Part 23
In 1764 vertoefden de Fransche kapitein Mauvant en de heer Douzet in Suriname en vóór hun vertrek naar Cayenne deelden zij Crommelin mede, dat zij voornemens waren om hunne reeds aldaar bestaande etablissementen verder uit te breiden tot in Rio Amano, slechts 5 uren van de Marowyne gelegen. Zij vreesden te eeniger tijd met de Aukaner Boschnegers, die toen met de blanken in vrede leefden, in onaangenaamheden te komen. Die boschnegers toch strekten hunne dorpen tot over de Marowyne uit, »hetwelk," volgens het oordeel dier heeren, »het terrain van den Koning van Vrankrijk was," »en indien die boschnegers beproefden hunne etablissementen eenig molest aan te doen, of indien zij hunne slaven ophielden, zoo zoude men ze tot over de Marowyne verjagen, doch nu zou het hun echter leed doen, indien ter oorzaake van dat volk" (de boschnegers) »eenige differentiën tusschen beide koloniën ontstonden." Om dit te voorkomen, stelden zij aan Crommelin voor eene commissie van Franschen en Nederlanders ter regeling dezer zaak in te stellen of andere maatregelen te verordenen. Crommelin, die de kwestie over de grensscheiding wilde vermijden, gaf een ontwijkend antwoord:--»hij rekende zich hiertoe niet bevoegd en zoude er dadelijk de Directeuren kennis van geven."
Ten einde voorloopig alle disordres en misverstanden te voorkomen, stelde de Gouverneur aan het Hof voor: om te trachten de Boschnegers te bewegen zich liever aan deze zijde der Marowyne te vestigen en om hun vooral te waarschuwen den Franschen geene overlast aan te doen. Dien overeenkomstig werd besloten [391]. Het later daaromtrent ontvangen schrijven van H.H. Directeuren getuigde van denzelfden ontwijkenden geest. De genoemde etablissementen der Franschen namen echter niet zeer op. Deserteurs berigtten, dat van de 10,000 arbeiders, die er toch nog slechts korten tijd hadden vertoefd, reeds 5000 bezweken waren; dat de overblijvenden er zich zeer ongelukkig gevoelden en dat de meesten, zoo de overtogt over de Marowyne niet zoo moeijelijk en de verdere weg niet zoo ongebaand ware, reeds de wijk naar Suriname zouden hebben genomen, waartoe verscheidene complotten werden gemaakt [392] [393].
De in 's lands dienst zijnde kapitein Bogman deed in 1765 eene togt naar de Marowyne, om de nieuwe volkplantingen der Franschen aan den anderen oever op te nemen. Zijn destijds gehouden Journaal, in de Notulen van 6 Aug. 1765 geïnsereerd, behelst hierover vele belangrijke bijzonderheden, die wij ons noode wederhouden om mede te deelen; het stemt in de hoofdzaken met het door de Deserteurs vermelde over een, namelijk: dat de toestand der volkplanters treurig was [394]. De Fransche regering liet in 1766 aan de Marowyne eene redoute opwerpen voor geschut enz. Men vermeende hierin vijandelijke bedoelingen tegen Suriname te zien, maar na het daaromtrent gedane onderzoek bij den Gouverneur van Cayenne, werd die ongerustheid weggenomen. Het was slechts een maatregel om het gestadig wegloopen der arbeiders en slaven te verhinderen [395].
De tijding van den vreesselijken slavenopstand in de naburige kolonie Berbice kwam in Mei 1763 in Suriname aan en verontrustte aldaar zeer de gemoederen. De Gouverneur van Berbice, Hogenheim, vroeg hulp en bijstand, en men besloot 75 man militairen daartoe beschikbaar te stellen en daarenboven 25 man, die later tot 40 man werden vermeerderd, ter versterking van de post aan de Corantijn te zenden.
Die vreesselijke slavenopstand is door Hartsinck in zijn eerste deel over Guiana van bladz. 369-517 uitvoerig beschreven. Die hieromtrent nadere bijzonderheden wenscht te weten, zoo over den oorsprong, den voortgang, de eindelijke demping van den opstand, als over de barbaarsche straffen die men de gevangen genomen hoofden der opstandelingen deed ondergaan, verwijzen wij naar het verhaal van genoemde schrijver. Wij bepalen ons met er slechts in zooverre melding van te maken als Suriname er mede in gemoeid werd.
De Hollandsche schippers waren niet zeer genegen om de hulptroepen naar de Berbices over te brengen en zochten allerlei uitvlugten. Men werd alzoo genoodzaakt tot vreemden de toevlugt te nemen en met veel moeite werd eindelijk de Engelsche schipper Buckmaster hiertoe overgehaald voor f 1200 Hol. [396] [397].
De naar de Corantijn gezonden troepen moesten voornamelijk dienen om te beletten, dat de te Berbice opgestane slaven zich in Suriname vestigden en met de slaven aldaar, over wier gezindheid men steeds vrees koesterde, gemeene zaak maakten en ook hen tot opstand bewogen. Het detachement soldaten echter rebelleerde en verscheidene derzelven voegden zich, tot elks verwondering, bij de muitende slaven van Berbice. Na de demping van den opstand werden de later gevangen genomen soldaten met den dood gestraft.
Een ander onheil van dezen vreesselijken opstand was de verwoesting van het zendingsstation der Hernhutters onder de daar wonende Indianen. De aanleiding tot deze verwoesting, de nadere bijzonderheden en de droevige gevolgen derzelve zullen wij bij de latere afdeeling van ons werk, die meer bepaald aan de zending gewijd is, behandelen. Nu slechts een enkel woord over de Indianen zelven.
De Indianen, de oorspronkelijke inwoners des lands, leefden hier en daar in kleine dorpen door de kolonie verspreid. Met de Europeanen stonden zij voortdurend op goeden voet; van tijd tot tijd bewezen zij den tegenwoordigen heeren van het schoone land, dat hun eenmaal toekwam, gewigtige diensten. Zij dienden hen als gidsen door de bijna ondoordringbare wouden van Suriname ter opsporing van de kampen en dorpen der weggeloopen slaven. Soms namen zij een nog werkdadiger aandeel aan den strijd tegen deze laatsten en streden aan de zijde der blanken; soms deden zij op eigen hand, doch met goedvinden van Gouverneur en Raden, strooptogten tegen de Marrons en bragten de gevangenen of de handen der gedoodden te Paramaribo, om de daarvoor gestelde premien te ontvangen [398]. Dit bloedgeld bragt hen echter weinig wezenlijk voordeel aan, het ging doorgaans spoedig in de zakken der Vettewariers en andere winkeliers over. Eenige snuisterijen werden tot veel te hoogen prijs gekocht, voornamelijk echter werd hiervoor rum of dram aangeschaft [399]. Meermalen kwamen talrijke troepen Indianen in de stad. Zij namen doorgaans hun intrek bij den Indiaanschen tolk, die er soms honderd te gelijk bij zich herbergde. Daar bij de nieuwe brandkeur (25 Mei 1763) bepaald was, dat in de stad Paramaribo niet langer huizen of schuren met Pina-bladeren mogten gedekt worden, vroeg de Indiaansche tolk verlof om een dergelijk gebouw tot tijdelijk verblijf der Indianen op de Savane buiten de stad te mogen oprigten, hetgeen hem toegestaan werd.
Om de Indianen in eene goede stemming te houden werden zij, tijdens hun verblijf in de stad, in den tuin van het Gouvernement onthaald en hun toegestaan te baljaren. In de dagboeken der onderscheidene Gouverneurs wordt hiervan dikwijls melding gemaakt.
Een hunner opperhoofden had eene reis naar Holland gemaakt. Bij zijne terugkomst in Suriname vertoefde hij, voor zich naar zijn dorp te begeven, eene groote maand te Paramaribo. Hij werd bijna dagelijks door Crommelin ter maaltijd genoodigd en hij gedroeg zich aan de tafel niet slechts »ordentelijk, maar diverteerde het gezelschap, waaronder zich de heer Crommelin en de Raad Fiscaal bevonden, met een verhaal van al hetgeen hy in Europa gezien heeft, en toonde sig ten uyterste geloueert over al de goedheden, die H.E.G. Achtb. voor hem gehad hebben,"--»synde" vervolgt het Journaal van Crommelin, »te verwonderen, dat in soo korten tyd soo geciviliseert is geworden, waarvan veel goeds te hoopen is" [400].
Het getal der Indianen nam gestadig af. Hunne neiging tot geestrijke dranken door den omgang met de Europeanen gevoed, was hiervan eene voorname oorzaak. De gedurige kampstrijd der elkander vijandige stammen bragt mede hiertoe veel bij. Met hevigheid en vernielende woede werd dien strijd soms gevoerd. Onder velen slechts dit weinige. In 1758 kwamen eenige Indianen bij Crommelin en verzochten hem om geweren, kruid en lood, ten einde een dorp van Indianen, genaamd Piano-lotto of Akouris te attaqueren. Crommelin trachtte hen tot vreedzamer gedachten te brengen en dit scheen hem te gelukken--doch eenige dagen later kwamen zij terug en nu met brandende wraaklust bezield. De Akouris hadden hen in den nacht overvallen en 48 van hen en daaronder 6 opperhoofden gedood. Deze daad kon niet ongewroken blijven, slechts in het bloed der vijanden was dezen hoon af te wisschen. De zaak werd voor het Hof gebragt en men stond hun verzoek om wapenen toe, en zij moordden en verdelgden elkander en bragten daarna eerlijk de geleende geweren terug [401].
Enkelen Indianen werden nog door de blanken onder den naam van »Roode slaven" in slavernij gehouden en ook nog na den tijd van Mauricius, bragten de Bokken-ruilders soms de roode menschen uit de digte wouden tot dat doel in de stad [402].
Eene der belangrijkste gebeurtenissen tijdens het bestuur van Crommelin was de reeds door Mauricius geprojecteerde, doch eerst door Crommelin tot stand gebragte vrede, met de boschnegers van Auka en Saramacca [403].
Het kostte evenwel nog al eenige moeite om dien vrede te bewaren. Over het zenden van geschenken en de rigtige verdeeling derzelve, ontstond meermalen verschil en de weigering der regering om hun het door hen verlangde kruid te verstrekken, werd door de boschnegers als een blijk van wantrouwen beschouwd. De Aukanernegers waren daarenboven ontevreden dat men hun, (zoo zij vermeenden, wederregtelijk), eene som van f 1692 onthield, die zij eischten voor de kosten op de reis naar de Saramaccaansche negers gemaakt, welke reis zij op verzoek van Gouverneur en Raden hadden ondernomen om dezen tot de vrede met de blanken over te halen en waarin zij niet ongelukkig geslaagd waren [404]. Een valsch gerucht, dat hun ter oore kwam, namelijk: dat de afgezonden boschnegers, die zich te Paramaribo bevonden, gevangen waren genomen en dat de blanken met een groot commando op weg waren om hen te vernielen, maakte hunne verontwaardiging zoo zeer gaande, dat zij in hunne eerste woede daarover den bij hen geposteerde, sergeant Frick en twee soldaten mishandelden. Toen hun de zaak opgehelderd werd en hun de valschheid van dat gerucht bleek, waren zij onmiddellijk bevredigd.
Het opperhoofd der Saramaccaner negers Albini, toonde groot belang te stellen in den met de blanken gesloten vrede. Hij wenschte en ondersteunde ook zeer de onder zijn stam in 1765 opgerigte zending der Broedergemeente [405]. Toen een der hoofden Musinga, die door een misverstand geen geschenken had ontvangen en ook om andere redenen tegen de blanken was ingenomen, den vrede schond en eenige plantaadjes afliep en de slaven derzelven weg voerde, was Albini hierover zoo verontwaardigd, dat hij met de blanken tegen Musinga ten strijde toog en in het gevecht sneuvelde. De luitenant Dorig, die met een commando tegen Musinga was opgetrokken, moest onverrigter zake terug keeren. Het ontstane misverstand werd later weggenomen, de vrede met Musinga hernieuwd en sedert ongestoord bewaard [406].
De boschnegers kwamen nu en dan in de stad en indien dit was uit naam der opperhoofden om de een of andere commissie te verrigten, werd hun onderhoud door het Hof bekostigd. Het onderling vertrouwen werd beter [407]. Vier van de zonen der opperhoofden, die als gijzelaars te Paramaribo werden achtergelaten, ontvingen behoorlijk schoolonderwijs en gedroegen zich zeer goed. Tot belooning van hun gedrag en tot opwekking werd hun o. a. tot nieuwjaarsgift in 1765 een hoed met zilveren kriel vereerd [408].
Bij ieder der twee stammen werd een militair beambte geplaatst om de belangen der regering bij hen te behartigen en door wien zij hunne belangen het Hof konden bekend maken.
Deze gansch niet gemakkelijke betrekking werd bij de Aukaners het eerst vervuld door den sergeant Frick, die zich hiervan zoo goed kweet, dat hem meermalen douceurs van het Hof werden toegestaan en hij later ook den officiersrang bekwam. Bij de Saramaccaners vervulde Luitenant Dorig deze post, die ook zeer door de negers bemind werd, zoodat zij meermalen toegaven in iets, waar zij dit anders niet zouden hebben gedaan, maar zulks alleen om hem genoegen te doen of om hem voor onaangenaamheden te vrijwaren.
Indien men de breedvoerige notulen en de wijdloopige journalen der bij de boschnegers gedetacheerde militairen oplettend nagaat, zal men tot de overtuiging komen, dat zij werkelijk in alle opregtheid den vrede hebben willen onderhouden. Dat zij trachtten die zoo voordeelig mogelijk voor hen zelven te doen zijn, kan door de staatkunde dezer wereld niet worden veroordeeld en dat er soms verschil over de geschenken en derzelver verdeeling ontstond, zal niemand verwonderen.
De grootste moeijelijkheid tusschen de koloniale regering en de boschnegers was over de uitlevering der bij hun gevlugtte slaven. De regering wenschte alle slaven zonder onderscheid en zonder eenig beding tegen de vastgestelde premie terug te erlangen. De boschnegers wilden wel de kwaaddoeners, doodslagers en vergiftigers uitleveren en ook hen, die zonder genoegzaam geldige redenen hunne meesters waren ontvlugt, maar om ook de ongelukkigen, die gekweld, geslagen en op velerlei wijze door wreede meesters mishandeld, tot hen de toevlugt namen aan de streng straffende hand der justitie over te geven stuitte hen tegen de borst en wij duiden hun deze aarzeling niet ten kwade, al wordt zij in de journalen en notulen bijna als misdaad aangemerkt--en evenmin zien wij laag neder op hunne pogingen, om voor de over te leveren slaven vrijheid van straf te willen bedingen. Integendeel zulk gedrag pleit voor hun menschelijk gevoel.
Om in dit laatste bezwaar eenigzins te gemoet te komen en de boschnegers te noopen de bij hun gevlugte slaven over te leveren, werd in Februarij 1762 een besluit door het Hof genomen, dat de slaven, die tot dien tijd bij hen waren gekomen, uitgeleverd wordende, geen straf zouden ontvangen, doch dat latere wegloopers, zonder eenige genade, met den dood zouden worden gestraft [409]. Van tijd tot tijd week men echter somtijds op dringend verzoek der boschnegers van deze laatste strenge bepaling af. Verder beloofden Gouverneur en Raden dat, indien het wegloopen der slaven door wreede handelwijze der meesters was veroorzaakt, het Hof naar regt en billijkheid hierover uitspraak zou doen en de schuldigen straffen. Dat deze belofte in eene slaven-kolonie en onder den jegens de slaven heerschenden geest echter weinig te beduiden had leert de geschiedenis maar al te duidelijk, en tot bewijs dezer bewering zullen wij uit de zeer vele gevallen van mishandeling den slaven aangedaan, die ter kennis van het Hof kwamen, eenige weinigen laten volgen, en hierdoor zal ons de houding der boschnegers en het gedurige wegloopen der slaven en de vreesselijke opstand die weldra plaats vond, zeer natuurlijk voorkomen.
Wij nemen hiertoe slechts eenige feiten tijdens het bestuur van Crommelin voorgevallen, doch moeten vooraf nog één feit vermelden, dat geschiedde toen Mauricius nog de teugels van het bewind in handen had en dat alle anderen in vreesselijkheid overtrof:
Blijkens gedane informatiën en getuigenverhoor van den neger-officier en een blanken timmerman, maakte zekere Claas Badouw, Directeur op de plantaadje La Rencontre, zich aan vele wreedheden jegens de slaven-bevolking schuldig; o. a. had hij een neger Pierro genaamd, die beschuldigd werd »van met vergif te hebben omgegaan", gebragt in het kookhuis en hem aldaar de vingers van de handen en de teenen van de voeten met een bijtel afgekapt en gedwongen die op te eten, waarna hij hem een oor af sneed en dwong ook dit op te eten; vervolgens liet hij hem zijn tong uitsteken, sneed die met een scheermes af, waarna hij ook die op moest eten. De neger stamelde met de stomp der tong nog een weinig, Baldouw haalde met een nijptang het overige gedeelte uit den hals en sneed ook dat af; daarop liet hij hem aan eene oude tentboot, die op het land stond, vast binden en drooge kantras onder hem leggen en poogde deze door het bijbrengen van vuur in brand te steeken ten einde den neger levend te verbranden. De kantras vatte echter geen vlam. Baldouw beval toen den neger los te maken liet hem daarop door een anderen slaaf geweldig zwepen en slaan en vervolgens nog levend in een kuil werpen en dezen met aarde bedekken.--Om deze en vele andere gruweldaden meer werd Baldouw gearresteerd, een proces tegen hem aangevangen en hij veroordeeld om: als Directeur ontslagen en uit het land gebannen te worden [410]. Wij gaan een tijdvak van tien jaren stilzwijgende voorbij, echter helaas niet uit gebrek aan stof, maar èn omdat de beperkte ruimte het ons niet toelaat èn omdat het ons moeijelijk valt dergelijke vreeslijkheden te vermelden.
De Directeur Conijnenberg liet eene negerin met de armen achterom gebonden, bij herhaling zoo geducht zwepen, dat toen zij van het touw los gemaakt werd, neder viel, en zonder een enkel woord te uiten, den geest gaf. Conijnenberg ontving tot straf eene reprimande. [411]
Mevrouw de wed. P. Mauricius, eene boosaardige vrouw, [412] was een ware tyran voor hare slaven. Hare eigen minne had zij uit boosaardigheid aan een touw laten doodslaan. De dresneger had dit zelfde lot ondergaan, zelfs kinderen werden onmenschelijk met Spaansche bokken gestraft. De negers verklaarden, dat zoo haar het bestuur der plantaadje niet ontnomen werd, zij allen nog eenmaal zouden wegloopen. Het Hof, dat met dit alles bekend werd, beproefde haar over te halen om hare plantaadje door iemand anders te doen administreren. Het Hof vermeende hier op zeer te moeten aandringen, omdat men anders voor eene totale ruïne der bezitting harer pupillen vreesde.
Mevrouw Mauricius wilde hiervan echter niets hooren. Zij achtte zich zelve uitnemend in staat het beheer over slaven te voeren [413].
Van tijd tot tijd vlugtten hare slaven,--in Julij 1761 o. a. 21 te gelijk. Door het Hof werden commissarissen uitgezonden om een nader onderzoek daaromtrent in te stellen. Deze bevestigden bij hun terugkeer de waarheid der geruchten, en verklaarden: »dat de slaven er zeer slecht en mishandeld uitzagen." [414]
Mevrouw Mauricius bekreunde zich aan niets en ging op dezelfde wijze voort. Eenige vrije boschnegers maakten met den luitenant Veyra een bezoek op de plantaadje. De edele dame had opgemerkt, dat de boschnegers er glad en welgedaan uitzagen. Na hun vertrek liet zij drie bosschen tasstokken kappen, en onder het bij herhaling zeggen van: »ik wil niet dat een neger van mij met zoo een glad vel in het bosch zal rondloopen," liet zij al hare negers 24 uren lang met tasstokken slaan en »half afschinden of villen." Een neger en twee negerinnen bezweken onder deze mishandeling [415].
De boschnegers weigerden de van haar gevlugte slaven over te leveren, en ook om jagt op dezelve te maken. Het Hof besloot eindelijk haar het beheer over de plantaadje te ontnemen en haar directeur vertrok, op verzoek, van het Hof, naar Holland [416]. Bij haar tweede huwelijk verkreeg zij echter het bestuur weder en ging zij op dezelfde wreedaardige wijze voort hare slaven te mishandelen.
De huisvrouw van den jood La Parra behandelde hare slaven zoo slecht, dat sommigen de vlugt naar het bosch namen, doch weldra vielen zij der justitie in handen. Twee negers en eene negerin werden daarop met den koorde gestraft; drie negers en vier negerinnen ontvingen eene Spaansche bok onder de galg,--en de meesteres werd aanbevolen om: voortaan op ordentelijker en moderater wijze hare slaven te behandelen. [417]
De directeur der plantaadje Annasburg deed een neger zoodanig zwepen, dat hij daags daarop dientengevolge overleed. De directeur werd veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf en f 300 boete. [418]
Johannes Weeber mishandelde een neger zoozeer, dat hij onder die mishandeling dood bleef.--Van straf over deze daad vinden wij niets vermeld. [419]
De neger Darius kwam bij den fiskaal klagen over de wreede straffen aan de slaven door den directeur der plantaadje Sinabo, Jan Jakob Bongaard, opgelegd. Door het Hof werd een onderzoek bevolen; het daaromtrent uitgebragt verslag behelsde o. a. de volgende bijzonderheden: De directeur had een neger, die beschuldigd werd van »met vergif te hebben omgegaan," opgebonden laten zwepen, vervolgens een Spaansche bok doen geven en in de timmerloods doen vastleggen. Hij verbood den man te verplegen, of hem voedsel of drinken te verstrekken. De neger stierf, en zijn lijk werd in de Cappewierie geworpen, waar het onbegraven bleef liggen. Een andere neger, die eenige dagen geschuild had, was door den negerofficier in den slaap verrast en gevangen genomen. Bij de daardoor tusschen hem en den bastiaan ontstane worsteling, had hij dezen laatste een wond aan den hals toegebragt. De directeur liet hem even als den vermoedelijken giftmenger straffen; hij bleef echter in het leven; dit bewijs van hardnekkigheid verdroot den directeur en op diens last werd hij geworgd. Diezelfde directeur had ook de gewoonte om, indien de slaven aan het touw, en dus zeer streng gestraft werden, hun een brandend hout voor den mond te houden, omdat zij, zoo gaf hij voor, hierdoor belet werden hunne tong door te slikken, en alzoo een einde aan hun leven te maken. [420] Het Hof, na kennis van deze zaken te hebben genomen, liet de negers vermanen om: vooral hun meester gehoorzaam te zijn; deed den aanbrenger Darius, op verzoek van zijn meester, een Spaansche bok rondom Paramaribo geven en vermaande den directeur om, indien in het vervolg door zijne slaven weder zulke grove misdaden als vergiftigingen werden begaan, hen aan de justitie over te geven en niet op eigene authoriteit te straffen. [421]
Crommelin, die jegens de slavenbevolking niet zoo slecht gezind was als menig ander in Suriname, begeerde verbetering in dien steeds ellendiger wordenden toestand te brengen. Bij gelegenheid dat er weder vele aanklagten over wreede behandeling jegens slaven bij het Hof inkwamen, sprak hij over de menigvuldigheid dier feiten, welke door het niet tegenwoordig zijn van blanken, die als getuigen konden dienen, meestal ongestraft bleven. Hij erkende wel dat er bij reglement boeten voor blanke bedienden waren bepaald, indien zij hunne bevoegdheid in het straffen der slaven te buiten gingen, maar hij merkte tevens aan, dat het moeijelijk was, deze overtredingen te bewijzen, en dat er daarenboven verscheidene leemten in die reglementen bestonden. Zoo behoorde volgens artikel 15: »80 matige zweepslagen" tot de ordinaire plantaadje-straffen, doch er was niet bij gespecifiëerd of die slagen los dan wel opgebonden mogten geappliceerd worden;--»en," zegt Crommelin, »het is nogtans wel bekend, dat de slaven opgebonden en uitgerekt zijnde, wel met veel minder slagen worden doodgeslagen; dat ondertusschen dergelijke en quaade feyten, daagelijks meer en meer toenemen, en altoos geprexteerd werd (soo 't al ter kennisse komt), dat de dood niet door de slagen en mishandelingen veroorzaakt, maar toevallig is gevolgd, en vermits de voorsze mesures niet alleen voor de particuliere planters haar welweesen zeer nadeelig is, maar ook het gemeene welzijn, daardoor ten hoogste gelegen ligt, voornamelijk met opzigt van de dangereuse gevolgen die daaruyt moeten resulteren, door de slaven tot de uyterste disperatie te verwekken; dat ook zeer verschijdentlijk word geüseerd omtrent de slaven, die door ongeluk omkomen, of zig selfs om 't leeven te brengen; bij welk laatste geval dikmaals zonder eenige formaliteyt maar de hoofden worden afgeschopt en op staken gezet."
Crommelin stelde daarop voor om het bestaande reglement te ampliëren met de volgende artikels:
1o. »Dat een ieder, wie hij ook zij, eygenaar of bediende, in cas bevonden werd, dat hij zig schuldig gemaakt heeft, aan 't om 't leeven brengen van eenige slaaf, zal worden gestraft aan lijff of leeven, zoo als de gemeene regten medebrengen en nae Exigentie zal bevonden worden te behooren."