Part 10
Sedert de vruchtelooze pogingen der Spanjaarden en Portugezen om goud in Suriname te vinden; sedert het gebleken was, dat de grootsche denkbeelden daarover van den Engelschen avonturier Walter Raleigh ijdel waren; sedert dat de, op bevel van van Sommelsdijk en eerst na zijnen dood teruggekomen, tot het opsporen van het goudrijke (?) meer van Parima uitgezondene officieren en soldaten de onwaarheid dier velerlei sprookjes van Eldorado enz. op nieuw bevestigd hadden, sedert had men er van afgezien om zoo diep in de aarde te wroeten ten einde schatten te ontdekken; men behoefde immers den bodem slechts eenige voeten om te werpen en er vervolgens het zaad in te strooijen en het welig opschietende suikerriet en de snelgroeijende koffijheester beloonden beter den arbeid, en het goud, daarvoor in ruiling verkregen, vloeide ruimschoots in de beursen der volkplanters. Dan in 1742 wilde men toch nog eens weder beproeven of men het nog niet gemakkelijker kon bekomen. In genoemd jaar werd door Wilhelm Hack en anderen eene compagnie opgerigt tot het zoeken naar mineraal, edelgesteenten en andere kostbare stoffen.
Heeren Directeuren der »geoctroyeerde sociëteit van Suriname" verleenden hiervoor een octrooi, waarbij het den ondernemers, bij uitsluiting van anderen, vergund werd, alomme door de gansche kolonie onderzoek te mogen doen naar goud, zilver, koper, tin, lood, edelgesteenten en anderen profijt gevende voorwerpen, hoe dezelve voorkwamen, of ook genaamd mogten zijn, zoo op als onder de aarde [115].
Hoewel gemeld wordt dat de heeren Hack, wat de onkosten betrof, wel besloten waren, om deze onderneming voor eigene rekening aan te vangen, zoo hebben zij, in aanmerking van den naijver, die bij wèl slagen, daaruit tegen hen kon ontstaan, gewild, dat alle onderdanen van den Nederlandschen staat hierin aandeel konden verkrijgen, en mitsdien eene maatschappij of vennootschap opgerigt, onder den naam van »Geoctroijeerde Surinaamsche Mineraal-compagnie."
Deze was verdeeld in 32 stammen en iedere stam in 4 taxen, alzoo het geheel in 128 taxen of aandeelen. Ieder aandeel werd bepaald op f 750, te betalen een derde of f 250 binnen veertien dagen na het tot stand komen der onderneming; de overige f 500, naar vereischte van zaken, van tijd tot tijd.
Weldra werden verscheidene mijnwerkers naar Suriname gezonden; de oorlog was op nieuw aan de ingewanden der aarde verklaard.
Bij den berg Victoria, alwaar hun door de sociëteit, die vijf aandeelen bij wijze van recognitie verkreeg, een streek lands van tien mijlen in den omtrek geschonken was, begon men den arbeid, doch met geen zeer gelukkig gevolg.
Door verzuim van de noodige voorzorgen stortte een gedeelte van het werk in, en werden veertig menschen onder die instortende massa levend begraven [116].
Er werd wel eenige erts gevonden en naar Europa verzonden; doch deze hield naauwelijks zoo veel metaal in, dat de vracht hieruit kon betaald worden; zoodat deze onderneming evenzeer mislukt is als de vroegere goudzoekingen.
De mijnwerkers hebben daarop eenige kostgronden en eene houtplantaadje aangelegd; maar ook dat heeft niet aan de verwachting beantwoord. [117]
In 1747 noodigde men eenige Duitsche landbouwers uit, om zich als zoodanig naar de kolonie te begeven.
Men beoogde hiermede niet slechts om het aantal blanken te vermeerderen; maar wenschte tevens hierdoor eene soort van voorpost tegen de gedurig in hunne aanvallen stouter wordende wegloopers te vormen.
De uitnoodiging werd door eenige Paltzer boeren aangenomen en zelfs verlieten een paar Zwitsersche huisgezinnen hunne bergen om hunne buidels, gelijk zij hoopten, in Suriname te vullen.
Men had hun beloofd overvloed van grond te zullen verleenen, en hun tevens van bouwgereedschappen en koeijen te voorzien.
De Paltzers en later de Zwitsers kwamen behouden en vol goeden moed in Suriname aan. Men kon het hun aanzien, dat zij als tot werken geboren waren; men wees hun meer land aan, dan zij bearbeiden konden; men verschafte hun beesten en bouwgereedschappen; men hield alzoo woord jegens hen; maar het land, hetwelk men hun aanwees, lag aan het zoogenaamde Orangepad, boven Para, in de binnenlanden, een der ongunstige en onvruchtbaarste streken. Men vermeende hier van afstand tot afstand posten ter beteugeling der wegloopers en woningen voor de volksplanters aan te leggen; dan dezen, hoewel zij later zelfs slaven tot hulp kregen, konden het in dat eenzaam en woest oord niet uithouden.
Van twee Zwitsersche familiën wordt nog gemeld, dat zij door von Spörche op een ander gedeelte der kolonie geplaatst, dat hun benevens de gereedschappen, twee slaven, eene koe en eenige schapen werden toegevoegd, en dat zij daarop zoo ijverig aan het werk gingen, dat zij na eenige weken voor omstreeks f 1200 hout naar Paramaribo verzonden.
Werd men door dit goede begin aangemoedigd, die hoop verdween spoedig in rook, weldra vonden allen zich teleurgesteld; hevige ziekten braken onder de kolonisten uit; onderlinge twisten belemmerden gemeenschappelijk overleg; gedurige aanvallen der wegloopers verontrustten hen en in het zwelgen van drank en het leiden van een liederlijk leven zochten de meesten een tegengift tegen het heimwee en die onderscheidene teleurstellingen, en gelijk nu wel te verwachten was, liep alles te niet en eer vier jaren verstreken waren, was ook deze proeve van kolonisatie voorbijgegaan [118].
Zoo ging het later met andere proeven ter kolonisatie door vrije arbeiders in Suriname; waren die elders goed, namen zij elders soms eene groote vlugt, in Suriname mislukten zij steeds.
In een land, waar het stelsel van slavernij heerscht, is geene plaats voor de ontwikkeling van vrije landbouw of van industrie.
De door de slavernij vergiftigde zedelijke atmospheer houdt alle ontwikkeling tegen, doet ze verkwijnen, doet ze sterven.
Wat slavernij is, zullen wij op nieuw in het volgende hoofdstuk zien.
DERDE TIJDVAK.
DERDE HOOFDSTUK.
Overzigt van den toestand en de behandeling der slaven, van den strijd met de wegloopers en van den met hen gesloten vrede 1761. (63.)
Hebben wij in het tot hiertoe behandelde gedeelte der geschiedenis eerst een blik geslagen op de oude oorspronkelijke bewoners van Suriname de Indianen; hebben wij daarna de eerst nuttelooze, doch telkens herhaald, eindelijk met een goeden uitslag bekroonde pogingen der Europeanen beschouwd, waar zij trachtten om in dat zoo rijk door de natuur gezegend land vaster voet te verkrijgen; hebben wij hen daarna onderling over het bezit, later over het gezag zien strijden; viel er veel te vermelden, dat ons droefheid baarde, o. a. indien wij de handelwijze der Europeanen jegens de Indianen en hunne onderlinge twisten en krakeelen nagingen, aan de andere zijde moesten wij den ondernemenden geest, den volhardenden ijver bewonderen, waardoor vroeger de Engelschen, later de Nederlanders zich in dat overzeesche gewest vestigden, vele hinderpalen uit den weg ruimden en den reeds zoo vruchtbaren bodem van Suriname door waterleidingen, waterkeeringen enz., nog vruchtbaarder maakten.
Wij vestigen thans de aandacht op die andere nieuwe bewoners van Suriname, die niet uit eigen beweging gekomen, maar tegen wil en dank naar dit oord gebragt waren, namelijk op de negerslaven, welke in groote menigte over het land verspreid, de in hunne bosschen geweken Indianen en de zich hier nedergezet hebbende Europeanen in getal ver overtroffen.
Wij treden nu niet in eene beschrijving van den slavenhandel, noch in zijn' oorsprong, noch in zijne uitgebreidheid te dier tijd, maar wij bepalen ons hierbij slechts voor zoover dit regtstreeks Suriname betreft.
De West-Indische Compagnie, welke den alleenhandel in slaven bij octrooi had verkregen, was volgens datzelfde octrooi verpligt ten dienste der kolonie »zwarte slaven of negros" te leveren, ieder jaar zoodanig aantal, »als aldaar zouden worden gerequireerd."
Bij het octrooi in 1682 werd het getal der door de West-Indische Compagnie aan te voeren slaven »als aldaar zullen worden gerequireerd" dus onbepaald gesteld; in 1730, bij vernieuwing van het octrooi, verbond zij zich jaarlijks minstens 2500 slaven te leveren, en toen er van 12 Augustus 1731 tot 24 Augustus 1738 door haar slechts 13,012 negerslaven, in plaats van 17,500 en dus 4488 minder dan waartoe zij zich verbonden had, was aangebragt, werden hierover klagten ingeleverd en daarop voor rekening der »sociëteit van Suriname" van 1738 tot 1745, 63 schepen naar Guinea gezonden, met commissie om slaven te halen, en van 1746 tot 1747, 15 schepen tot datzelfde doel [119]. Bij de vernieuwing van het octrooi der West-Indische Compagnie in 1762 werd de verbindtenis wegens de levering van slaven bekrachtigd, en tot de naleving dezer verpligting, blijkens onderscheidene plakkaten, gedurig aangedrongen.--Rapport, Staats-com. bladz. 9 enz.
Welk een aantal slaven zijn alzoo gedurende het bestaan der kolonie aldaar aangevoerd! Om de kleine planters in de gelegenheid te stellen, om toch de hun zoo noodzakelijke slaven te verkrijgen, was de West-Indische Compagnie verpligt ze twee aan twee te doen veilen [120].
Hoe edelmoedig zorgde de Nederlandsche regering voor de belangen der weinig bezittende planters, maar hoe wreed handelde zij hier tevens jegens de slaven, daar door deze bepaling steeds familiën gescheiden werden [121].
De in Suriname ingevoerde slaven werden allen van de kust van Guinea aangebragt.
De oorlogen, door de vorsten van Afrika onderling gevoerd, werden door de Europesche Christenen gevoed, omdat zij slaven voor hunne koloniën konden verkrijgen; de uit het binnenland op onderscheidene wijzen geroofde negers werden naar de zeekust gevoerd, en hetzij door schepen, daartoe expresselijk door de West-Indische Compagnie uitgezonden, hetzij sedert het openstellen der vaart des slavenhandels op de Afrikaansche kusten, door schepen van bijzondere handelaars, die hiervoor recognitie aan de West-Indische Compagnie betaalden, voor onderscheidene handels-artikelen ingeruild.
Deze betaling geschiedde in staven ijzer, ijzerwerk, kruid, kogels, linnen en andere waren; mede werd als betaalmiddel gebezigd Boesis, zijnde zekere hoorntjes, ook wel Cauris genaamd, die van de Maldivische eilanden, door de Oostersche Compagnie in Europa werden gebragt en in Guinea voor geld verstrekten, doch later in onbruik zijn geraakt [122].
De prijzen verschilden voornamelijk naarmate van den overvloed of de schaarschte der waar aan de markt; ook waren de slaven van sommige stammen duurder dan die van anderen; de vrouwen waren in den regel een vierde of een vijfde beter koop dan de mannen.
Eene beschrijving van de onderscheidene stammen der Negers vindt men o. a. in Hartsinck, 2de deel, blz. 980 enz. en bij Teenstra, 2de deel, blz. 179. Wij willen deze berigten zamentrekken en als resumé de volgende algemeene opmerkingen omtrent de Negers, die thans evenveel als vroeger golden, mededeelen.
De negers zijn geheel zwart, hoewel met een nog al aanmerkelijk verschil van tint; de zwartste negers worden voor de sterkste gehouden; zij hebben zwart gekruld wolachtig haar, heldere bruine oogen, platte neuzen, dikke lippen en zeer witte tanden. Men ziet er weinigen met ligchaamsgebreken, of die gebogcheld of kreupel zijn, tenzij door toevallige ongelukken.
Het zijn meerendeels forsche, sterke en welgemaakte menschen, gehard tegen vermoeijenis van het ligchaam en de ongemakken van het weder.
De negers zijn aan weinige ziekten onderhevig; in slavernij gekomen zijnde, ontstaan door moedeloosheid, afmatting enz. verscheidene langdurende kwalen; velen dezer zijn in meerdere of mindere mate aan de Lepra of melaatschheid verwant, welke kwaal voornamelijk onder die volkeren heerscht, welke in slavernij leven of vele verdrukkingen te lijden hebben.
Omtrent hunnen geestelijken of zedelijken toestand schijnen wij het volgende als regel te kunnen stellen: dat de negers, die aan de zeekust wonen, meerdere beschaving hebben dan zij, die dieper in de binnenlanden hun verblijf houden, maar daarentegen sluwer en meer tot diefstal zijn geneigd.
Over het algemeen zijn de negers zeer bijgeloovig, gelijk alle afgodendienaars; de neiging tot diefstal vindt men bij enkelen, die tot drank en vrouwen bij velen; hoewel de veelwijverij, volgens hunne begrippen geoorloofd is, blijven zij echter, indien zij kinderen bij ééne vrouw hebben, deze getrouw.
Als slaven is het liegen hun, gelijk aan alle onderdrukte volken, gewoonte geworden; indien zij onverdiend gestraft worden, wordt hunne wraakzucht opgewekt; zij hechten zich echter zeer aan goede meesters en zijn dankbaar voor eene goede behandeling.
Men beschuldigt hen steeds van luiheid, maar daar hun arbeid in den staat van slavernij onbeloond blijft, missen zij ook den prikkel, die tot vlijt aanspoort. Zij hebben eerbied voor hunne ouders, de vrouwen zijn hare mannen onderdanig en de betrekkingen van bloedverwantschap worden levendig door hen gevoeld; zoo is het ook niet waar, hetgeen men in Europa zegt, en waarbij de een den ander napraat, dat in Afrika de ouders hunne kinderen, de mannen hunne vrouwen of den eenen broeder den andere verkoopt [123].
Hoewel weinig ontwikkeld, zijn de negers gansch niet van een natuurlijk gezond verstand ontbloot; hun oordeel is vaak zeer juist en spoedig kunnen zij het een of ander handwerk leeren.
Zij koesteren weinig vrees voor den dood, die hun meermalen een welkome bode is om hen uit hunne ellende te verlossen; door melancholie gedrongen, vindt men onder hen vele zelfmoorden.
Gelijk later gebleken is, zijn de negers zeer ontvankelijk voor den troost der Christelijke godsdienst, en toen het den waardigen broeders der Moravische broedergemeente eindelijk toegestaan werd, hun het Evangelie te verkondigen, werd dit door velen hunner met blijdschap aangenomen.
Hunne godsdienst stond vóór dien tijd op een zeer lagen trap; wel hadden zij een zeker bewustzijn van een God, die alles geschapen had, doch van wien zij verder vermeenden, wel dat Hij goed was, maar zich verder niet veel over hen bekommerde, en dien zij dus niet behoefden te vereeren of te dienen; terwijl zij integendeel groote vrees voor den boozen geest, den duivel, koesterden en dezen alzoo aanbaden en zijne dienst onderhielden, opdat hij zich niet al te zeer op hen vertoornen zou.
Verder stelden zij zich een aantal mindere goden, Gaddo's voor, waaruit ieder zich een eigen of beschermgod koos; bij voorbeeld het een of ander dier, zoo als eene slang, een kaaiman, een tijger, een jaguaar, soms ook wel een levenloos voorwerp als: een ruw gesneden beeld, een stok met tanden van wilde dieren behangen, of iets dergelijks.
In groote achting stonden bij hen de Obia-mannen en vrouwen, ook wel Lookemans (zieners) genoemd, die in den regel aartsbedriegers waren.
Eenig denkbeeld van het voortbestaan der ziel na den dood ontbrak hun niet geheel; verscheidene gebruiken bij hunne begrafenissen strekken hiervan ten bewijze.
Is de voorstelling hiervan echter zeer duister en onbestemd, de doorgaande meening der negers, als slaven naar een ander oord gevoerd, is, dat zij na hun overlijden weder in hun land zullen terugkeeren, en dat zij, die hunne godsdienstpligten goed hebben waargenomen, in eene aangename landstreek achter de bergen zullen worden overgeplaatst, maar dat de boozen in zekere rivier zullen worden versmoord.
Een der voornaamste vermaken der negers is zeker spel met hoorntjes, waarmede zij even als met dobbelsteenen spelen, de even of oneven liggende, maken de winst of het verlies van het spel uit.
Zij zijn tevens groote liefhebbers van muzijk en gezang; hunne muzijkinstrumenten zijn zeer gebrekkig en niet zeer welluidende; de toon van hun gezang is eenzelvig en meestal melancholisch. Mede beminnen zij zeer het dansen, dat echter vaak wellust en andere hartstogten opwekt.
De negers, die in den oorlog buit waren gemaakt of op rooftogten, daartoe expresselijk gehouden, gevangen waren genomen of op andere wijze in slavernij geraakten, werden aan de zeekust aangebragt; wij spreken nu slechts van die plaatsen, waar Nederlandsche kantoren gevestigd waren, en waar bij voorbeeld zoo als te St. George d'Elmina, eene sterkte gebouwd was ter bescherming van dien verfoeijelijken menschenhandel. Daar gekomen, liet men hen den ganschen dag in de vrije lucht op het plein van het hoofdkasteel, onder behoorlijke bewaking; vervolgens werden zij gewasschen en met olie ingesmeerd, opdat hunne huid er glansrijk zou uitzien; men gaf hun daar het allernoodigste voedsel, en zij konden zich op dat plein vermaken. Na zonsondergang werden zij in eene rei geschaard en door de Bomba's (opzigters) in eene loods gebragt, en aldaar bewaard tot den volgenden dag, wanneer hetzelfde tooneel zich dan en dagelijks herhaalde, totdat zij eindelijk naar den directeur-generaal en raad fiskaal werden gevoerd, en onder zijn opzigt door de chirurgijns naauwkeurig werden onderzocht.
Dit voorloopig onderzoek geschiedde om de Piece d'India of leverbaren van de Bonkjes (in onze koloniën Makkaroens genaamd) of onleverbaren te scheiden. Onder deze laatsten telde men die boven de 35 jaren oud schenen, die verminkt waren of aan eenige ziekte leden; ook zij die grijze haren hadden of tanden misten werden hierbij gerekend.--Deze beklagenswaardige wezens werden gewoonlijk voor rum aan de Nieuw-Engelandsvaarders verkocht.
Na de verwijdering of ter zijde stelling der Makkaroens werden de Piece d'India, of leverbare slaven opgeteld, en aangeteekend wie dezelve had geleverd.
Het brandmerk, voorzien van den naam of het wapen der maatschappij, lag intusschen reeds in het vuur, om al de voor goed gekozenen op de borst te merken [124].
Deze pijnlijke operatie werd noodig geacht, om hen uit de slaven der Engelschen, of Franschen of Portugezen, die in hetzelfde gevangenhuis zaten, en die ieder afzonderlijke teekens hadden, te kunnen onderscheiden, en tevens om voor te komen, dat zij niet voor afgekeurden verruild werden.
Toen later de slavenhandel mede voor rekening van particulieren, die evenwel hiervoor recognitie aan de W.-I. Compagnie moesten betalen, gedreven werd, ontvingen de aldus gekeurde slaven het merk van dien kooper meestal op den arm [125].
Het onderzoek had dan onder opzigt van den kapitein plaats, waarbij de slaven echter, evenzeer als zulks voor de W.-I. Compagnie geschiedde, zoowel vrouwen als mannen geheel naakt waren.
Na dit onderzoek en deze brandmerking waren de slaven voor rekening des koopers; (hun onderhoud kostte dagelijks ongeveer 2 stuivers). Zoo spoedig mogelijk werden zij in den hiervoren beschreven toestand, (somtijds ontvingen zij van den kapitein een pandje tot dekking hunne schaamte), naar de schepen gevoerd, en daar van 300 tot 350 en van 600 tot 700 in een schip geladen.
De mannen werden van de vrouwen gescheiden; de eersten daarenboven geboeid, en vervolgens, om ruimte te winnen, zoo digt mogelijk opeengepakt; de benaauwde en verpestende atmospheer in dergelijke slavenschepen veroorzaakte dikwijls besmettelijke ziekten, en steeds vielen er vele slagtoffers daarvan op de reis.
De Fransche, Engelsche en Portugesche slavenschepen waren altoos even morsig, vuil, stinkende; op de Nederlandsche betrachtte men ten minste eenigermate de zindelijkheid [126].
Van tijd tot tijd liet men eenige slaven boven komen, om versche lucht te scheppen, bij welke gelegenheid de wacht met scherp geladen en daarenboven verdubbeld werd.
Niettegenstaande deze voorzorgen spanden de slaven soms te zamen, overrompelden de equipaadje en zetteden het schip op het strand. De ellende, die zij op de schepen te verduren hadden, gevoegd bij het verdriet van om, na van hunne bloedverwanten enz. wreedaardig afgescheurd te zijn, naar een vreemd, een hun onbekend oord te worden gevoerd, bovendien de vrees voor eene harde slavernij, terwijl sommigen hunner in het denkbeeld verkeerden van door de blanken tot spijze gebruikt te worden, dat alles te zamen bewoog hen somtijds tot zulk eene onderneming, terwijl zij in het goed vertrouwen verkeerden, dat, waar zij ook op de kust kwamen, zij steeds gelegenheid hadden om hun vaderland en maagschap te bereiken. (Hunne geographische kennis was niet zeer groot) [127].
De ellende op het slavenschip, de gruwelen die aldaar meermalen gepleegd werden, zijn verscheidene malen beschreven. Hoezeer het hart bloedt bij de lezing van dergelijke tooneelen, gelooven wij echter dat die schrijvers nog verre beneden de werkelijkheid zijn gebleven; wij gaan ze thans stilzwijgend voorbij.
Wanneer het slavenschip te Suriname aankwam moesten, voordat men verlof tot het landen verkreeg, de schipper, de stuurman en de chirurgijn een eed afleggen, dat er geen pokken, bloedloop, bluskoortsen of andere besmettelijke ziekten onder de bemanning of de slavenmagt heerschten; waarna door den chirurgijn der krijgsmagt de slaven op het schip onderzocht werden, waarvan rapport aan den gouverneur werd gedaan, die, als alles in orde was bevonden, verlof gaf om de vracht menschelijke wezens te lossen.
Was nu het slavenschip op de reede van Paramaribo aangekomen, dan werden de slaven op het dek gebragt en de zuivere frissche lucht, die zij nu weder met volle teugen konden inademen, benevens het gebruik van pisang, orange en andere vruchten, oefende doorgaans een heilzamen invloed op hunne gezondheid uit; vervolgens werden zij gereinigd, gewasschen en het haar in allerlei figuren, als sterren, halve manen en dergelijken meer, geschoren.
Nu liet men hen bij gedeelten, nadat zij eerst van katoenen schorten of broeken voorzien, en enkele jeugdige meisjes daarenboven met hals- en armbanden versierd waren, onder geleide van eenige matrozen langs den waterkant en door de straten van Paramaribo op- en nedergaan, om hunne leden, die door het lange op één gepakt zijn, stram waren geworden, wat leniger te maken, opdat zij bij den verkoop de geëischte vlugheid in hunne bewegingen mogten ten toon spreiden [128].
De gegadigde, die zijne òf door overlijden, òf door wegloopen verminderde slavenmagt op nieuw wenschte aan te vullen, deed somtijds bij voorraad reeds eene keuze.
Na eenige dagen werden zij in het openbaar, bij paren, geveild; de slaaf of slavin werd dan gedwongen op eene tafel te klimmen en werd nogmaals naauwkeurig door den chirurgijn onderzocht, die hen verscheidene houdingen aannemen, en armen en beenen op verschillende wijze bewegen liet, om over de krachten en gezondheid te kunnen oordeelen.
Nadat de koop gesloten was werd de koopsom òf dadelijk voldaan, òf zoo de betaling eerst na eenigen tijd behoefde te geschieden, bleef de vendumeester hiervoor borg.
De gekochte waar, een mensch van gelijke beweging als wij, en van Gods geslachte, werd dan aan den kooper afgeleverd.
De nieuwe eigenaar liet dan met een gloeijenden stempel, de eerste letters van zijn naam, op de borst of den arm van den slaaf of de slavin inbranden.
Dit was alzoo het tweede brandmerk, dat zij ontvingen.
Was de veiling afgeloopen, dan werden de slaven en slavinnen door de opzigters naar de huizen of plantaadjes hunner meesters gevoerd. Daar werden zij doorgaans gedurende eenige weken goed gevoed, opdat zij, die meestal als levende geraamten van het schip kwamen, behoorlijk tot de hen wachtende taak geschikt zouden zijn; daar werd hun ook eenig onderrigt voor hun volgend werk gegeven, en weldra werden zij aan den arbeid gezet.
In de stad werden zij, gelijk andere dienstboden, voor onderscheidene diensten gebezigd; hun lot was meer of minder dragelijk al naardat zij een meester of eene meesteres verkregen.
Daar men tot huisbedienden echter meestal creolen, d. i. in de kolonie geboren negers, of het vermengde ras der kleurlingen, bij voorkeur nam, zoo werden de meesten der nieuw aangebragte slaven naar de plantaadjes gezonden.
Daar was in den regel, behoudens eenige loffelijke uitzonderingen, de arbeid zwaar, het voedsel slecht, de huisvesting ellendig, de behandeling streng, meermalen wreed.