Geschiedenis van Suriname

Part 27

Chapter 273,728 wordsPublic domain

Fourgeoud, wien het verveelde langer werkeloos te blijven, deelde in Maart 1773 zijn voornemen mede, om met April of Mei, met zijne troepen den terugtogt naar het vaderland te ondernemen [540].

Men verzocht hem zich hierover goed te beraden en, om den schijn van overijling te vermijden, besloot Fourgeoud vooraf, in gezelschap met den commandeur B. Texier, eene inspectiereis door de kolonie te doen [541]. Na eenige moeijelijkheden om geschikte tentbooten te verkrijgen, werd aan dit voornemen gevolg gegeven [542].

Na zijne terugkomst werd door het Hof aan Fourgeoud verzocht, om zijn vertrek nog eenigen tijd uit te stellen, en als voornaamste beweegreden daartoe voerde men aan: de vrees, die men koesterde voor eene vredebreuk met de Saramaccaner boschnegers [543]; en drukte men den wensch uit, dat de hulptroepen hun, bij het niet nakomen hunner verpligtingen, hiertoe zouden dwingen. Fourgeoud antwoordde hiertoe geene orders te hebben: eene vredebreuk kon slechts door den Souverein geschieden en de hem verstrekte bevelen luidden, om tegen de wegloopers, niet tegen hen met wie vrede gemaakt was, te ageren [544].

Nieuwe pogingen door den Gouverneur aangewend, om Fourgeoud te noopen ten minste den uitslag der met de boschnegers aangevangen onderhandelingen af te wachten, leden schipbreuk op Fourgeouds onverzettelijkheid op dit punt [545], en hij maakte voor de tweede keer aanstalte om te vertrekken. [546]

Hout en water werd reeds in de drie, nog immer, sedert 9 Februarij, zeilreê gehouden transportschepen overgebragt, toen de tijding van een nieuwen aanval der wegloopers [547], de toebereidselen tot vertrek deed vertragen. Men begon zich nu tot eene boschtogt uit te rusten, doch den 7 Junij 1773 kwam er weder contra-bevel en op nieuw werd alles tot vertrek gereed gemaakt en dat op het laatst van Junij bepaald [548].

Schotschriften, der regering honende en opgevuld met verwijten over het aanstaand vertrek der troepen, werden onder de deuren der aanzienlijkste inwoners gestoken, en, ofschoon eene premie van 1000 ducaten werd uitgeloofd voor hem, die den maker en verspreider hiervan aanwees, zoo werd deze echter niet ontdekt [549].

Terwijl men alzoo in Paramaribo onderling verdeeld was, bragt de tijding van eene geduchte nederlaag, door eene afdeeling krijgsvolk der sociëteit geleden, eenige toenadering teweeg.

Die ongelukkige gebeurtenis was belangrijk genoeg om te doen zien, dat men de vrees voor de Marrons nog niet geheel verbannen kon. Het verhaal hiervan luidt als volgt:

De luitenant Leppert had vernomen, dat de negerjagers een kamp der Marrons tusschen de rivier Patamacca en Cormoetibo hadden ontdekt. Na het vernemen van dit berigt besloot Leppert, om alleen met zijne manschappen, die een gedeelte uitmaakten van de militaire post aan de Patamacca, dwars door het bosch te dringen en het kamp der wegloopers te overvallen. Hij trok alzoo den 8 Junij met een sergeant en 30 soldaten in het bosch, doch de Marrons, door verspieders van zijn voornemen onderrigt, trokken hem te gemoet. Zij, ongeveer derdehalf honderd in getal, wierpen zich in eene hinderlaag, bij een diep moeras, dat hij doorwaden moest, om bij hun kamp te komen. De ongelukkige soldaten waren naauwelijks in dit moerassig water tot onder de armen ingegaan, of de Marrons kwamen uit hunne schuilplaats voor den dag en tastten hen aan. Leppert, die aan een gouden lis aan zijn hoed kenbaar was, benevens drie soldaten werden gedood en tien à twaalf gewond. Aan den sergeant en corporaal met nog zes man gelukte het, na eene moedige verdediging en na vooraf al hun kruid te hebben verschoten, te ontkomen. Later voegden zich nog drie gevlugte soldaten bij hen, maar ongeveer twintig man bleven in het bosch omdwalen. De vaandrig Buissart, commandant der naastbij gelegen post, liet iedere twee uur een schot doen, om deze verdwaalden de rigting van den weg te doen herkennen. De meesten echter, (slechts aan twee van hen gelukte het te ontkomen), vielen den Marrons in handen en werden dadelijk door hen gedood; enkelen werden als gevangenen naar het kamp gesleept en aldaar op bevel van Bonni doodgegeeseld [550].

Na het ontvangen dezer droevige tijding werd onmiddellijk door het Hof eene commissie benoemd, om Fourgeoud te verzoeken de terugkeer zijner troepen tot een volgend jaar uit te stellen en mede te werken tot verdelging der wegloopers. Fourgeoud verklaarde zich dadelijk hiertoe bereid, zelfs »al waren zijne troepen ingescheept zoo zoude hij, indien er gevaar was se weeder doen ontscheepen." Hij wenschte evenwel, dat het Hof in »stellige termen" verklaarde of men zijne troepen, tot beveiliging der kolonie tegen de Marrons, al of niet noodig had. Het Hof gaf hierop een ontwijkend antwoord [551]; doch Nepveu, die eindelijk begreep, dat die dubbelzinnige toestand niet langer tot schade der volkplanting duren kon, brak het ijs en begaf zich naar Fourgeoud: »om zig cordatelijk weegens de saake en omstandigheeden te expliceren, 't welk van verseekeringe van onderlinge vriendschap en cordaatheit weegens de behandeling der saaken is gevolgt [552]."

Daar echter de ingevallen regentijd slecht tot het doen eener boschexpeditie was geschikt versterkte men vooreerst de militaire buitenposten en maakte zich intusschen tot den aanstaanden veldtogt gereed [553].

Het was hoog tijd, dat de onderlinge twisten ophielden en men meer krachtdadig tegen de Marrons te werk ging; want terwijl Bonni, die zoon der wildernis, zich vreesselijk wreekte over de beleedigingen zijne moeder en haar geslacht door de blanken aangedaan, en schrik en ontzetting door de kolonie verspreidde, kwam ook Baron, die zich van zijn, te Boucou geleden, verlies weder hersteld had, weldra op nieuw uit de bosschen aanhollen en overviel, terzelfder tijd, drie naast elkander aan de Boven Cottica gelegen plantaadjes, de Suynigheyt, Perou en l'Esperance: de slaven werden medegenomen, de gebouwen verbrand en de Directeur van de Suynigheyt en een blankofficier van l'Esperance vermoord [554]. Ofschoon Baron volgens de wet der wedervergelding handelde, was hij echter niet wreed, getuige o. a. het volgende: Bij het afloopen der plantaadje Poelwijk door de Marrons, werd de blankofficier Muller tot hem gebragt. Toen hij vernam dat Muller nog slechts kort geleden uit Holland in de kolonie was gekomen, zond hij hem onverlet naar Paramaribo terug, tot hem zeggende: »ga maar heen, gij zijt nog te kort in de kolonie geweest om ons slaven te hebben kunnen mishandelen." Een der Marrons nam hem zijne bovenkleederen af, doch Baron gaf hem die niet slechts weder, maar gaf hem nog daarenboven een hoed omdat Muller, die de zijne in het rumoer had verloren, het hoofd in den bij stroomen nedervallenden regen gevoegelijk dekken kon. [555] Op een anderen tijd hadden de Marrons verscheiden soldaten gevangen genomen. Volgens wederkeerig krijgsgebruik had Baron ze kunnen laten doodschieten--maar integendeel, hij voorzag hen, van wie hij getuigde, dat zij geene oorzaak der geschillen, maar slechts door de krijgsorde gedwongen vijanden waren, van de noodige levensmiddelen; verborg hen voor de woede zijner volgelingen en zond hen daarop naar de stad terug. [556]

In September van hetzelfde jaar ging Fourgeoud naar het Hoofdkwartier en eindelijk in October trok hij met drie kolonnes het bosch in [557].

De eerste togt was niet bijzonder gelukkig: geene wegloopers vielen Fourgeoud in handen, slechts eenige kostgronden werden vernield. Fourgeoud schreef deze mislukking toe aan gebrek aan behoorlijke medewerking; Nepveu daarentegen aan eene verkeerde besturing [558].

Verscheiden togten werden sedert ondernomen; Fourgeoud en een gedeelte der ingezetenen gaven hoog op van het nut daardoor te weeg gebragt, doch Nepveu zag er weinig anders in dan verspilling van menschenlevens en krijgs- en mondbehoeften. Om eenigzins over de bezwaren aan dergelijke boschtogten verbonden te kunnen oordeelen, nemen wij het verhaal, dat Stedman, die ze zelf bij woonde, er van geeft, gedeeltelijk over:

De wijze, waarop men, in de bosschen van Suriname, oorlog voert, is geheel verschillend met iedere andere in Europa. »Het is onmogelijk" zegt Stedman, »in de bosschen van Guiana in twee of drie gelederen te gaan; dus kent men daar ook niet het optrekken bij divisiën of pelotons. De geheele krijgsbende stelt zich op ééne rei, met het gezigt naar de regter kant; de negers zijn onder de soldaten verspreid, ten einde men op hen en op de goederen, waarmede zij beladen zijn, een wakend oog kan houden. Dit wordt de Indiaansche linie genaamd. Om een corps van zestig man, namelijk, een kapitein, twee luitenants, twee sergeants, vier corporaals, een heelmeester en vijftig soldaten te vergezellen, zijn er minstens twintig negerslaven noodig, waarvan men de huur aan hunne meesters betaalt, tegen 24 stuivers daags. Wagens en paarden zouden veel minder kostbaar zijn; doch men kan er zich tot den optogt van krijgsvolk in dit land niet van bedienen." [559]. »Ziehier," zoo vervolgt genoemde schrijver verder: »op welke wijze men de soldaten en negers door een mengt: twee der laatsten trekken in het eerst op, en dragen bijlen om een weg te banen. Zij worden gevolgd door een corporaal en twee mannen, die gelast zijn de plaatsen te bespieden, en, ingeval van nood alarm te slaan. Een officier, een corporaal en zes soldaten maken de voorhoede uit. Vervolgens komt op eenigen afstand de hoofd-bende in twee partijen. Bij de eerste bevinden zich een kapitein, een corporaal, twaalf soldaten, een heelmeester en twee negers, die het kruit dragen. De tweede partij bestaat uit twaalf andere soldaten, onder bevel van een sergeant. De achterhoede, bestaande uit een officier, een sergeant, een corporaal en achttien soldaten, wordt door zestien negers vergezeld, om de geneesmiddelen, het vleesch, brood, rum, wapenen, bijlen, en ook de zieken en gekwetsten te dragen. Dezelve bevindt zich op eenigen afstand van het hoofdcorps. Het geheel word gesloten door een korporaal en twee soldaten, mede belast om zoo noodig alarm te slaan. [560]"

In dergelijke groote of kleine afdeelingen trok men de bosschen in. Soms moest men tot over de heupen door slijk en water baden of over hoopen van omgevallen boomen klauteren; op andere plaatsen er onder door kruipen. Vaak werd het ligchaam deerlijk door de doornen opgescheurd, en door talrijke insecten, waaronder van zeer kwaadaardige soorten, bijna overal gekwetst. De brandende zon, al drongen hare stralen niet door het dikke bladeren gewelf, maakte de atmospheer verstikkend; de warmte, geen uitweg door opene plaatsen vindende, was benaauwend. Was de zon ondergegaan dan heerschte er eene stikdonkere duisternis, en zoo men dan de togt wilde voortzetten, was men genoodzaakt elkander bij de hand te houden, ten einde niet van elkander af te geraken.

Van tijd tot tijd viel er een soldaat, uitgeput van vermoeijenis neder, en de last der draagnegers werd verzwaard. Des nachts hing men de hangmatten in de boomen op; doch zoo men een of twee dagen rust hield maakte men hutten, op Indiaansche wijze gebouwd: de slaven sliepen op den blooten grond. [561]

In den regentijd werden de moeijelijkheden dier togten verdubbeld. Het water in de bosschen rees dan zoo hoog, dat het meermalen tot aan de knieën reikte, en zelfs de kleinste stroom kon men dan niet over trekken, zonder er een brug, uit boomstammen zamengesteld, over te slaan. [562]

Bij een dergelijken krijg verloren een menigte soldaten het leven of kwamen ziek van vermoeijenis en uitputting te Paramaribo aan en, na eenige togten, waarvan de goede uitslag twijfelachtig was, moest Fourgeoud zijne en des sociëteits-troepen eenige rust vergunnen.

Ontevreden, wrevelig over de vele verliezen, vooral ontevreden op Nepveu, die hem, zoo hij vermeende, niet de noodige achting bewees, wierp Fourgeoud zich, na zijne terugkomst in Paramaribo, geheel in de armen der ontevredene partij:--in Nepveu's dagboek wordt hem deze »caballisering" scherp verweten. [563]

In Januarij en Februarij 1775 kwamen nieuwe troepen uit Nederland, onder bevel van den luitenant-kolonel Sieborg, ter versterking der zeer gedunde magt, en weldra toog Fourgeoud weder het bosch in. [564]

Na eenig heen en weder trekken, waarbij sommige kostgronden en legerplaatsen der Marrons verwoest werden, gelukte het aan Fourgeoud om de hoofdplaats der rebellen op te sporen en te verdelgen.

De bijzonderheden daaromtrent worden uitvoerig door kapitein Stedman medegedeeld; wij nemen er het volgende van over:

»De muitelingen, door hun behaald voordeel op den kapitein Mayland opgeblazen, [565] waren door hunne spions onderrigt, dat de kolonel Fourgeoud zich te Barbacoeba bevond, en zijne soldaten willende trotseren of schrik aanjagen, hadden zij de stoutheid, om den 15den Augustus, de hutten van twee legerplaatsen, welke onze uitgezondene wachten hadden laten staan, in brand te steken, en een gehuil en geschreeuw te maken, hetwelk wij den geheelen nacht hoorden. Dit was nogthans van hunnen kant niets dan loutere zwetserij; maar het verwekte in onzen bevelhebber zulk eene gramschap, dat hij zwoer zich met geweld, het kostte wat het wilde, te zullen wreken."

»Des anderen daags morgens stond al ons krijgsvolk tot den optogt gereed, en met het aanbreken van den dag begaven wij ons in het bosch. Wij waren twee honderd voor de dienst geschikt zijnde Europeanen sterk, en wij lieten een groot getal achter, die door ziekte belet wierden mede te gaan."

»Wij trokken oostwaarts op. Na omtrent acht mijlen te hebben afgelegd, dat in een land, waar onophoudelijk door het weghakken van het geboomte de weg gebaand moet worden, al vrij aanmerkelijk is, sloegen wij hutten op en namen daar onze legerplaats."

»Den 16den vervolgden wij onzen weg westwaarts over hoog land. Het was eene soort van bergketen, die, zoo ik mij niet bedrieg, in dit land doorgaans van het oosten naar het westen loopt, zooals ook de poelen, zwampen en moerassen. Wij legden geen zoo grooten weg af, als daags te voren, en toen wij stil hielden, ontvingen wij bevel om onze hangmatten uit te spreiden en daarop te gaan slapen, zonder eenig overdek, om den vijand geen kennis te doen bekomen van de plaats, alwaar wij ons bevonden, hetgeen zekerlijk gebeurd zoude zijn, indien wij in het bosch boomen gekapt hadden. Wij mogten niet spreken en overal werden wachten uitgezet. Die voorzorgen waren noodzakelijk: maar zoo de muitelingen ons al niet ontdekten, werden wij echter door groote muggen en insecten, die uit een nabij gelegen moeras opkwamen, als van een gereten."

»Den 17den, trokken wij tot negen uren verder oostwaarts op; vervolgens noordwaarts, en dwars door eene groote menigte Mataky-wortels, [566] hetgeen ten bewijze strekte, dat wij afzakten: de grond werd hier zeer moerassig. Gelukkig echter, schoon wij in het regen-saisoen waren, viel er weinig water. Dien dag hielden wij tegen vier uren nademiddag stil, want de kolonel werd door eene koude koorts aangetast."

»Te middernacht, te midden der dikste duisternis, en een zwaren stortregen, werden wij gewekt door het gehuil en geschreeuw der muitelingen, die te gelijkertijd eenige snaphaan schoten deden. Hun schieten echter bereikte de legerplaats niet, doch wij waren uitermate verlegen, want de donkerheid maakte het ons onmogelijk, om een juist denkbeeld van hun oogmerk te vormen. Zij hielden op die wijze aan tot het aanbreken van den dag, hetgeen ons elk oogenblik deed verwachten van door hen omsingeld te worden: wij verdubbelden onze waakzaamheid.

»Des anderen daags morgens rolden wij onze hangmatten op, en trokken noordwaarts, naar den kant, van waar den vorigen nacht het geluid zich had doen hooren. Grootendeels in onze rust gestoord geweest zijnde, waren wij zeer vermoeid, en vooral de kolonel, die moeite had, om zich staande te houden, zoodanig was hij door de koorts verzwakt. Onze togt was dien dag vruchteloos, want op den middag vervielen wij in een groot moeras, waaruit wij veel moeite hadden ons te redden, en wij waren genoodzaakt naar onze vorige legerplaats terug te keeren. Twee soldaten versmoorden in het moeras.

»Den 19den trokken wij verder, en weldra voegde, tot onze groote blijdschap, zich een corps van honderd negerjagers met hun conducteur Vinsac bij ons [567].

»Tegen den middag gingen wij over een Birry-Birry, of groot moeras. Een zoodanig moeras is zeer gevaarlijk: het bestaat uit een dun slijk, met een dikke en groene korst overdekt, die op vele plaatsen een mensch dragen kan, maar die men onder zijne voeten voelt buigen. Breekt deze korst dan verzinkt hij, die zich op den gevaarlijken bodem heeft gewaagd, in den afgrond. Menigmaal gebeurt het, dat menschen, voor de oogen van anderen, in diepte verdwijnen, zonder dat men hen ter hulpe kan komen. Drijfzand is minder gevaarlijk: hier zinkt men slechts langzamerhand in.

»Om ongelukken te voorkomen trokken wij zoo wijd mogelijk van elkander, desniettegenstaande vielen er verscheidene soldaten door, die met moeite gered werden.

»Des namiddags kwamen wij langs een paar cassave velden hetgeen ons een teeken was, dat wij de verblijfplaats der muitelingen naderden. Daar het echter te laat in den avond was geworden om den vijand aan te grijpen sloegen wij hier onze legerplaats op.

»Den 20sten des morgens ten zes ure braken wij op, noord-oostwaarts ten Noorden, en spoedig kwamen wij bij een groot moeras, alwaar wij tot aan ons midden door het water gingen. Nadat wij meer dan een halve mijl door het water gewaad hadden bereikten wij de overzijde, zonder den geringsten tegenstand te ontmoeten.

»Wij volgden daarop een soort van voetpad, dat door de Marrons was gemaakt en, tegen den middag stieten wij op een kleine hoop van hen, die ieder met een korf op den rug beladen waren. Zij vuurden hunne geweren op ons af; wierpen hunne vracht op den grond en keerden in allerijl naar hun dorp terug.

»Wij vernamen later, dat zij rijst naar een ander verblijf hadden willen vervoeren, om geen gebrek te lijden, als zij uit hun tegenwoordig verblijf, Gado Saby, (God alleen kent mij) verdreven zouden worden. De groene korven, (Warimbos) zeer aardig gevlochten, waren met fraaije rijst gevuld, die wij vernielden en vertraden, daar wij geene gelegenheid hadden om ze mede te nemen.

»Kort daarna ontdekten wij eene ledige barak, waarin de Marrons een wachtpost geplaatst hadden, om hen van alle gevaar te verwittigen, en die bij onze aankomst onmiddellijk de vlugt nam. Wij verdubbelden toen met ijver onze schreden tot op den middag, wanneer wij eene uitgezette wacht van den vijand ontmoette en deze tweemaal vuur hoorden geven, dat een afgesproken teeken scheen, om Bonni hiermede bekend te maken.

»De majoor Medler en ik, met eenige soldaten der voorhoede, en eene kleine krijgsbende van zwarte vrijwilligers, liepen vooruit en kwamen weldra in een schoon veld, met rijst en Indiaansch koren beplant.--Nadat de overigen zich met ons vereenigd hadden baanden wij ons een pad door het bosch. Naauwelijks waren wij hier doorgetrokken of men begon van alle kanten een hevig vuur. De vijand echter deinsde af, en wij trokken voort, tot dat wij op een schoon rijstveld kwamen, waarachter de hoofdplaats der muitelingen zich amphitheatersgewijze verhief: door den lommer van verscheidene hooge boomen tegen de hitte der zon beveiligd, leverde het een treffend gezigt op.

»Een onafgebroken vuur duurde meer dan een uur; de negerjagers gedroegen zich met zoo veel moed als bekwaamheid; de blanke soldaten vuurden, door drift overweldigd, als in het wilde. Mij schampte een vijandelijke kogel langs den schouder af; den luitenant, de Cabanes, werd de riem en den sergeant Fowler de loop zijner snaphaan weggeschoten. Verscheidenen der onzen werden gekwetst, doch weinigen gedood.

»De vijand had het gansche rijstveld, met dikke stammen van boomen, waaraan de wortels vastgebleven waren, omringd en doorsneden. Zij hielden zich achter deze opgeworpen verschansingen verscholen, en gaven van daar vuur op ons, die eerst dit soort van wallen beklimmen moesten voor wij in hun gehucht konden komen.

»Niettegenstaande alle hinderpalen rukten wij voort, dwongen den vijand te wijken, en beproefden het dorp in te dringen. Doch een van de aanvoerders der Marrons, kenbaar aan een hoed met een gouden lis, had de stoutmoedigheid, om te blijven en met een brandende toorts een der hutten in brand te steeken. Het vuur verspreidde zich, door de droogheid dier houten huizen, aan alle zijden, terwijl het schieten uit het bosch langzamerhand verminderde.

»Deze kloeke en meesterlijke daad belette niet alleen het bloedbad, dat de soldaten op het eerste oogenblik der overwinning gewoon zijn aan te richten, maar het maakte 't bovendien voor de Marrons gemakkelijk, om met hunne vrouwen en kinderen terug te trekken, en de goederen, die hun het meest van dienst waren, met zich te nemen. Aan de eene zijde hield ons de flikkerende vlam terug en aan de andere belette ons een onpeilbaar moeras, dat ons bijna van alle kanten omringde, de vlugtenden na te zetten.

»Het laatste uur van het gevecht was verschrikkelijk: het aanhoudend muskettenvuur; het vloeken en brullen der krijgers onder elkander; het kermen der gekwetsten en stervenden die in het stof lagen en zich in hun bloed baadden; de schellen toon der horens, die zich van alle kanten hooren liet; het kraken der brandende balken in het brandende dorp; de wolken rook, die ons omringenden; de vlammen, die hoog opstegen--dit alles vormde een tafereel, dat ik niet beschrijven kan."

»Dit dorp bestond uit honderd huizen of hutten, eenige van twee verdiepingen hoog.

In den nacht, toen wij door een goeden slaap onze afgematte ligchamen wenschten te verkwikken, werden wij op nieuw door eene vijandelijke bende hierin gestoord, die zich echter na eenige schoten verwijderde.

»Terwijl de duisternis belette elkander te zien, voerden onze zwarte vrijwilligers geene zeer stichtelijke gesprekken met de Marrons. De een verweet den ander in ruwe termen zijn gedrag en men daagde elkander tegen den volgenden dag uit, man tegen man.

»Beide partijen hieven een soort van krijgsgeschrei aan, zongen victorie liederen, en bliezen op hunne horens.

»Fourgeoud beproefde ook een gesprek met hen te houden. Hij beloofde hun het leven, de vrijheid, volop eten en drinken, zoo zij zich gewillig overgaven. Zij beantwoordden deze aanbieding met een luid gelach, zeggende: »dat zij niets noodig hadden van hem den half uitgehongerde Franschman." Zij bespotten ons blanke slaven, die ons voor vier stuivers daags dood lieten schieten, en zij betuigden hunne spijt, »dat zij hun kruit en lood aan zulke ellendige kerels moesten verspillen;" zij bedreigden echter onze zwarte vrijwilligers, zoo dezen hun in handen vielen, met den vreeselijksten dood. Tegen den morgen verstrooiden zij zich.

»Wij waren moede en afgemat, doch, niettegenstaande het hevig schieten van den vijand, was ons verlies onbeduidend. Bij nader onderzoek en verbinding der gekwetsten vond men weinig looden kogels, maar meest keisteenen, knoopen, stukken geld enz. die, daar zij naauwelijks door de huid konden dringen, weinig schade hadden veroorzaakt. Wij bemerkten ook, dat velen van de Marrons, die op het slagveld gebleven waren, slechts scherven van kruiken, in plaats van vuursteenen, op hunne geweren hadden, welke onmogelijk behoorlijk dienst konden doen. Aan deze omstandigheden hadden wij het te danken, dat wij er zoo goed afkwamen; velen onzer waren echter ligt gewond en gekneusd.

»De velden in den omtrek werden verwoest, al de rijst werd afgekapt.