Part 12
Na dezen vlugtigen blik op de afkomst, den aard der negers als slaven uit Afrika in Suriname aangebragt, en op de handelwijze der Europeanen jegens hen geworpen te hebben, vinden wij ons verpligt het wegloopen van sommigen, die zich weldra tot benden vereenigden en de Kolonie bedreigden, benevens de togten tegen hen ondernomen, en den met hen gesloten vrede te vermelden, daar dit een belangrijk gedeelte der geschiedenis van Suriname uitmaakt, waartoe wij deze thans echter wat hooger moeten ophalen.
Reeds ten tijde der Engelsche nederzetting onder lord Parham liepen er eenige slaven weg, welke eene schuilplaats zochten en vonden langs de rivieren de Suriname, de Saramacca en de Coppename hoog in de boschachtige streken, en daar weldra eene soort van gemeenebest (republiek) stichtten.
Eenige dezer weggeloopen slaven vereenigden zich onder een opperhoofd, Jermes, een Cormantijn neger, wierpen eene verschansing op in de Para-kreek en verstoutten zich de nabij gelegene plantaadjes van tijd tot tijd te verontrusten. [142]
De gouverneur van Sommelsdijk sloot in 1684-85 met deze negers, die zich toen aan de Coppename gevestigd hadden, even als met de Indianen vrede, en later hoort men weinig meer van hen gewagen.
Maar weinige jaren later, in 1690, brak er een opstand uit onder de slaven eener plantaadje, gelegen aan de kreek van Cassawine, achter de Joden-Savanne, en toebehoorende aan een Jood, Immanuel Machado; de opgestane slaven vermoordden den eigenaar, namen de tilbare have met zich en vloden in de bosschen. [143]
De gouverneur van Scharphuys, die, gelijk wij ter gelegene plaatse reeds gemeld hebben, op geen al te goeden voet met de Joden stond, liet der Natie de zorg over om het geleden ongeval, zoo goed mogelijk, te herstellen, en alsof de dood van Machado hem niet aanging, en alsof diens plantaadje geen deel der Kolonie uitmaakte, gaf hij den Joden door een brief van den 18den Februarij 1690 te verstaan, dat hij er niets aan doen kon, maar hun vrijheid gaf den dood van hunnen broeder te wreken.
De Joden wapenden zich daarop, deden een aanval op de muitende negers, doodden er velen en voerden eenigen als gevangenen met zich, die op de plantaadje van hunne vorigen meester ter dood gebragt werden. [144] Van dien tijd af vermeerderden de ontvlugtingen, en voornamelijk werd het getal van Marrons (weggeloopen slaven) vergroot, in het voor de Kolonie zoo noodlottige jaar 1712, toen bij den inval van Cassard de meesters, om hunne slaven voor de roofzucht van den Franschen vrijbuiter te verbergen, hun bevolen, zich in de bosschen te versteken, doch toen deze vertrokken was, niet zeer geneigd waren om hunnen hals weder vrijwillig onder het juk te krommen. Hun voorbeeld werkte op andere hunner landgenooten, die nog in slavernij verkeerden, en velen vlugtten van tijd tot tijd naar hunne broeders in de ontoegankelijke wouden.
De kolonisten zochten, in plaats van door eene betere behandeling den lust tot wegloopen te verminderen, door sterke bedreigingen en wreede straffen dergenen, welke weggeloopen maar weder terug gevoerd waren, hunne slaven daarvan af te schrikken, maar bereikten alzoo natuurlijk het door hen beoogde doel niet. Door zachtmoedigheid en door betere behandeling zou men zeker veel kwaads hebben kunnen voorkomen; de neger zou zich den zwaren en moeijelijken arbeid hebben getroost, om de moeijelijkheden en gevaren eener altijd hagchelijke vlugt naar afgelegene streken te ontgaan; doch toen de ijzeren arm der hatelijkste tirannie steeds zonder eenige genade op den armen slaaf nederkwam; toen door vindingrijk bedachte straffen en kwellingen zijn minste vergrijp geboet werd; toen de neger zich als natuurlijken vijand van den blanke zag behandelen, die meende, dat het minste blijk van zachtmoedigheid, vrees of zwakheid zou te kennen geven; toen greep, gelijk van Kampen zegt, [145] de wanhoop hem aan, en ontsnapte hij naar de bosschen, om liever onderweg om te komen, of de vrijheid aan het eind zijner reize te vinden, dan door zware verzuchting, mishandeling, harden arbeid en foltering een langzamen dood te sterven.
Gelijk wij zeiden, vermeerderden de ontvlugtingen; te vergeefs was de gestrengheid der meesters, die hunne slaven door vrees hiervan zochten te weêrhouden; integendeel, het wegloopen werd hierdoor bevorderd; te vergeefs was het, dat men premiën voor het vangen en terugbrengen van weggeloopen slaven uitloofde; te vergeefs was het, dat men die premiën telkens verhoogde; deze verhooging getuigde slechts van de snelle toeneming van het kwaad.
In 1685 werd de premie op het vangen en terugbrengen van een weggeloopen slaaf bepaald op f 5; [146] in 1687 verhoogd tot op 300 pond suiker, zoo er expresselijk op gejaagd werd, doch anders slechts 100 pond; [147] in 1698 vermeerderd tot f 25, zoo men hen binnen het district of de rivieren kon meester worden en f 50, voor die buiten deze of aan de kustlanden gevangen werden. [148] In 1717 werd verlof gegeven aan elken kolonist om togten tegen de wegloopers te doen, en werd er eene premie gesteld van f 1500 op de ontdekking der Klaas en Pedro en f 600 der andere wegloopers-dorpen, en f 10 voor het opsporen van een bewoner der genoemde dorpen.
Deze premie zou toegekend worden aan personen, die op hunne eigene kosten een dergelijken togt ondernamen en een dier dorpen ontdekten. [149]
Eenige jaren later werd daarenboven vastgesteld, dat allen, die eenige dorpen ontdekten, zoodat men met eenige vrucht tot derzelver verwoesting een aanval kon ondernemen, eene premie zouden genieten van f 500, f 1000 of f 1500, naar evenredigheid van de min- of meerdere belangrijkheid dezer ontdekking. [150]
Indien slaven eenige kennis van weglooperskampen verkregen en verzuimden dit aan hunne meesters bekend te maken, werden zij als wegloopers aangemerkt, en ondergingen dezelfde straffen; doch indien die slaven en zelfs wegloopers, zich kwamen aangeven, de schuilhoeken of dorpen bekend maakten en aanwezen, erlangden de eersten de vrijheid, de anderen daarenboven vergiffenis en ontvingen beiden eene premie. [151]
Bij plakkaat van 22 Julij 1721, onder den gouverneur Jean Coutier, werd de doodstraf tegen de wegloopers bepaald.
Doch dit alles was te vergeefs; het baatte niet, de drang was te sterk en weldra werd het getal der Marrons op vijf à zes duizend begroot. [152]
Met hun aantal vermeerderde ook hunne stoutmoedigheid, en van tijd tot tijd overvielen zij de naastbij gelegene plantaadjes, en deels om zich op voorgaande mishandelingen te wreken, deels om het gevaar van ontdekking te voorkomen, vermoordden zij somwijlen de blanke opzigters, voerden de slaven, voornamelijk de vrouwen met zich in het bosch, en namen al wat hun aanstond mede.--Geweren, hout, kogels, en bijlen waren hun het liefste, daar deze voorwerpen hun tot middelen van verdediging strekten en als jagtgereedschap dienden, om zich het benoodigde wild te verschaffen.
In de eerste tijden heerschte bij de kolonisten meer moed, meer energie dan in het midden en laatst der vorige eeuw.--Toen bestookten zij zelven hunne hun tot vijanden geworden slaven in hunne schuilplaatsen; nu, door verkregen rijkdommen verweekt, waren zij hiertoe òf te traag òf te moedeloos, en lieten zulks aan huurlingen over; en tot de togten tegen de wegloopers werd nu gebezigd eene van alle kanten zaamgezochte menigte, waarvan het grootste gedeelte uit slaven bestond, die meermalen weinig geneigd waren hunne broeders te bestrijden. Van eene dergelijke zamengeraapte hoop kon men dan ook weinig goeds verwachten. Orde en krijgstucht ontbraken er geheel, en begon men gebrek te gevoelen, dan werden de bevelhebbers door hunne onderhoorigen meermalen tot den terugtogt genoodzaakt. [153] Welke ontzettende wreedheden soms op die boschtogten geschiedden, blijkt, bijv. uit de notulen van Gouverneur en Raden, waarin soms rapporten derzelve voorkomen; wij vermelden slechts dit eene uittreksel van het dagverhaal eener expeditie, tot opsporing van weggeloopen negers, boven in de rivier van Suriname, onder het commando van Pieter Molinay, Vaandrig der Militie en Jahacob Uziel Davilaer, Vaandrig der Joodsche compagnie enz., vertrokken van Paramaribo op zondag den 29sten November 1711.
Men had een klein negerkamp ontdekt en gepoogd de negers in hun slaap te overrompelen, doch door een ontstaan gerucht was dit mislukt; men had eene negerin Sery met haar kind, een negermeisje Patienta en eene negerin Flora gevangen genomen, en trachtte nu van de beide vrouwen nadere bijzonderheden omtrent de wegloopers te vernemen.
"Wij zijn," zoo luidt het rapport, "getreeden tot het examineeren der gevangene negerin Flora om, was het doenelijk, daerdoor te ontdecken of die negers ook eenige andere schuylplaets, correspondentie met weggeloopen negers ofte neegers van eenige planttaadje hadden, als mede haer getal, wie haer meesters, hoe lang zij weg waaren geweest ende verders geïnformeerd te werden van de gansche geschapenheyd der zaeken, en haer manier van leven, dogt hebben, niettegenstaende alle tormenten met vuur en slagen, nooyt deselve daertoe connen krijgen, blijvende deselve niettegenstaende dit alles even halsstarrig en met het wijsen naer den hemel, vatten van een lange lok haar op haer hoofd, slaen met de vingers op haer mond en wrijven op haer keel, als te kennen gevende, dat zij, liever hadde, dat men haer het hoofd afsloeg, als dat zij hetsij met spreeken ofte wijsen van de weg eenige openinge van saken soude geven, waerop, siende de halsstarrigheyd van deselve Flora, wij resolveerden deselve aan Paramaribo te brengen, dogh conde deselve niet beweegen, wat moeyten wij ook deeden om se te doen gaen ofte zelfs op haer voeten te doen staen, sulx nadat hiermeede een goede tijd versleeten hadden en niet in staet zijnde om haer mede te neemen, dewijl geconsidereerd de bergen, qreequen en andere ongemacken van de wegh, wij niet in staat waaren om haer te doen draagen, als zijnde het laetste en eenigste middel, dat, ingeval deselve wilden meedebrengen, souden hebben connen gebruyken, genecessiteerd zijn geworden haer te doen doodschieten en het hoofd doen afhouwen, gelijk dan ook aanstonds is geschiet--ende of wel de negerin Sery genoegsaem genegen was, meede te gaen, zoo was 't evenwel sulx dat, vermits de swaare quetsuur, zijnde met een pijl door en door geschooten en het groot verlies van bloed geen apparentie van genesing zijnde, sulx gans onmogelijk was, zoo was, dat wij nogmaals genoodsaekt zijn geweest dezelve mede het hoofd te doen afslaen en die twee hoofden meede te brengen, gelijk dan ook is geschiet."
Men ruïneerde verder de woningen en kostgronden.
Den meesten moed nog betoonden de Joodsche planters. Door den zeer onstaatkundigen maatregel van Scharphuis (zie blz. 224) genoodzaakt zich meer onderling tot elkanders bijstand te verbinden, (hetgeen ligtelijk later tot botsing met de Christenen aanleiding had kunnen geven,) gordden zij zich ook meermalen tot den strijd aan, en na de uitvaardiging der verordening in 1717, waarbij aan ieder vrijheid verleend werd om voor eigene rekening en op eigen gezag togten tegen de boschnegers te ondernemen, behoorden zij onder de eersten, die daarvan gebruik maakten.
Bijzonder onderscheidde zich hierbij de Jood David Nassy; een dapper, krachtig man zijnde, rigtte hij de negers zijner plantaadjes tot dergelijke ondernemingen af, en deed hij de Marrons zooveel mogelijk afbreuk.
In 1718 nam hij, onder bevel van den Joodschen kapitein Jacob d'Aliera, aan een welgelukten aanval tegen hen deel, ten gevolge waarvan hij van onderofficier tot eersten luitenant, weldra tot kapitein verheven werd.
In onderscheidene togten, die wij, om ons bestek niet te zeer te overschrijden, nu niet breedvoerig vermelden kunnen, gedroeg Nassy zich zoo dapper en oogstte hij zooveel roem in, dat hij deswege door den Spaansch-Franschen dichter Ben Venida del Monte in sierlijke verzen werd bezongen en gevierd. [154]
Gedurig vindt men bij de beschrijving der vele krijgstogten tegen de Boschnegers van de Joden gewag gemaakt; in den regel onderscheidden zij zich door groote dapperheid, maar helaas ook dikwijls door groote wreedheid.
De Aziatische balling worstelde daar in een nieuw werelddeel met den deerniswaardigen zoon van Afrika. De afkeer van den verdrukten neger jegens den Israëlietischen meester was steeds grooter dan jegens den Christen planter. Tusschen hen heerschte een onderlinge wrok, die nog voortduurt en wier verborgen oorzaak ons oog ontgaat. Werden de Marrons van tijd tot tijd al met goed gevolg door de Joodsche vrij-compagnie bestreden, wanneer zij zich in de nabijheid der plantaadjes waagden, in de digte ondoordringbare wouden waren zij veilig. Hier was de toegang voor een Europeaan uiterst moeijelijk; gansch onmogelijk was het hem, om hier zonder behoorlijk geleide den weg te vinden; de vlugtelingen kenden echter ieder pad, iederen weg, iederen schuilhoek.
De bergachtige grond, het ondoordringbaar bosch, de groote hitte, dit alles waren voor den Europeaan zoo vele hindernissen, die door den Afrikaan als bijna niets geteld werden.
Spoedig was de boschneger door spionnen onderrigt, wanneer men een togt tegen hem ondernemen zou, en hij nam zijne maatregelen. Een ander bezwaar nog was daarin gelegen, dat de slaven, die medegingen, bekend werden met de sluippaden en hiervan spoedig meermalen voor zich en de hunnen gebruik maakten.
De Marrons gevoelden dit en het vermeerderde hunne stoutmoedigheid. In 1726-28 vermenigvuldigden zij hunne aanvallen op sommige plantaadjes en bedreigden anderen. Men besloot toen nog weder eens eene onderneming tegen hen te beproeven.
In 1730 ondernam de burger luitenant Abm. Lemmers een togt tegen de boschnegers; hij toog diep het bosch in, trok over een dertigtal bergen en heuvels, en kwam eindelijk bij een dorp der wegloopers, dat echter op zijn aanraden verlaten werd, en het eenige wat zij buit maakten was 12 zilveren lepels en 4 snaphanen; hij verwoestte het dorp en vervolgde de wegloopers tot aan een spruit der Marowyne. Bij zijne terugkomst te Paramaribo voerde hij als zegeteeken twee afgehouwen hoofden van doodgeschotene vrouwen met zich en geleidde als gevangenen drie vrouwen en twee kinderen. Deze drie vrouwen werden geradbraakt en dit zonder den genadeslag te ontvangen, de hoofden werden later afgekapt en op palen gesteld, de rompen gevierendeeld. [155]
Was de straf aan het misdrijf (begeerte om vrij met man en kinderen te leven terwijl zij voorgaven door de wegloopers met geweld weggevoerd te zijn) geëvenredigd? De neger Chocolaad, die voor gids gediend had, verkreeg tot loon de vrijheid, een zilveren armring en een rok, roode Maurisbroek en hoed.
De Directeurs der Sociëteit gaven bevel aan den Gouverneur om de boschnegers door de Militie te doen opzoeken, en was het mogelijk, geheel uit te roeijen. [156]
Overeenkomstig deze bevelen, werd een groot commando, onder de orders van den Burger kapitein Willem Bedloo en den Militairen vaandrig Augustus Willem Swallenberg, naar de Saramacca gezonden. Deze uit burgers en militairen zamengestelde magt vertrok in Julij 1730, doch keerde weldra onverrigter zake terug; de burgers toonden zoo weinig moed, dat toen, na eene weinig doeltreffende schermutseling, de boschnegers zich achter boomen verbergden en eenige geweerschoten op de terugtrekkende burgers losten, zij met moeite door Swallenberg en zijne militairen van eene wilde vlugt terug gehouden werden. [157]
Men besloot nu, volgens eene aanschrijving van HH. Directeuren, alleen soldaten tot eene nieuwe onderneming te bezigen. De vaandrig Swallenberg werd den 21sten September 1730 met 70 soldaten en de noodige slaven en proviand afgezonden. Hij bereikte met zijne magt eene opene plaats in het bosch, en aldaar drie dorpen, door de negers bewoond, en behalve de noodige houtgronden voor eigen gebruik nog twee nieuwe, die zij bij voorraad aangelegd hadden, om er de slaven van twee plantaadjes te plaatsen, die zij dachten binnen kort te overrompelen.
Een dier dorpen, de zoogenaamde Klaasdorpen, was van 100 huizen, op dezelfde wijze als die op de plantaadjes gebouwd, het middenste bestond uit 300 en het derde uit 40 huizen.
De aangevallen negers, tot een strijd in het open veld en tegen geregelde krijgslieden niet bestand, vlugtten; tien werden gedood, twee mannen, vijf vrouwen en elf kinderen gevangen genomen; de huizen werden nedergehaald en met de houtgronden verwoest.
Bij een lateren togt in November, waarbij een ander dorp der Marrons werd ontdekt en verwoest, sneuvelden zestien negers, en het getal der gevangenen werd met 4 mannen, 12 vrouwen en 10 kinderen vermeerderd. Swallenberg kwam den 24sten October te Paramaribo terug. Zie notulen Gouverneur en Raden, 25 October 1730.
In het jaar 1730 werd den 9den November nog eene onderneming tegen de Boschnegers gedaan, door eene compagnie van 50 burgers en 200 slaven. Zij poogden een dorp in stilte te omsingelen en zoo de negers in hunne huizen te dooden of gevangen te nemen. De haastige ijver van een sergeant, die te vroeg den aanval begon, verraadde echter dit plan; velen ontvlugtten bij het eerste alarm, anderen verweerden zich zoo dapper met lansen in hunne woningen tegen ieder, die dezelve poogde binnen te dringen, dat men genoodzaakt werd die huizen in brand te steken, waarop nog de meeste negers door het dak ontkwamen.
De burgers verloren een slaaf en twee blanken, en twee anderen benevens eenige slaven werden gekwetst. Van de zijde der Marrons waren 16 dooden gevallen en vier mannen, twaalf vrouwen en tien kinderen gevangen genomen. De wijze waarop met de gevangenen gehandeld werd, was wreed en onmenschelijk. Wij willen niet pogen hiervoor verontschuldigingen te zoeken en behoeven onze verontwaardiging niet met vele woorden te betuigen.--Wij vermelden slechts het feit.
Den 16den December 1730 zijn bij vonnis van den hove van policie en criminele justitie elf der op voormelde togten in hetzelfde jaar gevangen genomen boschnegers teregt gesteld. [158]
Een neger, Joosje genaamd, werd met een ijzeren haak door zijne ribben geslagen, en alzoo aan de galg gehangen, zoodat het hoofd en de voeten naar den grond hingen en hij onlijdelijke pijnen moest uitstaan; [159] hij gaf hiervan echter geen blijk.
Nadat hij gestorven was werd zijn hoofd afgekapt en op een ijzeren staak ten toon gesteld; de romp bleef ten prooi der vogels.
De negers Wierai en Manbote werden aan palen gebonden en met een klein vuur levend tot asch verbrand; het vleesch intusschen nu en dan met gloeijende tangen genepen.
De negerinnen Lucretia, Ambia, Agia, Gomba, Maria en Victoria werden op kruizen gelegd, daarna levend geradbraakt en na gedane executie de hoofden afgekapt en mede op staken aan den waterkant geplaatst. De negerinnen Diana en Christina werden eenvoudig de hoofden met een bijl afgeslagen en die hoofden mede ten toon gesteld.
Deze wreede en onmenschelijke strafoefening [160], in plaats van het beoogde doel »afschrik en vrees" te verwekken, verbitterde integendeel slechts meer en meer, en wekte een gloeijenden haat tegen de meeste blanken, niet slechts bij de Marrons, maar ook bij de overige slaven op.
Verscheidene togten door militairen en burgers, gezamenlijk en afzonderlijk, zijn sedert tegen de meer en meer in woede ontvlamde boschnegers ondernomen; doch zij bragten weinig goeds te weeg. Het eenige voordeel dat men behaalde, bestond in het verwoesten van sommige negerkampen en het dooden en gevangen nemen van enkele der bewoners; het veel grootere nadeel daarentegen was dat de boschnegers slechts meer verbitterd werden en in magt en stoutmoedigheid toenamen, daar zij zagen, dat men toch eigenlijk niets afdoende tegen hen vermogt. Al die onderscheidene togten onder Nassy, die zich steeds zeer onderscheidde en aan wel dertig ondernemingen tegen de Marrons deelgenomen heeft, te beschrijven, of die onder den Raad van policie Pistorius, ook als geschiedschrijver bekend, Reinet, Visser, van Gieske, van Metchen, Knoftel, van Daalen, Brouwer enz. enz., te vermelden, zou, hier te veel ruimte innemen en men daarbij in gedurige herhalingen moeten vervallen.
Gedurig ontstonden er nieuwe opstanden onder de geplaagde en verdrukte slaven. In 1738 o. a. vermoordden eenige negers, afkomstig uit Cormantijn, in Afrika, die voor de meest geduchte gehouden werden, hunnen meester, den Jood Manuel Pereyra [161].
De toestand werd van dag tot dag zorgwekkender. De elkander spoedig opvolgende Gouverneurs (zie vorig hoofdstuk) waren niet in staat met krachtige hand veel ten goede te doen; zij waren hiertoe te kort aan de regering, en er bestond te weinig zamenwerking tusschen hen en de kolonisten.
De op 17 Februarij 1742 tot Gouverneur benoemden Mr. Jan Jacob Mauricius, die deze betrekking den 15den October in hetzelfde jaar aanvaardde, en die bij een helder verstand en juisten blik eene groote mate van wilskracht paarde, zag spoedig in, dat men op deze wijze niets vorderde, en daarbij de koloniale kas uitputte, daar genoemde togten verbazend veel geld kostten [162].
Mauricius [163] deed den voorslag, om in plaats van die tot niets leidende ondernemingen een krachtigen en militairen maatregel te nemen, een of meer dorpen der boschnegers te veroveren, en zoo mogelijk een grooten slag te slaan, om, na de Marrons alzoo verschrikt te hebben, pogingen aan te wenden om met een gedeelte van hen vrede te maken, en dan later met hunne hulp de anderen te bestrijden. Mauricius vreesde, dat het sluiten van een algemeenen vrede met allen bij mogelijke vereeniging der onderscheidene stammen, niet zonder gevaar was, en oordeelde alzoo dat het beter ware hen te verdeelen en tegen elkander op te hitsen, door bij voorbeeld met degenen, die men door den vrede van de anderen afgescheiden had, het verbond streng te handhaven, hen op allerlei wijze te vleijen, en de anderen, die buiten dien vrede waren, zonder genade te vervolgen.
Mogt dit plan, wat het tweede gedeelte aanbelangt, niet zeer Christelijk zijn, in zijn geheel was het niet af te keuren en veel nutteloos bloedvergieten zou hierdoor ophouden.
Reeds vroeger had van Sommelsdijk met de Indianen en de Coppenaamsche negers vrede-verbonden aangegaan, en in 1739 hadden de Engelschen eene dergelijke overeenkomst met de Marrons op Jamaïca gesloten.
Het plan van Mauricius vond echter van de zijde der kolonisten veel tegenkanting; de een was te trotsch om van een verdrag met weggeloopen slaven zelfs maar te hooren gewagen; een ander vreesde, dat men hierdoor zijne zwakheid zou erkennen en de vermetelheid der Marrons zou doen aanwassen; een derde was er reeds daarom tegen, omdat het van den Gouverneur uitging, tegen wien eene magtige partij bestond, die gestadig in sterkte toenam, gelijk wij in het volgende hoofdstuk nader zullen mededeelen.
Niettegenstaande de vele tegenkantingen, zette Mauricius zijn plan door, en wilde het eerst beproeven vrede te maken met de Marrons, die in het Westen der kolonie aan de Saramacca woonden.
Den 20sten September 1749 vertrok een commando, onder bevel van den kapitein luitenant C. O. Creutz uit Paramaribo, met 100 man geregeld krijgsvolk en 300 slaven, met last om te beproeven eenig voordeel op de boschnegers te behalen, hen vervolgens met een onophoudelijken oorlog en dus gedurig levensgevaar te bedreigen, indien zij weigerden tot het verdrag toe te treden. [164]
De instructie voor Creutz, behelzende de voorwaarden op welke hij trachten moest met hen vrede te sluiten, bevatte elf artikels [165] en bestond uit eene verklaring hunner onafhankelijkheid, eene door eenige bepalingen beperkte vrijheid om met de blanken handel te drijven, terwijl de Marrons van hunne zijde zich verbinden moesten, om de in 1749 gevlugte slaven uit te leveren en mede die, welke zich later tot hen vervoegden, terwijl zij voor iederen vlugteling, dien zij aan de blanken zouden overleveren f 50 belooning zouden verkrijgen. Creutz slaagde vrij goed in de uitvoering van den hem opgedragen last.