Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874
Part 9
»Het is heden de schoonste dag van Mijn leven, die dag van heden, waarop het Nederlandsche volk op nieuw op de ondubbelzinnigste wijze heeft doen blijken van zijne gehechtheid en trouw, die het steeds en onder alle omstandigheden, welke het der Voorzienigheid heeft behaagd in ons Vaderland te doen plaats hebben, aan den dag heeft gelegd.
»Ik stel die gevoelens op hoogen prijs, en wanneer het eenigzins vermetel van Mij is, op dit oogenblik het woord te nemen, uit het oogpunt der welsprekendheid, dan toch is het voor Mijn hart een behoefte tot u een echt Nederlandsch woord te richten, een woord gesproken uit het hart van een koning uit het Huis van Oranje. Dat woord kan niet anders zijn, mag niet anders wezen dan aan allen, hier tegenwoordig, de plechtige verzekering te geven, op den dag van heden, waarop de eerste steen is gelegd voor het Nationaal gedenkteeken, waarop de liefde en de trouw van het Nederlandsche volk bij die onvergetelijke plechtigheid zoozeer zijn gebleken, op dezen dag van groote Nationale herinneringen, voor Mij niet alleen, maar voor alle leden van het Huis van Oranje;--dat het heden gebeurde een nieuwe prikkel voor Uw Vorstenhuis zal wezen, om nog meer dan vroeger voor het welzijn en den bloei van het volk van ~Nederland~ werkzaam te zijn, zooals in vroegere dagen, zooals het altijd zal blijven. Want wij allen uit het Huis van Oranje, wij kunnen _nooit_, ja NOOIT genoeg doen voor ons ~Nederland~."
* * * * *
»Nu nog even naar de Maliebaan!" zeide de oude Veldhuis. »Daar hebben immers de volksvermakelijkheden plaats!"
»Ik vrees, dat we te laat zullen komen, en 't grootste deel afgeloopen is," zeide Gustaaf, terwijl hij op zijn horloge keek. »We moesten liever de stad een weinig rondwandelen, en al 't schoons en sierlijks bekijken, dat er te zien is."
»En eerst eens beproeven, of we wat te eten kunnen krijgen," zeide Bernard. »Want ik rammel van den honger. Na zooveel geestelijke spijs herneemt de maag toch ook haar rechten."
»Hadden we mama maar bij ons gehad," zeide Margot, »dan zou ze ons ieder wel een paar krentebroodjes in den zak gestopt hebben, net als voor veertien jaren, toen we de inhuldiging bijwoonden."
»En die ons toen zoo heerlijk smaakten!" voegde Florence er bij. »'k Wou, dat ik ze op 't oogenblik had!"
»Ik niet," zei Bernard. »Ze zouden in dien tijd tamelijk droog en oudbakken geworden zijn."
»Nu ja, allebedil," hernam Florence. »Ik meen zulke soort van krentebroodjes."
»Dan hadt ge u wat duidelijker moeten uitdrukken," antwoordde Bernard glimlachend. »Doch ik ben hier zoo onbekend als een pelgrim, die pas in 't Heilige Land komt. Gelukkig, dat we zulk een goeden gids bij ons hebben als oom Henri. Die zal ons ook wel in de een of ander caravansera brengen, waar we onze hongerende en dorstende lichamen kunnen restaureeren."
»Ja, oom Henri zal u even naar huis brengen, jonge lui," antwoordde de kapitein. »Want in koffiehuizen of restauraties zal wel niets te krijgen zijn."
En hij had gelijk. Een twee- of drietal, welke men binnenstapte, waren zoo volgepropt met hongerige en dorstige menschen, dat men daar onmogelijk iets voor zijn geld kon krijgen. Men besloot dus maar, naar August's kamer te gaan, waar de hospita wel zou opdisschen.
»O, kijk eens! Wat komt daar aan?" riep Florence eensklaps uit. »Neerlands kleuren te paard!"
»En oranje als aanvoerder!" voegde Margot er bij. »Dat is alleraardigst!"
Inderdaad--het waren vier heeren Leidsche studenten, keurig net gekleed. Een hunner reed vooruit, van top tot teen in 't oranje gekleed; de drie volgden hem: de een geheel in 't rood, de andere in 't wit en de derde in 't blauw. 't Gaf nieuwe stof tot vroolijkheid. Nauwelijks waren die voorbij, of daar kwam een rijtuig aan met boeren en boerinnen, kwistig met oranje versierd. 't Rijtuig zelf was met de namen van de mannen van 1813 beschilderd en de twee melkwitte paarden met groote strikken en rozetten van oranje en de Nederlandsche kleuren getooid. Honden en paarden waren, evenals in ~Amsterdam~, goed Oranjegezind; als men ten minste rekende naar de oranjestrikken die ze om den hals of aan den staart droegen. Tal van kleine optochten kwamen hen tegen, wier leden wel niet altijd even keurig waren uitgedost, maar die toch door hun potsierlijke tooisels, waarin 't oranje den boventoon had, er veel toe bijbrachten, om afwisseling en levendigheid in de reeds zoo drukke stad aan te brengen. De oude wapenbroeders van 't jaar 1813 begaven zich onder 't geleide van de commissie van orde der feestviering naar het societeitsgebouw »de Vereeniging," waar ze onthaald werden en o. a. prins Frederik hun de lieve attentie had betoond, om twee kistjes fijne oranjesigaren te zenden, elke sigaar met een oranje étiquette en 't jaartal 1813 versierd. Jammer, dat de prins tot zijn innig leedwezen door ongesteldheid verhinderd was, zelf daar te komen. Immers nog den vorigen dag had de toestand van den edelen grijsaard zich zeer dreigend doen aanzien, en was het te vreezen geweest, dat hij de steenlegging niet zou bijwonen. Gelukkig was die vrees niet uitgekomen; maar nu was Zijne Hoogheid zóó vermoeid, dat het hem niet geraden was, meer van zijn krachten te vergen.
Toen onze zes vrienden op de kamers van August kwamen, vonden ze diens hospita terstond bereid, om hun 't noodige te verschaffen. Emile en Emma waren nog niet terug. Het duurde echter niet lang, of ook dezen kwamen, doodvermoeid van 't staan in 't veld bij de Maliebaan, 't gezelschap vergrooten en spoedig daarna maakte August het voltallig.
Wat de bezoekers van 't Willemspark te verhalen hadden, kunnen we gerust overslaan--we hebben 't immers bijgewoond. We laten dus Emile en Emma spreken.
»Nu," zeide Emile. »Zeker hebben we niet zoo veel gezien, wat ons nationaal gevoel opwekte, als gij; dat is waar. Maar we hebben vrij wat meer pret gehad, niet waar, Emma?"
»Nu, dat zou ik zeggen, Emile," zeide Emma.
»Een oogenblikje, jongelui," zei de kapitein vroolijk. »Wat beteekent het, dat jelui elkaar zoo plat Emile en Emma noemt? Heb je ook soms in de Maliebaan wat verloren? Uw hart, bijvoorbeeld?"
»Papa," antwoordde Emile. »We hebben in die Maliebaan integendeel wat gevonden!"
»O, daarom heb je zoo veel pret gehad!" riep de kapitein uit. »En 't is zeker wat moois, komt, laat het ons eerst eens zien. Misschien wel een paar oranjestrikken of oranjekokardes!"
»Neen, papa," antwoordde Emile, op koddig ernstigen toon: »Ik heb in Emma Kellner een toekomstige gezellin gevonden op 't pad mijns levens. Met andere woorden, we hebben ons, met uw permissie, geëngageerd."
»Wel, drommels!" riep de kapitein uit. »Dat zal de zeventiende November 1863 tot een gedenkdag maken in de familie de Bosson. Nu, wat mij aangaat, ik verheug mij er hartelijk in: want je verlost me zoodoende door den tijd van een geduchte huisplaag. Maar van jou spijt het me, jongen; want die Emma is zoo scherp als een els. Doch"--en de kapitein zette een vreeselijk bedenkelijk gezicht--»of mama de Winter er genoegen mee zal nemen, is een andere vraag. Dat goede mensch zal haar Emmaatje, dat bedorven schepsel, niet willen missen!"
»Dan schaak ik haar," zeide Emile. »Zeg dat maar gerust aan tante, en dan kan Mr. J. van Lennep een schaking van de negentiende eeuw beschrijven. Ik zal er hem de bouwstoffen wel toe leveren."
»O, ridderlijke zoon!" riep de kapitein uit. »Waarom ben je niet evenals August militair geworden! Dan zou zoo'n schaking veel interessanter zijn."
»Nu, ik feliciteer u, Emile, met uw engagement," zeide Margot, »en ben heel blij, dat ik zoo'n lief schoonzusje krijg als Emma."
»Ja," zeide de kapitein, »daar kun jij heel gemakkelijk over heenstappen, die 't aanstaande schoonzusje maar een paar malen in 't jaar zult zien. Maar mijn arme Florence, die..."
»Die haar lieve Emma eens hartelijk kussen zal," zeide Florence, »en hoopt, spoedig op haar bruiloft te dansen!"
»'t Is mooi, dat mijn eigen vleeschelijke schoondochter mij zoo afvalt," zeide de kapitein. »Gelukkig, dat ik Gustaaf en Bernard nog op mijn hand heb. Maar dat ook kan wel mis zijn: Gustaaf zal blij zijn, als hij zijn lastigen commensaal kwijt is, en Bernard verlangt al naar 't oogenblik, dat hij als predikant het huwelijk kan inzegenen. Doch, gelukkig, daar komt August. Zoo jongen! je komt juist van pas om mij te helpen."
»Ik, papa?" vroeg August, die de kamer binnentrad.
»Ja, August," hernam de kapitein. »Begrijp eens, dat uw broer Emile van zins is, om binnen kort in 't huwelijk te treden met dat aardige kind, dat daar naast hem zit."
»Wel, papa! Emile is oud en wijs genoeg, om te weten of hij onder de infanterie of de cavalerie dienst wil nemen," antwoordde August. »En als hij in 't huwelijk wil treden, dan wensch ik hem de medaille van vijf en twintigjarigen dienst toe!"
»Ook alweer geen troost!" zuchtte de kapitein. »Nu dan, tot straf zullen Emile en Emma ons mededeelen, wat ze in de Maliebaan gezien hebben. Ofschoon ik vrees, dat dat niet veel zal zijn."
»Dat zou u meevallen, papa," hernam Emile. »'t Was er alleraardigst, niet waar, Emma."
»Nu, dat zou ik zeggen," zeide Emma.
»Ja, maar zoo komen we niet verder," hernam de kapitein. »Van aardigheid gesproken. We hebben om hier te komen, een omweg gemaakt, en op de Langegracht, waar ook in den mast geklommen werd, ons halfziek gelachen om de jongens, die aan 't stroophappen waren[13]."
[13] Dat is happen naar een waterbroodje vol stroop. Als de gelukkige onder 't voorbijgaan in het broodje hapt, druipt hem, tot groot vermaak der toeschouwers, al de stroop langs den baard.
»Stroophappen hebben we niet gezien," zeide Emile, »maar wel mastklimmen en andere volksspelen. 't Aardigst echter van allen was de opgeslagen tent, waar comedie gespeeld werd, nu niet juist om dat comediespel, maar om 't uitbundig gelach der toeschouwers. Men gaf twee vaudevilles: »Het dubbel huishouden," in twee bedrijven en »De grillen van een jeugdig echtpaar," in één bedrijf. Dat duurde van halftwaalf tot eenen. Van twee tot vier ure vertoonden ze weer twee vaudevilles: »De metselaar en de waterdrager," en, wat vooral de meeste sympathie verwekte: »De verpande krijgslieden," beiden in een bedrijf."
»De krijgslieden in één bedrijf?" vroeg Bernard.
»Nu, dan de vaudevilles," hernam Emile. »Ik weet niet, dat ik ooit zulk een hartelijk lachen heb gehoord, als van dat onbedorven en uitgelaten vroolijke volk!"
»En donderende applaudissementen," voegde Emma er bij. »Natuurlijk stonden wij ver genoeg af, om niets te verstaan. Doch wij amuseerden ons maar met die vergenoegde gezichten en die onbetoomde uitingen van dolle vroolijkheid."
»En dan de wedloop van die dertig jongens!" zeide Emile. »Die was onbetaalbaar om aan te zien! Doch daar was wat aan te doen, eer ze goed op dreef waren. Telkens gingen ze vóór hun beurt af."
»Och! en dan dat boegsprietloopen!" riep Emma uit. »Honderde malen rolden de loopers er af, nu eens aan de linker- en dan aan de rechterzijde."
»En konden ze zich dan niet bezeeren?" vroeg Florence.
»Wel neen, er waren aan weerskanten stevige linnen zeilen gespannen, waarin ze vielen," hernam Emma. »Maar 't kluchtigst van alles was, dat in 't zeil aan de rechterzijde meel en in dat aan de linkerzijde roet of zwartsel was. Viel er nu een aan den eersten kant in 't meel, dan kwam hij er zoo wit als een pierrot uit--aan de andere zijde, dan zag hij er uit als een schoorsteenveger. Dat gaf voortdurend pret."
»En vielen ze er dikwijls af?" vroeg Margot.
»Honderde malen; want de schuin oploopende liggende mast was met zeep besmeerd," antwoordde Emma. »Eenige oogenblikken zag men er een dapper loopen, dan begon hij te wankelen, 't geen reeds gejuich gaf, eindelijk, plomp! daar rolde hij en kwam onder een uitbundig gejubel zwart of wit weer te voorschijn!"
»Mijnheer! De tafel is gereed," brak de hospita 't vroolijke gesprek af--af.... neen, dat niet. Eerst aan tafel werd het recht vroolijk, en de gastheer had voor een goed glas wijn gezorgd, zoodat er vrij wat toosten op koning, vaderland, prinsen en prinsessen, ook op 't engagement van Emile en Emma gedronken werden.
Evenmin als onze vrienden gaan we naar de galavoorstelling in den schouwburg, daar we anders niet met den retourtrein naar ~Amsterdam~ zouden kunnen terugkomen.--Neen, we vergezellen hen liever naar de prachtige illuminatie. Doch zal ik u, na al 't geen ik reeds medegedeeld heb, nog een beschrijving van de illuminatie geven?--ik zou te uitgebreid worden. Alleen dit: al de koninklijke paleizen waren van boven tot beneden geïllumineerd en 't schoonst van alles was het Breede Voorhout, waar men onder een dak van lampions wandelde, aan een lichtzee gelijk. Na afloop van de galavoorstelling in den schouwburg toerden de koning en de koningin, de prins van Oranje en de prinsessen Frederik en Maria in open rijtuigen door de geheele stad. Dat toeren had veel van een onophoudelijken zegetocht. Ook de koningin-moeder toerde in een open calèche. En hiermede stappen we van 't Oranjefeest af, dat onvergetelijk zal blijven voor de bewoners der hoofdstad en die der residentie. We konden u natuurlijk in de andere steden van ons land moeilijk binnenleiden--anders zouden we gezien hebben, dat het overal met geestdrift gevierd werd. We gaan dus met de familie in den laatsten spoortrein, komen gezond en wel met hen in de hoofdstad des Rijks terug, en sluiten dit hoofdstuk met de woorden van een chassinet, hetwelk op den Zuid-Oost-Buitensingel was te lezen en meer kijkers waard was, dan 't nu op die min of meer gelegene plek had.
Dit chassinet luidde aldus:
»Omstrengeld door éen liefdeband Blijft Vorst en Volk van Nederland, Zoowel in voor- als tegenheen, Oranje en Nederland, steeds een."
ZEVENDE HOOFDSTUK.
's Konings rouw.
»Vrijheid en onafhankelijkheid!" dat was de nagalm van 't Oranjefeest. En velen juichten het toe, dat de ~Nederlandsche~ natie het gevoelde, dat zij het palladium der vrijheid, haar door de vaderen nagelaten en voor een halve eeuw herwonnen, op prijs wist te stellen; allen waren 't er over eens, dat ~Nederland~, onder zijn constitutioneelen regeeringsvorm en met een Oranje aan 't hoofd, het meest vrije en gezegende land van ~Europa~ was. Waar toch vond men zulk een vrijheid van godsdienst als hier, alwaar geen uitsluiting eener enkele godsdienstige gezindheid bestond en ieder, tot welk kerkgenootschap hij ook behoorde, tot de hoogste staatsambten kon geroepen worden. Daarbij vrijheid van drukpers--inderdaad een der grootste voorrechten eener vrije natie. En toch waren er tal van menschen, die oordeelden, dat het tegen ons vrijheidsgevoel indruischte, wanneer daar in onze West-Indische kolonieën, ondanks de humaniteit waarmede men altijd te koop liep, nog een aantal menschen waren, schepselen als wij, onderdanen van denzelfden koning, die geen eigen vrijen wil hadden, genoodzaakt waren al hun krachten te besteden voor een meester, die hen voor geld gekocht had, en kon verkoopen aan wien hij wilde; kortom, dat er in ~Suriname~ en elders nog slaven waren. 't Was aan de gezegende regeering van Willem den derden voorbehouden, die vlek van onze natie af te wisschen. In 't zelfde jaar toch, dat ~Nederland~ zijn feest ter herdenking van zijn eigen vrijheid vierde, had het de vrijheid hergeven aan zijn ongelukkige medebroeders, die 't juk der slavernij droegen, en eerlang zou er, zoover Willem III zijn schepter zwaaide, geen slaaf of slavin meer zijn. Maar ook voor eigen vooruitgang en ontwikkeling had men gezorgd. Een nieuwe tak van onderwijs werd er in 't leven geroepen: het middelbaar onderwijs. En spoedig na de uitvaardiging dier wet verrezen er alom hoogere burgerscholen met vijf- en driejarigen cursus.
Ook waren de stoffelijke belangen der natie niet vergeten. ~Rotterdam~ zou weldra een verbeterden waterweg krijgen, ~Amsterdam~ een kanaal naar de Noordzee, door ~Holland~ op zijn smalst. Beide besluiten moesten den bloei des handels verhoogen; de laatste zou daarenboven duizende bunders goed en bebouwbaar land droogmaken en zoo medewerken tot de welvaart van akkerbouw en veeteelt.
Geen wonder, dat de natie, onder zulk een wijs en vaderlijk bestuur, verlangend uitzag naar den 18en Juni 1865, als wanneer zij den dag zou vieren, waarop, vijftig jaren geleden, de verkregene onafhankelijkheid van ons land in den slag bij ~Waterloo~ was behouden gebleven. Ook dien dag zou men algemeen herdenken, en--kon men den held van ~Quatrebras~ en ~Waterloo~ niet meer blijken geven van de sympathie, welke het dankbare vaderland voor hem gevoelde--koningin Anna Paulowna leefde nog, en wat men den Vorst niet meer kon toebrengen, zou men haar wijden. Doch de feestviering van den Waterloodag zou op treurige wijs verstoord worden; ze zou den gloed missen, dien ze zoo noodig had; het koninklijke huis zou niet mede feestvieren.
Wanneer ge langs de Zeestraat te ~'s-Gravenhage~, den ouden, schoonen straatweg naar ~Scheveningen~ opgaat, dan ziet ge aan uw linkerhand een eenvoudig doch statig gebouw, met een ruime voorplaats, door een hekwerk van den grooten weg afgesloten. Dat gebouw met de daarbij behoorende tuinen en nevengebouwen heet Buitenrust. Aan die tuinen is ook het oude bekende Zorgvliet getrokken, waar vader Cats zijn leven sleet, en vele zijner verzen maakte. Die buitenplaats, in de duinen aangelegd, en waar men nog het oude huis van den Raadpensionaris-dichter aantreft, levert uitgebreide wandelingen op; want zij beslaat eene aanmerkelijke ruimte aan den linkerkant van den Scheveningschen weg. Dat Buitenrust nu, met Zorgvliet en de vroegere woning van den graaf Rheede van Ghinkel van Athlone, had de koningin-weduwe aangekocht en met vrij wat nieuwe aanplantingen vergroot; hier sleet zij haar aan weldadigheid gewijd leven in kalmte en vrede.
Ge zoudt het niet denken, als ge 't huis van buiten ziet, dat het een geschikt verblijf is voor de dochter der Russische Czaren. Een vorstelijk paleis is het zeker niet te noemen. En toch zou u 't smaakvolle en keurige ameublement treffen, rijk en kostbaar, en tegelijkertijd zoo beminlijk eenvoudig; meer aantrekkelijk door zijn aanzienlijke kunstschatten, dan door zijn prachtige meubels. Ge zoudt zeker lang stilstaan bij die reusachtige geschilderde porseleinen vazen, die u de Russische kunstvaardigheid zouden doen bewonderen, en u niet kunnen verwijderen van die juweelen der ~Nederlandsche~ schilderschool--ge zoudt.... doch ditmaal willen we niet ronddwalen in die vertrekken; daarenboven--ze hebben iets sombers door 't sluiten der jaloezieën, die het uitzicht op den tuin belemmeren. Misschien zoudt ge gaarne eens naar boven gaan, om in de keurige bibliotheek te snuffelen, waar u misschien die oude teekeningen en beschrijvingen met platen van 't vroegere Zorgvliet zouden aantrekken--of, al is 't ook Maart, eens ronddwalen door de plaats van vader Cats, waar we nog een steenen tafel zouden vinden en.... we treden de groote zaal uit, en gaan aan onze linkerhand een zijvertrek binnen, het boudoir der koningin-weduwe. Ook hier vertoeven we evenmin; maar treden in 't nevenvertrek, de slaapkamer van Anna Paulowna; thans haar sterfkamer.
Zeker zou 't oneerbiedig kunnen heeten, wanneer we zoo onaangediend binnentraden, waar zooveel vorsten en vorstinnen verzameld zijn om 't sterfbed eener koningin, en er zou dan ook wel niemand geweest zijn, die 't gewaagd zou hebben, ons aan te dienen; wij echter hebben 't groote voorrecht, er in den geest te vertoeven, en geen macht ter aarde kan den geest verhinderen, zich een weg te banen. Die toch gaat door gesloten en gegrendelde deuren, treedt in de paleizen der vorsten en aanschouwt daar, wat voor geen ander te aanschouwen wordt gegeven. En zoo treden we op Woensdag den eersten Maart 1865 des namiddags ruim vier uren de kamer van Anna Paulowna binnen, en willen zien, wat daar plaats heeft.
Het eerst valt ons oog op die alkoof, waar de stervende vorstin nederligt. Aan 't hoofdeneind van het veldbed, waarop ze rust, staat haar kamenier, die haar jaren lang trouw gediend heeft, en meer haar vriendin dan haar ondergeschikte is. Ze houdt het hoofd der stervende in haar armen, om het te ondersteunen. Aan 't voeteneinde staan de HH. doctoren Van der Grijp en Vinkhuyzen, die H. M. gedurende haar laatste ziekte behandeld hebben. 't Is een aandoenlijke groep, waarvan de koningin het middelpunt uitmaakt. Vermagerd en bleek is ze, bleek, wanneer de vreeselijke benauwdheden haar 't bloed niet naar de wangen drijven. Reeds sedert eenige dagen hebben de uitgegeven bulletins de natie in spanning gehouden ten aanzien van den afloop der ziekte, die in een hevige borstaandoening bestaat, gekenmerkt door benauwdheden, welke in de beide laatste etmalen zoo zeer waren toegenomen, dat haar krachten waren uitgeput en men 't ergste vreesde.
Grootvorstin Anna Paulowna, de dochter van keizer Paul I van ~Rusland~ en keizerin Maria Federowna (Dorothea Augusta Sophia van ~Wurtemberg~), is den 19en Januari 1795 geboren, dus op denzelfden dag, toen haar aanstaande gemaal, als kind uit zijn land verdreven, nog als balling op de Noordzee zwalkte en men voor 't eerst de Engelsche kust in 't oog kreeg. Toen keizer Napoleon zijn eerste gemalin, Josephine de Beauharnais, verstiet, liet hij, eer hij aanzoek deed om aartshertogin Maria Louise, door Canlaincourt de hand der Russische vorstin vragen. En voorzeker zou de vorstelijke Anna Paulowna, edel van gestalte als van gemoed, een keizerstroon als die van het toen zoo machtige ~Frankrijk~ tot sieraad gestrekt hebben--haar broeder, keizer Alexander, bedankte echter voor die eer. Veel liever schonk hij de hand zijner zuster aan een vrij wat geringer vorst, maar die van edeler bloed en hooger afkomst was: aan zijn vriend, den ridderlijken Oranje, toen nog slechts kroonprins van het koninkrijk der ~Nederlanden~. Den 21en Februari 1816 werd het hooge huwelijk te ~St.-Petersburg~ voltrokken.
En Anna Paulowna had de liefde der natie weten te verwerven. Niet alleen maakte zij zich op voortreffelijke wijze onze taal eigen, maar ze drong ook door in de meesterwerken onzer letterkunde. En bovenal werd de vorstin geliefd om haar minzaamheid en weldadigheid. Vergeten we niet, hoe ze, in 't klein, haar naaischool te ~Scheveningen~ had, in 't groot, in 1830 en 31 haar naam in gezegend aandenken bracht door het stichten op eigen kosten van een hospitaal voor gekwetste militairen. Groot was de sympathie, welke zij bij 't bestijgen van den troon in 1840 mocht ondervinden. Als koningin was ze niet minder geliefd dan als kroonprinses. En toen ze den 17den Maart 1849 te ~Tilburg~ bij 't lijk van haar zoo beminden gemaal nederknielde en uitriep: »O, wat ben ik ongelukkig!" toen een andere koningin haar plaats op den troon innam, bleef ze nog steeds de geëerde en hooggeschatte, de beminde Vorstin. Dat getuigde steeds de eerbiedige groet, haar, waar zij zich in 't openbaar vertoonde, door de menigte toegebracht; dat had men in 't jaar 1858 gezien, toen ze, bij gelegenheid van 't feest der meerderjarigheid van haar kleinzoon, den kroonprins der ~Nederlanden~, voor de laatste maal in ~Amsterdam~ vertoefde, en de luide toejuiching van de bevolking der hoofdstad haar te gemoet klonk bij haar verschijning op het balkon vóor 't paleis op den Dam; dat had ze ook nog op den avond van dien 17en November 1863 kunnen bespeuren, toen ze door de hel verlichte straten der residentie toerde, en haar overal de kreten, »Leve de koningin!" in de ooren klonken.