding zou de militie welhaast naakt loopen en, bij gebrek aan geneesmiddelen en ververschingen, de zieken van »miserie moeten vergaan." [665] Er kwam echter weldra uitkomst. Den 2den Mei liet een gewapend Hollandsch schip voor Paramaribo het anker vallen, en bragt o. a. mede: 130 vaten vleesch, 10 dito hammen, 5 dito spek, 85 dito rogge, 100 dito gort, 23 dito meel, 300 kazen, 6 oxhoofden roode-, 2 dito rijnsche- en 2 dito witte wijnen, 2 kelders brandewijn, 1 dito genever en daarenboven diverse ammunitie: o. a. 2600 pond kruid; andere doch vreemde schepen, vermeerderden den voorraad en ook werd in Mei eenigzins aan eene andere behoefte, die aan slaven voorzien. Een schip van St. Thomas liep te Suriname binnen en wenschte zijne lading o. a. 40 slaven te verkoopen. De eerste en tweede Raden Fiscaal, de heeren Wichers en Karsenboom, verklaarden zich ten sterkste tegen het geven van verlof daartoe, daar zij, volgens hunne instructie, gehouden waren, bepaald te waken tegen den invoer van slaven, door wie het ook ware, anders dan door de W. I. compagnie; doch Texier en de Boekhouder-Generaal besloten om in deze fatale tijden van den nood eene deugd te maken en den kapitein werd toegestaan, zijne lading te verkoopen, mits betalende f 15 recognitie voor ieder slaaf. [666]
Eindelijk, den 10den Junij 1782, voer de lang verwachte vloot, de rivier Suriname op: zij bestond uit 15 schepen, als: twee fregatten en dertien zoogenaamde Lettres de Marque. [667] Het gebrek was nu geweken, en weldra kwam er, ook door andere aanvoeren, een zoo groote overvloed van levensmiddelen, dat een schip uit Holland, onder de keizerlijke vlag, met provisie geladen, den 14den September 1782 in Suriname gekomen, geen markt voor zijne lading kon vinden (de provisiën golden minder dan de inkoopsprijs in Holland) en het schip verliet Suriname, om elders een voordeeliger markt op te zoeken. [668]
Niet slechts kwamen de door de vloot aangebragte levensmiddelen goed te stade, ook de vermeerdering van magt was zeer gewenscht. De Engelschen toch hadden zich van de geleden verliezen hersteld en hunne scheepsmagt in de W. I. zee met 9 linieschepen versterkt [669], zoodat hunne vloot thans 36 linieschepen en de Fransche slechts 32 van het zelfde kaliber telde. Geruchten omtrent voornemens van den Engelschen Admiraal Rodney, om te beproeven, de door de Franschen veroverde koloniën te hernemen en ook Suriname aan te tasten, werden verbreid en Texier wenschte op alles, zooveel mogelijk, voorbereid te zijn.
Texier oordeelde, dat voor eene behoorlijke verdediging der kolonie, minstens 2000 man noodig waren, en de krijgsmagt bestond slechts uit 1000 man, waarvan niet meer dan 600 in weerbaren staat. Daarbij had Texier ook veel moeite om de ontevredenheid der soldaten te stillen. Er heerschte onder hen een slechte geest; vele soldaten deserteerden en men sprak zelfs van een komplot onder hen, van 80 à 90 man. De voornaamste oorzaak hiervan was niet het gebrek dat zij hadden moeten lijden, maar de onverstandige, ruwe en despotieke handelingen van hun chef: den luitenant-kolonel van Baerle; de goede discipline, die vroeger »exactelijk geobserveerd" werd, lag geheel in duigen, en Texier had veel te doen, om die eenigzins te herstellen. De vrijwilligers van de Aucaner boschnegers, die op het fort waren geplaatst, werden ook zoo »malcontent," dat zij weigerden langer te dienen en men hen alzoo ontslaan moest. Men vreesde dat hieruit soms een vredebreuk met hunnen stam zou ontstaan en versterkte alzoo de bezetting van het cordon. [670] De hulp door de bemanning der Lettres de Marque aangebragt, (de beide fregatten waren kort na hunne aankomst vertrokken, terwijl zij 4 koopvaardijschepen onder convooi namen) [671] was zeer betrekkelijk. Ook hier ontbrak discipline; »er geschiedde vele ongeregeldheden onder het zeevolk en de kapiteins dier schepen, gedroegen zich zeer »arrogant;" zij matigden zich veel gezag aan en lieten de reveille en taptoe slaan, dat den inwoneren van Paramaribo hooren en zien als verging." [672] In overleg met de kapiteins der oorlogsschepen werd hierin dan ook eenige veranderingen gebragt.
Den 26sten October 1782 verlieten de meeste Lettres de Marque de kolonie en werden geconvoyeerd door de oorlogsschepen de Thetis en de Valk. [673] Suriname zou alzoo geheel van de belangrijke bescherming der oorlogsschepen beroofd zijn geweest, zoo niet 's lands oorlogsschip, de prinses Royal Sophia Frederica Wilhelmine, kapitein van Raders, den 4den October 1782 voor Paramaribo was gekomen. [674] Genoemde heer van Raders schijnt een man van een beminnelijk karakter te zijn geweest; hij wenschte zeer in goede harmonie met den Gouverneur te leven, en gezamenlijk met hem de handen ineen te slaan, tot wering van den mogelijk te verwachten vijand. Noch over ceremonieel, noch over andere kleinigheden, rezen nu die hatelijke verschillen, die anders in Suriname zoo gewoon waren. In November arriveerden nog twee oorlogsschepen en de instructie van kapitein Raders luidde: met die bodems naar Curaçao te vertrekken; hij gaf echter aan het dringend verzoek van Texier en het Hof van Policie toe en bleef tot primo Maart 1783. [675]
Van Raders verliet den 3den Maart 1783 met zijn schip de kolonie en nam onder zijn geleide twee der nagebleven Lettres de Marque: [676] doch de hulp der oorlogsvaartuigen kon nu weldra ontbeerd worden, daar nog in diezelfde maand, een ander Hollandsch oorlogsschip, (den 16den Februarij uit Goerêe gezeild) overbrenger der tijding van den prins van Oranje was: dat de Nederlandsche republiek toegetreden was tot den wapenstilstand met Engeland. [677] Het gevaar voor het oogenblik was alzoo geweken; verscheidene, zoo oorlogs- als koopvaardijschepen, kwamen nu van tijd tot tijd binnen, en den 21sten Augustus ontving Texier de officieele mededeeling van den Nederlandschen Gezant te Parijs, den heer Lestevenon van Berkenroode, dat HH. MM. toegetreden waren tot den wapenstilstand tusschen onze Republiek en de Britschen kroon, [678] welke wapenstilstand weldra door vredes-preliminairen en eindelijk door een vredestraktaat gevolgd werd. [679]
Texier genoot dus de voldoening, dat Suriname voor de Sociëteit en voor Nederland behouden was gebleven. Hij had in dien zwaren tijd, met kracht en energie en tevens met voorzigtigheid gehandeld; hij was trouw bijgestaan door den kundigen en algemeen geachten Raad-Fiscaal Wichers, doch had daarentegen meermalen verschil met den Boekhouder-Generaal Wolphert Beeldsnijder Matroos. Grooter moeijelijkheden echter had Texier met den chef der troepen, den luitenant-kolonel van Baerle, tegen wien èn militairen èn burgers, gelijkelijk waren ingenomen. Door bedaardheid en overleg, was het aan Texier ook gelukt den vrede en de eendragt, tusschen de officieren in dienst der Sociëteit en die der door HH. MM. gezonden oorlogsschepen, te bewaren, ofschoon dit met regt een zware taak mogt worden genoemd.
Niet slechts als krijgsman, maakte Texier zich verdienstelijk door getrouwe verdediging der kolonie tegen binnen- en buitenlandsche vijanden; ook in andere opzigten wilde hij het heil van Surinames ingezetenen bevorderen. Zoo betoonde hij zich een vriend der zendingszaak onder de Heidensche inwoners, welke taak door de Moravische broeders met zooveel ijver en warme liefde werd ter harte genomen.
Als eene droevige gebeurtenis onder zijn bestuur, moet genoemd worden, het ophouden der zending onder de Indianen te Saron, waartoe onderscheidene omstandigheden medewerkten. [680] Die onder de bevredigde Saramaccaner-boschnegers had wel met veel te kampen, maar werkte echter niet ongezegend. De zoon van het vroeger opperhoofd Albini (in 1766 in eene expeditie tegen de Matturinegers gesneuveld) werd door het Evangelie getroffen: hij ontving den heiligen doop en werd een waar Christen, die door woord en voorbeeld een goed getuigenis aflegde van de hoop, die in hem was; in Julij 1783 tot algemeen opperhoofd der Saramaccaners benoemd, bezigde hij zijn invloed om de goede verstandhouding der zijnen, met de kolonisten te bewaren. [681] Vooral droeg de arbeid der liefde onder de negerslaven goede vruchten. Reeds in het begin van 1780 kwamen de Hernhutters bij Texier, met het verzoek, om onder de hand eene collecte te mogen doen, ter vergrooting van hun kerkgebouw, daar hunne middelen te gering waren, »om zulks uyt hunne eygene beurs te kunnen fourneeren." De talrijkheid der tot de Christelijke religie overgaande negerslaven maakte die vergrooting noodzakelijk; reeds waren er 109 negers door hen gedoopt en in de gemeente ingelijfd, waaronder slechts 2 kinderen en behalve deze waren er wel 40 volwassenen, die mede in staat waren hunne geloofsbelijdenis af te leggen. Texier stond, na overleg daaromtrent, met de Raden van Policie, hun verzoek met de meeste welwillendheid toe en bewees, dat hij met hunne pogingen ingenomen was, door het volgend getuigenis in zijn dagboek te doen neder schrijven: »Het is te wenschen dat die lieden verder zoo voortgaan, om de slaaven tot het kristelijk geloof over te haalen, want men bespeurd tusschen die geene die daarin zijn opgenomen, en die het Heydendom aankleeven een groot onderscheid ten goede." [682]
Het blijkt dat Texier in het godsdienstige, verdraagzaamheid liefhad; zonder dat dit uit minachting voor alle godsdienst voortsproot. Waar dit eenigzins mogelijk was, wilde hij liever door minnelijke schikking dan door geweld, ontstane verschillen uit den weg ruimen. Zoo had hij ter zijde vernomen, dat men op den jaarlijkschen bededag in Augustus 1779 voornemens was, »de Gereformeerde predikanten voor stoelen en banken te laten prediken en allen naar de Luthersche kerk te gaan, om den meer begaafden redenaar dier gemeente te hooren." Hij liet daarop den Lutherschen predikant bij zich komen en stelde hem voor, ten einde de wederzijdsche armen niet te benadeelen, des namiddags te prediken. Deze nam dit aan en alzoo werd er op dien Bededag 's morgens in de gereformeerde kerk in het Hollandsch gepreekt; 's middags in de Luthersche kerk, en 's avonds weder in de Gereformeerde kerk in het Fransch. Texier woonde alle drie deze godsdienstoefeningen bij. Hij kwam over het geheel trouw ter kerke en ofschoon dit evenzeer uit politieke als religieuse oorzaken kon geschieden, willen wij (naar den aard der liefde) de laatste vooral niet miskennen, temeer daar wij hem ook bij andere gelegenheden belangstelling in de verkondiging des Evangelies zien stellen. Behalve de begunstiging van de zending der broedergemeente, leidden wij die belangstelling ook af uit het volgende:
In 1780 waren twee Duitsche proponenten van de Luthersche religie, als recruten in Suriname gekomen. Deze lieden waren van goede getuigschriften omtrent hun gedrag en hunne bekwaamheid voorzien; zij gedroegen zich dan ook uitmuntend, waarom Texier genoopt werd een derzelven, Adam genaamd, op het Fort Nieuw Amsterdam als ziekentrooster en veldprediker aan te stellen. Het garnizoen op genoemd fort was vrij talrijk en Texier verheugde zich dat Adam uitnemend voldeed en tot stichting van officieren en soldaten strekte: na een onderzoek van dien man door Ds. Schierbeek werd ook zijn tractement verhoogd (hij genoot slechts soldaten rantsoen) en ontving hij tot »encouragement" eene gratificatie van f 400. [683]
Nuttige kennis te bevorderen was Texier mede aangenaam. In December 1779 had eene deputatie ven eenige liefhebbers, die een genootschap tot onderzoek der natuur wenschten op te rigten zich bij hem vervoegd, om hem het honorair lidmaatschap aan te bieden. Met heuschheid nam Texier deze opdragt aan en begaf zich ook naar de eerste vergadering, die in Februarij 1780 werd gehouden. Die vergadering was talrijk bezocht. De heer Raad Fiscaal Wichers, president van het collegie, hield eene sierlijke aanspraak en verscheidene der werkende leden lazen fraaije stukken, aangaande de onderzoekingen op het natuurkundig gebied betrekking hebbende, voor. [684]
De spoedig daarop ingevallen oorlog met Engeland en de vrees die men in Suriname van een aanval der Engelschen koesterde, belette voor het oogenblik aan dergelijke zaken veel tijd te besteden.
De oprigting van het Collegium Medicum, had mede onder het bestuur van Texier plaats. Den 6den December 1778 en den 18den Mei 1781 waren in het Hof van Policie over die oprigting reeds belangrijke discussiën gevoerd; den 8sten Augustus 1781 werd een concept-instructie van 16 artikels ter tafel gebragt en goedgekeurd; de Raad van Policie Lemmers werd tot president benoemd; de overige leden van het bestuur bestonden uit docters, chirurgijns en apothekers. Den 21sten Februarij 1782 onderging de instructie eenige wijzingen en werd de Taxa, waarnaar de onderscheidene beoefenaars der geneeskunde zich moesten regelen vastgesteld. [685]
Texier die ook gezellige omgang beminde hield, reeds kort na zijne komst tot het bewind (het eerst op woensdag 7 April 1779) eene wekelijksche assemblee aan het Gouvernementshuis voor »alle gedistingueerde heeren en dames in de kolonie." Hij kwam hierdoor in dadelijke aanraking met de aanzienlijken in Suriname en leerde hen alzoo beter kennen; terwijl die zamenkomsten bevorderlijk waren om de goede verstandhouding onderling zoo veel mogelijk te bewaren. [686]
De vele vermoeienissen, die Texier in de laatste jaren had ondergaan en de geweldige inspanning waartoe hij genoodzaakt was geweest, hadden zijn gestel, dat evenwel niet heel sterk was, gesloopt. Vooral in het laatste jaar had hij veel aan maagpijnen geleden [687]; den 18den September 1785 werd hij door een zware koorts aangetast, waarvan hij niet weder opstond; den 25sten September des namiddags ten twee uren blies hij den laatsten adem uit. Hij bereikte den ouderdom van 57 jaren, 1 maand en 7 dagen.
Voor zoo ver wij uit de officieele en andere bescheiden kunnen oordeelen, was Texier iemand, die vele goede hoedanigheden bezat en die, gedurende den korten tijd dat hij de teugels van het bewind over Suriname voerde, veel ten goede voor de kolonie heeft verrigt. Zijne voorzigtige en wijze maatregelen tot verdediging der kolonie, tijdens den Engelschen oorlog, bragten er onder Gods hulp veel toe bij, dat Suriname van een aanval der Engelschen bleef verschoond; vooral echter moeten wij in Texier de bekwaamheid roemen, met welke hij de verschillende opiniën, onder militaire en burgerlijke autoriteiten zoo wist te leiden, dat eene meermalen gevreesde botsing voorkomen werd.
Ofschoon wij Texier geen persoonlijken moed willen ontzeggen vinden wij echter in zijn dagboek dikwijls uitdrukkingen, die van eene bezorgdheid getuigen, welke soms den schijn van zekere vreesachtigheid aanneemt; die voornamelijk doorstraalt uit hetgeen in Texiers dagboek omtrent de boschnegers voorkomt, en waar sprake is van eene vermoedelijke vredebreuk met hen; doch--als vertegenwoordiger der blanke bevolking in Suriname beschouwd--drukte Texier slechts haar gevoelen uit, en verhief zich hierin niet boven zijn tijd.
Hij verwierf zich eene algemeene achting en zijn overlijden werd door velen in Suriname hartelijk betreurd.
Denzelfden dag, waarop Texier overleed, werden in eene buitengewone vergadering van het Hof van Politie, de geheime Resolutiën omtrent de tijdelijke opvolging van den Gouverneur geopend en gelezen. De eerste hield de benoeming in van den eersten Raad Fiscaal Wichers tot Interims-Gouverneur; doch hieraan kon geen gevolg worden gegeven, daar genoemde heer zich, met verlof, in Nederland bevond. Er was evenwel in dergelijk geval voorzien: de tweede Resolutie wees den Raad en Boekhouder-Generaal mr. Wolphert Jacob Beeldsnijder Matroos aan, om zich, bij de mogelijke afwezigheid van den heer Wichers, na het overlijden van Texier, met het Interims bestuur te belasten. Hierop ontving de heer Beeldsnijder Matroos, die in de vergadering van het Hof tegenwoordig was, onmiddellijk de gelukwenschingen der aanwezige Raden van Politie en aanvaardde het bewind [688].
Den volgenden dag, den 26sten September 1783, werd het lijk van Texier, met de gewone plegtigheden, ter aarde besteld. Ter vermijding van dezelfde onaangenaamheden en moeijelijkheden, waarmede men ten opzigte van het ceremonieel, bij gelegenheid van de begrafenis van Nepveu, tegenover de officieren der ter reede liggende oorlogsschepen te kampen had, werd besloten: den beiden zeekapiteins de zaak voor te stellen, en het aan hunne beslissing overlaten of zij bij de lijkstaatsie wilde tegenwoordig zijn, terwijl er werd bijgevoegd: »dat men het als geene beleediging zoude aanmerken indien zij verkozen te huis te blijven."
Die heeren waren over de loyale handelwijze van het Hof en den Interims-Gouverneur zeer tevreden, en, ofschoon het corps zee-officieren aan den afgestorvene de laatste eer niet bewees, volgden echter de beide zeekapiteins »ter consideratie der achting voor den overledene" de lijkstaatsie, gaande in rang direct na den Interims-Gouverneur [689].
De plegtigheid, met zooveel zorg geregeld, om moeijelijkheden te voorkomen, werd echter op eene andere wijze, en wel door de Joden, verstoord. Als naar gewoonte waren de burger-compagniën te Paramaribo opgeroepen, om in de wapenen als schutters die plegtigheid »te celebreren" en alzoo ook de Joodsche burger-compagnie.
De dag der begrafenis viel juist op een Israëlitischen feestdag; »in plaats van den Interims-Gouverneur op eene decente en respectueuse wijze daaromtrent remonstrantiën te doen, maakten verscheidene Joodsche burgers een geweldig geraas en getier en een hunner Regenten beleedigde zelfs den heer Interims-Gouverneur."
Deze handelwijze verwekte bij vele ingezetenen verontwaardiging, en de Raad Fiscaal werd door het Hof gelast eene vervolging over die zaak in te stellen. De zaak was evenwel niet van dien aard, dat een regterlijk vonnis volgen kon, waarop het Hof--om het niet geheel ongestraft te laten--bij resolutie van 15 December 1784 besloot: de Joodsche burgers te eximeren, om voortaan bij festiviteiten in de wapenen te komen [690].
Deze maatregel echter was der Joodsche natie, die nu om het verkeerd gedrag van enkelen, in haar geheel beleedigd werd, zeer onaangenaam, en, op dringend verzoek harer Regenten, werd deze Resolutie den 15 Februarij 1785 buiten werking gebragt en ingetrokken [691].
Mr. W. J. Beeldsnijder Matroos was vijf jaren lang Boekhouder-Generaal geweest en bezat in het finantiële vak vele bekwaamheden. Hij trachtte met die bekwaamheden in zijne nieuwe betrekking nuttig te zijn. Wij zien hem, in den korten tijd, dat hij het bewind over Suriname in handen had, ijverig bezig om verbeteringen in het bestuur der geldmiddelen in te voeren, en pogingen aanwenden om het geschokte crediet op te beuren en tegen verder verval te bewaren.
Onoverkomelijke hinderpalen belemmerden hem telkens in de uitvoering zijner plannen; hij deed echter wat hij kon, en sloeg daarbij een goeden weg in, namelijk: hij beproefde om door onderling overleg met de ingezetenen gewenschte verbeteringen van den droevigen finantiëlen toestand tot stand te brengen. Hij won ook gaarne raad en voorlichting van anderen in en handelde niet als zoo vele hooggeplaatste personen, die vermeenen alles alleen en beter dan ieder ander te weten.
In April 1784 vergaderden eenige personen te Paramaribo, om met elkander over den moeijelijken toestand der kolonie te beraadslagen; na langdurige deliberatiën besloten zij eindelijk, om uit hun midden een paar personen te benoemen, ten einde in Holland de geldelijke belangen der kolonisten voor te staan. De keuze en benoeming dier personen hadden dan ook werkelijk plaats; slechts over de aan hen te verleenen vergoeding voor reis- en verblijfkosten was nog eenig verschil. Beeldsnijder Matroos vernam een en ander en liet daarop een paar dier heeren bij zich komen en, hoewel hij bun mededeelde, dat hij in beginsel niet tegen dergelijke pogingen was, raadde hij hun om nog eenigen tijd te wachten en verzocht hen vriendelijk, met hem te overleggen hoe het beste in deze was te handelen [692].
Door dergelijke handelingen won hij het vertrouwen der kolonisten, verkreeg hij meer invloed en was het hem alzoo gemakkelijker de zaken naar zijn inzigt te leiden. Meermalen werd dan ook de finantiële kwestie door hem in het Hof ter sprake gebragt en daaromtrent voorstellen gedaan, die een gunstig onthaal vonden.
Indien er de eene of andere finantiële kwestie ter sprake of een rekwest dat daarop betrekking had, ter tafel kwam; nam Beeldsnijder Matroos die gelegenheid waar, om zijne denkbeelden ten beste der kolonie ingang te verschaffen. Zoo werd o. a., toen een door zekeren Jakob Soesman ingediend rekwest, om eenige gelden op hypotheek van den lande te mogen ontvangen, in het Hof werd besproken, door Beeldsnijder Matroos eene belangrijke memorie ingeleverd. In deze memorie wees hij op de importante schade, die het land of de koloniale kas vroeger bij het verleenen van gelden op hypotheek geleden had; hij erkende, dat eene meerdere securiteit alzoo volstrekt noodig was, doch dat, zoo deze behoorlijk kon worden vastgesteld, men toch op deze wijze de burgers gerieven en zelfs de koloniale kas bevoordeelen kon, waarop hij het volgende voorstelde: