Geschiedenis van Suriname

Part 15

Chapter 153,611 wordsPublic domain

Tot de genoemde blanke bevolking kon ook nog gerekend worden het garnizoen, hetwelk meerendeels uit een zaamgeraapten hoop van allerlei volkeren van Europa was aangeworven, en met het vele scheepsvolk, dat telkens in Suriname aankwam, door zwelgerijen en muiterijen, tot een wezenlijken last voor de kolonie verstrekte.

Bij deze Europeanen of afstammelingen van Europeanen kwamen nog de kleurlingen, die uit de gemeenschap der blanken met de negerinnen geboren en somtijds vrijgegeven (gemanumitteerd) werden, en de negers die ditzelfde voorregt verworven hadden. Deze van alle Europesche natiën en verschillende geloofsbelijdenissen zamengevloeide massa maakte in vereeniging met de in Suriname geboren blanken en gekleurde (gemanumitteerde) lieden, de vrije bevolking van Suriname uit. Zij kon gevoegelijk in zes klassen verdeeld worden als: Ambtenaars, Militairen, Landbouwers, Handelaars, Ambachtslieden en personen zonder bepaald beroep.

Ambtenaars: deze eerste klasse was in de eerste tijden der koloniën niet zeer talrijk, daar de leden der beide hoven, die van het collegie van kleine zaken en de burgerofficieren niet tot deze categorie kunnen gerekend worden, daar hunne betrekkingen slechts honorabel waren. Hun getal was echter langzamerhand aangewassen, gelijk wij straks bij de vermelding der ambtenaren gezien hebben. Ofschoon zij in meerdere of mindere mate als dienaren der Sociëteit konden beschouwd worden, en over hunne benoeming meermalen hevige twisten ontstonden, was het er toch verre van verwijderd, dat men hen als een aaneengesloten geheel kon beschouwen; daar ook zij meermalen bezittingen in de koloniën hadden of administratiën voor anderen voerden, waren hunne belangen met die der overige ingezetenen vereenigd en meermalen behoorden zij tot de bitterste vijanden van den Gouverneur, waarover o. a. in het dagboek van Mauricius en in het »recueil van echte stukken" vele klagten voorkomen.

De Militairen--geregelde troepen.--Hun getal moest eigenlijk uit 1200 man bestaan en twee bataillons uitmaken, maar zelden was die sterkte voltallig en slechts een gedeelte kon in het veld gebruikt worden; de groote sterfte zoo op de reis van Holland naar Suriname als de nadeelige invloed van de luchtstreek, de vermoeijenissen van de dienst in de bosschen en moerassen ter opsporing van gevlugte slaven, verminderde hun getal aanhoudend.

Deze geregelde militaire magt bestond uit sommige zeer goede en bekwame officieren, maar de soldaten, ofschoon zij zich soms dapper gedroegen, behoorden, op eenige loffelijke uitzonderingen na, tot het uitschot van de Europesche natiën.

Een klein corps Artilleristen werd als de keurbende beschouwd.

Landbouwers: daartoe behoorde het grootste gedeelte der blanke vrije bevolking--de eigenaars van grootere plantaadjes vormden, in zekeren zin, de aristocratie van Suriname;--van hen hing het grootste gedeelte der overige vrije bevolking af--hunne directeurs en zelfs de eigenaars van kleine plantaadjes zagen hun naar de oogen--en daar uit hen overeenkomstig het octrooi, de Raden van Policie en die van Criminele Justitie gekozen werden, oefenden zij eene soms willekeurige magt, niet slechts over de slaven maar zelfs over de van hen afhangende vrijen uit.--Als een bewijs van de tyrannische handelwijze van dergelijke lieden en van de zotte verbeelding die zij van het gewigt van het ambt van raad van een der beide hoven hadden, deelt Mauricius, in zijne 5e. depêche tegen Duplessis, aan de Staten-Generaal [190] het volgende voorval mede.

Aubin Nepveu, een jong practizijn en solliciteur voor commissarissen, die de kost niet slechts voor zich zelven maar ook voor eene oude moeder, drie zusters en een jonger broeder moest winnen, werd door zekeren heer du Peyrou, burger-kapitein met nog acht andere burgers gecommandeerd om een togt tegen de wegloopers te doen. Hij bragt daartegen zijne bezwaren in, doch te vergeefs, daar men om zijn attachement aan den afwezigen Fiscaal van Meel op hem gepiqueerd was. Hierdoor geërgerd, geraakte hij in twist met den broeder des burger-kapiteins, een Raad van Civiele Justitie, en liet zich, in eene levendige woordenwisseling, de plompe uitdrukking ontvallen, dat hij niets om hem gaf.--De heer Sandick, prov. Fiscaal, zwager van genoemden Du Peyrou, attaqueerde hem over deze woorden en deed den eisch, dat hij zou worden gegeeseld, gebrandmerkt, en met een gloeijenden priem door de tong gestoken.

De fiscaal grondde dezen eisch op het volgende: »de heer Du Peyrou is Raad van Justitie. De Raden zijn goden op aarde.--Ergo die een Raad scheldt, begaat Godslastering."--

De eisch is echter niet toegewezen, en Nepveu is slechts verpligt geworden, een formeel excuus te verzoeken.

Handelaars.--Als zoodanig konden in het algemeen wel alle planters (landbouwers) worden aangemerkt, daar het verkoopen der producten welke hunne plantaadjes opleverden, tot een voornaam deel van hun bedrijf behoorde, maar behalve deze groothandelaars waren er verscheidenen die winkels of magazijns hielden, waarin men alle mogelijke voorwerpen vereenigd vond.

In dergelijke magazijnen waren boter, kaas, ham, worst, bijouterijen, Neurenberger kramerijen, manufacturen, gemaakte kleederen, laarzen, schoenen, hoeden, confituren, banket, allerlei keukengereedschappen, huisraad, muziekinstrumenten, kanarievogels, alles door één gemengd en opeengestapeld.

Ambachtslieden: Deze klasse te Paramaribo bestond meerendeels uit kleurlingen; schrijnwerkers, timmerlieden en molenmakers waren meestal vrij bekwaam.--Metselaars waren minder benoodigd, daar de meeste gebouwen, behalve de fundamenten, van hout waren zamengesteld; de smeden hielden zich slechts met grof werk bezig.

Fabrijken en trafijken werden niet in Suriname gevonden, en in het algemeen was de industrie er niet zeer ontwikkeld; de meeste voorwerpen van luxe moesten uit Nederland worden aangevoerd. [191]

Personen, zonder bepaald beroep: Tot deze nog talrijker klasse welke in de laatste plaats genoemd wordt, kon men rekenen de vettewariers: lieden die een soort van smokkelhandel dreven, geringere voorwerpen, die den kooplust der slaven opwekten, te koop hadden, aan dezen dram, enz. schonken, en gelagen hielden, ofschoon dit door placaten verboden was en ook meermalen werd gestraft; zoo werd o. a. zekere Jan Pens, die een drinkgelag had gehouden met 10 à 12 slaven, welke aldaar zaten te drinken en uit lange pijpen te rooken, veroordeeld tot f 300 boete; (Notulen Gouv. en Raden, 4 en 8 Nov. 1744) de ordonnans Schultz, die een smokkelkroeg hield, werd den 29sten Junij 1748, volgens sententie van den krijgsraad, gestraft met spitsroeden en gedegradeerd tot gemeen soldaat [192]. Verder behoorden tot deze klasse de karrelieden, de pontvoerders, enz., terwijl verscheidene vrije negers zich buiten Paramaribo hadden gevestigd, waar zij zich met het aankweeken van kost (banannen enz.) bezig hielden.

Een groot gedeelte der genoemde vrije bevolking woonde in Paramaribo of zoo als men zulks in de kolonie noemde »het fort." Paramaribo was in het midden der 18e eeuw, het tijdstip waartoe wij thans met onze geschiedenis gevorderd zijn, niet meer het ellendige vlek, dat van Sommelsdijk bij zijne aankomst vond en dat toen slechts uit een vijftig hutten, meest smokkelkroegen, bestond;--het was spoedig toegenomen. Zien wij in eene beschrijving van Paramaribo in 1680 [193] er nog slechts gewag van gemaakt als van een dorp van 50 à 60 huizen, reeds ten tijde van den inval van Cassard in 1712, en dus groote dertig jaren later, lezen wij [194] van Paramaribo als »omtrent 500 huizen groot, altemaal van hout gebouwd,--aan de waterkant het meest met oranjeboomen beplant, dat een heel vermakelijk gezigt geeft." Mauricius verklaart in een schrijven aan HH. M. [195] dat het getal der huizen te Paramaribo gedurende den tijd van zijn bestuur bijna een derde is vermeerderd--en uit zijn getuigenis en uit de notulen [196] blijkt, dat de huizen gezamenlijk aldaar ongeveer f 150,000 huur 's jaars opbragten en dat er onder waren die 20 à 30 duizend gulden waarde hadden. [197] Paramaribo was langzamerhand eene geregelde stad geworden, voorzien van straten, grachten, pleinen, en met verscheidene publieke gebouwen versierd, doch zonder poorten. Het gouvernementshuis onder het bestuur van Jan de Goyer (1707 tot 1713) reeds vergroot en onder de Cheusses (1728 tot 1734) gedeeltelijk afgebroken en verbouwd, muntte onder de publieke gebouwen uit.

Het gemeentehuis, dat tevens voor Hervormde kerk diende, de Luthersche kerk, die in 1744 begonnen, in 1747 voltooid werd, de kleine doch nette synagoge der Portugesche Joden, in 1737 gebouwd [198] en eenige andere publieke gebouwen strekten Paramaribo tot sieraad.

De straten der stad waren, met geringe uitzonderingen, regt, breed en grootendeels met oranjeboomen, hier en daar ook met tamarinden en andere boomen bezet. Verscheidene straten hadden verwelfde kanalen, waarin het water kon afloopen;--hoewel ongeplaveid, waren zij door rivierpuin of ballast en schelpgruis hard en vast; de Hollandsche zindelijkheid was ook te Paramaribo zigtbaar.

Eenige grachten en open pleinen gaven eene zekere frischheid aan de stad, terwijl tevens bijna overal tuinen bij de huizen werden gevonden, waardoor de stad, naar evenredigheid harer bevolking, eene vrij aanzienlijke uitgestrektheid had.

Van die tuinen werd echter niet veel werk gemaakt, zij bestonden slechts uit eenige hier en daar verspreide ooftboomen, kokospalmen en struiken, waartusschen eenige moeskruiden, door heggen van limoenboomen of ander houtgewas omgeven.

De huizen waren meest allen van hout en van buiten en van binnen met olieverw beschilderd.

Het uitwendige derzelver geleek wel eenigzins naar de huizen der Zaansche dorpen. [199]

Het moet verwondering baren, dat men in eene stad als Paramaribo, waar het gevaar van brand zoo groot was, niet reeds spoedig op brandbluschmiddelen bedacht was, en toch lezen wij in de notulen van Gouverneur en Raden van 18 Feb. 1745, dat een voorstel van Mauricius na een brand, waardoor verscheidene huizen eene prooi der vlammen werden, om eenige brandspuiten enz. uit Nederland te ontbieden, nog veel tegenkanting ontmoette, ofschoon hij in zijne ter ondersteuning van dit voorstel gehouden rede te regt aanmerkte, »dat de bewering, dat het vuur hier niet zoo veel kracht had als in Europa nu contrarie bleek";--het voorstel werd echter aangenomen en dienovereenkomstig besloten, om hiervoor f 2500 beschikbaar te stellen en daarvoor te laten komen »twee brandspuyten van de nieuwe uitvinding, soo als die in Holland op waegentjes, tot gemakkelijk transporteren, staende, werden gebruikt, die 40 of 50 voet hoog spuyten--100 leeren brandemmers, 25 handhaaken, 12 brandladders van diverse lengte met alle verdere tot blusschen van brand benoodigde matriaalen enz. zoo als in het vaderland werden gebruykt,--welke alle sullen moeten gemaekt en ingerigt worden naar die van het dorp Zaandam, welke gebouwen, uitgenomen dat die alhier (Paramaribo) hooger zijn, veel connexie hebben met die van Paramaribo."

Ter bestrijding dezer kosten werd bepaald, dat ze bij provisie uit de kas der modique lasten zouden worden betaald, maar dat er tevens, om ook hierin voor het vervolg te voorzien, onder goedkeuring der Sociëteit, eene belasting op de huizen door de eigenaars te betalen, zou worden geheven. Niettegenstaande deze bepaling duurde het nog een geruimen tijd voordat Paramaribo van brandspuiten werd voorzien--de kas der modique lasten liet die uitgaaf niet toe en over de belasting zelve, kwam, als naar gewoonte, verschil; herhaaldelijk hooren wij Mauricius in zijn dagboek hierover klagten aanheffen.

De aanstelling van klapperlieden of nachtwachts, die van dien zelfden tijd dagteekent, voldeed ook niet aan de verwachting.

De gewone bouworde der huizen in Paramaribo was als volgt: op steenen fundamenten werden de posten of het bindwerk van duurzaam hout, b. v. bruinhart, bevestigd en tot omkleedsel diende kopie-hout, terwijl de daken niet met pannen, maar met houten plankjes, singels genaamd, bedekt werden.

De meeste huizen bestonden uit twee verdiepingen. Glasramen vond men er weinig in; in plaats hiervan werden jalouzien of raampjes met gaas of doek bespannen, gebruikt, de deur was meermalen om de koelte te bevorderen, van los traliewerk gemaakt.

Behalve het hoofdgebouw waren er doorgaans eenige nevengebouwen, als: keuken, bergplaats, negerwoningen, stallen enz., welke alle op eene opene plaats uitkwamen.--Een duiventil of volière, een regenbak voor de blanken en een put met water, dat dikwijls brak en onaangenaam van smaak was, voor de slaven, voltooiden het geheel.

Zoogenaamde plaatsen van uitspanning waren er ten dien tijde zeer weinig in Paramaribo. Als eene der voornaamste kon nog gerekend worden de loge Concordia--een groot gebouw, in 1732 voor het eerst gebruikt, alwaar behalve de vergaderingen der vrijmetselaars, ook concerten en partijen gegeven werden.

Verder waren er toenmaals twee bekende herbergen--eene in de Gravenstraat, van Middelhof, voor de aanzienlijken en eene andere, waarvan zekere Valk gedurende het bestuur van Mauricius, eigenaar was, voor de tweede klasse van ingezetenen, en dan nog eenige kleinere kroegen.

Openbare wandelingen in den omtrek van Paramaribo vond men bijna niet, maar wie drokte en levendigheid beminde, kon aan deze neiging voldoen, door eene wandeling langs den waterkant, waar het gezigt op de reede zeer fraai was en de menigte van komende en vertrekkende schepen en de drokte tot het lossen en laden vereischt, een vrolijk en bont tafereel opleverde.

In de woningen der aanzienlijken heerschte eene, voor dien tijd, vrij groote pracht, doch men miste er doorgaans dien kieschen en edelen smaak, die alles in harmonie weet te brengen, waardoor het oog met zeker welgevallen op de voorwerpen van luxe rust.

Aan rijke meubelen in de eet- en gezelschapszalen ontbrak het niet, ofschoon de andere kamers doorgaans eenvoudig waren en niet meer dan het noodzakelijke bevatteden.

Op de tafels heerschte overdaad en verkwisting. Alles wat den smaak streelen kon, tot welken prijs soms verschaft, was er in overvloed--en aan zilver, porselein en vooral fraai glaswerk was geen gebrek.

Gingen de Surinamers een halve eeuw vroeger meest te voet, die eenvoudige wijze der vaderen maakte weldra plaats voor de gewoonte om van rijtuigen gebruik te maken. Reeds in 1748 [200] vermelden de Commissarissen van kleine zaken, tevens opzigters der gemeene weide, in hun verslag aan het Hof van Policie, »dat de liefhebberij van rijtuigen en paarden zoodanig toeneemt, dat de bruggen en wegen daardoor aanmerkelijk lijden en deden daarom een voorslag, dien houders van rijtuigen en paarden eene hoogere belasting, dan tot dien tijd door hen betaald was, op te leggen, daar zij," voegen Commissarissen er bij, »hierdoor niet zouden gedrukt worden."

De vroeger eenvoudige kleederdragt werd spoedig ook door eene prachtiger en kostbaarder, waarbij zijden en fluweel met gouden en zilveren franjes, gouden knoopen en gespen niet ontbraken, vervangen.

De grootste luxe in Paramaribo bestond echter in het aantal slaven, welke als huisbedienden in de voornaamste huizen gevonden werden. Het getal dier slaven bedroeg meermalen 20, 30 ja 50 en meer; dat deze, die geen genoegzame bezigheid hadden en voor wie geen gelegenheid tot hoogere oefening des geestes bestond, lui en dartel werden, was te begrijpen.

Mauricius, die in zijne verantwoording aan HH. M. [201] getuigt, dat hij zich geen enkel geval van eenige noemenswaardige baldadigheid, veel minder moorden door slaven in Paramaribo bedreven, weet te herinneren, erkent het andere, maar geeft, onzes inziens, te regt de schuld daarvan in de eerste plaats aan de blanke bewoners, »die een onnutten sleep van een legioen huisslaaven en slaavinnen houden, die geen occupatie hebbende, slaapen, zuipen, speelen, kwaaddoen" en wier ijdelheid, voornamelijk die der slavinnen, daarbij gevoed werd door »de kostbaare pracht van de beste Chitsen, koraale kettingen, goud, zilver, ja gesteentens waarmede de Kreole miesjes haare slaavinnen om strijd opschikken" en wier vrouwelijke zedigheid en kuischheid voornamelijk vernietigd werd »door 't verderffelijk gebruik van de slaven en vooral mooie slaavinnen te zetten op een weekelijkse taxe, die zij den meester of vrouw moeten opbrengen, zonder dat deeze weeten of willen weeten, waarmede dit geld gewonnen of verdiend wordt," [202] en door hetgeen »ook tot dit capittel zou behooren," vervolgt Mauricius »door de galanterie der blanken met de swartinnen, waaraan de scheepslieden een groot deel hebben."

De meeste schrijvers en ooggetuigen komen daarin overeen, dat vooral onder de Mulattinnen, Mestiezinnen en Quarteronnes vele schoone vrouwen gevonden worden, en die schoonheid werd toen door eene smaakvolle kleeding verhoogd. Zij bestond gewoonlijk uit een zijden rok waarover een van gebloemd gaas en een engsluitend kort jakje van Oost-Indische chits of zijde, van voren geregen; tusschen dit jakje en den rok kwam een handbreed fijn linnen te voorschijn; het haar min of meer gekroesd, werd door een zwarten of witten beverhoed, die met een veder of een gouden knoop of lis versierd was, bedekt.

Zucht om te schitteren en te pronken werd in Paramaribo hoe langer zoo meer algemeen. Feesten als bals, later ook concerten en speelpartijen kwamen meer en meer in zwang, vooral was het kaart- en hazardspel er zeer geliefd, en een groot gedeelte van den avond werd hiermede doorgebragt, zoo in de huizen der particulieren als in de genoemde herbergen--en meermalen gaf dit aanleiding tot twisten, waarbij niet slechts ruwe, grove scheldwoorden gewisseld werden, maar tevens vuist- en rottingslagen neervielen en dat niet slechts in de gemeene kroegen onder pontevaarders, matrozen en soldaten, maar zelfs in de herberg van Middelhof, waar de zoogenaamde Noblesse van Paramaribo zamenkwam. Gedurig leest men in de notulen van Gouverneur en Raden, in de dagboeken der Gouverneurs en in de stukken van het recueil, van twisten en beleedigingen met woorden en daden, die op dergelijke plaatsen voorvielen.--Ja zelfs in de gezellige bijeenkomsten ten huize van particulieren hadden meermalen dergelijke onaangenaamheden plaats,--niet slechts ontbrak in den regel die godsdienstige gezindheid die het zamenzijn heiligt en ter eere Gods doet strekken, maar men miste ook die ware geest-beschaving, die de gesprekken aangenaam en onderhoudend maakt.

De stoffelijke belangen der kolonie, nu en dan ook den staatkundigen toestand derzelve te bespreken, soms iets anders, doch zelden wat hoogers, waren de voornaamste onderwerpen waarmede de heeren zich in den regel, behoudens enkele loffelijke uitzonderingen, bezig hielden en de gesprekken der dames liepen meestal over het nieuws van den dag »de Chronique Scandaleuse", bij de jongeren over eenige liefdes-intrigues en bij allen over de gebreken harer slaven en slavinnen. Niet onaardig drukte de Gouverneur Mauricius het geestelooze, slechts voor stoffelijke zaken vatbare karakter der Surinamers van zijn tijd uit in een gedicht, toegewijd aan Willem van Haren en eenigen tijd na zijne terugkomst uit die kolonie opgesteld:

"Ik veeg na zooveel' jaaren, "De roest weêr van mijn' snaren, "En grijp met stramme hand "De luit weêr van de wand. "Ik heb mijn tijd versleten, "Bij slimmer dan de Geeten. "Sprong daar de Hengstebron, "Zij droogde van de zon. "Men zou de zanggodinnen, "Katoen daar leeren spinnen. "En zoo 't gevleugeld paard, "Daar neêrstreek in de vaart, "Men zou hem onbeslagen, "In suikermolens jagen, "Nu adem ik weêr lucht, "En wil met nieuwe vlugt "Langs toebegroeide trappen, "Den Helicon opstappen." [203]

De blanke Creolen [204] meestal lui en vadsig van aard, hadden noch voor kunsten noch voor wetenschappen eenige voorliefde, zelfs eenige lectuur te hebben behoorde onder de uitzondering. Miste het gezellige leven de godsdienstige heiliging en ook den beschaafden toon, ook in den huisselijken kring trof men hiervan, op weinige uitzonderingen na, geen enkel spoor.

De godsdienstige zin onzer voorvaderen, die ofschoon hij meermalen in vormelijkheid, in bloot kerkgaan, ontaardde, maar evenwel eene zekere degelijkheid aan hunne handelingen gaf, ontbrak bij de Surinamers van dien tijd.

De godsdienstige rigting in de 18de eeuw toch uitte zich in de eerste plaats door eene getrouwe opkomst bij de verkondiging van Gods Woord.--In Suriname was die opkomst zeer gering. Zoo lezen wij, dat de kerkeraad eene memorie aan het hof indiende om bij de aanstaande nominatie van raden van Policie de volgenden te excluderen:--1 Luthersche; 2 die wel gereformeerd, maar geene lidmaten waren; 3 die niet vlijtig te kerk gingen. Op deze memorie werd een weigerend antwoord, in de notulen vermeld, door het hof gegeven. Mauricius schrijft in zijn dagboek, [205] tot nadere explicatie van dat antwoord o. a. »Verleden jaar zijn Camijn en Scherping verkooren geweest tot diaconen, doch men heeft die verkiezing moeten achterlaten, omdat men bevond dat ze geen lidmaten waren. Ook heeft men niet alleen van Daalen tot ouderling verkooren, maar zelfs die verkiezing tegen de regering gesouteneerd tot op heden, daar nogtans van Daalen in geen twee jaren ter kerke is geweest;--zelfs is dagelijks gebeurd, dat er bij de godsdienst geen één ouderling nog diacon was, ja zelfs dat er geen diacon was bij de communie, ook hebben zij bij haar onlangs gepresenteerde memorie zelf erkend, dat zij dikwijls zoonen éligeerden, die geen respect voor de godsdienst hadden, en als ze verkooren waren den kerkendienst onder frivole voorgeevens weigerden".

Er bestond in Suriname weinig eerbied voor de openbare godsdienstoefening, dat o. a. blijkt: 1o. uit het proces over kerkschennis, gevoerd tegen den jongeling Carilho, zoon van den befaamden Carilho. Deze jongeling had, in de Gereformeerde kerk gezeten, den predikant Veyra, een bekeerden Israëliet, bespot en een openlijk schandaal veroorzaakt, waartoe hij door een paar Christen jongelingen, Pichot en van der Beets, verleid was. Niettegenstaande dit alles, fungeerde hij, hangende dit proces, als secretaris eener vergadering van aanzienlijke Surinaamsche burgers, van welke vergadering de predikant Duvoisin praeses was [206];

2o. daaruit, dat bij eene der aanzienlijkste vrouwen, de weduwe Brouwer, een eclatant bal werd gegeven op den avond vóór het Nachtmaal, ofschoon de predikant Yver haar eene beleefde waarschuwing had laten doen--een bal dat door een talrijk gezelschap heeren en dames werd bijgewoond en waar het luidruchtig toeging, waar niet slechts gedanst en muziek gemaakt, maar met zwermers, ja zelfs met oranje-appelen op de voorbijgangers of schildwachten vóór het huis des commandants staande, gegooid werd--en waar de schout, die het bevel van den Gouverneur tot het staken hiervan overbragt, op eene gemeene wijze uitgejouwd werd, enz. enz.--Wij zouden zoo kunnen voortgaan met verscheidene bewijzen te leveren. Ontbrak die godsdienstige zin, was er weinig of geen vreeze Gods, het kon dan ook niet anders: de zedelijkheid stond er op een zeer laag peil.

Wel waren er van tijd tot tijd placaten uitgevaardigd, waarbij de gemeenschap der blanken met de slavinnen verboden werd [207]; dan dezen waren niet veel meer dan eene doode letter; nu en dan werd een geval van onwettige zamenwoning van blanken met blanken voor het hof gebragt en met eene geldboete gestraft, maar over die met slavinnen brak niemand den staf; zelfs onder de raden van policie, die de wet hadden moeten toepassen, vond men zoo velen die ze overtraden, en het jaarlijks toenemend getal der kleurlingen strekke tot bewijs, hoe het ten deze opzigte in de kolonie gesteld was.