Part 28
»Kapitein Hamel werd in de namiddag met vijftig soldaten en dertig negerjagers afgezonden, om verder het terrein op te nemen, en, zoo mogelijk, te weten te komen: hoe de Marrons door het onpeilbaar moeras, zonder bezwaar, heen en weder gingen. Deze officier ontdekte eene soort van vliegende brug tusschen de biezen, die van Maurity-boomen gemaakt, maar zoo smal was, dat er geen twee menschen nevens elkander op gaan konden. Den volgenden morgen werd dit enge pad van drijvende boomen door een gedeelte onzer troepen gebezigd, om den overkant te bereiken. Hier vonden wij een groot veld met Cassaves en Yams bezet, en ongeveer dertig ledige huizen van het oude dorp Corsary (kom zoo gij durft). [568] Wij ontdekten nu tot onze groote verbazing de reden, waarom de Marrons, in den nacht van den 20sten, zoo geschreeuwd, gezongen en geschoten hadden. Het was niet alleen om den aftogt hunner vrienden te dekken, maar ook om te voorkomen, dat wij bemerken zouden, dat zij bezig waren met Warinbos of manden te maken, en die met de schoonste rijst, Cassaves en Yams te vullen, om daardoor bij hunne vlugt levensonderhoud te hebben. Dit was zekerlijk een verstandig gedrag in een wild volk, hetwelk wij ons vermeten om te verachten: deze daad zoude aan elken Europeschen bevelhebber tot eere gestrekt hebben, en de beschaafste volken hebben hen daarin misschien zeldzaam overtroffen.
»Hoewel onze overste van verlangen brandde, om Bonni verder te vervolgen, zoo was hieraan niet te denken, want onze krijgsbehoeften waren verbruikt en onze spijsvoorraad verteerd. Kapitein Bolts werd met een escorte van honderd soldaten, dertig negerjagers en de noodige lastdragers, afgezonden om nieuwe voorraad van het hoofdkwartier te halen. Doch in den avond van den 23sten keerde hij terug: hij was bij een moeras door de Marrons aangevallen, die, zonder zich met de Europeanen te bemoeijen, een verschrikkelijk bloedbad onder de negerjagers hadden aangericht en hij was alzoo tot den terugtogt genoodzaakt geworden.
»Fourgeoud zag in, dat hij gevaar liep met zijne geheele krijgsmagt vernietigd te worden. Hij had noch mond- noch krijgsbehoeften meer; de half verhongerde en uitgeputte soldaten morden, en eindelijk gaf hij bevel tot den terugtogt.
»Den 26sten, des voormiddags, bereikten wij eindelijk onze algemeene verzamelplaats, maar in een zeer treurigen toestand; allen waren door de uitgestane vermoeijenissen zeer verzwakt; velen van honger als uitgeteerd; anderen gevaarlijk gekwetst. De slaven, die de zieken en gekwetsten droegen, hadden naauwelijks krachten genoeg, om zich zelven voort te slepen.
»Zoo eindigde de verovering van Gado-Saby. Op den togt werd, wel is waar, noch gevangenen, noch buit gemaakt; toch bewezen wij der volkplanting eene gewigtige dienst door deze schuilplaats, dit hoofdkwartier der Marrons, te vernielen. Eenmaal hieruit verdreven keerden zij niet weder in dien omtrek terug; en door het geleden verlies waren zij zoo ontrust en verschrikt, dat hunne strooptogten van dien tijd af veel verminderden." [569]
Wij namen deze mededeeling van een ooggetuige, veel verkort, over, om den lezer, eenigzins te kunnen doen oordeelen, hoeveel moeite en bezwaren aan dergelijke togten verbonden waren.
Na dezen hier beschreven togt werden sedert nog verscheidene door Fourgeoud ondernomen. Het vrijcorps bewees steeds goede diensten. Nepveu zette, niettegenstaande de hevige tegenkantingen der Raden en van Fourgeoud, [570] zijn plan door, om een cordon van verdediging tegen de verstrooide benden wegloopers daar te stellen: hij werd hierin door de sociëteit, H.H.M. en den Prins van Oranje ondersteund. Deze laatste schreef zelfs aan Fourgeoud, dat hij zich moest onthouden van eenige bemoeijingen met het cordon, en dit geheel aan den Gouverneur overlaten. [571]
In Februarij 1776 kwam er aanschrijving van den Prins van Oranje, dat de troepen onder Fourgeoud moesten terugkeeren.
Vele ingezetenen, verschrikt door hernieuwde aanvallen der wegloopers, wendden pogingen aan, ten einde dat gevreesde vertrek te doen uitstellen. Fourgeoud, die, zonder positieve contra-order, niet durfde te blijven, maakte zich in Julij tot het vertrek gereed. Reeds was het volk ingescheept en de afscheids-bezoeken afgelegd, toen dat tegen bevel kwam en de troepen weder gedebarkeerd werden. [572]
In December kwam op nieuw eene versterking van 750 man, [573] en werden er toen weder eenige expeditiën ondernomen.
Bonni was intusschen met een groot gedeelte der zijnen (Baron was gesneuveld), [574] over de Marowyne getrokken. In Januarij 1777 berigtte de toenmalige Gouverneur van Cayenne, benevens de Intendant Malouet deze gebeurtenis aan Nepveu; en hierop volgde een aantal wederzijdsche memoriën en geschriften.
De Franschen betuigden hunne ontevredenheid, dat de wachthebbende Hollandsche officier aan de Marowyne deze overtogt niet verhinderd had; zij waren niet zeer op deze nieuwe gasten gesteld, doch bezaten te geringe magt om hen te verdrijven en om hun nu den vrede aan te bieden vonden zij te vernederend, en, om den Hollanders te vergunnen hen op Fransch-grondgebied te bestoken en zich tot dat doel met hen te vereenigen, kwam hun mede ongeschikt voor.
De Gouverneur en Intendant wilden dus een middenweg bewandelen; zij zouden eenige officieren tot de Marrons zenden met last om hen zeggen: Les Français vous souffrent sur leurs terres, puisque vous y êtes, ils veulent bien vous laisser cet azile; mais si vous continués vos brigandages sur le territoir hollandois, ou si vous attirez sur le nôtre un plus grand nombre de fugitifs, alors nous permettrons aux Hollandois de venir vous chercher sur cette rive et nous nous reunirons à eux pour vous detruire [575].
Om de moeijelijkheden, die omtrent een en ander mogten ontstaan weg te nemen; en om alles met elkander te regelen werd bij dit zelfde schrijven berigt, dat de Intendant Malouet daartoe in Junij 1777 in Suriname zoude komen.
Van onze zijde werd geantwoord: dat men de overtogt der Marrons over de Marowijne noch gewenscht noch begunstigd had; dat men oordeelde geen verlof noodig te hebben, om hun daar te vervolgen, doch dat men provisioneel de Marrons met rust zou laten, en de komst van den heer Malouet afwachten. [576]
Ook de raad van Fourgeoud werd hier op ingewonnen. Hij luidde: over de Marowijne trekken en de Marrons verdelgen. [577] Dit oordeel werd door velen gedeeld, doch men vreesde voor verwikkelingen met Frankrijk en daarbij in April was reeds een gedeelte der hulptroepen naar Nederland terug gekeerd [578]; zoodat men geen genoegzame magt te beschikken had.
Malouet kwam met zijne vrouw en dochter in Julij 1777 in Suriname en werd aldaar met beleefdheid ontvangen [579], die door hem met hoffelijkheid werd beantwoord. Malouet trachtte zich omtrent de over de Marowijne gevlugte Marrons met Nepveu en de Raden van Policie te verstaan. In zeer beleefde termen, doch daarom niettemin ernstig, gaf hij onze regering gewigtige lessen. Hij schreef het wegloopen van slaven in Suriname (aldaar meer dan elders) toe; eerstelijk: aan het niet beteugelen der meesters in het mishandelen hunner slaven; die meesters noemde hij »de eygenlyke stigters van de binnenlandsche wanordens"; en de regering, die zoodanige misbruiken dulde en den slaven alle bescherming ontzegde uit een onregtvaardig inzigt voor den eigendom van den meester, »oorzaak dat de eygendom en de veyligheyt der kolonie in de waagschaal werd gesteld";
ten tweede: aan het gemis van godsdienstig onderwijs der slaven »want" merkte Malouet aan, »de onwillige afhankelijkheid, zoo wel van een vrij man als van een slaaf, zijne zeden, zijne deugden en zijne gebreken zijn nooit in geen tijd en bij geen volk het gevolg geweest van een enkele oorzaak, maar wel van de zamenloop van verscheidene. Waarom dan zouden onze Europesche kolonisten alleen gebruyk maaken van de physieque magt, daar zelfs de afschuwelijkste despooten nodig geoordeelt hebben de zedekunde daarby te voegen?" [580]
De Franschen wenschten ook priesters tot de Marrons te zenden en wilden aan onze regering toestaan hetzelfde te doen, terwijl men de door de regering van Suriname te zenden priesters of geestelijken toelaten en in allerlei opzigt begunstigen zoude [581].
Na vele en velerlei discussiën in het Hof van Policie werd eindelijk besloten den heer Malouet, te antwoorden: »dat het consept om die wegloopers door de religie te overreeden, en in toom te houden, voorkomt te weesen van difficiële uitvoeringe, en van verre uitzigte; vooral aangemerkt, alhier de slaaven tot geen religie zijn overgebragt, en dus te vreesen is dat, behalve de natuurlijke nijging tot haars gelijken, die men met de reeds bevreedigden ondervind, dit hen nog te meer daartoe sou nopen en aansetten." Het Hof wenschte »dat gespuis" liever geheel te verdelgen, en deelde dan ook als zijn vast besluit mede: »dat degene, die op Surinaamsch grondgebied overkwamen gevangen of gedood zouden worden."
De Intendant Malouet verliet in Augustus 1777 Suriname en keerde over land, om de Engelsche kapers te vermijden, naar Cayenne terug--en, ofschoon onzer zijds nog wel plannen werden gemaakt, om de Marrons over de Marowyne aan te tasten, [582] het bleef bij dit plannen maken;--de Marrons bleven rustig aan de overzijde wonen en »molesteerden de blanken niet en werden niet door de blanken gemolesteerd." Fourgeoud deed met het overschot zijner magt en eenige der sociëteits-troepen nog een paar togten door de kolonie, doch ontmoette geene wegloopers meer en berigtte in Januarij 1778 aan het Hof: dat daar de kolonie thans van Marrons gezuiverd en de bondgenooten, de Aucaners en Saramaccaners, met de regering in goede verstandhouding leefden, hij met zijne troepen in April Suriname verlaten zou. [583]
Nepveu en eenige Raden van policie wilden niet toegeven, dat een en ander door de maatregelen van Fourgeoud tot stand gekomen was, en waren vooral ontevreden over zijne handelwijze met de bevredigde boschnegers, die zij beleedigend voor de regering noemden; en--Fourgeoud beklaagde zich over de ondankbaarheid der regering van Suriname, die zijne goede diensten zoo slecht erkende; doch het vertrek had toch plaats en den 1ste April 1778 verliet Fourgeoud met het overschot der troepen--ongeveer 100 man van de 1200 die van tijd tot tijd naar Suriname waren ingescheept--, [584] de kolonie tot groote vreugde van Nepveu. [585] [586]
Én aan de expeditiën onder Fourgeoud én aan het wel bevestigde cordon én aan den moed en ijver der leden van het vrijcorps, dat later nog uitgebreid werd, kan men het toeschrijven, dat Suriname voor een geruimen tijd van de aanvallen der wegloopers bevrijd bleef.
Als naweeën kan men noemen de ontzettende schulden last, waardoor de belastingen tot een hoog bedrag moesten worden opgevoerd, die, bij, den reeds vroeger geschetsten, droevigen geldelijken toestand, moeijelijk door de ingezetenen konden worden gedragen.
Alleen bij het kantoor van den ontvanger der kas tegen de wegloopers stond over de jaren 1773, 74 en 75 nog f 474,351.8.-- te betalen [587].
Directeuren der Sociëteit stelden, tot regeling der verwarde finantiezaken, een Raad-Boekhouder-Generaal aan. Deze ambtenaar had in die betrekking toegang tot alle kantoren der geldmiddelen en tot de deliberatiën der beide Hoven. In de vergaderingen moest hij bij alle zaken, die in betrekking tot de finantiën stonden, een prae-advies uitbrengen; doch had slechts eene adviserende stem. Verder werd hij gecommitteerd als derde houtvester, als derde commissaris van de wees- en onbeheerde boedelskamer, en als derde commissaris van de kas tegen de wegloopers: in deze collegiën had hij niet slechts een adviseerende, maar een beslissende stem [588].
De directeuren der Sociëteit, die niet in staat waren om uit eigen finantiën in den benarden toestand verbetering aan te brengen, wilden echter de, door Gouverneur en Raden ter voorziening in den tijdelijken nood, gecreëerde obligatiën ter somma van f 300,000; niet approberen, maar zij wendden zich tot H.H. M. om ondersteuning [589].
H. H. M. beschikte gunstig op dit verzoek en reeds zeer spoedig ontvingen zij het aandeel der provincie Holland, groot f 139,220:-, [590] en betaalden hiervan in de eerste plaats eene som van f 52,500:- aan de stad Amsterdam, voor drie jaren achterstallige renten, der door haar ten behoeve van Suriname geleende f 700,000:-- [591].
Bij den tusschen Engeland en zijne Noord-Amerikaansche bezittingen ontstanen oorlog leed Suriname veel overlast van de kapers der beide natiën, die elkander tot onder het geschut van het Fort Nieuw Amsterdam vervolgden. Op genoemd Fort was slechts eene bezetting van 66 man, waarvan nog die voor de redoutes moest worden afgetrokken: ieder dier redoutes was bezet met 3 man en 1 corporaal [592].
In April 1778 was een oorlogsschip, onder bevel van kapitein de Hoeij, voor Paramaribo gekomen, om des noodig zijne assistentie te verleenen, maar tusschen de Hoeij en Nepveu hadden onaangenaamheden plaats, die de zamenwerking zeer belemmerden. [593]
Met moeite had Nepveu van de Hoeij verkregen, dat 30 grenadiers van het oorlogsschip de zwakke bezetting van het fort versterkten: 20 man der Sociëteits-troepen werden hier bijgevoegd. Aan het meermalen door den Gouverneur aan den kapitein herhaald verzoek, om met zijn schip aan den mond der Suriname te gaan liggen, werd echter, onder verscheidene »frivole" uitvlugten, niet voldaan. De Hoeij gaf een anderen raad, namelijk, om een gewapende bark te stationneren, doch de opvolging van dien raad was te kostbaar: »voor een kleyn vaartuigje, dat nog weynig dienst kan doen, wordt f 10,000 gevraagd en dan nog moet het geëquipeerd en bewaapend worden." [594] Men besloot eindelijk, om den graaf van Bylandt, schout-bij-nacht, te St. Eustatius te verzoeken, een gewapend vaartuig voor de »meest convenabelste prijs" te koopen [595].
Hevige ziekten braken ook in dezen tijd in Suriname uit. Voornamelijk heerschten zij onder de soldaten; in het hospitaal alleen lagen 88 zieken, zoodat de posten bijna niet konden bezet worden.
Nepveu zelf werd in Junij 1778 ernstig ongesteld. Van tijd tot tijd kwam er nog wel eenige verademing, zoodat hij zich nog eenigermate met 's lands zaken kon bezig houden, doch geheel herstelde hij niet meer. Telkens stortte hij op nieuw in [596]; de zwakte nam toe en na een langdurig en smartelijk lijden, en na o. a. den nacht van den 26sten op den 27sten Februarij 1779 in de grootste ellende te hebben doorgebragt, overleed Nepveu den 27sten Februarij, des morgens te half acht ure, in den ouderdom van 59 jaren, 4 maanden en 29 dagen [597].
Nepveu, die in 1734 in de kolonie was gekomen en dus 45 jaren in dezelve doorbragt, had vele betrekkingen doorgeloopen vóór hij tot Gouverneur werd benoemd. Hij liet den roem na van met alle krachten en met eene lofwaardige standvastigheid, zijne beste pogingen tot het behoud van Suriname te hebben aangewend [598].
Tijdens het bestuur van Nepveu waren belangrijke gebeurtenissen voorgevallen. De hevige spanning tusschen den Gouverneur en het Hof, die ook nog tijdens het bestuur van Crommelin voortduurde en meermalen tot ergerlijke tooneelen in den Raad en elders aanleiding gaven, was verminderd. De onderlinge verhouding tusschen het hoogste Collegie, het Hof van Policie en den Gouverneur was beter geworden. Wel was er dikwijls verschil van gevoelen; krachtig werd er o.a. door de Raden geprotesteerd tegen de uitvoering van het lievelingsplan van den Gouverneur, het daarstellen van het cordon; maar toch ontstonden hierdoor niet die hatelijkheden als onder Mauricius en Crommelin: eenigzins meer parlementaire vormen werden in acht genomen.
Het ontbrak evenwel niet aan oppositie tegen den Gouverneur, doch deze kwam nu meer van het Hof van Civiele Justitie. Genoemd Hof was in het laatste tiental jaren zeer in belangrijkheid gerezen. Bij de finantieele kwestien, die de geheele kolonie beroerden, hing veel van de uitspraak en beslissing van het Hof van Civiele Justitie af.
De leden van hetzelf namen in invloed en aanzien toe, en gelijk dit in Suriname meestal het geval was, daardoor ook in trotsheid en eigenwaan. Vermaningen of teregtwijzingen van Gouverneur en Raden werden met hoogheid ontvangen, men achtte zich hierdoor gekrenkt, en--zij werden meermalen met heftigheid beantwoord.
Ook had Nepveu vele onaangenaamheden met den kolonel Fourgeoud. Die beide mannen verstonden elkander niet. Nepveu vermeende, dat Fourgeoud zich te veel magt en gezag aanmatigde, en Fourgeoud achtte zich door Nepveu miskend en gedwarsboomd.
Kleingeestige verschillen over etiquette, rangregeling bij officieele gelegenheden als: op feesten bij de verjaring van vorstelijke personen, bij begravenissen van militaire of burgerlijke autoriteiten, ja zelfs bij de ter aardebestelling van mevrouw Nepveu, veroorzaakten telkens strijd en twist. Toen Fourgeoud tot groote blijdschap van Nepveu, eindelijk de kolonie had verlaten vond dit zelfde weder plaats met kapitein de Hoeij, gezagvoerder van het oorlogsschip, dat ter bescherming der kolonie door HH. M. gezonden was. Hoe klein, hoe nietig de oorzaken ook waren, toch sproten hieruit vele onaangenaamheden voort en wij vinden er vele klagten over in Nepveu's dagboek, die door hare bitterheid getuigden hoeveel verdriet ze Nepveu deden.
De droevige finantieele verwikkelingen en de later gevolgde strijd met de wegloopers hadden de kolonie aan den rand des ondergangs gebragt. De belangrijke invloed, die vooral eerstgenoemde op de toekomst van Suriname uitoefende en waardoor als het ware een nieuwe toestand werd geboren, maakt de periode van Nepveu's bestuur tot eene der gewigtigste, en geeft haar eene treurige vermaardheid.
Als een lichtpunt in dat vele donkere moet de omstandigheid worden aangemerkt, dat het eindelijk aan de trouwe waardige Moravische broeders gelukte, toestemming te erlangen, tot verkondiging van het Evangelie aan de slaven in Suriname. Nepveu was door de vele uitgestrooide lasteringen tegen de broeders ingenomen geweest, doch later van dit vooroordeel teruggekomen. De gewezen Gouverneur van Berbice, Hogenheim, die zich in Suriname met er woon gevestigd had, vertelde Nepveu veel goeds van de zendelingen. Hij had hen van nabij in Berbice leeren kennen en was getroffen geworden door hun eenvoudig en regt Christelijk gedrag.
Nepveu werd door deze goede getuigenis bewogen hunne bede, om den slaven de boodschap des heils te verkondigen, toe te staan. Met blijdschap werd hiervan door hen gebruik gemaakt en den 21sten Julij 1776 werd de eerste negerslaaf door de Moravische broeders gedoopt en als lid der gemeente aangenomen.
De vruchten van dien rijkgezegenden arbeid der liefde werden weldra gezien, meermalen zullen wij gelegenheid hebben er opmerkzaam op te maken.
Kan Nepveu den roem niet worden onthouden van met alle kracht en lofwaardige standvastigheid getracht te hebben, om een goed regent te zijn; zijne vijanden echter beschuldigden hem van onopregtheid. Zij schreven hem eene groote mate van slimheid toe en den naam van Vos werd meermalen gebezigd om zijn karakter te kenmerken.
Wij willen deze beschuldiging niet overnemen, maar moeten wel erkennen, dat hij, bij het streven om zijne plannen en denkbeelden te verwezentlijken, niet altijd met duiven-opregtheid te werk ging. Soms wel zocht hij zijn doel te bereiken door eene onjuiste of overdrevene voorstelling van de zwakheden of dwalingen zijner tegenpartij. En verder vermeten wij ons geen nader oordeel over den man, die een zoo grooten strijd had te strijden.
Den Heere verblijve dat oordeel.
DERDE TIJDVAK.
ZESDE HOOFDSTUK.
Van den dood van Nepveu (1779) tot de overgave der Kolonie aan de Engelschen (1804). Aanvaarding van het Bestuur door B. Texier; toestand van Suriname tijdens den Engelschen oorlog (1780-83); gebeurtenissen gedurende de Regering der Gouverneurs Wichers en Friderici; tusschenbestuur onder het protectoraat van den Koning van Engeland; korte regering van Beranger; invloed der revolutionaire begrippen in Nederland op den toestand in Suriname; letterkundige ontwikkeling in de Kolonie, enz., enz.
Den 28sten Februarij 1779 (daags na het overlijden van Nepveu) werd, als naar gewoonte, de geheime resolutie omtrent de opvolging van den overledenen Gouverneur geopend en gelezen. De Commandeur, Bernard Texier, werd hierbij als Gouverneur ad interim aangewezen, en hij aanvaardde de teugels van het bewind zonder eenige tegenkanting van de zijde van het Hof [599].
Texier had zich bij den opstand der slaven in Berbice in 1763, reeds gunstig onderscheiden [600]. In 1764 tot 2den Raad Fiscaal benoemd, had hij zich gevleid met de benoeming tot eersten Raad Fiscaal, maar was hierin teleurgesteld, daar de kundige Wichers ter vervulling dier opengevallen betrekking door Directeuren naar Suriname werd gezonden; doch Directeuren stelden Texier weldra hiervoor schadeloos, door hem in Mei 1772 tot Commandeur aan te stellen. Texier had Nepveu trouw ter zijde gestaan en toen reeds getoond, dat hij een helder hoofd en vrij groote mate van militaire kennis bezat. Niemand verwonderde zich dus over zijne benoeming als Gouverneur, ad Interim; men was hier goed over te vreden, en ook bij zijne aanstelling tot Definitief Gouverneur den 12den November van hetzelfde jaar ontving hij vele blijken van hartelijke deelneming [601].
Het was een geluk voor Suriname, dat men een bekwaam en krachtig man als landvoogd verkreeg. In deze moeijelijke tijden waarin de grootste waakzaamheid zoo tegen binnen- als buitenlandsche vijanden noodzakelijk was, had men vooral behoefte aan een wakker en voorzigtig krijgsman. Texier bezat deze eigenschappen, gelijk uit den loop der geschiedenis verder blijken zal.
De strijd met de wegloopers heette geëindigd; het overschot der hulptroepen was naar Nederland teruggekeerd, want de gevreesde Bonni had zich immers met een groot gedeelte der Marrons, over de Marowyne teruggetrokken. Het is waar, dat was geschied,--doch dit gaf geen waarborg tegen nieuwe aanslagen van Bonni tegen de veiligheid der kolonie.
Geruchten van vijandelijke voornemens en plannen van Bonni, o. a. tegen de Joden Savane, (op de Joden was hij vooral verbitterd) verspreidden telkens schrik en angst onder de kolonisten. Ook werd men nog gedurig verontrust door verstrooide benden van wegloopers. Men moest steeds op zijne hoede wezen. Grootere of kleinere expeditiën werden ondernomen en met meer of minder goeden uitslag bekroond. Het corps negerjagers verrigtte hierbij uitstekende diensten [602]. Texier liet de onder Nepveu aangevangen werken aan het militaire cordon voltooijen. Hij zette dit met kracht door en bezigde hiervoor 600 slaven [603].
De Indianen en ook de Aucaner en Saramaccaner bevredigde boschnegers betoonden zich meermalen als getrouwe bondgenooten der blanken. Zij hielpen de kampen der wegloopers verwoesten [604]. De Aucaners ondernamen zelfs, onder bevel van den vaandrig Thies, eene togt over de Marowyne, waarbij zij zeven wegloopers doodden en twee en twintig (meest vrouwen en kinderen) gevangen namen. Zij waren tot op een dag reizens van het dorp Bonni genaderd, maar op het vernemen van dien geduchten naam trokken zij terug [605].
Eenige maanden later sloten de Aucaners, op het onverwachts vrede met Bonni. Texier en het Hof van Policie verzetten zich hier zoo lang mogelijk tegen. Men koesterde groote vrees, dat zij zich mogelijk later te zamen tegen de blanken zouden vereenigen [606]. De Aucaners verklaarden: »dat zij Bonni nimmer tegen de blanken zouden helpen, en dat Bonni, niet gemolesteerd wordende, zich ook stil zou houden [607]". De Indianen, die in de nabijheid der Marowyne woonden, wenschten ook van dien vrede te genieten, »alleen om niet door Bonni verontrust te worden en met vrede in hunne hutten te kunnen wonen", echter »onder expresse conditie zulks in geenen deelen tot nadeel der blanken moest strekken". Door bemiddeling der Aucaners kwam ook dien vrede tot stand [608].