Part 3
Wat inzettingen, wetten, enz. betreft, hiervan waren zij ten eenemale onkundig; noch regeringsvorm, noch policie belette hen een ieder naar zijn welgevallen te leven; onderscheid van rangen en standen werd onder hen niet gevonden; hunne kapiteins of opperhoofden voerden slechts het bevel in den oorlog, doch bezaten geene magt in burgerlijke zaken. En toch, ofschoon deze Indianen van geene wetten wisten, geschiedde er zelden manslag; zij leefden vreedzaam onder elkander; indien zich echter het zeldzame geval voordeed, dat de eene Indiaan den anderen doodde, werd dit òf door de maagschap gewroken, òf de doodslager moest zekere vergoeding geven. Bij sommige stammen, o. a. bij de Caraïben, die zeer jaloersch waren, werd overspel met den dood van beide schuldigen, in het openbaar, ten aanzien van al het volk, gestraft; bij anderen sloeg de man de echtbreekster dood; wederom bij anderen had eene wedervergelding plaats en werd de overtreder met gelijke munt betaald.
In den oorlog waren zij, voornamelijk de Caraïben, dapper maar tevens wreed; de gevangenen werden òf tot slaven gemaakt òf op gruwelijke wijze vermoord, terwijl zij onder de uitgezochtste pijnigingen de grootste hardvochtigheid toonden.
Zoo leefden en woonden die kinderen der natuur, met hun goed en hun kwaad; zondaars als alle menschen, in betrekkelijken zin goedhartig, slechts bij het verheffen der hartstogten in den oorlog wreed.
Hadden zich toen onder hen mannen begeven, brandende van liefde tot den Heer, die hen kocht met Zijn bloed, en die hen in zachtmoedigheid en vertrouwen op 's Heeren hulp, het Evangelie der genade hadden komen brengen, dan zou men hier misschien dezelfde heugelijke verandering gezien hebben, als wij in deze dagen bij de veel woestere bewoners der Zuidzee-eilanden opmerken; ware dit toen en vervolgens geschied, hoe gansch anders zou de geschiedenis van Guiana nu zijn.
De bewoners van het Zuidelijk Europa, in de 16e en 17e eeuw, trokken toen niet naar vreemde landen om het rijk huns Heeren uit te breiden, om het heil, dat in Christus Jezus den menschen geworden is, aan blinde Heidenen te verkondigen, men verliet ook toen huis en hof, vaderland en magen, maar slechts uit zucht naar gewin.
Wij keuren het volstrekt niet af, dat men zich in een ander land gaat vestigen, om aldaar, doende wat de hand vindt om te doen, het brood des bescheiden deels te verdienen,--maar dat men dan toch steeds voor oogen houde de vermaning van den Apostel (1 Petr. 2: 12) »Houdt uwen wandel eerlijk onder de Heidenen, opdat zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen;" en dit deden de Christelijke natiën van Europa niet; aan die Apostolische vermaning dachten zij niet bij het verkeer met en bij hun verblijf onder vreemde Heidensche volken, gelijk de geschiedenis ons gedurig leert.
De beroemde Christoforus Columbus had, gelijk algemeen bekend is, in 1492 het vierde werelddeel, de Nieuwe wereld, ontdekt.
De haat en afgunst der Spanjaarden en Portugezen was door den welverdienden roem van dezen grooten man tegen hem opgewekt. Wij willen thans niet uitweiden over de onaangenaamheden en de kwellingen, die Columbus aangedaan werden; het is ook niet noodig, zij zijn genoegzaam bekend; algemeen weet men dat het vierde, door Columbus ontdekte, werelddeel niet naar hem, maar naar een lateren ontdekker, Americus Vespucius, Amerika is genoemd geworden.
De lust tot ontdekkingsreizen was opgewekt, de zucht en het streven om daaraan deel te nemen werd gedurig sterker, en ook naar dat gedeelte van Zuid-Amerika, later de Wilde kust of Guiana geheeten, werd weldra de steven gewend om, zoo mogelijk, den roem van Columbus te overschaduwen en om goud te vinden.
Kort nadat de Spanjaarden, onder Columbus, eerst de eilanden en naderhand het vaste land hadden ontdekt, en zij hunne zeevaart in verscheidene gewesten van dit nieuwe werelddeel begonnen uit te breiden, werden er ontdekkingsreizen naar Guiana gedaan.
De eerste, waarvan de geschiedenis gewaagt, schijnt in 1499 te hebben plaats gegrepen. [6]
Twee der bekwaamste zeelieden, toen ter tijde in Spanje bekend, namelijk Alonzo Ojeda en Juan de la Cosa, werden, in den jare 1499, naar de vaste kust van Zuid-Amerika gezonden, om hare gesteldheid nader te leeren kennen; doch daar zij die ten deele woest, ten deele door onbeschaafde wilden bewoond vonden, kruisten zij slechts langs de kust, beoosten de rivier Orinoco naar het Westen, zonder evenwel veel kennis van die landstreek op te doen, behalve die van eenige rivieren, in dien tijd voor hen van weinig belang.
Vincent Juan Pinçon die Columbus op zijne eerste reize vergezeld had, kwam in 1500, na eene zeer moeijelijke reis, aan de andere of oostelijke zijde van Guiana, digt bij Kaap Nord. De aldaar gelegen eilanden kwamen hem zeer aangenaam voor, en hij werd door de Indianen wel ontvangen, welke hem veel vriendschap bewezen. De aan het vaste land gelegen rivier de Maranon of Amazone rivier werd door hem een eind weegs opgevaren, om haar verder te ontdekken; hij gaf zijnen naam aan eene kleine rivier, die later ook Ojapoco geheeten werd; hij heeft echter geene naauwkeurige beschrijving van dit gewest gegeven.
Een heerschend volksgeloof zeide, dat er ergens een Eldorado, een goudland, moest bestaan, dat Peru en Mexico nog verre overtrof; men sprak er van, dat diep landwaarts in, een land was gelegen, waarin onnoemelijke schatten van goud en zilver en kostbare steenen gevonden werden; waar de inwoners hunne huizen met gouden beelden versierd hadden, ja er zelfs de daken mede bedekten; ook sprak men er van, dat aldaar een meer van zout water bestond, dat van wege zijne onmetelijke uitgestrektheid wel eene zee kon genoemd worden, en het meer van Parima heette, waarvan het oeverzand met stukjes en stofgoud rijkelijk voorzien was. Dit gerucht was veroorzaakt door eenen wilde, die, naar hij voorgaf, aldaar was geboren, en dit berigt had aan Don Belalcasar, nadat deze in 1535 de landen van Papian had ontdekt en veroverd.
Dit land moest ter zijde van de Orinoco en dus in Guiana liggen. Hoe ongerijmd deze geruchten ook waren, en hoezeer zij gedurig door de ondervinding gelogenstraft werden, de gedachte aan de mogelijkheid alleen om zulk een land te vinden, bewoog velen tot togten derwaarts.
Duizende gelukzoekers, voornamelijk Spanjaarden, vonden bij deze togten den dood, maar de ondervonden moeijelijkheden schrikten niet af; steeds trachtte men dieper het land in te dringen. Deze pogingen werden voornamelijk van en nabij de rivier Orinoco beproefd; waar de Spanjaarden zich reeds vroeg hadden gevestigd. Door zekeren Don Diego de Ordas, die ook vele moeijelijke en vruchtelooze reizen ter ontdekking van het Goudland gedaan had, werd in 1531 aan den Oostkant van de genoemde rivier de Orinoco, vijf en negentig mijlen van haren mond, eene stad gesticht, welke hij St. Thomas de Guiana noemde en welke de eerste bezitting der Spanjaarden in die streek was.
Van hier dan en aan de andere zijde van de Maranon of Amazone rivier, alwaar de Portugezen zich reeds vroeg gevestigd hadden, gingen de meeste ontdekkingsreizen uit, en waren zij ook al vruchteloos voor het beoogde doel, men leerde hierdoor toch allengs het land beter kennen.
Wij zouden te uitvoerig worden, indien wij een verhaal van al die togten wilden geven; [7] dit toch blijkt uit alles, dat het bestaan van een Eldorado, op verscheidene tijden en door zoo velen gezocht, maar nooit gevonden, niet dan op losse geruchten en de ijdele hersenschimmen der Spanjaarden en Portugezen was gegrond.
Vele ondernemingen zijn van tijd tot tijd beproefd en mislukt; eene der laatsten van de zijde der Spanjaarden was die van Antonio Berrejo, schoonzoon van Ximenes de Queseda, die sedert het jaar 1582, verscheidene jaren lang, pogingen aanwendde, om het goudland Eldorado te ontdekken.
Daar hij, niettegenstaande alle mislukkingen, nog steeds door eenige berigten van Indianen misleid, in den waan bleef verkeeren, dat dit zoo zeer begeerde land toch in Guiana lag, zond hij in het jaar 1593 Domingo de Vera, met eenig volk, om die onderneming uit te voeren. Ook deze deelden met de anderen in hetzelfde lot. Echter nam gemelde de Vera, op den 23sten April 1593, uit naam van Filips II, koning van Spanje, bezit van Guiana.
Wij willen de acte, volgens welke die in bezitneming geschiedde, hier mededeelen; zij luidde als volgt:
»Aan de rivier de Pato, den 23sten April 1593.--In tegenwoordigheid van mij Rodrigues de Corança, secretaris van de Marine, heeft Domingo de Vera, stedehouder van Antonio Berrejo, zijne soldaten doen vergaderen, en nadat hij hen in slagorde had geschaard, deze aanspraak gehouden: »Mijne vrienden, gij weet welke moeite onze Generaal Don Antonio Berrejo zich heeft gegeven, en wat kosten hij sedert elf jaren gedaan heeft, om het magtige rijk van Guiana en Eldorado te ontdekken. U zijn ook niet onbekend de buitengewone moeijelijkheden, die hij in deze roemruchtige onderneming heeft ondervonden; nogtans hebben het gebrek aan levensmiddelen en de slechte staat van zijn volk deze kosten en moeijelijkheden onnut gemaakt; hij heeft mij gelast weder nieuwe ontdekkingen te doen.
»Uit dien hoofde moet ik bezit nemen van Guiana, in naam des Konings, en van onzen Generaal, derhalve gelast ik u Franciscus Carillo, om dat kruis, hetwelk op den grond ligt, op te nemen, en hetzelve naar het Oosten te keeren."
»Carillo gehoorzaamd hebbende, wierpen de stedehouder en de verdere soldaten zich voor het kruis op hunne knieën en deden hun gebed.
»Vervolgens nam Domingo de Vera een kop vol water, en dronk dien uit; hij nam een tweeden, en stortte dien op den grond, zoo ver hij kon, trok zijn zwaard, en sneed het gras rondom zich, alsook eenige takken van boomen af, zeggende: »In den naam van God neem ik bezit van dit land, voor Zijne Majesteit Don Filips onzen wettigen opperheer." Waarna men weder nederknielde en alle omstanders, zoowel officieren als soldaten, antwoordden: »Dat zij deze bezittingen zouden beschermen tot hunnen laatsten droppel bloeds." Daarop gelaste Domingo de Vera met den blooten degen in de vuist mij, Acte te geven van deze in bezitneming en te verklaren, dat allen, die daar tegenwoordig waren, er van tot getuigen verstrekten.
»(Was geteekend) Domingo de Vera, door mij secretaris Rodrigues de Corança."
Niettegenstaande deze plegtige in bezitneming, vinden wij later weinig blijken van de magt der Spanjaarden in Guiana; behalve langs de rivier de Orinoco en van de Portugezen aan de rivier de Amazone.
Toen andere volken hunne bezitting en handel in die landstreek uitbreidden, troffen zij nog wel sommige van die natiën aldaar aan, en vonden zij ook nog wel eenige Indianen, die aan hunne magt onderworpen waren, doch dit was slechts van zeer geringe beduidenis, in vergelijking van de groote krachtsinspanning, waarmede hunne eerste ontdekkingen geschied waren. Zij schijnen reeds vroegtijdig het eigenlijke of midden Guiana verlaten te hebben; onder de oorzaken, die daartoe medegewerkt hebben, behooren deze: dat voornamelijk de Caraïben, door hunne wreedheden verbitterd en moede het slaafsche juk te dragen, deze hoogmoedige meesters òf verdreven òf verwond hebben; en de toenemende bloei hunner andere volkplantingen zal hun mede een beletsel zijn geweest, om hier de noodige kracht tot behoud te ontwikkelen.
Zooveel schijnt zeker te zijn, dat in het einde der zestiende en in het begin der zeventiende eeuw in dat gedeelte van Guiana, hetgeen thans Suriname heet, zich geene Europesche inwoners meer bevonden.
Diep landwaarts, in Engelsch en Fransch, zoowel als Nederlandsch Guiana, vindt men nog verscheidene namen van Spaansche avonturiers, welke die landstreek bezochten, op de rotsen uitgehouwen.
Ziedaar dan het eenig overblijfsel van al die moeite, van al dat jagen en drijven naar goud: eenige namen geschreven op de rotsen.
De hoop om een goudland te vinden was toch, niettegenstaande alle mislukkingen, nog niet geheel uitgedoofd. Een Engelschman, de welbekende avontuurlijke ridder Sir Walter Rawleigh heeft te dien einde in 1595 eene togt naar Guiana gedaan. Door de verhalen, die hij van den door hem gevangen genomen Don Antonio Berrejo vernam, vatte hij een zoo groot denkbeeld van de rijkdommen van dit nog zoo onbekende gewest op, en was hij hiermede zoozeer ingenomen, dat hij geene zwarigheid maakte, in zijne uitgegevene reisbeschrijving, daarvan te zeggen: »dat hij, die meester van Guiana werd, meer goud bezitten, en over meer volks heerschen zou dan de koning van Spanje en de Turksche sultan."
Wij hebben echter reeds genoeg van de ongegrondheid dier verhalen en de ijdelheid dier droomen gezien, om ons langer bij deze nuttelooze togten op te houden; alleen vermelden wij, dat op bevel van Rawleigh, kapitein Laurens Keimis in 1596 uit Engeland werd gezonden, [8] om de kust van Guiana naauwkeurig op te nemen. Hij voldeed hieraan, bezocht de meeste rivieren tusschen de Amazone en Orinoco gelegen, welke hij in zijne reisbeschrijving ten getale van 67, benevens de namen der wilden, die derzelver oevers bewoonden opnoemt; hij dreef ook eenigen handel met hen en keerde vervolgens naar Engeland terug.
Intusschen begonnen ook reeds andere volken deze kusten te bevaren, om met de inboorlingen tabak, verw-, letter- en ander hout te ruilen en daarmede handel te drijven.
Zoo ook blijkt uit oude geschriften, [9] dat de Hollanders en Zeeuwen, kort voor het jaar 1580, de vaart niet slechts op de rivieren de Amazone en de Orinoco, maar op de geheele kust van Guiana begonnen zijn met acht, negen en meerdere schepen. De Staten van Holland verklaarden in den jare 1581, [10] wel te mogen lijden, dat die vaart door bijzondere personen ondernomen werd.
In 1599 zijn mede verscheidene rivieren van Guiana door de Hollanders en Zeeuwen bezocht, en in den jare 1614, den 27 Maart, verleende 's lands overheid een generaal octrooi, waarbij elk, die eenige nieuwe havens, passages of plaatsen voortaan zou ontdekken, vrijheid kreeg, om dezelve vier jaren lang, met uitsluiting van anderen, te mogen bevaren.
Adriaan ter Haaf, burgemeester van Middelburg, schijnt mede al vroeg zijne schepen derwaarts te hebben gezonden, daar hij, in 1599, in een adres aan de Staten van Zeeland ingeleverd, waarbij hij om soldaten op zijne schepen verzocht, gewaagt van reeds van tijd tot tijd zijne schepen naar de kust van Zuid-Amerika te hebben gezonden.
Omtrent dezen tijd formeerden de kooplieden van Vlissingen [11] daar reeds eene volkplanting, en wierpen aan de Amazonen-rivier twee sterkten op, de eene genaamd »Orange" en de andere »Nassau", welke naderhand echter weder door de Portugezen werden vernield.
De Nederlanders hadden zich ook reeds vroeg aan de rivier van Essequebo nedergezet, maar de Spanjaarden verdreven hen met behulp der Indianen in 1596. Doch onze oude Nederlanders lieten zich niet zoo spoedig afschrikken; kort hierna heeft de heer Joost van den Hooge aan deze rivier weder eene volkplanting opgerigt, door hem Nova Zelandia genaamd, en eene sterkte gebouwd, later »Kijk overal" geheeten, welke reeds voor het jaar 1613 volkomen in wezen was.
De heer van Peere en eenige anderen vestigden mede, in het begin der 17e eeuw, eenige nederzettingen in die streek, welke thans tot Engelsch Guiana behoort, terwijl bij resolutie van de heeren Staten van Zeeland, den 29 Junij 1634, aan een ieder verboden werd, de Wilde kust te bevaren en aldaar volkplantingen te stichten, dan gemelde heeren en den Heer de Peere alleen [12].
Wij vermeenen thans genoeg gezegd te hebben van de ontdekkingen en eerste togten der Europeanen van en naar de Wilde kust en Zuid-Amerika of Guiana in het algemeen, om eenigzins een, zij het dan slechts een oppervlakkig denkbeeld hiervan te verkrijgen, en willen ons nu meer bepaald met dat gedeelte van Guiana, thans Suriname geheeten, bezig houden. Slechts van tijd tot tijd, indien dit tot goed verstand noodig is, zullen wij van die andere gedeelten gewag maken, en willen wij dan alzoo ook nog met een enkel woord spreken van de poging, door de Engelschen en Franschen aangewend, om aan de rivier Wiapoco en elders in het tegenwoordige Fransch Guiana volkplantingen op te rigten.
De eerste proef geschiedde door kapitein Charles Leigh, die met het schip de Olijfplant, bemand met 46 koppen, den 22sten Mei 1604 in de rivier de Wiapoco aankwam, alwaar hij en zijne lieden goed ontvangen werden door den daar wonenden Indianenstam, met welken hij vervolgens tegen de Caraïbische Indianen in oorlog trad.
Leigh was voornemens bij den berg Oliphe, eene volkplanting te stichten, doch het volk werd weldra mismoedig, bij het zien der groote en digte bosschen, die omgehakt moesten worden en hij besloot toen zijne woonplaats eenige mijlen verder bij den berg Huntley te vestigen. Eene verzochte versterking, die den 16 Mei 1605 uit Engeland vertrok, werd door tegenwinden opgehouden, verviel op het eiland St. Lucie, en werd aldaar grootendeels door de Indianen vermoord, een gedeelte vlugtte naar de Caracas.
Een ander schip met dertig personen, koopmans- en andere goederen afgezonden, bereikte den 15 Februarij 1606 zijne bestemming, maar vond den kapitein Leigh en het grootste gedeelte van zijn volk ziek. Leigh overleed weldra, en toen het schip vertrok bleven slechts 35 personen, onder bevel van een zekeren Richard Saksie achter; doch het duurde niet lang of ook deze Saksie vertrok met 14 anderen, op een Zeeuwsch schip, naar Middelburg; 10 anderen met een Fransch schip naar St. Malo; de overigen naderhand, den laatsten Mei 1606, met het schip »de Hoop", naar Holland. Zoo werd deze volkplanting in twee jaren tijds gesticht en weder opgebroken [13].
Later in 1608 schijnt er eene nieuwe proef aan de rivier Wiapo ondernomen te zijn door Mr. Hartcourt met 30 man, die evenzeer mislukt is.
De Fransche kooplieden te Rouan legden in 1624, na alvorens eenige schepen derwaarts gezonden te hebben, eene bezetting in dit gedeelte van Guiana, en besloten aldaar eene vaste handelsplaats op te rigten. Zij plaatsten eene kleine volkplanting van 26 menschen aan de rivier van Sinamari. Deze moet echter niet lang stand hebben gehouden; in 1631 heeft zich zekere kapitein Chambon, met nog 12 Franschen, daar op nieuw nedergezet, om peper te vergaderen.
Een Nederlander, David Pieterse de Vries, stichtte in het zuiden van Cayenne in 1634 mede eene kleine volkplanting.
In 1626 werd door de Franschen een veel grootere aangelegd, aan de rivier Conanam, W. N. W. van de Sinamari.--Hier werd eene versterking gebouwd, en breidde zij zich meer en meer uit. Door moedwillige handelingen tegen de Indianen, werden zij, door deze uit wederwraak, verdreven.
In 1643 werd weder te Rouan eene Maatschappij opgerigt tot kolonisatie, aan het hoofd van welke zekere Poncet Bretigny stond, die wegens zijne wreedheid met verscheidene zijner volgelingen door de Indianen vermoord werd. Eene nieuwe maatschappij, met groote krachten, (800 lieden, zoo mannen als vrouwen, gingen uit Frankrijk derwaarts), beproefde op nieuw eene kolonisatie; onderlinge twisten tusschen de verschillende maatschappijen beletteden echter den goeden vooruitgang, en de Hollanders maakten van deze verdeeldheid gebruik. In 1657, onder het bewind van Gerrit Spranger, namen zij daarvan een groot gedeelte in bezit, doch bleven er ook niet lang meester van, gelijk wij later zien zullen.
In het jaar 1630 is de eerste nederzetting door Europeanen in dat gedeelte van Guiana, hetwelk thans ook Suriname wordt geheeten, geschied.
Kapitein Marechal, vergezeld van 60 Engelschen, vestigde zich in genoemd jaar aan de rivier Suriname, bijna 16 mijlen die rivier op; hij bouwde aldaar een fortje; omringde het met palisaden, maakte nog 6 mijlen hooger op een huis voor 15 à 16 zijner lieden, en begon weldra tabak te planten.
David Pieterse de Vries, een Nederlander, dezelfde, die in 1634 in Cayenne eene volksplanting gesticht had, bezocht later de rivier Suriname en vond aldaar eenige huizen, fortsgewijze met palisaden omzet, en den kapitein Marechal met zijne landgenooten bezig zijnde een kolonie te formeren en tabak te planten. [14]
Dan ook deze bezitting moet van geen langen duur zijn geweest; hoewel wij den juisten tijd en de wijze harer opheffing nergens vermeld hebben gevonden.
In 1640 hebben de Franschen, waarschijnlijk van Cayenne, zich daar neder geslagen en de kolonie in bezit genomen; men zegt ook, dat men den eersten aanleg van het fort, later fort Zelandia genaamd, aan hen verschuldigd is, terwijl anderen, wij gelooven met minder waarschijnlijkheid, de Spanjaarden daarvan de eer toekennen.
De Franschen hebben Suriname echter spoedig verlaten, zoo wegens het ongezonde klimaat, veroorzaakt door de zware bosschen en veelvuldige moerassen, als door de gedurige invallen der Indianen.
De Indianen, de zonen der wildernis, waren wel van tijd tot tijd door de Europesche volken verontrust, doch na het vertrek der Franschen waren zij weder alleen meesters en heeren.
Wie weet hoezeer zij zich hierover zullen verblijd hebben; wie weet welke vreugdefeesten daarover in die uitgestrekte wouden gevierd zijn; wie weet welke zegezangen er werden aangeheven, toen de laatste blanken verdwenen waren; wie weet,--maar verdiepen wij ons niet langer in gissingen, al heeft dit alles plaats gehad.--Spoedig is het gebleken, dat die blijdschap over de verdrijving der vreemdelingen te vroeg en te groot was, en die feesten zullen weldra opgehouden hebben, die zegezangen verstomd zijn; want zij bleven niet lang alleen meesters en heeren; op dien vruchtbaren bodem vestigden zich op nieuw Europeanen, en sedert dien tijd is dat land in het bezit der Europesche natiën geweest, en werd aldaar een toestand geboren, gelijk aan die in andere landen en werelddeelen, alwaar de Europeaan vasten voet erlangde, of die hij door de kracht des gewelds veroverde.
Lord Willoughby, Graaf van Parham, rustte in 1650 op eigene kosten een schip uit, bestemd naar de kust van Guiana, hetwelk aan de rivier de Suriname aanlandde, en waarvan de bemanning goed en vriendelijk door de Indianen ontvangen werd.
Men sloot met hen verbonden en begon met allen ernst eene volkplanting daar te stellen. Genoemde Lord zond vervolgens nog een schip van 20 stukken, benevens twee kleinere vaartuigen met onderscheidene goederen derwaarts. Van tijd tot tijd ging hij voort om de nieuwe kolonie van wat zij noodig had, te voorzien, en in 1652 kwam Lord Parham zelf in Suriname, vertoefde er eenigen tijd en bragt door woord en daad veel tot den voorspoedigen vooruitgang en bloei der nog zoo kort opgerigte volkplanting bij. Als gouverneur-generaal der West-Indische eilanden benoemd, vertrok hij echter weldra naar Barbadoz [15]. In 1654 vlugtten eenige Franschen onder Braglione en Duplessis uit Cayenne, van waar zij door de Gallibische Indianen verdreven waren, en werden goed door den bevelhebber Ruff ontvangen [16].
De Engelschen legden er zich met ijver op toe, om den grond te bebouwen, en deden wat mogelijk was om zich hier voor goed te vestigen.
Digt bij het fort, thans Zeelandia genaamd, dat zeer door hen versterkt was, werden boomen geveld, omtrent twee à drie honderd morgen lands vlak gemaakt, en spoedig kwam hier een gehucht van ongeveer 50 hutten of huizen tot stand. Dezen waren echter zeer eenvoudig, op de Indiaansche wijze, zonder schikking of orde gebouwd; in het fort zelf maakte men een laag huis, geheel van steen, ter bescherming tegen de invallen der Indianen.
In 1654 werd het aantal Engelschen op 350 begroot; maar weldra nam de kolonie in bloei toe, en verscheidene nieuwe aankomelingen versterkten ze, zoodat het getal der nieuwe inwoners weldra tot 4000 wies. [17]
Aan wederzijden der rivier Suriname breidden zich hunne bezittingen uit, voornamelijk in de nabijheid van het fort, alwaar later dan ook de stad Paramaribo gebouwd is, en hooger op aan de rivier Para, waar deze zich in de Suriname stort.