Geschiedenis van Suriname

Part 24

Chapter 243,571 wordsPublic domain

2o. »Dat een ieder, (als bij art. 1 is omschreven) wanneer hem door een blanke of slaaf berigt wordt, dat een slaaf op buytengewoone wijze om 't leeven was gekoomen, verpligt werde om zich bij zijn twee naaste buuren te vervoegen om met haar het doode ligchaam te inspecteeren, en van den staat waarin en de vermoedelijke oorzaak daarvan, zij zulks bevonden, eene geteekende verklaring af te leggen;"

»dat eerst hiernae het ligchaam mogt begraaven worden en dat tot het afhouwen van het hoofd, om dit op een staak ter exempel te stellen, eerst hiertoe verlof aan den fiscaal moest gevraagd worden, terwijl de buren, die op het verzoek weigerden te komen, beboet zouden worden voor de eerste keer met f 500, de tweede keer het dubbele dier som," enz.

3o. »Dat de straffen bij 't 15de artikel van »het reglement voor de blanke bedienden," de dato 21 December 1759, als ordinaire straffen gepermitteerd, egter niet anders zullen moogen geappliceerd worden, als los en liber, zonder den slaaff te mogen opbinden; ingeval egter zoodanige slaaff niet zoude willen staan, dezelve niet opgeheschen maar aan een paal gebonden, en dus gezweept worden."

4o. »Dat, ingevalle door den meester off op deszelfs schriftelijke ordre, ingevolge voorzegd reglement eenige andere off meerdere straffen zouden moeten geoeffend worden omtrent de slaaven, zulks niet zal moogen geschieden dan in bijzijn van twee blanken, buyten dengeene die de straffen oefent, hetzij bedienden der plantaadje of buuren of andere: om indien er soms een ongeluk gebeurde te kunnen getuygen, enz." [422]

Dit voorstel van Crommelin vond geen onverdeelden bijval. De heeren Raden, na hunne gedachten rijpelijk over dit voorstel te hebben laten gaan, verklaarden: »dat zy, zoowel als syn WelEdel Gestrenge overtuigt waaren van het misbruyk van veele bestierders, door het mishandelen der slaaven; dat er meede wel enkelde eygenaaren konden zyn, die soo boos van aard waaren, dat zy zig niet ontsagen tegen haar eigen kapitaal te woeden, ofschoon zy hun welweezen daarvan moesten hebben, dog dat egter van de laatste weynige soodaanige gedenatureerde lieden gevonden wierden, daar in tegendeel het getal der eerstgenoemden abundeerde, waardoor meest alle sessiën van den Hove, men genoodzaakt was dusdaanige baldaadigheeden te straffen, maar aan den anderen kant" (hierop volgde de oude redenering over den hardnekkigen aard der slaven, die slechts »door vrees van swaare straffe," tot hun pligt konden worden gebragt) »oordeelen zy dat, ofschoon een eigenaar zich nimmer het regt van leeven en dood over slaaven moet arrogeeren, het evenwel van de uyterste importantie is dat de slaaven niet uyt dat denkbeeld gebragt worden, dat hun meesters het Jus vite denecis hebben, en dat zy niet te beteugelen zouden zijn, indien haar bewust was dat haar meester over het doodslaan van een slaaff aan lijff of leven gestraft zou kunnen worden."--De Raden verklaarden zich, na deze hier veel verkorte voorafspraak, tegen het eerste artikel; vermeenden, wat het tweede betreft, dat het getuigenis van een bediende genoegzaam ware, en dat de meester voor het stellen van het hoofd eens gestorven slaafs op eene staak, verlof aan den fiskaal moest vragen, indien de plantaadje digt bij de stad lag, doch anders met het geven van berigt hiervan kon volstaan. Het derde artikel werd goedgekeurd, doch het vierde vonden heeren Raden »seer impracticabel, terwijl men bij de castydinge van slaaven, soo altoos om geen blanken souden kunnen senden om present te syn, en dat ook daardoor de zoo noodige authoriteyt der blanken zoude worden gevilipendeerd, terwyl men de slaaven uyt een afkeer voor de ceremonieel en de difficulteyten om daaraan te voldoen, meerendeels ongestraft souden laaten, tot ruïn der plantagiën"--en zij rekenden, »dat het van seer gevaarlijke consequentiën souden syn, byaldien de slaaven ondervonden, dat men hun selfs niet van importantie castyden mogt als in presentie van getuygen."--Na uitvoerige discussiën werd het voorstel van Crommelin gealtereerd naar de consideratiën der heeren Raden in een resolutie geconverteerd. [423]

De klagten over ongeregeldheden der talrijke huisslaven, enz. in Paramaribo werden dikwijls herhaald. Even als Mauricius, schreef Crommelin de voorname oorzaak hiervan toe aan de overtollige luxe, »het houden eener onnutte sleep van een legioen huisslaven." Hij drong er zeer op aan dat de fatsoenlijke lieden zich, in plaats van door »swarte negers," door »blanke livry-bedienden" lieten bedienen, daar men dan ook ligter het legioen huisslaven ontberen en dezen naar de plantaadjes kon zenden, waardoor de kolonie beter zou worden gebaat. [424]

Later werden eenige bepalingen daaromtrent gemaakt, maar deze vonden zooveel tegenstand, dat men genoodzaakt werd ze weder in te trekken. Voornamelijk kwamen de joden hier tegen op, die vermeenden hierdoor in hunne privilegiën verkort te worden. [425]

De zoo dikwijls door de sociëteit geëischte vermeerdering van blanke bedienden voor de plantaadjes, ten einde beter toezigt op de slaven te kunnen uitoefenen, werd gedurig onder allerlei voorwendsels uitgesteld.

De Raden wenschten dat de sociëteit een regiment militairen afdankte: »hierdoor toch," vermeenden zij, »zouden de lasten der kolonisten worden verminderd en verscheidene dier afgedankte militairen zouden zich wel voor eene geringe som als blanke bedienden willen verbinden." [426]

Niet slechts werden de slaven door hunne meesters vaak wreed behandeld, maar ook de straffen, hun door het Hof opgelegd, getuigden van dezelfde wreedheid.

De onmenschelijke straf, waarbij slaven in den haak werden opgehangen, werd ook, tijdens het bestuur van Crommelin, meermalen toegepast. Soms sloeg men hen den haak door de ribben, soms door het vel, en--alsof de vreeselijke pijnen, die de aldus gehangene leed, nog niet genoegzaam waren--werd de straf nog verzwaard door het nijpen met gloeijende tangen in de vleeschzige deelen van den tusschen hemel en aarde zwevende ongelukkige. [427] Het levend verbranden der slaven was zeer gewoon. Op verzoek der meesters vond die strafoefening dikwijls op de plantaadjes plaats.

En toch nam, niettegenstaande deze wreede straffen, het wegloopen der slaven toe. De tot hunne opsporing uitgezonden commando's keerden doorgaans onverrigter zake terug. De vermetelheid der wegloopers vermeerderde, en de kassen werden uitgeput. [428]

Droevig en somber is het tafereel dat zich voor de oogen vertoont dergenen, die het waagt een blik te slaan in de officieele bescheiden der kolonie Suriname. De naakte werkelijkheid is vreeselijker dan de versierde verdichting. Geen romanschrijver zou het wagen, om zijnen lezers het verhaal der gruwelen te doen, hetgeen de geschiedschrijver--wil hij de waarheid getrouw zijn--verpligt is te leveren.

Als een kanker knaagde de worm der slavernij in Suriname aan ieder ontluikend spruitje, dat, bij behoorlijke verpleging, tot bloei en welvaart der kolonie had kunnen strekken.

Noch de voordeelen van een gunstigen koffij-oogst, [429] noch de stijgende prijs der andere stapel-producten, [430] noch de gelukkige afloop eener krijgstogt tegen de wegloopers van Para, [431] noch het zich weder vermeerderende crediet der kolonie bij de Amsterdamsche kooplieden vermogten Suriname tot wezenlijken bloei en welvaart brengen. Integendeel, die voordeelen van het oogenblik, deden de oogen voor het meer en meer naderend verval de kolonie sluiten, en, onder Crommelins opvolger werd Suriname aan den rand des afgronds gebragt.

Crommelin verlangde naar rust; ruim 20 jaren had hij in de kolonie doorgebragt. In 1748 tot Commandeur benoemd, werd hij spoedig in strijd gewikkeld. Dat hij de partij van den door velen gehaten Gouverneur Mauricius koos, werd hem door vele der aanzienlijke inwoners zeer ten kwade geduid, en de haat tegen hem vermeerderde, toen hij eerst a. i. en later als werkelijk Gouverneur door zijne handelingen toonde, een »echt sociëteitsman" te zijn.

Eenige jaren, van 1756 tot 1760, gingen vrij kalm voorbij, maar na dien tijd werd de geest van tegenstand in de kolonie jegens de sociëteit en den Gouverneur weder sterker. Die geest was door den hevigen strijd tegen Mauricius aangevuurd, doch, als natuurlijk gevolg van reactie, op uitputting was eene verdooving gevolgd, die de schijn van kalmte droeg, zonder er de wezenlijkheid van te bezitten. Er was alzoo weinig noodig om het slechts gesmoorde vuur der tweedragt weder in lichterlaaije vlam te doen opstijgen.

Sommige onstaatkundige maatregelen der sociëteit en de ijver van Crommelin om dezen, trots alle tegenstand, door te zetten, gaven het sein tot eene vernieuwde worsteling tusschen de Raden van Policie en andere ingezetenen, en den Gouverneur. Een tweede Duplessis, zekere heer Steenmeijer, trad als kampvechter voor de ware of vermeende regten der kolonisten op, en de Raden lieten zich door dezen man beheerschen [432] en, gelijk wij zagen, nieuwe tooneelen van twist en tweedragt vielen in en buiten de Raadkamers voor.

Het was dus niet te verwonderen dat Crommelin naar rust verlangde. In het begin van 1768 verzocht hij den Directeuren der sociëteit verlof tot het doen van eene reis naar Nederland. Dit verlof werd hem verleend, en den 22sten November 1768 gaf hij het bewind over aan Jan Nepveu, die als Gouverneur a. i. werd aangesteld.

Crommelin bleef echter nog een vol jaar in de kolonie wonen, doch, hoewel tot het ambteloos leven teruggekeerd, scheen zijn wrevelig korzelig humeur eer toe dan af te nemen. Vooral ondervond zijn opvolger, Jan Nepveu, hiervan vele onaangename blijken. [433]

Nepveu was vroeger de vertrouwde vriend van Crommelin geweest, maar die vriendschap was sedert zeer verkoeld, waartoe verscheidene omstandigheden hadden bijgedragen. Vooral werd Nepveu door Mevrouw Crommelin bemoeijelijkt. Verscheidene voorvallen lezen wij daarvan in het Journaal van Nepveu, als o. a.: dat zij het gouvernementshuis niet voor den nieuwen Gouverneur wilde ruimen [434]; dat zij bij zijne installatie »geen kopje zelfs wilde geven;" [435] dat zij »selfs weigerde water uit den regenbak te geven, de eerste ryze dat het sedert zes weken gevraagd werd" [436]; en meer dergelijke kleinigheden, die, wel is waar, nietig en onbeduidend zijn, doch een bewijs der onderlinge verhouding geven.

Terwijl Crommelin zich nog in de kolonie bevond, verzocht hij om zijn bepaald ontslag; ook dit verzoek werd hem toegestaan, en Nepveu den 5den Februarij 1770 definitief in zijne plaats tot Gouverneur van Suriname benoemd en den 8sten Maart plegtig geïnstalleerd. [437]

Bij den maaltijd te dezer gelegenheid gegeven, had men 60 couverts in de bovenzaal; in eene andere twee tafels, ieder van 40, en beneden mede eene van 80 couverts, terwijl een afzonderlijke disch was aangericht voor de joodsche regenten, en daarenboven, buiten in een opgeslagen loods, van 150 voet lang, eene voor de mindere bedienden der sociëteit, schippers der koopvaardij-vaartuigen en andere ingezetenen.

Aan goeden sier, aan overvloed van spijzen en dranken ontbrak het niet, en alles liep zonder eenige stoornis af. Eene illuminatie en een vuurwerk besloot het feest van dien dag. [438]

Den volgenden dag werd het feest voortgezet. Ten huize van Nepveu was eene groote receptie van dames, en des avonds bal op het gouvernementshuis.

Toen mevrouw Nepveu en de andere dames zich ter bijwoning van het bal naar het gouvernementshuis begaven, vormden zij eene luisterrijke optogt. De kapitein van het ter reede liggend oorlogsschip de Castor, Hoogwerf, en zijne officieren, die hiervan getuigen waren, verwonderden zich ten hoogste iets dergelijks in de West-Indië te ontmoeten, waarbij »de optooysels naar de smaak en de kostelijkheid van kleeding en juweelen" verre hunne verwachting overtrof [439].

Den 16den Maart 1770 was Nepveu, op verzoek der regenten van de Hoogduitsche Israëlietische gemeente, bij de publieke gebeden in de synagoge tegenwoordig. De ingang der synagoge was versierd [440].

In October van hetzelfde jaar werd Nepveu op der Joden Savane gehuldigd en vele ceremoniën en feesten hadden daarbij plaats [441].

Indien men naar de feesten en partijen, die veel geld kostten [442]; indien men naar de te dien tijde heerschende pracht en overdaad den toestand van Suriname wilde beoordeelen, zou men tot het besluit komen, dat de kolonie toen eene buitengewone mate van bloei en welvaart genoot.

Er was nog meer dat dit deed vermoeden. De stad Paramaribo werd jaarlijks vergroot en uitgelegd, en toch stegen de huurprijzen, er was bijna geen huis te verkrijgen [443]; het aantal paarden en rijtuigen »enkel uit luxe en pracht," vermeerderde gestadig, zoodat eene verhoogde belasting hierop werd uitgeschreven [444]; op de plantaadjes werden groote kostbare gebouwen opgerigt, die zelfs de bewondering van vreemden opwekten [445].

Dan al die weelde, al die overdaad, al die pracht was slechts schijn, waarachter een wijle het toenemend verval der kolonie verborgen werd gehouden,--en, terwijl »de weelde en overdaad de luyden het hoofd deed draaijen, niet weetende van hoogmoed op wat voet zij staan wilden,--bragt de luxerieuse wijze van leven te Paramaribo nog meer toe tot vermeerdering der onheilen dan alle andere verliezen." [446]

De achteruitgang van Suriname was niet tegen te houden.

Er rustte geen zegen op het door afpersing van arme slaven verworven geld. Het werd roekeloos verspild, en Suriname's ingezetenen stapelden dwaasheden op ongeregtigheden, en ongeregtigheden op dwaasheden, en bereidden alzoo zelven den ondergang voor. En ofschoon Nepveu een bekwaam en door ondervinding geleerd man was, kon hij echter den stroom van onspoed niet tegenhouden, waarin zoo vele kapitalen werden verzwolgen. Had het in zijne magt gestaan, hij had dit gedaan, want het ontbrak hem bij goeden wil en energie, ook niet aan de noodige kennis der kolonie.

Sedert 1734 toch had hij in Suriname vertoefd en was eerst, na alle rangen te hebben doorgeloopen, tot de hoogste waardigheid, die van Gouverneur, opgeklommen. Trouw en eerlijk in zijn handel en wandel had hij niet slechts zich de achting en het vertrouwen der sociëteit verworven, ook door andere belanghebbenden (de geldschieters, zie bladz. 261) werden zijne verdiensten erkend, en zelfs was de oppositie, vroeger zoo levendig, tegen hem verminderd. Hoewel hij in belangrijke zaken pal stond, gaf hij in kleinigheden, waar hij dit vermogt, toe, en daardoor werd mede de verhouding tusschen Nepveu en de kolonisten van vriendschappelijker aard dan zij bij Mauricius en Crommelin geweest was.

Niets echter kon, zoo als wij vroeger aanmerkten, het naderend verval der kolonie stuiten; ook de bekwaamheid van Nepveu kon de onheilen niet afweren, die de Surinaamsche planters zich zelven berokkenden door hunne wreede behandeling der slaven, door hunne roekelooze verkwisting en door hun ligtvaardig gebruik maken van het voor een tijd weder vermeerderd crediet.

Deze ligtvaardigheid, die zulke nadeelige gevolgen had, zullen wij thans een weinig verder beschouwen.

Reeds in 1751 was er door het kantoor van Willem Gideon Deutz eene geldleening van een millioen gulden, onder verband der plantaadjes, met de Surinaamsche kolonisten aangegaan; (zie bladz. 233-236) vele kunstenarijen en bedriegelijke opgaven, die daarbij gepleegd waren, kwamen in 1765 en 1766 aan het licht toen door de opvolgers van Deutz (Marselis) eenige der verhypothekeerde plantaadjes onder sequestratie werden gebragt of verkocht. Het crediet in de Surinaamsche planters werd hierdoor zeer geschokt, en het kostte veel moeite om een ander Amsterdamsch handelshuis, dat van den heer van de Poll, te bewegen op nieuw een millioen gulden à 6 percent voor te schieten, (zie bladz. 261-62).

Sedert waren de omstandigheden in Suriname niet verbeterd. De kolonisten toch waren op dezelfde wijze voortgegaan om hunne slaven door wreede behandeling tot wegloopen te brengen, tot bloedige wraakneming op te zetten, en om aan den anderen kant hunne wankelende fortuinen door weelde en overdaad te verspillen. Dit alles moest, zou men zeggen, genoegzaam geweest zijn om de Hollandsche kooplieden af te schrikken verdere geldleeningen ten behoeve van Suriname te sluiten, maar er was ter dien tijd overvloed van geld in Holland en men wilde geld uitzetten. En nu dacht men--men denkt zoo gaarne hetgeen men wenscht--dat de Surinaamsche planters door de geregtelijke vervolgingen, op last der Amsterdamsche handelshuizen geschied, geleerd zouden hebben niet zoo ligtvaardig te handelen en beter orde op hunne zaken te stellen. En toen eene togt tegen de wegloopers met nog al gunstige gevolgen was bekroond, die echter zeer vergroot in Holland werden voorgesteld; toen een voordeelige koffijoogst twee jaren achter elkander plaats vond en daarbij een goeden prijs voor de andere stapel-producten te bedingen was, toen werd het vertrouwen der Hollandsche kooplieden in Surinaamsche planters verlevendigd.

In 1769 en in het begin van 1770 hoorde men in de kolonie bijna van niets dan van verschillende plannen om geld aan de planters voor te schieten. »Het was als of de gouden eeuw wederom voor de kolonie geopend ware;" merken de schrijvers der Historische Proeve aan [447], »de rampen van den voorgaanden oorlog, de tegenspoeden, zelfs de vijandelijkheden der Marrons, alles werd, in een woord, vergeten, en de kolonisten, dronken van ingebeelden voorspoed, rekenden zich reeds de gelukkigste van geheel Amerika."

Verscheidene der fondsen echter, die men in Holland voor Suriname bestemd had, waren noch op goede beginselen, noch op vaste en duurzame verzekeringen gevestigd. Het had bij eenig nadenken achterdocht moeten verwekken, dat sommige agenten van Hollandsche kantoren zoo kwistig met de aanbieding van geld te werk gingen.

In de meeste straten van Paramaribo toch vond men agenten, van procuratiën voorzien, om den eerstkomende geld op renten aan te bieden. Het gegronde vermoeden, dat deze agenten, die bij provisie eenige percenten van de te leveren gelden ontvingen, in de eerste plaats hun eigen voordeel beoogden, kwam niet in aanmerking. Suriname's ingezetenen waren verblind en verbijsterd door het voorgespiegeld geluk. En deze verblinding en verbijstering deelden zich aan alle klassen der maatschappij mede. Sommige aanzienlijken wenschten hunne bezittingen tot den hoogsten prijs te verkoopen: om zich daarvoor andere, beter gelegene, aan te schaffen; anderen wilden het aantal hunner effecten vermeerderen, en personen, die naauwelijks het noodige tot hun eigen levensonderhoud bezaten, werden begeerig om eigenaars van plantaadjes, grondbezitters, dat zoo deftig klonk en zoo veel aanzien gaf, te worden.

Deze laatsten vooral werden hiertoe bewogen door zekeren La Croix, agent van het kantoor van Schouten en Valens. Deze La Croix, »de doortrapste van alle agenten," [448] had onbepaalde orders om over geld te beschikken. »Toen wilde alle man, Christen, Jood, handwerksman, ja, zelfs schoenmakers, die geen stuiver in de wereld had om 't noodige leer tot zijn ambacht te koopen, planter worden; en mijnheer de agent maakte met een enkele pennestreek veel rasser landbouwers en planters, dan eertijds Pyrrha menschen wist te maken, door het werpen van steenen; zoodat men van niets anders hoorde dan van koopen en verkoopen, en geduriglijk, dat schoenmakers, losbollen, slagers en dergelijk slag van lieden, groote hanzen wierden; waarvan 't gevolg was, dat verkwisting, overdadige geldverspilling en toomelooze weelde in de kolonie aan de orde van den dag werden." [449]

Om over groote sommen te kunnen beschikken, werden de ongeoorloofdste middelen gebezigd. Omgekochte priseurs schatten de plantaadjes drie à viermaal boven de waarde; reeds verhypothekeerde effecten werden, als vrij en onbelast, meer dan ééns verkocht, enz. enz. Verscheidene malen werden door het Hof tegen deze handelwijze placaten uitgevaardigd, en nu en dan schelmachtige priseurs, enz. gestraft [450], doch ook deze maatregelen baatten niet genoegzaam om »de kwade practijken" te beletten.

De onnatuurlijke toestand, waarin Suriname nu verkeerde, kon niet lang blijven bestaan; ook dat uiterlijk voorkomen, die schijn van geluk, had weldra een einde.

De koopers van plantaadjes, die geld van soliede kantoren hadden opgenomen, ontvingen op behoorlijken tijd betaling hunner getrokken wissels, maar om van de opbrengst hunner effecten de interesten en aflossingen der opgenomen kapitalen te doen, viel hen weldra te zwaar; want, in den regel hadden zij hunne plantaadjes veel te duur gekocht, en de geringste tegenstand, een minder voordeelige oogst [451], de verhoogde prijs der slaven [452], maakten het hun onmogelijk, hunne verpligtingen na te komen en hunne goederen gingen over in de handen der geldschieters, die er echter dadelijk aanzienlijk bij verloren.

Anderen, en hieronder verscheiden »nieuwbakken planters," die op agenten als La Croix vertrouwd en wissels, op order dier agenten, op hunne correspondenten hadden afgegeven, en zij, die deze wissels hadden geëndosseerd, ondervonden de gevolgen van hunne ligtvaardige en onvoorzigtige handelwijze. Bijna al die wissels kwamen met protest terug. Alleen in de voorjaarszitting van het Hof van Civiele Justitie was het getal der behandelde zaken, door deze fatale wissel-protesteering, tot 240 aangegroeid; anders bedroeg het slechts 60 à 80. [453]

In hetzelfde Hof hadden toen verscheidene pleitgedingen plaats over de kwestie: of de mandatarissen van de geldschieters in hun privé aansprakelijk waren voor de met protest geretourneerde wisselbrieven, door hen q.q. geëndosseerd. [454]

Het Hof besliste in een tegenovergestelden zin. De eisch, om op de mandatarissen de geleden schade te verhalen, werd ontzegd en de eischers gecondamneerd in de kosten van het proces. [455]

Zoo werd dan de kolonie Suriname in korten tijd beladen met eene schuld van 50 millioen gulden aan Hollandsche kooplieden. [456] Geregtelijke verkoopingen van de verhypothekeerde plantaadjes, geregtelijke vervolgingen van hen, die hunne geldelijke verpligtingen niet konden nakomen, deden velen uit den zoeten droom van ingebeelden rijkdom ontwaken.

Het Hof van Civiele Justitie kon bijna alle hangende zaken niet beregten en de exploiteur werd overstelpt met werkzaamheden, om de geslagen vonnissen ten uitvoer te leggen.

Daarbij liet het kantoor van den exploiteur veel te wenschen over. Een jong mensch, van Rees, door Crommelin, tegen den zin van Raden, tot deze belangrijke betrekking benoemd, had veel verwarring veroorzaakt, en was eindelijk uit de kolonie gevlugt, een groot deficit in de kas achterlatende. [457] Er was een ander aangesteld en Nepveu had hier veel verbetering aangebragt. Het tractement van den eersten exploiteur was van f 2000 tot f 4000 verhoogd, dat van den eersten substituut van f 500 tot f 1000, van den tweede tot f 800 en van den derde tot f 600, terwijl de emolumenten werden verminderd. [458] Maar niettegenstaande deze verbetering en de betere salarissen der substituten waren de te doene exploiten zoo menigvuldig, dat hun getal op nieuw moest vermeerderd worden. Bij resolutie van het Hof van Policie werd den exploiteur tot assistentie een vierde substituut, op een tractement van f 600, gegeven en hem vrijheid verleend, om op eigen kosten, een vijfde aan te stellen. [459]