Part 17
Kan men, voor zoo veel men uit de oude bescheiden oordeelen kan, weinig roemen over den ijver der predikanten in getrouwe pligtsvervulling, daarentegen vindt men meermalen opgeteekend dat zij naijverig waren en zich spoedig geraakt betoonden, indien iemand anders een woord van godsdienstige vertroosting tot arme zondaars sprak.
Toen zekere Smith van de R. C. religie geëxecuteerd werd, waarbij Ds. Kleijn tegenwoordig was, en een ander van dezelfde godsdienst dien man op zijne wijze wilde aanspreken, werd dit door Ds. Kleyn zeer kwalijk genomen en op zijn verzoek besloot het Hof, »dat in het toekomende niemand, ofschoon hem toegang mogt worden verleend, bij een ter dood veroordeelde over religiezaken zal mogen spreken dan met speciale permissie van den Gouverneur." [231]
Zoo kantten de Gereformeerde predikanten zich ook lang tegen de vestiging eener Luthersche gemeente aan. Reeds vroeg was het aantal der inwoners die de Augsburgsche confestie toegedaan waren, vrij aanzienlijk;--in 1740 hielden zij bijzondere bijeenkomsten, die echter door den Raad Fiscaal, als strijdende met de wetten des lands, verboden werden.--Na vele rekwesten enz. werd hun eindelijk onder bezwarende voorwaarden toegestaan eene eigene kerk te bouwen (15 Nov. 1741), en den 4den October 1742 kwam hun eerste leeraar, Ds. Johannes Pfaff, die vroeger te Zaandam stond, over. [232]
Voor het onderwijs der jeugd was bepaald dat er drie schoolmeesters moesten zijn, die, buiten hun tractement, vrije woning genoten [233]. Dan ook dit getal schijnt niet altijd compleet te zijn geweest en over de personen, welke deze betrekking vervulden, rezen meermalen verscheidene klagten.
Om de zorg, die door het Hof van Politie voor de opvoeding der jeugd werd gedragen te doen kennen, halen wij het volgende uit de notulen van Gouverneur en Raden aan:
22 Nov. 1725. Zekere La Combe doet aanzoek om tot onderwijzer te worden aangesteld, zullende dit onderwijs bestaan in lezen, schrijven, cijferen en de beginselen der godsdienst, alsook in de beleefdheid; hij wordt aangesteld en hem bij provicie toegelegd f 200.--, dan geëxamineerd wordende bleek het, dat hij niet in staat was de allergeringste kindervragen, laat staan andere van eenig gewigt, in de Nederduitsche taal te beantwoorden.
27 April 1731. Om de blanke jeugd in goede manier en betamelijke exercitiën te onderwijzen, wordt besloten uit het vaderland een dansmeester te ontbieden, op een tractement van f 600, het eerste jaar, behalve hetgeen hij van zijne discipelen zal ontvangen, en vrijen overtogt.
3 Januarij 1749. Zekere Anna Michelon, huisvrouw van H. Noordbeek, vraagt verlof om te Paramaribo eene kinderschool op te rigten, welk verzoek, na ingewonnen rapport van den kerkeraad, toegestaan wordt.
Het onderwijs der jeugd bepaalde zich te Suriname tot lezen, schrijven, rekenen en het machinaal van buiten leeren van den Catechismus.
Met korte trekken schetsten wij het leven van de blanke bevolking in Suriname te dien tijde:--ruw, slecht onderwezen, door hartstogtelijke neigingen vervoerd, zich meermalen aan twist, spel en onzedelijkheid overgevende, terwijl wreedheid, laatdunkendheid en domme trots in ruime mate onder die bevolking gevonden werden, ja hunne hoofdgebreken uitmaakten.--Voorzeker is dit geene vleijende schets, doch men verwondere of ergere zich niet over deze ongunstige voorstelling, want het is de voorstelling van een volk door slavernij bezoedeld, en waar deze heerscht zoo als ze in Suriname heerschte, kan het niet anders of het volk moest diep bedorven worden; daar kon de vreeze Gods niet heerschen. Een zoodanig volk was Mauricius geroepen te besturen en te leiden.--Wel erkennen wij dat het eene zware taak was, welke hij hier te vervullen had. Groot waren de verwachtingen. Men verwachtte veel, misschien te veel van hem. Wij zullen thans zien in hoeverre hij hieraan beantwoordde.
Mauricius zag spoedig bij zijne aankomst dat er veel te veranderen en te verbeteren was en, als regtsgeleerde, was het een zijner eerste pogingen om de gebrekkige regtspleging te verbeteren. De hiervoren geschetste zamenstelling der hoogste en andere regterlijke collegiën was dan ook in alle opzigte zeer ongeschikt voor eene goede en onpartijdige regtsbedeeling.
Daar de vorige Gouverneurs meest allen tot den krijgsmansstand behoorden, hadden zij zulks meer lijdelijk aangezien en voor het grootste gedeelte alles aan den Raad-Fiscaal overgelaten, wiens magt en aanzien hierdoor zeer geklommen was, maar wien het zelfs bij den besten wil en de grootste bekwaamheid onmogelijk was de zaken naar behooren waar te nemen, te meer daar het ambt van exploiteur aan het fiscaliaat was verbonden--en daarbij eene langwijlige en ondoelmatige wijze van procederen eene spoedige afdoening van zaken onmogelijk maakte.
Mauricius woonde getrouw de zittingen van de beide hoven bij; de aanhangige zaken, wier aantal eenmaal 300 bedroeg, werden afgedaan; de werkzaamheden der Raden van Policie en die van Civiele Justitie vermeerderden hierdoor, ofschoon hunne magt en aanzien er eerder door verminderden. Had de Raad-Fiscaal, toen de heer Mr. Jacobus Halewijn, heer van Werven, Mauricius getrouw ter zijde gestaan, zeker zoude zijne taak ligter zijn geweest. Van Werven schijnt echter een opvliegend man, een man van een zeer prikkelbaar karakter te zijn geweest, waardoor dikwijls botsingen met den Gouverneur ontstonden.
Toen van Werven echter in hevig verschil was geraakt met de leden van het Hof van Justitie, voornamelijk over de waarneming dier betrekking als Exploiteur, zocht Mauricius dit in der minne bij te leggen en toonde hij zich in deze zeer onpartijdig.
Mauricius zag zeer goed, dat de vereeniging dier beide bijna onvereenigbare betrekkingen, eene gestadige bron van verschillen en eene belemmering voor den goeden gang des regts was, en trachtte daarop de reeds vroeger door directeurs verlangde scheiding te bewerkstelligen. Als een conditio sine qua non, was echter de vrijwillige toestemming van den daarbij betrokken persoon noodig en daarom werd de Heer van Werven gevraagd, welke som hij ter vergoeding van het exploiteurschap verlangde. Van Werven vroeg hiervoor eene jaarlijksche som van f 6000, waarover langdurige discussiën volgden, schetsrekening of calculas werden gemaakt, welke wij hieronder laten volgen, waaruit bleek dat de gevraagde som billijk, was; waarna men dan ook besloot, den heer van Werven zijnen eisch toe te staan. [234]
Hendrik Boullé en daarna Aubin Nepveu, broeder van den particulieren secretaris van Mauricius, Jan Nepveu, werden tot exploiteurs benoemd. Deze betrekking, waardoor men, als uitvoerder van de vonnissen van het Hof van civiele Justitie, meermalen in onaangename aanraking met de inwoners kwam; daar het meestal dwangbevelen tot betaling enz. gold, was ook verre van aangenaam te zijn. Onder den Gouverneur Raije in 1737 gebeurde het onder anderen meermalen, dat wanneer de assistenten van de exploiteur op plantaadjes kwamen, om dezelve voor de crediteuren in bezit te nemen, of ze te inventariseren, zij daarop noch goederen, noch slaven vonden, daar de meester zich met zijne slaven enz. bij hunne aankomst in het bosch verwijderd had, zoodat zij onverrigter zaken moesten terugkeeren; en behalve deze praktijken ter ontduiking van de door den exploiteur ten uitvoer te leggen vonnissen van het Hof van Civiele Justitie, kwamen nog andere moeijelijkheden: bij de zoo ligt opgewekte wrevel der heeren planters en anderen, behoorde er veel wijsheid toe ter vervulling dezer moeijelijke betrekking. Zoo spoedig genoemde heeren zich maar eenigzins door een dergelijk ambtenaar beleedigd achtten, kwamen zij onmiddellijk met hevige klagten te voorschijn. Zoo werd op den 17den Februarij 1747 de substituut exploiteur die zich bij eene dagvaardiging van burger officieren eenige dreigementen had veroorloofd, ten eerste uit zijn ambt ontslagen, ten tweede veroordeeld om op een stuk geschut te worden gesteld met een papier op de borst, waarop stond »de substituut Exploiteur, die de burgers dreigt zonder orde", en alzoo een half uur lang te pronk te staan en ten derde uit de kolonie te worden gebannen, terwijl hij de kosten der justitie moest betalen.
De verbetering door Mauricius in de regtsbedeeling gebragt, was verre van algemeen te behagen; dat aanzien en vermogen niet langer een vrijbrief was, om straffeloos de wetten te overtreden, voldeed velen, die dit privilegie zoolang zonder stoornis genoten hadden, volstrekt niet en al spoedig werd hierdoor wrevel, ontevredenheid onder dezulken tegen Mauricius opgewekt, terwijl zij ieder voorwendsel om de daden des Gouverneurs in een kwaad licht te stellen, gretig aangrepen. Zoo werd de bepaling waarbij Mauricius gebood, dat rekwesten enz. aan den Raad geadresseerd eerst aan hem als Voorzitter moesten worden ter hand gesteld, hetgeen ter voorkoming van misbruiken en als goede regel geschiedde, zeer ten kwade uitgelegd. [235]
De verdere maatregelen door Mauricius genomen om orde en regel te bevorderen, baarden doorgaans ontevredenheid; zoo werd hem nu een door hem uitgevaardigd placaat, waarbij de ingezetenen gelast werden nieuwe kaarten of warranden der aan hun door de sociëteit verstrekte gronden te laten maken, zeer ten kwade geduid en als misbruik van magt toegekend, zelfs leverden de Raden van Policie hiertegen protest in. [236]
De begeving van ambten, veroorzaakte, zooals trouwens meermalen het geval was, vele onaangenaamheden; de benoeming o. a. van zekeren Borgtorff tot keurmeester der suiker, hoe weinig beduidend op zich zelve, gaf aanleiding tot hevige disputen, daar de benoemde niet naar den zin der heeren planters was en men hiertoe een ander begeerd had.
In 1744 deden zich aan den staatkundigen horizon van Europa ongunstige verschijnselen voor wegens de vrees voor het uitbreken des oorlogs met Frankrijk. Mauricius, die wegens de nabijheid van Caijenne voor een inval vreesde, wilde de noodige voorzorgsmaatregelen nemen en vroeg hiertoe de hulp van het Hof van Policie, die schoorvoetend en slechts onder protest verleend werd, daar men zich steeds op het 27sten Art. van het octrooi grondde, waarbij bepaald werd, dat de verdedigingskosten door de sociëteit moesten worden gedragen.
Deze zaak gaf aanleiding tot vele moeijelijkheden: Mauricius nam in overleg met het Hof verscheidene besluiten, waarbij de schippers, tot eigene veiligheid en die der kolonie, bevolen werden om meer in de nabijheid van Paramaribo met hunne schepen voor anker te gaan liggen; hij had hier met onwil en ontevredenheid der schippers, die door sommige ingezetenen werden opgestookt, te kampen; zelfs leverden zij later een beklag over de willekeurige handeling (gelijk zij zulks kwalificeerden) van den Gouverneur bij de Staten in; Mauricius deed zijn uiterste best, om de nieuwe fortres, wiens bestaan hier nog niet geheel voltooid was, [237] in staat van verdediging te brengen, maar vond hierin gedurig tegenstand, dan van den Commandeur, met wien hij op geen goeden voet stond, dan van de leden van het hof, die als commissarissen toezigt moesten uitoefenen, doch eerder zijne maatregelen belemmerden, dan weder met de ingezetenen, die in gebreke bleven, het bij conventie bepaalde getal slaven voor den bouw te leveren. Niettegenstaande al deze bezwaren en moeiten, gelukte het toch aan Mauricius, om daartoe door de Staten-Generaal gemagtigd, met de Raden van Policie, als vertegenwoordigers der ingezetenen, eene overeenkomst te treffen, waarbij die zaak geregeld werd; en bij acte v. H.H.M. van 6 Maart 1748 kwam een verdrag tot stand, waarin bepaald werd, dat men de nu voltooide forten steeds in goeden staat en tegenweer moest onderhouden; dat het aandeel der kosten door de Directeuren der Sociëteit gezamenlijk gedragen, en dat het fort Sommelsdijk zoude verlaten worden. [238] Een door hem in Junij 1744 gedaan voorstel, om eene redoute tegenover het nieuwe fort aan te leggen, daar het geschut op hetzelve niet ver genoeg reikte, om de kleine schepen, die weinig diepgang hadden, af te weren, vond om dezelfde redenen zeer veel tegenstand en eerst na verscheidene jaren slaagde hij er in tot het bouwen daarvan over te gaan.
Een nieuw reglement voor de burgermilitie, dat bepalingen behelsde, waarbij de straf aan lijf of leven bij sommige gevallen gesteld werd en het artikel inhield: dat in cas van alarm de burgers zich ter verdediging naar de nieuwe fortres hadden te begeven, om onder de militairen dienst te doen, gaf veel aanleiding tot ontevredenheid. De burgerofficieren leverden een geschrift daaromtrent aan het Hof in, waarbij zij zich over de genoemde bepalingen beklaagden, en een voorstel deden om, in cas van alarm, al de militairen naar de nieuwe forten te zenden, terwijl de burgers alsdan Zeelandia en Sommelsdijk zouden verdedigen--dan--voerden zij als beweegreden aan, was er geen vrees voor verschil tusschen militairen en burgers. Bij onverhoopte verovering der nieuwe fortres, bleef er nog kans over ter verdediging der stad Paramaribo of ter verkrijging van redelijke voorwaarden, en hierdoor werd tevens het bezwaar weggenomen dat er op de plantaadjes, door vertrek der meeste blanken en tengevolge van gebrekkig toezigt, uitspattingen, ja welligt opstand onder de slavenmagt zoude ontstaan; men stelde alzoo voor, liever goede, bekwame negers ter verdediging der fortres af te staan. [239]
Mauricius toonde zich niet ongenegen, om in dit voorstel, behoudens eenige nadere bepalingen, te treden, doch juist over deze nadere bepalingen kwam weder verschil, en de burgerofficieren begonnen afzonderlijke vergaderingen te houden, waarover Mauricius zich zeer ontevreden toonde, als zijnde deze vergaderingen strijdig met het octrooi, waarbij alle magt aan Gouverneur en Raden opgedragen werd, terwijl ook het houden van afzonderlijke vergaderingen bij besluiten van H.H.M. in 1712 en 13, strengelijk verboden was. De maatregelen tot sluiting dezer bijeenkomsten door Mauricius genomen, verbitterden velen dier kolonisten die in meerdere of mindere mate met de burgerofficieren instemden.
Men poogde dan ook in het hof van policie leden der oppositie te vestigen, en daar een dier leden, Salomon Duplessis, de meeste stemmen van een dubbeltal verkregen had, werd hij geëligeerd door Mauricius [240] die hoopte èn dat hierdoor aan de tegenpartij genoegen gedaan wordende, deze meer tot billijke waardering zijner handelwijze zou worden gebragt, èn dat de genoemde Duplessis deze daad van loyaliteit van hem Gouverneur erkennen zoude--dan--Mauricius vleide zich met eene ijdele hoop.
De tegenpartij, door Mauricius steeds de Cabale genoemd, werd integendeel hierdoor meer verwaten, en Duplessis toonde zich, zooals Mauricius het noemt »als een woeste kwade kerel" en in en buiten de vergaderingen van het Hof was hij immer de sterkste tegenstander van den Gouverneur; in de vergaderingen vielen, tengevolge zijner heftigheid, soms ergerlijke tooneelen voor; en toen er bij het vacant worden van twee plaatsen in het Hof eene nieuwe verkiezing geschieden moest, cabaleerde hij met anderen, vooral met den raad Pichot, zeer sterk om die vacante plaatsen door mannen in zijn geest te doen vervullen; zulks mislukte hem echter, en als een blijk zijner heftigheid worde vermeld, dat hij over die mislukking zoo verwoed was, dat hij over de straat liep als een moedwillige bootsgezel, afgrijselijk in vloeken uitbarstende, terwijl hij n. b. van boosheid op een kogel beet. [241]
Meer en meer ontwikkelde de geest van tegenstand tegen Mauricius: de misnoegden begonnen vergaderingen te houden, waar voorzitters, secretarissen, ja zelfs thesauriers niet ontbraken.--Niet slechts was er strijd over algemeene beginselen, maar verscheidene particuliere gevallen maakten den strijd hatelijk en persoonlijk.
Die strijd werd niet alleen in de raadzaal of in vergaderingen gevoerd, maar zelfs in particuliere gezelschappen barstte te dier zake meermalen de ergerlijkste twisten uit, en niet slechts Mauricius, maar ook zijne vrouw, zijne bloedverwanten, al die men dacht dat zijne zijde kozen, werden de voorwerpen van den hevigsten haat, die zich soms in allerlei grofheden openbaarde.
Zoo verhaalt Mauricius in zijn dagboek 14 Dec. 1746, dat zijne vrouw en dochter, welke des avonds de zieke vrouw van Ds. Ronde een bezoek hadden gebragt, in het naar huis gaan, bij de woning van Visser, een ijverig lid der Cabale, door dezen als een anderen Simeï met vreeselijke vloekwoorden beleedigd werd [242]--een anderen keer werd mevrouw Mauricius door eenige dames nagejouwd--»daar gaat Trijn van Hamburg"--Mauricius beklaagt zich in zijn dagboek hierover meermalen, wij deelen hieruit nog het volgende mede: [243] »Nadat het canailleuse wyf van Scherping [244] voor een jaar 't exempel heeft gegeven, van, op haar hoogen stoep sittende, op my en myn vrouw, (als wy voorbygaan) te spuuwen in plaats van te groeten, hebben ook op dat exempel sederd eenige maanden eenige dames, alle in deze naburige straat woonende, zich het woord gegeven, van my, myn vrouw en allen die voor Gouverneursgezind passeeren, niet wederom te groeten, al groet men eerst, specialyk Mev. l'Archer, de wed. van de Meel, de vrouwen van Pichot, Freher, Brouwer en Raket. De vrouw van Pichot heeft sich altyd voornaamlijk gesignaleerd met eene bysondere agiliteit--waarop wy ook sederd eenigen tyd de resolutie hebben genomen, van sachtjens voorby te gaan, zonder om te zien, doch gisteren ging 't zo verre, dat de vrouwen van Pichot en Brouwer op den stoep sittende myn vrouw in het voorbygaan met een schaterend gelach uitjouwden."
Niet slechts telde Mauricius zijne tegenstanders onder vele der aanzienlijkste mannen, maar ook, gelijk wij uit het hier aangehaalde zagen, kozen de aanzienlijke vrouwen partij tegen hem. Eene der voornaamste onder haar was eene dame Charlotte Elisabeth van der Lith, dochter van een Hoogduitsch predikant, weduwe van drie Gouverneurs en later van twee Fransche predikanten. [245] Door hare huwelijken achtereenvolgens met drie Gouverneurs was zij ruimschoots in de gelegenheid geweest invloed op den gang van zaken te kunnen uitoefenen; dit scheen hare heerschzucht meer en meer te hebben opgewekt, en niet tevreden met de vervulling harer pligten als moeder en echtgenoot, (zij was 7 Januarij 1742 ten vierde male gehuwd met den predikant der Waalsche gemeente Audra,) begon zij al spoedig Mauricius te dwarsboomen, de aanleiding hiertoe was het volgende: Sedert den aanval der Marrons in 1750 op de afgelegene plantaadje Bergendaal, die Mev. Audra toebehoorde, was aldaar in de nabijheid eene militaire post geplaatst. De aldaar gestationeerde soldaten moesten gedurig over den grond der plantaadje gaan--Mevr. Audra klaagde te regt of ten onregte over den grooten last dien dit haar veroorzaakte.--De secretaris Jan Nepveu door Mauricius naar den heer Audra gezonden om deze zaak in der minne te schikken, vond slechts mevrouw die met de meeste impertinentie verklaarde, absoluut dien weg niet te zullen permitteren en degenen die er op kwamen, de beenen te zullen laten aan stukken slaan [246]--en toen Mauricius zich hierover gebelgd toonde, schaarde Mevr. Audra zich weldra onder de vijanden van den Gouverneur, ja werd weldra de ziel der Cabale, vooral na den dood van haar vierden echtgenoot, (den 17 Mei 1744), die eene openlijke vijandschap vreesde en meermalen getracht had haar tot bedaren te brengen.--De botsing tusschen haar en den landvoogd, door onderscheidene kleine omstandigheden gevoed, werd steeds heviger, waartoe veel bijdroeg haar onbetamelijke omgang met den Franschen Waalschen predikant Bartelomeus Louis Duvoisin, een woest, buitensporig en opvliegend man, met wien zij den 27sten Mei 1748 zich door den band des huwelijks verbond. Het zoude ons bestek te zeer overschrijden, indien wij een verhaal gaven van de onderscheidene moeijelijkheden met welke Mauricius te kampen had, en indien wij al zijne vijanden en de redenen hunner vijandschap tegen hem den lezer wilde leeren kennen.--Reeds uit het medegedeelde kan men oordeelen, hoe moeijelijk de toestand van Mauricius was. Daarbij kwam nog dat de personen die hem terzijde moesten staan, om rust en orde te handhaven, meerendeels de zijde zijner tegenstanders kozen. Zoo vond hij o.a. al spoedig tegenwerking bij den persoon, die op hem in rang volgde, namelijk de Commandeur, die als bevelhebber der troepen en als eerste Raad van Policie, grooten invloed zoowel ten kwade als ten goede kon uitoefenen. Philippe Cambrier, een Franschman, die vroeger kapitein bij de Zwitsers was, werd tot luitenant-kolonel en Commandeur benoemd en arriveerde kort na de aankomst van Mauricius in Suriname; hij was met de familie van Sommelsdijk vermaagschapt en met vele hooggeplaatste personen in Nederland bekend, met welke hij een gestadige briefwisseling onderhield, waarin hij de daden van Mauricius in een verkeerd daglicht plaatste, terwijl hij zich in Suriname aan de partij tegen den Gouverneur aansloot.
Toen Cambrier, die wegens verzuim in de dienst meermalen door Mauricius tot ijver en pligtsbetrachting moest worden aangemaand, in Feb. 1744 om zijn ontslag verzocht, werd hem dit verleend; in zijne plaats kwam Jean Louis L'Archer, heer van Keenenburg, sedert 1743 Ritmeester der cavallerie welke den 29sten December 1746 in Suriname arriveerde, doch hiervan had Mauricius weinig dienst.--L'Archer was veelal ziek en veroorzaakte daarenboven den Gouverneur veel moeite en onaangenaamheden, »daar hij" schrijft Mauricius in zijn dagboek 5 November 1747, »plompelijk 't masker aflegt en geen schaduw van respect meer observeert," hetwelk zelfs zoo verre ging dat de Gouverneur hem huisarrest deed aanzeggen en de bijwoning der vergaderingen verbieden; den 10den Mei 1748 overleed de heer L'Archer, en zijne vrouw behoorde sedert dien tijd tot de hevigste tegenstanders van den Gouverneur.
De tot zijn opvolger benoemde heer Wigbold Crommelin, kwam eerst in 1749 in Suriname aan; deze heer had door zijne bekwaamheden en door zijne gehechtheid aan en overeenstemming met Mauricius, dezen tot grooten steun kunnen zijn; hij kwam daartoe te laat--de oneenigheden waren reeds te ver gekomen.
Met den Raad Fiscaal van Werven waren ook velerlei onaangenaamheden. Na diens overlijden 22 Aug. 1746, kwam, ter zijner vervanging, Mr. Nicolaas Anthony Kohl den 13den Dec. 1746 te Suriname aan.--Deze stond Mauricius trouw ter zijde, werd zelf zeer met hem bevriend en huwde den 26sten Januarij 1746 met zijne oudste dochter, doch overleed reeds den 27sten Oct. 1748. Bijna een jaar lang werd het Fiscalaat a. i. waargenomen door den Raad van Policie Hendrik Talbot, doch het meeste werk kwam nu op Mauricius neder, die hierom echter van heerschzucht beschuldigd werd. Den 31sten October 1749 aanvaardde de in Nederland tot Fiscaal benoemde Secretaris Jacobus van Baerle die betrekking, maar overleed reeds den 25sten Sept. 1750, waardoor de werkzaamheden van Mauricius weder zeer vermeerderd werden.
De secretaris van het hof Scherping behoorde mede tot de tegenpartij; was hij zulks in het eerst slechts in het geheim, zijne vrouw daarentegen, door Mauricius meermalen de Gouvernante van den waterkant genoemd, kwam hier voor openlijk uit. (het hier straks vermelde strekke ten bewijze).
Zoo beleedigde ook de vrouw van den ontvanger Freher, mede Raad van Politie, den Gouverneur. Deze had een deurwaarder uitgezonden, om zekeren heer Cellier te spreken. De deurwaarder vervoegde zich, ter voldoening aan den last des Gouverneurs, in een huis, waar onder meer gezelschap zich ook mevrouw Freher bevond, die hem toevoegde: »Moet gij hem van dien Aap spreken, die schelm, wat moet die schoelje hebben?" [247]
De daaromtrent ingestelde regterlijke vervolging was van langen duur en baarde nieuwe onaangenaamheden.
Meer en meer barstte het vuur der tweedragt uit, toen Salomon Duplessis in Maart 1747 door de ontevredenen, op gezamenlijke kosten naar Holland werd gezonden, om daar over Mauricius te klagen en zijne terugroeping te bewerken.