Geschiedenis van Suriname

Part 25

Chapter 253,654 wordsPublic domain

Eene belangrijke bijdrage tot de kennis van den ellendigen toestand van Suriname bevat het verhandelde in de zittingen van 6 Augustus 1773 en 22 Feb. 1774 van het Hof van Policie. In de eerstgenoemde zitting werd door Nepveu een verzoekschrift ter tafel gebragt door 36 ingezetenen onderteekend. Deze ingezetenen beklaagden zich daarin over »de dagelijks toenemende vervolgingen en executiën door den eenen burger tegen den andere geëxtimeerd, zoo voor zich zelven, of door kwalificatie van buitenlandsche personen, tot erlanging van de eene of andere pretentie, en dat alles met zoodanig rigeur, dat het droeve geval zal komen," merken zij aan, »dat de meeste ingezetenen van hunne bezittingen en middelen van bestaan zullen worden beroofd, daar de goederen en effecten alle zeer ver beneden hunne waarde worden verkocht, terwijl de opbrengst nog daarenboven door de hooge kosten der regtspleging [460] enz. worden geabsorbeerd en er alzoo algemeene armoede te wachten is." De rekwestranten schreven de oorzaak van een en ander voornamelijk toe: aan het bedriegelijk aanbod van een, hierachter blijkend imaginair, crediet, door sommige lieden uit den vaderlande alhier gedaan, waarvan vele ingezetenen, door een al te ligtvaardig betrouwen en aanlokking, in de hoop om daardoor tot beter fortuin te zullen geraken, ongelukkig gebruik hebben gemaakt, en langs welken weg alhier in de kolonie meer dan 4 millioen gulden aan wisselbrieven zijn getraceert en uitgegeven, die allen met protest geretourneerd, met den exorbetanten herwissel van 25 pCt., alzoo een millioen bedroegen, waarvoor geen de allerminste waarde was genoten, hetgeen alleen teweegbragt, dat de ongelukkige trekkers en de nog ongelukkiger endosseurs geheel en al werden geruïneerd. Verder gewaagden de adressanten: over de verzwaring der moeijelijkheden door het wegloopen der slaven veroorzaakt; over de drukkende belastingen en ten slotte over de »onlangs in het vaderland voorgevallen considerabele faillissementen, waardoor de hoop op verdere hulp van daar verdwijnt," terwijl daarenboven nog eene aanmerkelijke daling in de koloniale producten was gekomen, zoo gaven zij hunne vrees te kennen, dat velen in een jammerlijken poel van ellende zullen worden gedompeld en »aan alle ingezetenen zal worden vervuld de vloek der Joden oud en arm te zijn," waarna zij den Gouverneur verzoeken: om, in overleg met het Hof, maatregelen tot herstel te beramen.

Bij de beraadslagingen over genoemd adres moesten én Gouverneur én Raden wel erkennen, dat de toestand van Suriname's ingezetenen er naar waarheid in geschetst was, doch zij wisten geene middelen te bedenken, waardoor deze kon worden verbeterd. De adressanten schenen in hun geschrift o. a. eene schorsing der geregtelijke executiën te bedoelen--maar hiertoe konde het Hof toch niet overgaan, daar HH. M. dato 8 Junij 1740 een besluit hadden uitgevaardigd, waarbij het verleenen eener generale surcheance verboden werd. [461] Daar het Hof echter den schijn niet op zich wilde laden, dat het onverschillig was omtrent de belangen der ingezetenen, besloot het, om den adressanten uit te noodigen zelve een plan ter verbetering te ontwerpen en aan het Hof over te leggen. [462]

De adressanten voldeden aan deze uitnooding en de zitting van het Hof van 22 Februarij 1774 werd voornamelijk aan het bespreken van dat plan gewijd. In het belangrijke door dezelfde personen overgelegd, daartoe behoorend, geschrift werden eerst de oorzaken medegedeeld waardoor de geldcrisis was ontstaan, als:

1o. gebrek aan circulerend medium;

2o. gebrek aan solied buitenlandsch crediet; en

3o. de onevenredig te zware en drukkende belastingen.

Bij ieder punt gaven zij de door hen goedgedachte middelen tot herstel op en deden die van eene toelichting vergezeld gaan.

Ter voorziening in het eerst opgenoemde: gebrek aan circulerend medium, stelden zij het volgende voor:

a. het maken van nog een millioen kaartengeld;

b. het betalen met dit millioen kaartengeld van alle gelden, die 's lands kas aan particulieren schuldig was, als: de slaven voor het vrijcorps gekocht; [463] de huur der slaven, die aan de forten arbeidden enz. enz.;

c. het op hypotheek of goede obligatiën stellen van het in kas verblijvende kaartengeld voor 3 à 4 jaren.

Om middelen ter opbeuring van solied buitenlandsch crediet aan te geven, veroorloofden zij zich vooraf de inwoners, op het papier, in vier klassen te verdeelen:

1o. degenen, die rijk en vermogend waren;

2o. degenen, die hunne effecten niet hooger dan de helft der werkelijke waarde belast hadden;

3o. degenen, die hunne effecten voor meer dan 5/8 hadden verhypothekeerd, doch echter nog beneden de werkelijke waarde;

4o. die meer schuldig waren dan de geheele waarde hunner goederen bedroeg.

De ingezetenen, die tot de beide eerste klassen behoorden, behoefden, zoo vermeenden de adressanten, geene hulp; slechts door totale ruïne der beide laatst genoemden, waardoor zij genoodzaakt zouden worden alle lasten te dragen en voortdurend slecht bestuur hunner zaken, konden zij hulpbehoevend worden. De adressanten wenschten voornamelijk de aandacht te vestigen op de derde klasse, waarvoor nog herstel mogelijk was, en stelden daartoe het volgende voor:

a. De oprigting van een collegie van notabele personen, waaraan de bedoelde lieden zich in de eerste plaats moesten wenden, en waaraan zij opening van zaken en verder alle noodige inlichtingen moesten geven, enz. enz.

Dit collegie moest dan de bevoegdheid worden verleend en den pligt opgelegd om behoorlijke inzage te nemen van alles wat het nog overig vermogen en de verdere zaken betrof van dengene, die zich tot hetzelve wendde, en van hare bevinding een gemotiveerd schriftelijk bewijs afgeven.

Met overlegging van dat bewijs konde men zich dan, per rekwest, tot den Gouverneur vervoegen ter bekoming van brieven van respijt voor twee, drie of meer jaren, en de Gouverneur moest dan de magt worden gegeven om die al of niet te verleenen, volgens advies van het collegie. Werden de zaken dier lieden niet in orde bevonden dan moesten zij worden overgebragt in de vierde klasse, waartoe zij behoorden, en die reeds alle hoop op herstel hadden opgegeven. Voor dezen, oordeelden adressanten, was weinig te doen; zij stelden alleen voor, ten hunnen opzigte te bepalen, dat deze lieden alles aan hunne crediteuren moesten overgeven en trachten met hen een accoord te sluiten, ten einde van verdere vervolging bevrijd te blijven en niet genoodzaakt te moeten worden de kolonie te verlaten, opdat deze alzoo niet van het noodig aantal blanken zou beroofd worden. Deze lieden konden dan in ondergeschikte betrekkingen hun brood verdienen en zoo den lande nuttig zijn.

b. Het maken van strenge bepalingen tegen den woeker, die zoo onbeschaamd werd bedreven, en hier onder te begrijpen de woeker, die onder den naam van »wissel op tijd" plaats vond.

Ter wegneming der door adressanten in de derde plaats genoemde onevenredigheid der te zware en drukkende belastingen, werd door hen voorgesteld:

a. opheffing der belasting van het hoofdgeld aan de kas tegen de wegloopers, daar deze belasting het meest op de planters drukte, en daarvoor in plaatst te stellen:

b. eene belasting van de 40ste of 80ste penning op colloteraal, verkooping van onroerende goederen, enz; en

c. eene belasting van 4 pCt. op de winst der door Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.

Nadat dit uitvoerig plan door eene commissie uit het Hof onderzocht was, volgden er belangrijke discussiën. Algemeen was men echter van oordeel, dat van de door de adressanten voorgestelde maatregelen tot voorziening en herstel slechts konden worden overgenomen:

1o. het verscherpen van het placaat op den woeker; en

2o. de belasting van 4 pCt. op de winst der door de Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.

Het placaat, dat nu, overeenkomstig dit besluit, tegen den woeker werd uitgevaardigd, behelsde de bepaling, dat er op hypotheek geen hooger intrest dan 8 pCt. mogt worden genomen, en op obligatiën, wissels, carga's enz. ten hoogste 1 procent 's maands, terwijl de boete op de overtreding dezer bepalingen werd gesteld: voor de eerste keer op f 1000 en voor de tweede op f 3000. Doch de woeker hield niet op en de bedreigde straffen werden op onderscheidene wijze ontdoken.

De door adressanten voorgestelde en door het Hof uitgeschreven belasting van 4 pCt. op de winst der door de schippers verkochte goederen gaf aanleiding tot vele moeijelijkheden.

Reeds vroeger, den 1sten September 1755 en den 9den Januarij 1756, had men eene dergelijke belasting uitgeschreven, doch was toen door de herhaalde klagten der schippers genoodzaakt geworden deze op den 17den December 1762 weder in te trekken [464]. Ook nu lieten de schippers zich »deze verkorting hunner regten" gelijk zij deze belasting kwalificeerden, niet welgevallen.

Zij vereenigden zich onderling en weigerden bepaald om deze en zelfs om andere vroeger door hen betaalde belastingen te voldoen; [465] en men moest hun eindelijk toegeven, daar zij anders zwarigheid maakten om de verzochte lading in te nemen.

Een nieuw rekwest van ingezetenen werd nog in hetzelfde jaar, den 7den April 1774, [466] aan het Hof ingeleverd, waarbij op nieuw verzocht werd: om schorsing der vele geregtelijke vervolgingen voor schulden, daar deze zoo gestreng werden doorgezet, dat verscheidene personen hierdoor als tot wanhoop vervielen. Het Hof verklaarde hiertegen niets te kunnen doen, daar het aan het regt zijn loop moest laten. Ook andere rekwesten, waarbij mede op den droevigen toestand werd gewezen, moest men ter zijde leggen, o. a. een den 24 Dec. 1775 door den heer Roux, Raad van Policie ingediend. Er was weinig aan te doen.

De genoemde en andere omstandigheden vermeerderden den nood der Surinaamsche planters en weldra gingen hunne plantaadjes aan de hypotheekhouders in Holland over. [467]

Terwijl de Amsterdamsche kooplieden alzoo in betrekkelijk korten tijd eigenaars der meeste plantaadjes in Suriname werden, kocht de stad Amsterdam, den 19den April 1770, het 1/3 aandeel in de kolonie van de erven van Sommelsdijk, voor eene som van f 700.000, te betalen in drie termijnen [468].

De stad Amsterdam werd alzoo voor 2/3 eigenaar, de W. I. Compagnie, welker leden ook meest te Amsterdam woonden, was het voor het andere 1/3, zoodat, daar Amsterdamsche kooplieden de meeste plantaadjes in eigendom bekwamen, Suriname sedert als het ware eene bezitting of kolonie van Amsterdam kan worden genoemd.

Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde, dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs" kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich rijkdommen en oefenden grooten invloed op den gang der zaken uit.

Dat zij weldra tot groote rijkdommen geraakten is niet te verwonderen. Zonder zelven in het gevaar te verkeeren van groote schade te beloopen, verdienden zij veel geld. Aan sommige Administrateurs werd het beheer van 50, ja 60 plantaadjes opgedragen, en velen trokken jaarlijks 10 à 20 duizend gulden administratieloon; bij enkelen liep dit zelfs tot 30 à 50 duizend gulden, en eenigen ontvingen nog daarenboven van 3 tot 15 duizend gulden voor het waarnemen van lands betrekkingen. [469]

Terwijl in Europa het bezit van geld en vermogen een middel is tot het verkrijgen van magt en invloed, zoo veel te meer is dit in Suriname het geval, waar bijna niets anders dan de magt van het geld gehuldigd wordt en de Mammon de afgod is, aan wien groote vereering geschiedt.

Dat door den steeds vermeerderenden invloed der Administrateurs het lot der slaven verzwaard en in vele opzigten het nadeel der kolonie werd bewerkt, zullen wij in den loop der geschiedenis aantoonen.

Verscheidene vroegere planters waren blijde indien hun de administratie werd toevertrouwd der effecten, die zij vroeger in eigendom bezaten. Zij wonnen zelfs bij deze verandering; in die nieuwe betrekking viel weinig te verliezen, maar veel te winnen, en alzoo konden zij hunne »luxurieuse" wijze van leven voortzetten.

Bij de groote veranderingen, die te dier tijd in Suriname voorvielen, leden voornamelijk de daar aanwezige Joden groote schade. Wel nam hun aantal door de overkomst van verscheidene Poolsche en Duitsche geloofsgenooten aanmerkelijk toe, doch hun rijkdom verminderde en vele hunner plantaadjes gingen in handen van Christenen over.

Verscheidene oorzaken werkten hiertoe mede. Daar de plantaadjes der Joden onder de eerst aangelegden aan de boven Suriname, behoorden, verloren zij ook het eerst hunne vruchtbaarheid, want in Suriname bemest men de landen niet, noch beproeft men den grond, zooals in Europa, te verbeteren.

Tot op het einde van 1750 hielden zij echter hunne plantaadjes vrij en onbelast, maar het steeds vermeerderend verlies van slaven, zoo door sterfte als door wegloopen, noodzaakte hen, om, tot aankoop van nieuwe, groote uitgaven te doen, en ook zij maakten weldra gebruik van den geldaanbieding door het kantoor van Deutz. De tusschen hen, gedurende de regering van Mauricius ontstane tweedragt, had vele kostbare processen ten gevolge, die later voortgezet en, bij elke beuzeling hernieuwd, een groot deel van hun vermogen verslonden. Om hunne uitgeputte kassen eenigzins te hulp te komen, maakten ook zij gretig van de geldaanbiedingen in 1769 en 1770 gebruik--en eenmaal op dien weg gekomen, schreden zij er gedachteloos op voort en plukten spoedig de wrange vruchten.

De toenemende onvruchtbaarheid hunner gronden en daardoor geringe opbrengsten, de vermeerdering der weelde ook in hunnen kring en andere redenen waren oorzaak, dat spoedig vele plantaadjes der Joden onder sequestratie werden gebragt of geregtelijk voor schuld verkocht.

In zekeren zin wedervoer hun hetzelfde als den Christen-planters, maar de gevolgen waren voor hen noodlottiger. De agenten der geldschieters hadden wantrouwen tegen de Joden opgevat en verleenden hun niet dat onbepaald crediet, dat den Christenplanter werd geschonken. Vandaar, dat, indien er eene plantaadje, aan Joden toebehoorende, bij executie werd verkocht, er veel minder door den hypotheekhouder werd verloren dan bij een zelfden verkoop van effecten van Christen-eigenaars.

Indien een Christen-planter zijne plantaadje aan den sequester- of hypotheekhouder moest overgeven, werd hij zelf of een ander Christen als Administrateur benoemd, doch zelden wedervoer een Jood deze onderscheiding.

De door hen aangewende pogingen om gronden aan de rivieren Cottica en de Commewijne te verkrijgen, waar verscheidene nieuwe plantaadjes werden aangelegd, werden op allerlei wijze tegengewerkt.

Hun woelzieke en twistgierige aard, die zij bij vele gelegenheden openbaarden, [470] voedde de vooringenomenheid, die, wel niet zoo sterk als in Europa, maar toch ook in Suriname, eenigermate tegen de Joden bestond. Toen hunne rijkdommen verminderden en men hun dus minder behoefde te ontzien, werden hun verscheidene kleine ambten, vroeger door hen bekleed, niet langer toevertrouwd; hunne regtbank in de Joden Savane kwam in minachting; hunne burgercompagnie werd bij de gewone exercitiën bespot en gehoond; men wilde zelfs een afzonderlijk kwartier voor hen maken en verbieden in andere gedeelten van Paramaribo te wonen. [471] De huizen der Joden werden niet meer, zoo als vroeger, door de Christenen bezocht, noch de Joden uitgenoodigd om vrolijke bijeenkomsten, 't zij openbare of bijzondere, bij te wonen; zelfs de slaven behandelden hen, op voorbeeld der Christen-meesters, met minachting.

Meermalen beklaagden de Joden zich over de ware of vermeende krenking hunner privilegiën bij de directeuren der sociëteit, die hen wel genegen schenen en meermalen in het gelijk stelden.

Ofschoon de Joden niet meer tot vorigen rijkdom opklommen, werd hun toestand onder volgende Gouverneurs verbeterd en herkregen zij later weder meer invloed.

Wij zien uit het hier medegedeelde, dat Nepveu in een veel bewogen tijd aan het bewind kwam. Wel was zijn bestuur rijk aan vele belangrijke doch droevige gebeurtenissen, en werd hij alzoo belet om die verbeteringen daar te stellen, die hij zoo gaarne gewenscht had tot stand te brengen. Hij deed echter wat hij kon. Op zijn voorstel werd »het opzigt over de gemeene weiden," waaronder tevens het toezigt over bruggen, wegen, markten en openbare gebouwen, begrepen was, gescheiden van het collegie van kleine zaken, [472] dat ook eigenlijk meer een regtelijk collegie was. (Zie bladz. 166).

Volgens de instructie werden hiervoor personen benoemd, die in rang gelijk stonden met de jongste leden van het collegie voor kleine zaken, terwijl een Opperhoutvester hoofd en voorzitter was.

Voor de vergaderingen van het Hof van Civiele Justitie werd een perceel voor f 30,000 aangekocht [473] en verbouwd en hieraan tevens kamers voor om schuld gegijzelden verbonden. [474]

Reeds ten tijde van Mauricius was over het oprigten eener drukkerij te Paramaribo gesproken. Mauricius zelf had hiervoor eene afzonderlijke kas gevormd. Onder Crommelin waren ook aanzoeken door belanghebbenden geschied, doch eerst onder het bestuur van Nepveu, in 1772, kwam deze zaak tot stand. De heer Mr. Beeldsnijder-Matroos, secretaris van het collegie van kleine zaken, werd door directeuren »een privilegie van de drukperse" verleend voor den tijd van 23 jaren. [475]

Na de oprigting der drukkerij, vroeg de heer Beeldsnijder Matroos een privilegie, exclusief voor 25 jaren, tot het drukken van alle stukken der beide Hoven, hetwelk hem werd toegestaan. [476] In Mei deszelfden jaars werd door hem een placaat, door het Hof van Policie uitgevaardigd, gedrukt; 50 exemplaren voor de regering, tegen den prijs van f 15, terwijl hij de overige exemplaren aan de ingezetenen voor 10 stuivers mogt verkoopen. [477] Als proef nam hij vervolgens aan, al wat in het eerste jaar door beide Hoven gepubliceerd werd, te drukken voor f 1000. [478] In Augustus 1774 verzocht de heer Beeldsnijder Matroos privilegie voor 25 jaren tot de wekelijksche uitgifte eener Courant en de jaarlijksche van een Heerenboekje, en, na bekomen verlof, zag de eerste Surinaamsche Courant den 10den Augustus 1774 het licht. [479]

Gelijk men meermalen in tijden van achteruitgang ziet gebeuren, dat een volk, ongenegen om zich wegens zijne zonden voor God te verootmoedigen en Hem om hulp en redding te smeeken, zich den zwijmelbeker der vermaken aan de lippen zet, om daarin eene wijle verdooving te vinden, zoo geschiedde dit ook in Suriname. Te dier tijd werd ook de zucht voor het tooneel opgewekt; openbare plaatsen, waar spel en drank de zinnen benevelden, werden opgezocht en nieuwe daargesteld, enz.

Van eene der eerste proeven van Tooneelspeelkunst vindt men in het Journaal van Nepveu het volgende berigt:

»Heeden avond (19 Julij 1773) is door enige liefhebbers een treurspel vertoond, namelijk Sabina en Eponia, alwaar beyde Haar WelEd.Gestr. den heer Gouverneur en den heer Coll Fourgeoud, met diverse heeren en dames geïnviteerd zyn geweest; zeekere Schouten van Amsterdam geboortig, alhier met een nigtje van de seer ryke swarte dame, Nanette Samsom, getrouwt, [480] heeft daartoe een huys met decoratiën laten oppropieren, met de sinspreuk op 't voorgordijn: »Pro Excolenda Eloquentia", wordende de meeste kosten van kleedingen enz. door denzelven gedraagen, gelyk hy ook, zoo in 't Tragique als Commique, wel speelt; 't voorneemen is om alle maanden een vertooning te geeven, 't welk dienen kan: om de ingezeetenen by deeze fataale omstandigheeden van haaren miserable staat eenigzints te distraheeren." (Droevig degenen, die tot dergelyke troost hun toevlugt moeten nemen.) »De Tragedie is zeer wel uitgevoerd, principalyk de moeijelyke rol van Eponia, die door een jongman, genaamd Halloy, admirabel uytgevoert is, synde nog 't wonderlykste, dat niemant, des onbewust, zou hebben kunnen merken, dat het geen vrouw was; eenige jonge advocaten en practisyns vindt men onder de liefhebbers, dat haar teffens voor de Balie kan formeeren." [481]

De Joden, wien geen toegang tot den schouwburg werd verleend, rigtten weldra zelven een liefhebberij-tooneel op. Toen men vernam, dat zij geld aan de voornaamste acteurs wilden geven en, ter bestrijding der onkosten, plaatsbriefjes wilde verkoopen, werd hun dit door het Hof verboden. [482]

In 1775 werd een Hollandsche schouwburg opgerigt, waaraan enkele hoofdacteurs en actrices tegen betaling verbonden werden. Zes à achtmaal in het jaar werden er stukken opgevoerd.

Het volgende jaar geschiedde dit mede door de Joden, waar twaalfmaal in het jaar gespeeld werd. [483]

Van meer belang dan deze poging »om de ingezetenen van hunne miserable staat eenigzints te distraheeren", achten wij de verbeteringen der werktuigen ter zuivering der koffij in 1769 en 1770 ingevoerd. Men leest daaromtrent de volgende bijzonderheden:

In 1769 werd door een Fransche Molenmaker, Simeon, eene machine gemaakt, eene soort van molen, waardoor de koffij, nadat zij geplukt was, van de roode bast werd ontdaan en van de grijn afgezonderd.

Daar de machine redelijk wel voldeed, ontving hij hiervoor van eenige koffijplanters, die zich daartoe verbonden hadden, eene belooning van f 12 à f 1500. [484]

Later werd hierin nog verbetering aangebragt, daar de handmolens naar het model van Simeon »niet sufficent" genoeg waren. Nepveu liet een molen, van raderwerk voorzien, maken, die met slaven of een paard kon worden gedreven. Op deze wijze kon in 50 minuten 1000 pond koffij van de bast worden ontbloot, dat een groot voordeel aan de planters opleverde. Een kleine wrijfmolen, spiraalswijze gemaakt, loopende in een ton, om de witte bast af te schillen, voldeed ook beter dan de ordinaire wijze van zwaar stampen, waardoor vele boonen geplet en gebroken werden. [485]

Waren er door de finantieele verwikkelingen reeds groote onheilen over de kolonie gekomen, zij werden nog in ruime mate vermeerderd door den oproerigen geest, die zich onder de slaven openbaarde.

Door vreesselijke mishandelingen getergd en tot wanhoop gebragt [486], vlugtten zij in grooten getale en vereenigden zich in onderscheiden benden en liepen het land af, overvielen en plunderden de plantaadjes, overrompelden en bestreden zelfs soms met goed gevolg de militaire posten.

Te vergeefs trachtte Nepveu zoo veel mogelijk, door uitbreiding en betere organisering der middelen van verdediging, dit kwaad te stuiten.

De militaire posten werden versterkt en uitgebreid; [487] en niettegenstaande de heftige tegenstand der Raden, uitvoering aan het plan van Nepveu gegeven, om een militair cordon om het gebouwde gedeelte der kolonie te trekken, ten einde het wegloopen der slaven te beletten en de plantaadjes te beveiligen [488]. Een corps van vrije negers en mulatten werd in 1770 opgerigt. Dat corps stond niet onder de bevelen van den burgerkrijgsraad, maar onder die van Gouverneur en Raden en specialijk onder commissarissen van de kas tegen de wegloopers, en had zijne eigen officieren. Alle vrije en gemanumitteerde slaven, van 14 tot 60 jaren, waren verpligt, hiertoe opgeroepen wordende, bij dat corps dienst te doen. In werkelijke dienst ontvingen zij daags twee schellingen soldij, provisie en kost. Wierden zij door ontvangen kwetsuren later verhinderd in hun eigen onderhoud te voorzien, dan geschiedde dit op 's lands kosten. [489]

De 12 bataillons militairen, in dienst der sociëteit, werden in 1772 met 25 man vermeerderd, zoodat toen de krijgsmagt, ten minste op het papier, 1200 man bedroeg. [490] Door ziekte waren echter vele soldaten buiten staat dienst te doen, [491] terwijl het bezetten der militairen posten vele manschappen vereischte. [492]