Part 16
Een groot aantal mannen stierven in jeugdigen leeftijd ten gevolge hunner ongebondene levenswijze of kropen als uitgeteerde geraamten daar heen en weinigen waren er, die hunne vrouwen overleefden.
De lezer verschoone ons van bijzonderheden uit »deze" gelijk Mauricius schrijft: »abime van vuiligheden" mede te deelen, het is eene droevige zaak voor den schrijver om gedurig melding te moeten maken van de zonden en gebreken van het volk, welks geschiedenis hij waagt te schetsen; dubbel droevig is dit echter, indien het een volk betreft, dat door afkomst zoo naauw met hem verwant is, doch hij mag hierdoor zich niet laten weerhouden, om aan de waarheid getrouw te zijn, hoe vurig hij ook wenscht, dat het hem gegeven ware, grooter en edeler daden te vermelden.
Als eene der grootste oorzaken van het lage peil der zedelijkheid in Suriname moet zeker beschouwd worden, dat het stelsel der slavernij zich, in al hare noodlottige kracht, ten kwade deed gevoelen.
Het stelsel der slavernij toch, iedereen erkent zulks, is droevig en ellendig voor den slaaf, maar is zulks mede voor den meester; vooral is het onvermijdelijk noodlottig voor de reinheid van zeden; het regt om vrouwelijke wezens in eigendom te hebben, geheel van den wil des eigenaars afhankelijk, is een zeer gevaarlijk regt.
»In alle slavenstaten," zegt een beroemd man [208] »heerscht onder jonge lieden eene jeugdige ongebondenheid. Is de jeugd steeds een gevaarlijke leeftijd, in slavenstaten is zij zulks meer dan elders; en dit houdt niet met dien leeftijd op. De verpligtingen der huwelijkstrouw, de heiligheid van huisselijke banden worden aldaar slecht geëerbiedigd. Reeds in dit leven is er eene schrikkelijke vergelding van het gepleegde onregt. Het huisselijk geluk van den slaaf is eene bijna onbekende zaak, maar ook de ontrouw des meesters brengt verderf over zijn eigen huisselijke neigingen en genietingen. Het huisgezin is zonder reinheid en getrouwheid ongelukkig, daar het alzoo van zijne heiligste aanlokkelijkheden en gezegendste invloeden beroofd wordt--en elk slavengewest rookt van ongebondenheid; het is besmet met doodelijker pestilentie dan de pest zelve."
En de vrouwen, de wettige echtgenooten, van velen harer kon men zeggen, dat zij vergoeding zochten voor het ongelijk en de verwaarloozing door hare echtgenooten--eerstelijk in den haat dien zij jegens hare mededingsters koesterden en dien zij soms met eene onverzadelijke wreedheid jegens deze arme, vaak tegen haren wil verleidden, botvierden, terwijl zij hare mannen straften met verachting en tevens door een openlijk niet te miskennen voorrang, welken zij aan den pas uit Europa aangekomen vreemdeling gaven--ten andere in een leven van genot en opschik. [209]
Verkwisting, die onafscheidbare gezellin van onzedelijkheid, deed het geld verdwijnen en bij het onontbeerlijke hiervan ter voldoening der steeds nieuwe prikkels begeerende zinnelijkheid, moest de slaaf, het menschelijk werktuig om geld te verdienen, zijne krachten ten beste geven. Van daar zoo dikwijls de harde en wreede behandeling van den slaaf door menschen, die anders van nature toch niet zoo wreed of hardvochtig waren. Om in de stad prachtig te leven en zich als in weelde te baden, moest de slaaf op de plantaadje dubbel hard werken.
De meeste vermogende planters hadden hunne woning in de stad en gingen slechts van tijd tot tijd hunne plantaadjes bezoeken, alwaar zij dan korten of langen tijd vertoefden, terwijl zij verder het bestuur hunner effecten aan den directeur overlieten.
De lust en begeerte om meer met andere Europeanen in gezelschap te zijn, de vermaken der stad, hoe weinig verfijnd of veredeld, trokken hen en nu maakten zij zich diets, dat er belangrijke redenen hiertoe bestonden, als bijv. dat men door dadelijke aanraking met de schippers hoogere prijzen voor de producten en lagere voor hetgeen men zelf noodig had bedingen kon; dat men, en dit woog zeer zwaar, meerderen invloed op den gang van het bestuur kon uitoefenen, enz.
De ondervinding leerde, dat deze verwijdering der eigenaars zeer verkeerd werkte, zoo ten opzigte van de inkomsten hunner effecten als van den toestand der slaven, die hierdoor nog harder en onverdragelijker werd en dus meer tot wegloopen aanleiding gaf.
Werd het meer en meer de gewoonte, dat de groote planter zijn verblijf in de stad vestigde en slechts van tijd tot tijd zijne plantaadjes bezocht, enkelen volgden den ouden regel en vertoefden er het grootst gedeelte van het jaar en gingen slechts naar de stad, indien belangrijke zaken hen daar riepen. Om eenigermate over het leven op de plantaadjes te oordeelen, diene het volgende:
Om 6 uur in den morgen stond de heer en meester doorgaans op en begaf hij zich op de plaats voor het huis of in de veranda, waarvan eenige plantaadjegebouwen voorzien waren; de vaderlandsche pijp werd aangestoken en een kop koffij genuttigd. Terwijl hij hier op zijn gemak de koele en verfrisschende morgenlucht genoot, verscheen de opzigter om zijn verslag in te leveren en de orders voor den dag te ontvangen.
De opzigter, die zich dikwijls door kruipende beleefdheid in de gunst van zijn patroon zocht in te dringen, maakte, na eenige bewijzen van eerbied door buigen of strijkkaadjes te hebben gegeven, den meester bekend wat er den vorigen dag gewerkt was, welke negers weggeloopen, gestorven, ziek of weder gezond waren geworden; of er ook geboorten onder de slavenmagt hadden plaats gehad en daarop volgden de aanklagten over dezen slaaf of die slavin; welke het werk niet goed verrigt, luiheid getoond, kleine diefstallen begaan of iets, dat in de oogen van den opzigter niet goed was, hadden gedaan. Daar de aangeklaagde meestal tegenwoordig was, volgde er doorgaans parate executie.
Dan kwam de heelmeester of liever de Dresneger [210] om zijn verslag uit te brengen. Viel dit wat te ongunstig naar het oordeel des meesters uit, dan werd hij soms met een duchtigen vloek weggezonden of kreeg eenige streken met de karwats, als toevoegsel tot de vermaning om zijn pligt te doen en vooral luiheid van ziekte te onderscheiden.
Vervolgens naderde de creolen-mama, eene oude negerin, met het opzigt der kinderen van de plantaadje belast, vergezeld van al de jeugdige slaven en slavinnen; dezen, na zich vooraf gebaad te hebben, ontvingen meestal hun ontbijt, uit rijst en banannen bestaande, onder het oog van den meester, waarna zij, na eenige grimassen te hebben gemaakt, weder vertrokken.
Nu ging de planter in zijn negligé eene wandeling maken of steeg, zoo hiertoe gelegenheid was, te paard, om zijne rijke velden in oogenschouw te nemen en te zien of zijne negers goed werkten.
Dit negligé bestond meestal in een fijn linnen broek, zijden kousen en roode of gele muilen of pantoffels, een hemd aan den halsboord open en daarover eene japon van Oost-Indische chits, een muts zoo fijn als spinrag en daarover een grootte beverhoed, ter beschutting voor de zon.
Tegen acht à negen ure van dit morgentogtje terug gekomen, ontbeet hij en kleedde zich volgens de gewoonte van dien tijd, waarbij gedienstige slaven of slavinnen hem ter hulpe stonden.
Wilde hij nu vrienden of buren gaan bezoeken, zoo begaf hij zich naar zijne tentboot, die door den opzigter met vruchten, wijn, sterke dranken en tabak goed voorzien was, en zes of acht sterke roeinegers bragten hem waar hij wezen wilde.
Had hij geen lust om uit te gaan, dan ontbeet hij wat later en besteedde hieraan meer tijd. Een dergelijk ontbijt bestond uit ham, pekelvleesch, gebraadde hoenders of duiven; verder banannen, zoete cassaves, brood, boter, kaas, enz., waarbij zwaar bier en een glas madeira, Rijnsche of Fransche wijn werd gedronken. Was de planter ongehuwd of woonde zijne vrouw in de stad, dan was de directeur menigmaal slechts de eenigste deelgenoot van dit ontbijt.
Nadat deze gewigtige bezigheden afgeloopen en de directeur vertrokken was om het werk na te zien (den blankofficier was de taak opgedragen om hierbij gestadig tegenwoordig te zijn), ging de planter eenige berekeningen maken, of dergelijk werk verrigten; een enkelen keer nam hij eens een boek in de hand, doch dit behoorde tot de uitzonderingen; lezen viel doorgaans niet veel in zijn smaak.
Bij de toeneming der warmte, nam hij zijn middagslaapje; tegen drie ure opgestaan, zette hij zich aan tafel. Zijn opzigter en enkele keeren een paar zijner blankofficieren, indien deze mannen van zijn smaak waren, waren zijne dischgenooten, die hierdoor zich dan zeer vereerd gevoelden, en om strijd zijn tafel prezen, dat niet slechts vleitaal behoefde te zijn, want zij was goed voorzien van vleesch, gevogelte, wildbraad, visch, groenten, vruchten en de wijn, soms van de beste en edelste soort, ontbrak er niet.
Met zonsondergang kwamen de slaven van het veld en hetzelfde tooneel van des morgens herhaalde zich. De avond werd doorgebragt met rum of punch drinken, tabak rooken en kaartspelen. Waren er gasten op de plantaadje aanwezig, dan werd dit meermalen tot laat in den nacht voortgezet, anders ging de planter tegen 10 of 11 ure naar zijne slaapkamer, waar hij veelal, in de armen van eene zijner favorieten, van zijn vermoeijenden arbeid uitrustte, om den volgenden dag tot den zelfden kring van werkzaamheden, of liever geestelooze tijdsdooding, weder te keeren.
Een dergelijk eentoonig materieel leven was verwoestend voor de zedelijkheid. De mensch, hier onbepaald heerschende over medemenschen, die op zijne wenken vlogen, die voor de minste zamentrekking zijner wenkbraauwen, voor een donkeren blik van hem sidderden, werd meer en meer hoogmoedig, trotsch, laatdunkend; en hoe weinig beduidend hij soms ware, hij begon zich in te beelden waarlijk een persoon van gewigt te zijn, en velen uit hun néant tot rijkdom en eere opgeklommen, begon het hoofd te draaijen. [211]
Schetsten wij in enkele trekken het leven der aanzienlijksten in Suriname, van de mindere klassen, zoo der blanken als kleurlingen, worde slechts dit gezegd: zij trachtten de anderen na te volgen, en hetgeen bij de eerste soms nog door een zeker waas van uiterlijke beschaving bedekt, minder afzigtelijk voor des menschen oog scheen, kwam bij de laatsten, bij gemis van dat waas, in al hare afschuwelijke naaktheid te voorschijn.
Wel vond men in Suriname toen evenzeer als nu mannen en vrouwen, die ondanks den, de goede zeden doodenden atmospheer, den eernaam van christen waardig waren; over het algemeen was het met den zedelijken toestand der inwoners droevig gesteld.
Het godsdienstig en kerkelijk leven was ook zeer weinig ontwikkeld.
Wel luidde het 28ste artikel van het octrooi: »dat de voornoemde Bewinthebbers sullen moeten besorgen dat de coloniërs ten allen tijde zijn voorzien van een of meer Bedienaers des Goddelijken woorts, na dat de gelegentheydt van de kolonie het zoude moghen komen te vereysschen, ten eynde de coloniërs en de verdere opgezetenen aldaer in de vreeze des Heeren, ende de leere der zaligheyt geleydt ende onderwesen mogen werden, mitsgaders tot het gebruyck der Heilighe Sacramenten bequame occasie hebben, zullende de voornoemde Predikanten niet bij de voorz. compagnie, maar bij de coloniërs en opgezetenen zelve onderhouden werden, uyt een middel ofte fonds dat den gemelten Gouverneur en de Raden daertoe op approbatie van Bewindhebberen zullen mogen ordonneren te heffen."
Wel was er in het volgend artikel aangewezen waaruit de kosten voor de kerkdienst en die voor de schoolmeesters voorzien moesten worden.
Wel was de Gouverneur volgens zijne instructie gehouden de Gereformeerde godsdienst te beschermen en voort te planten.
Wel waren er kerken in de kolonie ter uitoefening der openbare godsdienstoefening, als: ééne te Paramaribo waar beurtelings in de Nederduitsche en Fransche talen gepredikt werd, [212] ééne door de zorg van van Sommelsdijk aan de boven Commewijne, waar deze zich met de Cottica vereenigt, in 1688 gebouwd en door Ds. Ketelaar ingewijd, ééne op den hoek van Cottica en Perica, in 1721 daargesteld. [213]
Wel waren doorgaans eenige predikanten in Suriname, [214] en naar den aard der liefde, die alle dingen hoopt en gaarne het beste denkt, willen wij gelooven dat hieronder waardige mannen werden gevonden, al is het dat wij uit gebrek aan bescheiden hiervan weinig hebben mede te deelen; echter schijnt het steeds moeijelijk te zijn geweest om geschikte sujetten [215] te verkrijgen.
Daarom dan ook deed Ds. Veyra, een bekeerde Israëliet, die veel ijver in zijn ambt betoonde, den 20sten Mei 1740 in de vergadering van het Conventus Deputatorum [216] een voorstel, om, daar men zoo moeijelijk predikanten uit het vaderland kon bekomen, het Hof te verzoeken, boven en behalve het gewone getal predikanten, twee of meer proponenten aan te stellen, om, bij vacature of anderzins, in de dienst te kunnen voorzien en tot dat doel in Paramaribo, hetzij uit het weeshuis of ergens elders, om te zien naar kinderen »waar men een snedig verstand, goed begrip en leerlust in bespeurde", en ze naar Holland te zenden, om daar, na voorbereidende en andere studiën, te worden bevestigd, terwijl zij, daar de koloniale kas de kosten hiervan dragen zoude, zich moesten verbinden om na volbragte studiën naar Suriname terug te keeren, »waartoe", merkt Ds. Veyra aan, »zij te eerder zouden geneigd zijn, omdat zij daar hunne bloedverwanten en betrekkingen weder konden ontmoeten enz."
Ds. Veyra vermeende, gelijk hij in zijn voorstel nader toelichtte, dat hierdoor in volgende tijden het land niet slechts altijd van een genoegzaam aantal predikanten kon worden voorzien, maar dat hierdoor de grond zou worden gelegd tot een hooger onderwijs in de kolonie, daar sommige dezer teruggekeerde jongelieden misschien als Preceptors of Lectors in verscheiden kunsten en wetenschappen zouden kunnen worden aangesteld, enz.
Over dit plan zijn wel van tijd tot tijd discussiën gevoerd, maar verder is er niets van gekomen, en de moeijelijkheid om geschikte sujetten te verkrijgen bleef bestaan.
Tusschen de predikanten onderling, de Nederduitsche en de Fransche, rezen ook meermalen verschillen, en in het Conventus Deputatorum vielen soms, vooral in den tijd van Mauricius, ergerlijke tooneelen voor, zoo zelfs, dat de Commissarissen politiek de vergadering moesten schorsen. [217]
Gedurig vindt men ook gewag gemaakt van twisten tusschen de predikanten en hunne kerkeraden en het Hof van Policie. [218]
Onder de Gouverneurs Cheusses en Raye was men zelfs genoodzaakt geworden tot politieke uitzetting van predikanten.
Zekere Ds. Kals, predikant te Perica en Cottica, was door het Conventus Deputatorum, op rapport en beklag van Ds. Jan Martin Kleyn, geschorst; na de expiratie zou hij door genoemden Ds. Kleyn, die zoo lang de predikbeurt in die gemeente had waargenomen, volgens besluit van het Conventus 6 Feb. 1733, op nieuw in zijne bediening worden hersteld. In plaats van hiermede genoegen te nemen en zich, zoo als zijn kerkeraad verlangde, op nieuw in de dienst te laten bevestigen, voer hij op ruwen toon tegen Ds. Kleyn en tegen het Conventus uit, even als hij vroeger tegen den Commandeur de Vries en het Hof van Policie uitgevaren was, welke ergerlijke tooneelen breedvoerig in de Notulen van 4 en 5 Aug. 1732, Mei 1733 enz. opgeteekend zijn,--het Hof concludeerde dat »daar Ds. Kals was een persoon van een onrustig en querelleus humeur, die zich noch aan wereldlijke noch aan geestelijke regten en vermaningen wilde onderwerpen, maar zich halsstarrig meerder en meerder in onrusten inwikkelde enz.", tot wegneming van verdere ergernissen, hem, Ds. Kals, met het eerst vertrekkende schip uit de kolonie te verzenden [219], gelijk dan ook geschied is [220].
Bij besluit van het Hof van Politie van 3 Februarij 1736 werd Ds. Jan Martin Kleijn, mede, om in de notulen breedvoerig vermelde redenen, uit de kolonie verbannen, doch hij kwam onder v. d. Schepper, in November 1738, terug; in eene vergadering van het Hof, op den 20 November 1738, verzocht hij verschooning voor vroegere gedragingen en werd weder in de dienst hersteld.
Den 20 December 1743 klaagde Ds. Liege Mevr. Halewijn aan, dat, toen hij haar vermaande, zij hem met vloeken, bespottingen en onkuische uitdrukkingen had geïnsulteerd--deze zaak heeft lang geduurd, eindelijk werd Ds. Liege voor 6 maanden geschorst--hij verzocht daarop in Maart 1744 naar Holland te gaan, om zijn zaak te bepleiten, dan hiertegen verzette zich de kerkeraad, omdat hij in de 4 maanden van zijn verblijf nog maar slechts 3 keeren gepredikt had--de kerkenraad gaf echter later consent.
In een brief, gedagteekend 14 April 1749, door de Eerw. classis van Amsterdam, waaronder Suriname kerkelijk ressorteerde, aan het Conv. Deputatorum gerigt, wordt de droefheid der vergadering kenbaar gemaakt, »over de zware twisten, ja droevige oneenigheden, die zoo ver gingen, dat de eene dienstknecht des Heeren den anderen wel eens openlijk hoonde, schold en liefdeloos behandelde op meer dan eene wijze, terwijl HH. predikanten zich niet ontzagen, om door onbetamelijke uitdrukkingen, enz. de hooge regering te beleedigen"; de classis vermaande tot vrede. In eenen lateren brief, 7 Sept. 1750, der Eerw. classis, maar nu aan Gouverneur en Raden, werd verzocht den voornaamsten woelgeest, den Franschen predikant Duvoisin, [221] als een ontaarden zoon tot rede en een betamelijk gedrag te brengen. Ook trof men het ten tijde van Mauricius ongelukkig met zekeren Ds. Hoevenaar, die met regt een wargeest was; bij de minste tegenspraak geraakte hij in drift, rekende zich in zijne eer beleedigd en dreigde den beleediger met degen of pistool tot zwijgen te brengen--na een korten tijd werd hij volslagen waanzinnig.
Slechts zelden worden overgangen der slaven tot het Christendom vermeld: de enkelen die wij aangeteekend vinden, laten wij hier volgen: den 1 Junij 1747 [222] namen Ds. IJver, Ds. de Ronde en 5 leden uit den kerkenraad, in presentie van de familie van den Gouverneur, Mevr. Larcher en andere dames, den sociëteits-Neger Benjamin tot Lidmaat der Ger. kerk aan, nadat hij zijne geloofsbelijdenis met groote deftigheid, tot verbazing der aanwezenden had afgelegd; hij werd den volgenden Zondag gedoopt, waarbij hij den naam verkreeg van Jan Jacob van Paramaribo; den 30 Mei 1748 [223] werden des namiddags twee negers aangenomen, welke plegtigheid Ds. de Ronde, »zeer deftig bewegelijk heeft uitgevoerd."
Den 5 Junij 1748 [224] leverde Ds. de Ronde een klagt in, dat zekere Jood Machielse, een slaaf, die door Ds. de Ronde in de Christelijke godsdienst werd onderwezen, dagelijks sloeg en mishandelde omdat hij Christen wilde worden,--waarop de Raad Fiscaal zulks den Jood heeft laten verbieden,--of het veel geholpen heeft, meldt de geschiedenis niet.
Den 8 Januarij 1749 [225], werd door zekeren Picorna vrijdom voor zijne slavin Elisabeth met hare drie kinderen verzocht--welke 3 kinderen reeds ledematen der Christelijk Gereformeerde religie waren--het werd toegestaan. Behalve deze weinige hier medegedeelde overgangen van slaven tot het Christendom zoekt men in de officieele bescheiden van dien tijd te vergeefs naar eenig berigt van pogingen, door de Hervormde predikanten aangewend om de slaven tot de kennis van het Evangelie te brengen. Het bevel des Heeren »predikt het Evangelie aan alle creaturen" werd door hen niet geacht; slechts eenige der eerste Fransche predikanten en de eerste aankomelingen van de secte der Labadisten en later de trouwe waardige Moravische broeders gaven hieraan gehoor; integendeel zien wij de predikanten met een wantrouwend oog de werkzaamheden der Hernhutters gadeslaan--en gelijk wij bij de behandeling van de geschiedenis der zending breeder zullen vermelden, was het voornamelijk door hunne aanstoking, dat den 21 November 1740 in het Hof van Politie besloten werd der broeders te verbieden openlijke godsdienstoefening te houden, en zij voortaan zelfs bij de huisselijke godsdienst niemand mogten toelaten. In de notulen der vergadering van het Convent. Deput. van 7 Febr. 1749 werd ook »over de Hernhutteren gevoelens gedelibereerd en besloten steeds tegen dezelve te blijven waken."
Eervol moet hier vermeld worden, dat door de classis van Amsterdam, meer dan eens bij de directeuren der sociëteit voorstellen zijn gedaan, om de kolonie van genoegzame predikanten en catechiseermeesters te voorzien, »om daardoor de Christelijke religie onder de Heidenen des te beter voort te planten." Directeurs der sociëteit schreven daarover aan Gouverneur en Raden en den 16 Dec. 1744 hadden daarover belangrijke discussiën plaats. De Raden waren er niet zeer mede ingenomen. Mauricius erkende wel, dat er vele zwarigheden bestonden, doch oordeelde evenwel »dat deze eene Christelijke regering niet moesten wederhouden, om haar best te doen; dat het eenvoudig Evangelie niet veel omslag van noode heeft, als 't God maar behaagt den wasdom te geven aan 't geen met eene goede meening geplant wordt; hij geloofde echter hiervan weinig vrucht bij de oude slaven te zullen zien en stelde dus een eenvoudig en onkostelijk middel voor, »naementlijk om de kleijne vragen van Borstius off een ander, beneevens 't onze Vaeder, het gelooff, de thien gebooden en eenige eenvoudige schriftuurplaatsen, strekkende om het geloof en vertrouwen in 't Opperste Weezen, de resignatie aan Zijn wille en de liefde tot God en den naeste, het begrip van 's menschen doemwaerdigheit en de middelen der genade kort, beknopt nae 't begrip van een dom verstand eenvoudig in te prenten, in de Neger-Engelsche taele te doen overzetten, [226] nae Holland te zenden, dezelve te laeten drucken, en aen een ieder ingezeetenen uit te deelen met recommandatie om zoo veel mogelijk alle de slaeven, ten minste de kleijne kinderen alle Zondaegen door een hunner bedienden dezelve allenkens te laeten bijbrengen, opdat zij van de jeugd aff wat kennisse krijgen van 't goddelijke weesen, 't Christendom en van den staet der ziele nae dit leven, alsmeede beloning des goeds off quaedt nae dit leven, welk eenvoudig middel (zoo God het beliefde te zeegenen) naederhand nae bevind van zaeken verder zou kunnen worden achtervolgd."
De tegenstand in het Hof was echter zoo groot, dat zelfs dit weinige niet ten uitvoer werd gebragt en in een berigt door Mauricius aan de sociëteit, 30 Nov. 1751, op een nieuwe memorie der classis van Amsterdam over deze aangelegenheid [227] ingediend, beklaagde hij zich dat alle pogingen om dat godsdienstig werk te favoriseren, zijn besoignes met onderscheidene predikanten enz., vruchteloos waren geweest, waarbij hij de sociëteit deed opmerken, dat een voornaam beletsel was »het quaad exempel, dat de meeste meesters aan hunne slaven gaven, zoodat de bekeering der zoogenaamde Christenen in de kolonie diende vooraf te gaan eer men van de bekeering der Heidenen iets hoopen mogt." [228]
Ook werd er door de predikanten weinig werk van de verkondiging des Evangeliums, onder de militairen gemaakt; gelijk o. a. Mauricius ons in zijn dagboek verhaalt: dat bij gelegenheid eener executie van twee ter dood veroordeelde deserteurs, een soldaat, Jan Ark, als ziekentrooster de twee gecondemneerden had ter dood geprepareerd en zich, zoo als Mauricius schrijft [229], hiervan zoo goed gekweten had, dat hij hem f 30.-- present gaf. Daar de militie op het nieuwe fort bij die gelegenheid hare begeerte getoond had om somtijds een gebed of predikatie te hooren, waarvan zij geheel beroofd was, zoo had Mauricius, als »zulkx zeer heilzaam en hoog noodig oordeelende, een soldaat, die daartoe zeer bequaem was [230], aangesteld om op Zondag en feestdaagen een gebed en predicatie te leezen, waarvoor hem, op approbatie der Sociëteit, toegelegd werd vrijdom van de dienst, f 15.-- 's maands en dubbel rantsoen;"--de instructie werd in overleg met de predikanten Yver en Veyra opgesteld.