Geschiedenis van Suriname

Part 11

Chapter 113,824 wordsPublic domain

De arbeid, die van den slaaf gevorderd werd, hoewel nooit van de gemakkelijkste, verschilde echter, behalve door de individualiteit van den meester, zeer naar den aard of het soort der plantaadjes.

Die op de suikerplantaadjes was het zwaarste; de veldarbeid aldaar, voornamelijk het delven en daarmede verbonden uitroeijen der boomwortels, het graven der slooten en kanalen, het vellen van het bosch, enz., vereischte eene zoo groote krachtsinspanning, dat de vermogens van den slaaf niet slechts uitgeput, maar het ligchaam daarenboven voor ziekelijke aandoeningen vatbaar gemaakt werd [129].

Was de veldarbeid aldaar zwaar, niet minder was die bij de molens en ovens, waar het riet gemalen, de suiker gekookt en tevens de dram, kilthum (eene soort van rum) gestookt werd. Vroeger hadden de suikermolens meestal alléén water tot beweegkracht; slechts enkelen werden door paarden of ezels gedreven; in den laatsten tijd wordt ook hier meer en meer de stoom toegepast.

De molens konden dus slechts bij hoogtij of springvloed malen, en dan moesten ook alle krachten worden ingespannen, daar het riet, over den tijd blijvende liggen, bedierf; dus werd gedurende 8 à 9 dagen van de slaven ruim 36 uren van de 48 gevorderd; dan konden zij bijna geene nachtrust genieten, terwijl om een gestadigen gang in het werk te houden, een of meer Bastiaans, met hunne langen zweepen gewapend, de arbeiders aanspoorden en bij de minste taning de zweep op hunne ligchamen deden nederkomen.

Op de koffijplantaadjes waren de slaven mede den geheelen dag aan het werk en in den tijd van den oogst moesten zij, na den veldarbeid, bovendien tot 's avonds 10 à 11 ure, soms in den nacht, het product in den molen bewerken. Offerden zij alzoo een gedeelte van hunne nachtrust op, even goed klonk des morgens vroeg de hoorn des drijvers om hen tot den arbeid te roepen. Op de katoenplantaadjes was, enkele tijden, die der »zoogenaamde pluk," uitgezonderd, het werk minder zwaar. Op de houtgronden hadden de slaven nog eene zekere zweem van vrijheid, want, daar zij zich tot het vellen van het hout meermalen diep in het bosch moesten begeven, was een gedurig toezigt op hen te moeijelijk, en werd hun alzoo eene bepaalde taak opgedragen, die, hoe zwaar zij soms ook was, juist door die zweem van vrijheid, welke zij hierbij genoten, ligt viel; zoodat de slaven eener houtplantaadje er doorgaans beter uitzagen dan die op andere; maar voor de vrouwen was integendeel de arbeid op die houtgronden het moeijelijkst. Terwijl de mannen de boomen velden en tot planken of balken zaagden, waren de vrouwen genoodzaakt die zware planken of balken op het hoofd uit het bosch naar de landingsplaats te brengen; met dezen zwaren, drukkenden last op het hoofd over een heuvelachtigen grond te torschen, soms verpligt door poelen of kleine moerassen te waden, was het dagelijksch werk der slavinnen; door de te groote drukking op het hoofd werden bloedspuwingen en andere krankheden veroorzaakt, die haar òf onbruikbaar voor den arbeid maakten, òf vroegtijdig ten grave deden dalen. Op enkele groote houtplantaadjes bezigde men voor dit werk ossen.

Mogt de arbeid op de eene of andere plantaadje verschillen, datgene, wat den zwaarsten en moeijelijksten arbeid verzoet, een behoorlijk loon, ontbrak steeds, en de slaaf arbeidde immer slechts ten voordeele van den meester; hem streelde het bewustzijn niet, van door inspanning van krachten voor zich en zijn gezin eigen verdiend brood te eten.

Loon werd nergens verstrekt, want de zoo sober mogelijke kost tot voeding, de met nog kariger hand uitgedeelde kleeding, indien de enkele lappen katoen of duffel dien naam dragen mogen, de ellendige huisvesting, die den planter aan zijne slaven afstond, kan niet als loon gerekend worden; men moest het werktuig, hier een mensch, toch zoo lang mogelijk in beweging houden; en zoo dit dan ook versleten was, bekommerde men er zich weinig over; eene geregelde, eenigzins kostbare geneeskundige behandeling, had men zelden voor den neger over; men berekende of de slaaf, na de gedane kosten, wel in staat zou zijn de interesten daarvoor op te brengen, en of hij wel de kosten tot herstel zijner gezondheid waardig was; viel deze berekening ten nadeele van den slaaf uit, dan liet men hem aan zijn lot over en zocht hij eene toevlugt bij de Lookemans, dat doorgaans weinig baatte, en de meester schafte zich een nieuw werktuig aan [130].

Dat die werktuigen redelijke wezens waren, die ook hoogere behoeften, die ook eene onsterfelijke ziel te verliezen hadden, in wie, hoe ook, gelijk bij alle zondaren, verminkt en bedorven, toch nog eenig overblijfsel was van het beeld Gods, zijnde van Gods geslachte, en dat dit door de prediking des woords en de kracht des Heiligen Geestes vernieuwd kon worden, waren zaken, die niet lagen in den kring der toenmalige heeren en meesters, hoe goed gereformeerd zij ook dachten te zijn.

Gebruikte hij den slaaf en beschouwde hij hem dikwijls slechts als een werktuig, zoo kon die vergelijking en gelijkstelling toch niet altijd doorgaan, en dit besefte de meester, zijns ondanks, daarom werd hij er toe gebragt om zijne slaven, wel niet als menschen van gelijke bewegingen als hij te beschouwen, maar als eene soort van tusschenwezens, die den schakel tusschen den mensch en het dier uitmaakten; en nu besliste de individualiteit van den meester over het hooger of lager staan in dien schakel, in het meer nabij den mensch of meer nabij het redelooze dier komen van den slaaf, en die individualiteit van den meester was het rigtsnoer, waarnaar de behandeling der slaven gemeten werd, zoodat dit bij den een aanmerkelijk verschilde met den anderen.

Wij kunnen in de geschiedenis van Suriname niet te lang bij de bijzondere behandelingen der meesters jegens hunne slaven stilstaan; wij mogen thans slechts een algemeen overzigt geven; wij zullen in den verderen loop der geschiedenis echter nog meermalen feiten deswege te vermelden hebben, die een belangrijken invloed op den gang der gebeurtenissen hebben uitgeoefend, en die de waarheid van het hier medegedeelde zullen bevestigen.

Werd de slaaf door den blanken meester als eene soort van tusschenwezen gerekend, als het ware slechts geschapen om ten profijte van den blanke te verstrekken, dan kon het ook niet anders of de behandeling strookte met deze beschouwing; het doel, waarom men slaven hield, was, om zoo veel mogelijk voordeel van hen te trekken; hieraan was al het andere ondergeschikt.

Men voorzag dus in zijne ligchamelijke behoeften zoo karig mogelijk; om zijne redelijke, zedelijke behoeften bekommerde men zich niet in het minste; zelfs werd niet eens getracht om den slaaf door het huwelijk tot de eerste voorwaarden van eene geregelde zamenleving te brengen; de grofste zedeloosheid werd door den blanke bij hem eerder bevorderd dan bestreden.

Was den slaaf de verbindtenis met eene vrouw soms dierbaar en heilig, meermalen noodzaakte de meester hem die verbindtenis te verbreken, en de schoonste, de fraaiste der slavinnen, moesten de blanken het meeste dienen, en wee den slaaf, die vermeende grootere regten op haar te hebben en daarvan durfde te gewagen. Wee de jonge dochter, die poogde den wil des meesters te wederstreven en ook wee haar, zoo zij dien niet wederstond, want werd haar toestand, voor eenigen tijd, daardoor soms verbeterd, zoo viel haar het leven in den voormaligen kring, waartoe zij doorgaans door den meester, na geboette lust, spoedig weder verwezen werd, zoo veel te zwaarder en hare kinderen, wier lichte kleur aanwees, dat er in hen nu ook Europeesch bloed vloeide, bleven evenzeer als de anderen slaven, en voor hen was de slavernij, als zwakker van gestel, nog zoo veel te moeijelijker te dragen. [131]

Het eenige vermaak, dat de meester soms zijne slaven veroorloofde te genieten, was de dans of Baljaar-partij; hierop was de neger zeer gesteld en door hartstogtelijken dans en door het gebruik van dram (kilthum, eene soort van rum) opgewonden, vergat hij voor eenige oogenblikken zijn droevig lot. Om hem dus niet geheel moedeloos te maken, stond de meester hem van tijd tot tijd deze verlustiging toe, doch bedacht daarbij niet, dat juist dit vermaak zeer nadeelig op het zedelijk gemoed van den slaaf werkte, dat het de zinnelijkheid zeer bij hem opwekte en daarna uitputting en afmatting teweeg bragt.

Daar te dien tijde de magt van den meester over den slaaf bijna onbeperkt was, [132] verwondert het ons volstrekt niet, dat in dien toestand de tucht streng gehandhaafd en meermalen de wreedste straffen toegepast werden.

Hoe zou dit ons verwonderen, daar wij zelfs een leeraar der Christelijke godsdienst, een verkondiger der blijde boodschap, de WelEerw. heer Johan Picardt, in leven predikant te Koevorden, die in het midden der zeventiende eeuw leefde, in een werk: »Antiquiteiten enz.", te Amsterdam, bij Gerrit Goedesberg 1660, in 4o. bladz. 9, het volgende deswege hooren getuigen: »dese menschen" (de Afrikanen, welke hij beschouwt als nakomelingen van Cham en bestemd tot de slavernij) »syn alzoo genaturaliseert, soo wanneer sy in vryheit gestelt of lieftallig gekoestert werden, soo en willen sy niet deugen en weten haer selfs niet te gouverneren: maar bij aldien men geduerig met rottingen in hare lenden woont, en dat men deselvige 't elckers sonder genade bastonneert, soo heeft men goede diensten van deselve te verwachten, alsoo dat haere welvaert bestaet in slaverneye" [133]. Schreven zij, die voorgangers der Christelijke gemeente wilden heeten, alzoo, dergelijke raad werd door de planters in Suriname getrouw opgevolgd.

Men woonde wel gedurig met rottingen in hunne lendenen en bastonneerde hen telkens zonder genade.

Wanneer de slaaf in het veld aan den arbeid was, of wanneer hij in het stookhuis of den molen zijnen moeijelijken arbeid verrigtte, stond hij steeds onder opzigt van den blankofficier, en op diens bevel was de zwarte Bomba of Bastiaan aanstonds gereed om, mogt zijne lust of ook soms wel zijne krachten eenigzins verflaauwen, deze door eenige zweepslagen op te wekken.

Kwam hij des avonds moede en afgemat te huis en had hij zijne taak niet voldoende afgewerkt, of had hij zich door het een of ander het ongenoegen van den opzigter op den hals gehaald, dan werd hij bij het aan den eigenaar of directeur in te leveren verslag medegenomen, bij dezen aangeklaagd en dan, zonder dat hij iets tot zijne verdediging mogt inbrengen, aan een paal of boom gebonden, en van de weinige kleederen, die hij aan had ontdaan, ontving hij een aanmerkelijk getal slagen, met lange zweepen door de krachtige en geoefende handen der Bastiaans toegediend, op zijne ontblootte dijen.

Soms geschiedde deze afstraffing in de koffijloods of het kookhuis. Wanneer meerdere gestrengheid noodig werd geacht, dan werden de leden meer uitgerekt, waartoe men gewigten of andere zware ligchamen aan de beenen bevestigde, en de slagen waren meer in getal en werden ook met meer kracht toegebragt.

Hierop volgde de straf der »Spaansche bok," waarbij men den slaaf de handen te zamen bond, en de knieën hierdoor wrong, terwijl men een stok tusschen de zaamgebonden handen en opgetrokken knieën stak en deze stevig in den grond bevestigde, waarna de Bastiaan den alzoo vastgebonden slaaf met een bundel tamarinde-roeden (een zeer hard knoestig hout) op de bovenliggende zijde der billen sloeg, en was de eene zijde goed door en geheel raauw vleesch, dan werd hij omgekeerd om de andere zijde in dienzelfden toestand te brengen.

Al deze straffen werden zoowel op vrouwen als op mannen toegepast. Eenige meesters gebruikten hiervoor hoepelstokken, doch daar de slaven, ten gevolge hiervan, dikwijls stierven, zoo werd dit als te onvoordeelig niet als regel ingevoerd. [134]

Somwijlen geschiedde de toediening der Spaansche bok op de plantaadjes zelven, meermalen evenwel zonden de meesters, voornamelijk zij die op digt bij de stad gelegene plantaadjes of Paramaribo zelve woonden, den schuldige(?) daartoe naar het fort »Zeelandia," waar de cipier en zijne handlangers door gestadige oefening eene bijzondere bekwaamheid tot dit werk verkregen; zoodat de meester zich gaarne de kleine belooning, die de cipier als fooi, later als leges ontvangen moest, getroostte. De straf der Spaansche bok werd ook somwijlen op verzoek der meesters publiek op de hoeken der straten van Paramaribo toegediend, en werd alsdan vierhoeksche, ook wel zevenhoeksche genaamd. [135]

De hier genoemde straffen behoorden tot de bevoegdheid van den meester; het afsnijden der Achilles pees, als toevoegsel der straf voor het wegloopen, werd hier meestal bijgerekend.

Het verder verminken of dooden van den slaaf was den meester, volgens de wet, niet geoorloofd; maar deze beperking van de magt des meesters werd op afgelegene plantaadjes dikwijls niet nageleefd; ja zelfs niet in de stad, gelijk meermalen uit de notulen van Gouverneur en Raden, uit de Journalen der Gouverneurs en uit de »brieven en pampieren" van Suriname blijkt. Om niet in te groote uitvoerigheid te vervallen, zullen wij slechts enkele feiten daarvan mededeelen: Notulen Gouverneur en Raden, 2 Mei 1731. »Ter occasie van het proces jegens Cornelia Mulder, huisvrouw van W. Celis (zie notulen 23 Januarij 1731), is door den Raad Fiscaal den Hove in bedenking gegeven, »dat eenige der inwoners alhier seer euvel en onmenschelijk met hunne slaven handelen, als deselve om cleyne fouten en misdrijven zoodanig castigeerende en straffende, dat sy kort oft immediaet daarop door de Extravagante slagen koomen te sterven", om dit voortaan strengelijk te verbieden en de overtreders te straffen.

»Notulen enz." 4 Julij 1733. De Gouverneur berigt dat 15 negers, zoo mannen als vrouwen, bij hem zijn komen klagen over de wreede behandeling, hun door hun meester Hendrik Bisschoff aangedaan; zij bragten het hoofd mede van een neger, dat Bisschoff op een staak had laten zetten; uit het op de plaats ingestelde onderzoek bleek, dat hun meester verscheidene slaven doodgeschoten of doodgeslagen had en daarbij van drie de hoofden had laten afkappen en op staken doen stellen, anderen had hij om kleinigheden zeer zwaar en streng laten geesselen, o. a. eene Mulattin, die zoo geslagen was, dat er stukken vleesch uit haar ligchaam vielen (brief van den Gouv. aan de Direct. der Sociëteit), daarbij had hij zijne slaven gedurende 5 jaren weinig of geen kost gegeven. Bisschoff werd gearresteerd, doch overleed vóór hij veroordeeld werd.

Notulen enz. 21 Nov. 1742. Zekere P. Hotzz, pontevaarder, had een zijner slaven den 15den Augustus »seer strengelijk met zweepslagen van den hals af tot aan de beenen doen straffen, zoodat het vleesch van zijn ligchaam tusschen de lendenen ganschelijk door geronnen bloed was opgezet en het ingewand op verscheidene plaatsen geïnflameerd; uit wanhoop heeft die arme man een half uur daarna door het dubbeld draaijen van de tong in zijne keel zich zelven gesmoord."

Notulen, 24 Oct. 1734. Eenige slaven van Sinabo komen klagen over de wreede behandeling van de Administrateur en Directeur, Pousset; zij brengen mede het hoofd van een neger, voor eenige dagen door Pousset gedood en van eene negerin, die hij eerst wreedelijk mishandeld en daarna vermoord heeft--een nader onderzoek bevestigt deze gruwelen enz.

Journaal van Mauricius, 29 December 1745. Op aanklagt van den Raad-Fiscaal is huiszoeking gedaan bij jufvrouw Pieterson, van ouds bekend voor dol en wreed, en is hieruit gebleken, dat zij soms hare slaven vermoordde en in haar huis liet begraven, de lijken werden gevonden en zij ontkende ook de daad niet, maar sustineerde, »dat sy haar eigen goed, voor haar geld gekogt, destrueeren mogt."--Men liet de schuldige tijd om te ontvlugten. [136]

Journaal van Mauricius, 6 Sept. 1750. »Mons. Pichot, Directeur op de plantagie Vlucht en trouw, zijnde een neef van den ouden Raadsheer Pichot, heeft alarm geschoten en de gansche rivier op de been gebragt door een brief aan den naasten burger-officier, waarin hij had te kennen gegeven, dat de negers tegen hem opstonden en rebelleerden. De burgers daarop in 't geweer en op de plantagie gekomen synde, hadden bevonden, dat de Directeur eene negerin bij zich wilde hebben, en die niet wilde komen, haar swaar had laten straffen, gelijk hij ook op een ouden neger in de volle magt had geschooten met gekapt lood. Uit deze stukken siet men alweer, hoe doorgaans de ongelukken op eene plantagie komen door quaade Directie."

Zoo konden wij voortgaan met verscheidene officieele bewijzen van de wreede handelwijze der meesters jegens hunne slaven te leveren; de notulen van Gouverneur en Raden gewagen er meermalen van; dan dit weinige zij genoeg. Werden soms de klagten der slaven aangehoord, de mishandeling moest dan ook wel zeer in het oogloopende zijn, anders werden zij nog vaak in het ongelijk gesteld: zie o. a. notulen enz. 13 Aug. 1737.--De slaven van Tuymelaar, Administrateur en Directeur, kwamen hunne klagten over de slechte en wreede behandeling van hun meester inbrengen; er werd een onderzoek ingesteld en hieruit bleek »dat deze klagten niet ten eenemale buiten reden en fondament waren"--maar daar de opgegeven blanke getuigen niet te Paramaribo tegenwoordig waren, zoo heeft men »om de zaak maar te termineeren en daar men dacht dat er wel pikanterie onder sou schuylen, besloten, de belhamers (de klagers) met eene geesseling te straffen; de anderen aan hun meester terug te zenden en hem Tuymelaar eene vermaning te geven om zijne slaven voortaan beter te behandelen."

Volgens sommige schrijvers werd de slaaf, die de hand tegen zijnen meester durfde opheffen, met verlies van die hand gestraft, [137] en werd aan onverbeterlijke wegloopers een been afgezet. Die straf vindt men verscheidene keeren in de notulen van Gouverneur en Raden vermeld, doorgaans echter als toevoegsel bij eene andere. Bij voorbeeld:

Notulen, 1 Mei 1729.--Bij vonnis van den hove van policie wordt zekere neger Quakoe, die zich tegen den blanken neger-officier verzet had, veroordeeld »om aan een paal strengelijk te worden gegeesseld en gebrandmerkt en vervolgens een voet afgekapt te worden."

2 Aug. 1737. De neger Pedro, een weglooper, wordt veroordeeld om één been te worden afgekapt en levenslang aan landsfortificatiën te werken.--30 Nov. 1741 werd aan twee negers een been boven den enkel afgekapt; alleen in 1765 zijn 3 beenen afgezet en 1 pees doorgekapt--1772--2 peezen doorgekapt, en drie negers een been afgezet (dit laatste vermeldt ook Teenstra, zie: Negerslaven in de kolonie Suriname, blz. 145).

Men was vindingrijk in onderscheidene straffen voor de slaven uit te denken, die in handen der justitie vielen--strenge geesseling, zevenhoeksche spaansche bok, daarbij brandmerking op beide schouders werden, zie sententie 25 Februarij 1740 »als sijnde geene sware straffe" beschouwd. Zeer spoedig verviel de slaaf tot zwaarder straffe en ging men hierbij soms op cannibaalsche wijze te werk.--4 Feb. 1728. Drie negers, welke met die eener andere plantaadje gevochten hadden, worden veroordeeld behalve de strenge geesseling op alle hoeken van Paramaribo--de eene om op de eene koon te worden gebrandmerkt, de andere om beide ooren te worden afgesneden.

5 Julij 1730. Twee negers worden ieder een voet afgekapt en op beide wangen gebrandmerkt--dit waren de minst schuldigen van eene partij wegloopers.

29 April 1732. Eenige negers van diefstal beschuldigd, ontvangen daarvoor eene zevenhoeksche spaansche bok en op elke wang een brandmerk, terwijl hun daarenboven ieder een stuk van het oor wordt afgesneden, enz. enz. De doodstraf bestond, volgens de gewoonte van die tijden, in ophangen en radbraken; men dacht voor slaven soms wreeder straf uit, zoo als: levend met klein vuur verbranden, terwijl het vleesch nu en dan met gloeijende tangen werd genepen, en dergelijke wreedheden meer, en echter, als ware dit nog niet onmenschelijk genoeg had men eene nog vreesselijker doodstraf voor sommige misdadigers uitgedacht, namelijk om ze met een ijzeren haak door de ribben te slaan, en alzoo aan de galg op te hangen, alwaar zij moesten blijven hangen, totdat zij gestorven waren, wanneer hunne hoofden werden afgekapt en op palen gesteld.

Vroeger was ik in de veronderstelling, dat het geval, door Hartsinck medegedeeld, wegens den aldus geëxecuteerden neger Joosje, een eenig feit was; dan, helaas! bij het doorlezen der notulen van Gouverneur en Raden, vind ik deze strafoefening als bevolen of geschied, meermalen vermeld.--4 Aug. 1731 werd de neger Cesar, schuldig aan desertie en vermoorden van blanken alzoo ter dood gebragt; den 21 Aug. 1733 de neger Nero en de negerin Clarinda; den 16 Februarij 1734 drie negers, die een blank officier vermoord hadden; den 11 Februarij 1741 den neger Larocque; den 10 Dec. 1744 de negerin Bellona; den 13 Maart 1750 drie negers--den ..... maar wij willen er geen meerdere opnoemen. Wij gruwen er van, en toch vreesden de negers den dood niet, gelijk wij o. a. ook uit het Journaal van Mauricius zien, die daarvan zelf in een door hem den 25sten Mei 1743 aan het hof van policie gedaan voorstel melding maakt; hij deed dit nadat weder eenige negers verbrand, geradbraakt en gehangen waren, »omdat", zoo schrijft hij: »aan de eene zijde de negers geene vrees voor den dood hebben, daar zij zich verbeelden, dat, indien zij door blanken ter dood worden gebragt, zij daarna aanstonds in eene soort van Turksch paradijs komen, waar zij van blanken bediend worden, [138] en ten anderen, omdat de meesters door de doodstraf hunner negers hun kapitaal verliezen, hetgeen hen meermalen wederhoudt aangifte der door hunne slaven begane misdaden te doen.--" [139] Zijn voorstel was, om aangevoerde redenen, om de ter dood gecondemneerde slaven, in plaats van deze vonnissen te executeren, »hun leven lang aan het een of ander publiek werk te gebruiken, hun echter vooraf de tong uitsnijdende en ontmannende, en den meester vergoeding voor een nieuwen slaaf te geven."

Of dit zoo veel menschelijker ware geweest, gelooven wij niet. Het hof approbeerde in het algemeen dit voorstel, zoude er nader over delibereren, doch besloot in de zitting van 27 Aug. 1744 er geen verder gevolg aan te geven, maar wilde wel, als regel ter verzwaring der doodstraf voor vergiftigers, het in het voorstel van Mauricius laatstgenoemde vóóraf doen plaats vinden. [140]

Daar de slaven het talrijkste gedeelte der bevolking van Suriname uitmaakten, en men van hen, die in den regel slecht behandeld werden, oproer duchtte, werden er scherpe plakkaten en ordonnantiën uitgevaardigd om dat te voorkomen en hen in toom te houden. Zoo was het hun o. a. verboden de rivieren op en neder te varen; zonder schriftelijk verlof van hunne meesters mogten zij geen corjaren (eene soort van kleine vaartuigen) in eigendom hebben; niet met zwaarden of knuppels of messen met ijzeren holle hechten langs de straten gaan; des avonds na acht ure mogten zij zich niet meer op de straat vertoonen zonder eene brandende kaars in eene lantaarn; na negen ure niet bij elkander staan praten, of met elkander loopen, of zich op een verlaten erf begeven; na zons-ondergang was het hun niet veroorloofd in de Savanna's of buiten de stad Paramaribo te gaan; terwijl de patrouilles vrijheid, ja last hadden op hen te schieten, indien zij op den eersten aanroep niet bleven staan. Voorts mogt men zonder verlofpassen van den meester hun geen kruid of lood of andere waren verkoopen, en niemand vermogt van hen goederen voor geld, buiten de markt, koopen; (notulen December 1726,) tevens was het aan een iegelijk verboden slaven, die in booten of ponten voor zaken hunner meesters te Paramaribo kwamen, bij avond of nacht bij zich aan huis te laten, veel min op te houden of te verbergen, daar de slaven òf in de vaartuigen blijven, òf in de woningen hunner meesters vernachten moesten, enz. enz. [141]