Part 2
Het geheel ophouden van den slavenhandel; de brand van Paramaribo in 1832; de hernieuwde aanvallen der wegloopers op plantaadjes; de tegen hen uitgezonden bosch-patrouilles; de schade der kolonie toegebragt door het Embargo in 1833 en het bezoek van Z. K. H. Prins Hendrik zullen kortelijk worden vermeld; de worsteling tusschen de kolonisten en den Gouverneur Elias, die tot zelfs in de Kamer der volksvertegenwoordigers weêrklank vond, zal eenigzins uitvoeriger behandeld worden.
Het derde hoofdstuk. Van de komst van den Gouverneur van Raders in 1845 tot op den tegenwoordigen tijd 1861. De opgewekte belangstelling in Suriname gedurende dezen tijd verspreidt meer licht over de geschiedenis, die wij zoo getrouw mogelijk wenschen voor te stellen.
Mogten wij kunnen eindigen met de vermelding van het afkondigen eener goede wet wegens de afschaffing der slavernij in Suriname en verdere W. I. bezittingen!!
Daar het zendingswerk der Broedergemeente in Suriname in meer dan een opzigt zoo hoogst belangrijk is, vermeenen wij deze geschiedenis niet te mogen besluiten, zonder hiervan eenigzins uitvoerig te gewagen; wij wilden dit echter afzonderlijk behandelen; de voornaamste feiten zullen wij in den loop der geschiedenis alzoo slechts aanstippen, om aan het slot een overzigt te geven van een werk, dat zoo gezegend was en dit nog verder voor de kolonie kan zijn.
Verder wenschen wij, wanneer wij aan het einde van onzen arbeid gekomen zijn, nog eens een blik om ons heen in den tegenwoordigen toestand van Suriname te slaan en onze vrijmoedige aanmerkingen daaromtrent mede te deelen.
Ten slotte zullen wij tot gemak van den lezer eene chronologische tafel van de voornaamste gebeurtenissen, in deze geschiedenis vermeld, geven, en als bijlage eenige officieele stukken, die, hoewel zeer belangrijk, echter minder gevoegelijk in den tekst konden worden geplaatst.
En na deze inleiding, die ons voorkwam noodig te zijn, gaan wij nu over tot de geschiedenis.
EERSTE TIJDVAK.
VAN 1492 TOT 1666.
De kolonie Suriname, ook wel Nederlandsch Guiana genoemd, liggende tusschen ongeveer 57° en 54° W. L. van Greenwich en tusschen 6° en 2° N. B., heeft eene uitgestrektheid van 2800 vierkante geographische mijlen; hiervan is slechts een gedeelte van 700 mijlen als eenigzins bekend of bezocht te beschouwen; het ter bebouwing van plantaadjes uitgegeven gedeelte der kolonie bedraagt 30 mijlen, waarvan echter niet meer dan 10 in eigenlijke cultuur zijn gebragt.
Indien men een blik slaat op eene eenigzins uitvoerige kaart van Suriname, [2] verwondert men zich aldaar zoo weinig bebouwd land te vinden; te meer bevreemdt ons dit, omdat alle berigten hierin overeenkomen, dat het een vruchtbaar, een schoon, een rijk door de natuur gezegend land is. Onwillekeurig rijst de vraag dan wel eens in ons op: »Waarom zit men in Europa, in ons Nederland zoo opeengehoopt? waarom klaagt men hier soms zoozeer over overbevolking, over toenemend pauperisme? waarom wordt het bevel door God gegeven, Gen. 9: 7: »Maar gijlieden, weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, teelt overvloedig voort op de aarde en vermenigvuldigt" op dezelve niet in ruimere toepassing gebragt? en waarom heeft de mensch, de door God geschapene mensch, de aarde niet meer vervuld? Waarom? Het antwoord op deze vraag is niet altijd even gemakkelijk; in den loop dezer geschiedenis zullen wij misschien eenige waarschijnlijkheden opmerken, waardoor wij dit, ten minste in betrekking met Suriname, beter verklaren kunnen.
Indien wij in den geest eenige eeuwen teruggaan en ons oog vestigen op Guiana, waarvan Suriname een deel uitmaakt, dan ontwaren wij nog meer doodschheid, nog minder menschelijk leven.
De landstreek Guiana, ook »de wilde kust van Zuid-Amerika" genaamd, bevat niet slechts het Nederlandsche Suriname, maar tevens het Engelsche Demerary, Essequebo en Berbice en het Fransche Cayenne, en strekt zich aan beide zijden zelfs nog verder uit dan de schoone rivieren, de Maranon- of Amazonen-rivier en de Orinoco, die als de grensrivieren van Britsch en Fransch Guiana aangemerkt worden; de Oceaan besproeit de noordelijke kust en ten zuiden wordt het door bergen, die echter weinig bekend zijn, van het uitgestrekte Amerika gescheiden.
Guiana maakt een deel uit van dat belangrijke werelddeel, hetwelk wij Europeanen »de nieuwe wereld" noemen, nadat Europa, door de ontdekkingen van Columbus in 1492 en vervolgens er kennis aan heeft gekregen.
Amerika, »de nieuwe wereld" door ons genoemd, omdat het voor ons nieuw was, kan zich evenwel, naar alle waarschijnlijkheid op eene even vroege bevolking als ons Europa beroemen, en heeft voorzeker zijne eigene oorspronkelijke bewoners gehad.
Sommige schrijvers [3] vermeenen redenen te hebben, om te gelooven, dat in overoude tijden,--lang zelfs vóór die verschrikkelijke natuurschokken, waardoor Amerika heeft opgehouden met het groote vasteland van Europa verbonden te zijn,--reeds in die vroege oudheid, zoowel Azië en Afrika als Europa in dat uitgestrekte werelddeel volkplantingen hebben gesticht. Wat daarvan zij, wagen wij niet te beslissen; dit schijnt echter vrij zeker te zijn, dat de inwoners van het werelddeel, door Columbus en anderen ontdekt, reeds te dien tijde verwantschap hadden door taal en zeden enz. met de inwoners der andere werelddeelen. »God heeft uit éénen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt."
Amerika met zijne uitgestrekte wouden, met zijne grasrijke vlakten, met zijne hooge bergen, met zijne majestueuse rivieren, waarbij de grootste van Europa als beekjes zijn, met de vruchtbaarheid van zijnen grond, schijnt van eene verhoogde werking der natuurkrachten te getuigen, ten minste in het planten- en delfstoffelijke rijk.
Zandwoestijnen, gelijk in Afrika, heide- of andere woeste gronden, gelijk in Europa, vindt men er bijna niet.
Daar het zich in de lengte tot hoog in het noorden en laag in het zuiden uitstrekt, zijn in Amerika allerlei klimaten. Wat heeft sedert de ontdekking van Amerika zich het menschelijk verstand met menigvuldige waarnemingen kunnen verrijken, hoeveel aanleiding gaf het den Christen om God in de werken Zijner schepping te verheerlijken; dan ook helaas! hoezeer heeft de heerschzucht der menschen, de onverzadelijke gouddorst der Europeanen voedsel gevonden, bevrediging gezocht; hoe woedden die hartstogten in datzelfde Amerika; hoeveel onschuldig bloed, daar bij stroomen moedwillig geplengd, roept van daar van de aarde tot den troon van Hem, die een vergelder en wreker is van het kwaad.
Aan de noord-oostelijke kust van Zuid-Amerika en wel meer bepaald aan de breede strook lands, bekend onder den naam van Guiana of wilde kust, ligt Suriname. Suriname maakte een belangrijk gedeelte van Guiana uit. Het is een land, gelijk wij zoo straks van Amerika aanmerkten, rijk door de natuur bedeeld. Uitgestrekte eeuwen heugende wouden, bevolkt met talrijke diersoorten, zoo viervoetige als vogelen, bedekken deszelfs bodem; schoone rivieren als: de Marowijne, de Saramacca, de Commewijne, de Suriname, de Coppename en de Corantijn, vloeijen grootendeels uit het zuidelijk gedeelte van bergen af, storten zich aan het noorden in den Atlantischen Oceaan uit, en leveren, even als de tallooze kreeken, uitnemenden visch op. Slechts vrij diep landwaarts in, ten zuiden, vindt men bergen; verder is het land vlak en laag en in de bosschen zijn vele poelen of zwampen, die in den regentijd tot kleine meeren aanwassen; met lang gras bedekte savanen geven overvloedig voedsel aan de wilde zwijnen, woudezels en herten; de zeekust, welke zich van het oosten naar het westen uitstrekt, bestaat uit laag land, niet meer dan 10 en 15 palmen boven het gemiddelde tij verheven, met kreupelhout bewassen; langs hare geheele uitgestrektheid ligt eene breede, modderige zandbank, die hier minder, daar meer in zee uitsteekt.
Dit land, waar een eeuwig groen, eene eeuwige lente als het ware heerscht, dat zelden door stormen of aardbevingen ontrust wordt, waar overvloed van visch en gevogelte, waar saprijke boomvruchten en heerlijke moeskruiden in overvloed te vinden zijn, zoodat het in deze opzigten voor geen land van den aardbodem wijkt, waar de mensch alles voor de hand vindt, wat hij noodig heeft om zijne tijdelijke behoeften te vervullen;--dat schoon en vruchtbaar land werd, vóór dat het door de Europeanen ontdekt werd, door Indianen bewoond.
Indianen waren de heeren dezer ruwe, maar schoone schepping. Guiana met zijne bosschen en stroomen, visch en wild, bergen en dalen, vruchten en wouddieren, was het hunne; hier togen die kinderen der natuur in talrijke scharen rond; hier sloegen zij hunne eenvoudige hutten op, en terwijl de mannen ter jagt gingen of zich met de vischvangst bezig hielden, bereidden de vrouwen het maal, of bepootten den grond met aardvruchten, als yams, cassaves en anderen, of vlochten aardige korfjes, of vervaardigden die nog door de Europeanen geprezene fraaije potten, schotels en ander huisraad, of wel zij rijgden schitterende kralen aan elkander, om zich schorten of andere voorwerpen tot opschik of kleeding te maken.
De eigenlijke inboorlingen des lands, Arawakken en Warouwen genaamd, waren van eenen vreedzamen aard; de Caraïben, vroegere bewoners der eilanden, welke men in den grooten inham tusschen Zuid- en Noord-Amerika vindt, schijnen door de vrees voor en door het geweld der Europeanen gedreven, zich van tijd tot tijd in Guiana te hebben nedergezet, en uit al hetgeen men daaromtrent verneemt, blijkt het, dat zij woester van aard en wreeder van inborst waren dan de Indianen, die in de bosschen van Guiana rondzwierven.
Het is dus niet te verwonderen, dat de Caraïben, van nature krijgshaftig en daarbij listig en sluw, weldra eene zekere meerderheid over de andere stammen uitoefenden. [4]
De volkeren, die Guiana bewoonden, en onder den algemeenen naam van »Indianen" bekend zijn, waren van eene welgemaakte gestalte, met regelmatige en over het geheel niet onbevallige wezenstrekken; zij hadden zwarte oogen, terwijl het wit van dezelve zuiver glansrijk was; de neus breed en rond, hunne lippen eerder dik dan dun, de tanden zeer wit en vast, welken zij dan ook tot in den hoogsten leeftijd, ja tot hunnen dood toe, meerendeels gaaf behielden. Dik, lang en zwart haar, dat niet dan in eenen zeer hoogen ouderdom grijs werd, verstrekte hun tot een groot sieraad; zij droegen echter geen baard, al de haren, die om mond en kin groeiden, werden steeds door hen uitgetrokken; ditzelfde deden zij ook met de wenkbraauwen, de vrouwen evenzeer als de mannen; hunne kleur was een zeker rosachtig bruin, doch verschilde evenwel naar de woonplaatsen; de in het bosch levenden waren blanker dan zij, die zich meestal in het veld ophielden.
Zij beschilderden zich daarenboven met eene roode verwstof, Roucou genaamd, en soms ook wel met eene zwarte kleurstof, zoo tegen het steken der Muskieten, als tegen het branden der zon, voornamelijk echter, omdat het door hen fraai gevonden werd. De Indiaansche vrouwen waren doorgaans van eene matige grootte en welgemaakt, terwijl haar gelaat eene zekere innemende zachtheid en goedaardigheid uitdrukte. [5]
Hare voornaamste sieraden, behalve de neus- en oorversiersels, die zij met de mannen gemeen hadden, bestonden in snoeren van kralen, als banden aan de handen, boven de ellebogen, aan de schouders en verder om andere deelen van het ligchaam; van deze kralen-snoeren vlochten en droegen zij schorten. Ter voltooijing van den opschik diende een stuk been, ter dikte van een gulden en ter grootte van een stuiver, plat geslepen, dat zij in groote menigte om den hals droegen; korte trosjes, doch kleiner en dunner geslepen, aan welker einde koperen plaatjes hingen, prijkten in de ooren; om den luister van dit alles nog te verhoogen, staken zij nog in ieder oor een tand van een kaaiman of krokodil; sommigen hadden verscheidene ketenen van quiriba, zijnde eene soort van slakkenhuisjes, welke zij kunstig wisten te bewerken. Voeg nu nog hierbij eenige halssieraden, uit de tanden van apen en andere dieren zamengesteld, en een zilver of ander rond plaatje, een halven duim groot, dat in het midden van den neus hing, en het toilet eener Indiaansche schoone is volkomen in orde.
De mannen hadden meestal oor- en neusversiersels als de vrouwen, verder bestond hunne voornaamste pracht in eene soort van mutsen met veelkleurige pluimen.
Deze mutsen dienden echter niet slechts tot sieraad, maar ook tot eene beschutting voor de heete zonnestralen.
Een band midden om het lijf, waarin zij een mes of iets dergelijks staken, en een stuk katoen ter schaamtebedekking, ziedaar de geheele kleeding van de mannen.
Het tatoueeren en beschilderen van het ligchaam met onderscheidene figuren, voornamelijk tegen het naderen van groote feesten, was echter mede bij hen in gebruik.
In het algemeen waren de Indianen, gelijk zij nog zijn, van een vrolijken doch luijen aard; zoo zij zich niet met de jagt of met de vischvangst onledig hielden, of hout voor hunne woningen veldden, of hunne wapenen en vischtuig in orde maakten, of met het groote werk, de vervaardiging eener Canoe bezig waren, bragten zij een groot gedeelte van den dag in hunne hamak of hangmat door, hetzij met praten, of het haar uit den baard te plukken, hetzij met op een of ander ruw muziekinstrument te spelen, of tot afwisseling het geluid van een of ander wild dier na te bootsen. Gastvrij zijnde, ontvingen zij dikwijls bezoek van andere stamgenooten, wanneer het gesprek doorgaans over de geliefkoosde onderwerpen jagt en visscherij liep.
Hoewel zeer tot sterken drank en wellust geneigd, waren zij in den regel van een goeden zachtzinnigen inborst, doch meestal bijgeloovig, vreesachtig en laf, de Caraïben uitgezonderd, die den oorlog beminden en geene vrees kenden. Als men hen beleedigde was hunne wraak, over het algemeen, hevig.
Zij bezaten eene zekere aangeboren eerlijkheid en regtvaardigheid, die in al hunne handelingen uitblonk; zij betoonden zelfs eene wellevendheid en vriendelijkheid, die men bij onbeschaafde volken niet verwacht zoude hebben; indien zij met elkander een gesprek voerden was het steeds met bedaardheid en zachtheid; nooit spraken zij elkander op verachtelijke wijze aan; scheldwoorden waren hun bijna onbekend.
Ten opzigte van hunne godsdienst kan zeer weinig gezegd worden; wel scheen bij hen een zeker onbestemd gevoel of bewustzijn van het bestaan van een Opperwezen te zijn; maar dat zij hetzelve aanbaden of eerbiedigden valt niet te bewijzen. Alleenlijk betoonden zij eenigen eerbied aan de zon en de maan. Zij bezaten eenige kennis van den loop der sterren, en deze kennis, hoe gering dan ook, was hun echter van groot nut tot het opsporen van den weg in de wildernissen. Zij geloofden aan een overgang na den dood in een ander leven; waarom dan ook bij het begraven verscheidene zaken, welke men veronderstelde in eene andere wereld noodig te hebben, bij den doode, in het graf werden gelegd. Van godsdienstoefeningen of plegtigheden onder hen heeft men geene sporen gevonden; echter vreesden zij zeer voor een boozen geest, den duivel, van wien zij zeiden, dat hij hun veel kwaads berokkende, en aan wien zij dan ook de meeste onheilen toeschreven, en dien hunne priesters door bezweringen en andere goochelkunsten trachtten te verdrijven. Die priesters, Pageyers genaamd, dienden tevens als hunne artsen, en oefenden alzoo eenen grooten invloed op hen uit.
Hoewel zij eenige geneesmiddelen en kruiden, waarvan zij de krachten kenden, dikwijls met goed gevolg gebruikten, namen zij, bij gevaarlijke ziekten, toch steeds tot een der zoo even genoemde Pageyers de toevlugt.
Deze moest de Jawahu of duivel, welke zij geloofden, dat hun de ziekte toezond, bezweren en uitdrijven.
Een dezer bedriegers begaf zich dan des nachts alleen bij den zieke, voorzien van eene witte calabas, die zij Wieda noemden, en in welke men meende, dat eenige duivels huisvestten. De priester deed hierin eenige steenen, blies er in en schudde dezelve heen en weder, om, zoo als hij voorgaf, de daarin beslotene duivels te noodzaken hunne medemakkers, die den zieke het ongemak aandeden, op te zoeken. Den ganschen nacht door raasde, schreeuwde en bootste hij allerlei geluiden als van apen, tijgers, papegaaijen en andere dieren na; dan weder was het alsof hij met een onzigtbaren persoon sprak en deze hem antwoordde. Die Pageyers wisten hunne stem zoodanig te wijzigen, dat men, buiten de hut staande, werkelijk zou gedacht hebben, dat er een tweede persoon aanwezig was.
Kwam de lijder te sterven, o dan had de Pageyer steeds de eene of andere uitvlugt, bij voorbeeld: de kranke had te veel kwaad gedaan of hij had te lang gewacht, of de Jawahu had gezegd, dat hij te zeer vertoornd was om af te laten enz. enz. enz.; genas de zieke daarentegen, hetgeen nog al eens geschiedde, want daar deze door den geweldigen angst en de spanning, waarin bij gebragt werd, meestal als in een bad van zweet geraakte, zoo werkte deze verhoogde transpiratie soms zeer gunstig, dan, ja dan werd de priester rijkelijk voor zijne moeite beloond, men durfde hem bijna niets weigeren, maar gaf hem al wat hij begeerde, al ware het ook de vrouw of de dochter van den lijder zelve.
Die ongelukkigen, zij kenden den eenigen, den waren Geneesmeester niet, en leefden alzoo, even als alle Heidenen, zonder waren troost, in gestadige vreeze des doods, onder de dienstbaarheid der zonde.
De huwelijken onder hen werden zeer eenvoudig gesloten. Wanneer een Indiaan trouwen wilde, zocht hij onder de hand zich bij de bloedverwanten van haar, die hij tot vrouw wenschte te bezitten, te vergewissen, dat hij geen afwijzend antwoord zou bekomen; daarna deed hij een bezoek bij den vader der jonge dochter, hing dezen een tafereel op van de armoede en ontbeeringen, die hij leed, doordat hij geene vrouw had, waarop de vader alsdan met eenige pligtplegingen antwoordde. Na een dergelijk onderhoud werd, naar Indiaansche gewoonte, het eten binnengebragt en door het meisje den jongeling voorgezet. Nam deze nu de spijze, zoo bleek het, dat hij het ernstig gemeend had, en het huwelijk werd als gesloten beschouwd; reeds denzelfden avond werd de hangmat der jonge dochter naast die van den bruidegom vastgemaakt en de geheele zaak was afgeloopen. Wilde een vader zijne dochter uithuwelijken, dan verzocht hij hem, dien hij tot man voor zijne dochter wenschte, bij zich en liet hem dan spijze voorzetten; gebruikte hij dezelve, alsdan was mede alles in orde.
Bij sommige stammen kwamen, wanneer de zaak tusschen de belanghebbende partijen bepaald was, de bloedverwanten en vrienden bijeen, waarop de vader of de naaste betrekkingen den bruidegom vermaanden, zorg voor zijne vrouw te dragen; dagelijks uit jagen en visschen te gaan en zijn kosttuin naarstig te bezorgen, om het huishouden wel te kunnen voorzien; der bruid werd zeer op het harte gedrukt, dat zij haren man eerbied bewijzen en hem getrouw moest zijn, dat zij hem, telkens bij zijne te huis komst, spijs en drank voorzetten, en verder alle pligten der vrouw behoorlijk in acht nemen moest; waarop de plegtigheid met zingen, dansen en drinken werd besloten, en eindelijk de bruidegom zijne vrouw naar zijne hut medenam. De huwelijksformaliteiten waren hiermede geëindigd.
Schoon de veelwijverij bij de Indianen geoorloofd was, bezaten echter weinigen onder hen meer dan twee of drie vrouwen, en wanneer zij er meer namen, werd dit als een bewijs van aanzien en vermogen beschouwd, omdat zij verpligt waren den vaders hunner vrouwen geschenken te geven en haar, als het ware, van hen koopen.
Gewoonlijk had iedere vrouw hare bijzondere hut, waarin zij met hare kinderen woonde. Het wild of de visch, door den man gevangen, werd door hem onder haar, naar evenredigheid van het getal harer kinderen, verdeeld. Het was der vrouw niet geoorloofd te eten, voordat de man hiermede gereed was; de toestand eener vrouw is, gelijk bij alle Heidensche volkeren, meer die eener slavin dan die eener levensgezellin, eener echtgenoote in onze Christelijke maatschappij.
De wapenen der Indianen bestonden uit bogen en pijlen; de bogen waren van letter- of ander hard hout, gewoonlijk vijf à zes voeten lang, aan den buitenkant rond, en aan de punten spits toeloopende, en met een koord of snaar gespannen; de pijlen hadden dezelfde lengte; van riet gemaakt, was aan het achtereinde van iedere pijl een stuk hout, drie à vier duimen lang, om de beweging te verhaasten; aan de andere zijde of de punt werd zij voorzien van een stuk zeer hard hout, dat spits gesneden, of wel met veeren of steenen punten met weêrhaken, ook wel met een scherpen vischgraat of iets dergelijks voorzien was. Één punt op de pijl was den Indiaan echter niet genoeg, soms zette hij er drie, vijf ja zeven op, welke Possirou genoemd werden.
Dit wapentuig gebruikte de Indiaan niet slechts in den oorlog, maar ook op de jagt en meermalen ook ter vischvangst; hij was in het gebruik er van zoozeer geoefend, dat hij in één schot dikwijls evenveel visschen doodde, als er punten aan de pijl waren.
Even als hunne stamgenooten in Zuid-Amerika woonden zij in dorpen of gehuchten, die uit eenige hutten bestonden, bij elkander geplaatst langs de rivieren en meren, zonder eenige schikking of orde, terwijl zij dikwijls van woonplaats veranderden.
Deze hutten of carbets waren ellendige vierkante woningen, van vijftig tot zestig voeten lang, doch niet zoo breed, van boven rond, en achttien à twintig voeten hoog; houten staken en gevlochten boomtakken waren de bouwstoffen voor de wanden; het dak werd met palm- of andere bladeren gedekt; de eenige opening was de deur, die zoo laag was, dat men haar bukkend moest binnengaan; de stookplaats in het midden der hut zijnde, moest de rook door de deur een uitweg vinden.
Bij sommige stammen van Indianen in Amerika woonden verscheidene huisgezinnen bij elkander; hier vond men dit echter zeldzaam, ieder gezin woonde afzonderlijk; de Caraïben zelfs hadden meestal tweederlei hutten als: één voor nachtverblijf, van hetwelk het dak, tentsgewijze gebouwd, aan de einden bijna den grond reikte; de andere, die des daags bewoond werd, was hooger en wijder, vierkant, op palen opgehaald, aan twee en drie kanten open en verder met bladeren gedekt.
In hunne dorpen was doorgaans ééne groote hut, Tabony genaamd, die tot wapenhuis diende, of tot eene verzamelplaats van de geheele bevolking, waar zij hunne vergaderingen hielden, hunne feesten vierden en de vreemdelingen ontvingen.
Deze gebouwen waren in den regel 130 à 140 voeten lang en 30 à 40 voeten breed, behalve het plein, dat met palisaden bezet was; zij waren rondom open, verder van een genoegzaam getal hangmatten voorzien, opdat de mannen op hun gemak de noodige zaken behandelen konden; aan de vrouwen was dit voorregt niet vergund, deze moesten op hare hielen in hurkende houding of anders op eene groote bank zitten.
Het huisraad van den Indiaan was zeer eenvoudig, en bestond in de eerste plaats in de hangmatten, geschilderde potten, gevlochten korfjes, en hierbij kunnen wij mede wel den boog en de pijlen rekenen, die het grootste sieraad der woning uitmaakten.
Stoelen of banken werden door hen niet gebruikt; zoo zij al niet op hunne hangmatten lagen, zaten zij altijd op hunne hielen in nedergehurkte houding.
Alleen bezaten zij eenen houten stoel, Moulé genaamd, die bij het ontvangen van bezoek gebruikt werd; een zeer gemakkelijke zetel was het nu wel niet, zijnde zonder leuning en zitting en in het midden zoo hol, dat men er tot aan de knieën toe inzakte en de knieën tot aan de kin kwamen.