Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874

Part 8

Chapter 83,847 wordsPublic domain

En zoo was de Zondag voorbijgegaan in feestelijke stemming. Druk was 't op de straten geweest; want ieder was nieuwsgierig om de sierlijke decoratiën te zien; ieder stelde belang in de aanstalten, reeds gemaakt tot de schitterende verlichting, die den volgenden avond zou plaats hebben. Ook onze oude vrienden, Gustaaf en zijn vrouw en Bernard en Margot, hadden de nog jonge beenen vrij wat te doen gegeven, en zelfs de oude Veldhuis met zijn Maria hadden ook de hunne niet ontzien; ofschoon ze toch 's avonds, toen de geheele familie bij mevrouw de Winter op visite was, klaagden over de geduchte einden en de slechte bestrating. Wie echter 't meest van allen gezien had, was kapitein de Bosson, die met zijn zoon Emile de geheele stad was door geweest; waarom de laatste dan ook schertsend verklaarde, dat papa hem dien dag een militaire marschroute had doen maken, en hij zeker den volgenden geen voet buiten de deur zou kunnen zetten. Papa lachte hem daarover braaf uit en zei, dat hij niet beter kon doen, dan dien volgenden dag maar stil voor de ruiten te zitten koekeloeren, om eens goed van zijn fatigues uit te rusten. En dat zou hem zeer gemakkelijk zijn; daar de geheele familie toch ten huize van Gustaaf was vereenigd, om den optocht te zien, die, naar men gehoord had, uit niet minder dan zesduizend menschen zou bestaan, en waarbij, volgens 't programma, zeer mooie zegewagens zouden zijn. Papa de Bosson echter zou, als ridder van 't metalen kruis, den tocht mee maken, en toch had hij zijn beenen niet ontzien. Nu, dat feest begon 's Maandags dan ook vroeg genoeg. Om acht uur 's morgens verkondigde een kanonschot, dat het een aanvang had genomen, en vereenigden zich de verschillende deelnemers aan den optocht. Denkt echter niet, dat toen allen zich reeds in 't huis van Gustaaf op de Heerengracht verzameld hadden. Zóó vroeg behoefden ze daar niet te zijn. Eerst vrij wat later kondigde een ander kanonschot aan, dat de trein zich in beweging gesteld had, en dan had die nog een heel eind af te leggen, eer hij voor 't huis van Gustaaf was. Toen hij echter aankwam, zaten allen voor de glazen, of stonden ze achter 't staketsel, dat voor den stoep van 't huis was opgeslagen.

[Illustratie: Tresling & Co Hof-Lith Amst.]

En 't was een lange stoet, die trein van 6000 menschen, voorafgegaan en gevolgd door een detachement cavalerie. We zullen hem niet in al zijn bijzonderheden beschrijven; maar willen, terwijl we evenals Gustaaf het gedrukte programma van den optocht in de hand houden, slechts enkele bijzonderheden er van mededeelen.

»Daar komt de tjotter aan, getrokken door zes paarden en begeleid door zevenenveertig leerlingen van 's lands marinewerf," zeide Gustaaf, en 't was inderdaad een aardig gezicht, die op een wagen geplaatste schuit te zien, waarin een bootsman en vier matrozen zaten. De matrozen deelden aan de omstanders exemplaren uit van een gelegenheidslied, en ze hadden daarmee de handen vol.

»Let nu eens op, mama," zei hij iets later. »Daar komen de oude strijders van 't jaar dertien aan."

Vier grijsaards, en onder hen een visscher van 't eiland ~Marken~, zaten in een open rijtuig, door twee paarden getrokken, en daarachter in een ander rijtuig, de oude Ponstijn, met zijn oranjevlag in de hand. 't Was een hoezee! waar die vijf mannen verschenen.

»En daar komt nu de eerste zegewagen!" riep hij. »Let nu goed op!"

't Was een heel gevaarte, die zegewagen, welke ~Nederland~ moest voorstellen. Daar zat aan 't achtereinde op een troon, de Nederlandsche Maagd, den helm op 't hoofd met de linkerhand rustende op haar wapenschild en in de rechter de speer houdende, waarop de vrijheidshoed. Aan haar voeten lag de Nederlandsche leeuw (natuurlijk in beeld); ze was omringd door vier vrouwenbeelden, die den handel, de scheepvaart, den landbouw en de nijverheid voorstelden. Aan weerszijden van den wagen zaten zes meisjes in 't wit gekleed, met oranjesjerpen om en die op rood fluweelen kussens verschillende voorwerpen droegen. De wagen zelf, die antiek van vorm en keurig gedecoreerd was, werd door zes paarden getrokken, door twee postiljons geleid. Paarden, wagen, alles was met rijk oranje versierd. Heel spoedig hierop volgde de tweede zegewagen, voorstellende de vrije drukpers na 1813. Aan 't achtereind van dien wagen prijkten de bustes van koning Willem I, II, en III, met groen omgeven. Verder stond er 't beeld van Laurens Janszoon Koster op, een ijzeren drukpers en een letterkast, en waren de zich daarop bevindende gezellen in gewoon werkkostuum gekleed, bezig met verschillende liederen te drukken, welke zij onder 't volk uitstrooiden. Deze liederen waren: »Neerlands vrijheid," »De volksgeest," »Feestlied 1813-1863," »Drukpers, nijverheid en kunst," »~Amsterdam~ op den 16den November 1863," »Hoezee! Oranje boven!" en »16 November 1863," alle door drukkersgezellen vervaardigd. Deze wagen werd getrokken door acht paarden, door vier postiljons geleid; wagen, paarden en postiljons met de Nederlandsche kleuren versierd. Minder groot was de met zes paarden bespannen zegewagen, voorstellende den boekhandel en de boekbinderij. Deze was met rood en zwart, de stadskleuren, gedecoreerd. Een vijfde wagen stelde de litographie voor, en werd getrokken door zes paarden; waarvan de twee eerste met oranje, de twee volgende met nationale kleuren, de twee laatste met de stadskleuren getooid waren. Het voorste gedeelte van dien wagen stelde allegorisch ~Nederland~ voor, het achterste verbeeldde de steenmijnen van ~Sollinghoven~ in ~Beieren~, waarbij eenige mijnwerkers. Men zag er verder de steendrukpers in volle werking, als ook den steendrukker, slijper, teekenaar en eenige gezellen. Op den wagen werd het portret van Z. M. den koning gedrukt, hetwelk in duizende exemplaren onder 't volk werd uitgedeeld. De zes stalknechts, die de paarden geleidden, waren in 't kostuum uit de dagen van Maurits en Frederik Hendrik.

En hiermede nemen wij afscheid van den triomftocht, die rijkelijk voorzien was van muziekcorpsen, en zich op den ~Dam~ om het monument schaarde. Dat de meesten, der bij Gustaaf de Winter verzamelden den optocht meer dan eens zagen, zal ik u wel niet behoeven te zeggen; Emile had hem wel zes maal gezien; en 't was ook wel de moeite waard, om alles meer dan eens te beschouwen, vooral de tjotter en den zegewagen; kortom 't was in alle deelen een welgeslaagde optocht en hij deed ~Amsterdam~ eer aan.

Intusschen hadden de volksspelen op de drie daarvoor bestemde en geheel ingerichte plaatsen, het ~Funen~, het ~Amstelveld~ en aan de ~Zaagmolenpoort~, een aanvang genomen. Daar werden allerlei volksvermakelijkheden uitgevoerd tot groot genoegen van de toeschouwers en de werkende leden zelf; als klimmen in de groote en in de kleine mast, boegsprietloopen, wedstrijd in manden en 't loopen in zakken, terwijl na afloop tal van prijzen en premiën werden uitgedeeld; zoodat menige bewoner der achterbuurten, menige knaap uit den geringen stand met een aardig gedachtenisje naar huis ging.

En 's avonds de illuminatie--die was zoo algemeen, en over 't geheel zoo schitterend, dat niemand onvoldaan huiswaarts keerde. Gaarne zou ik er de meest uitstekende verlichtingen van beschrijven, of met u naar de ~Plantage~ gaan, waar de bedienden van 't koninklijk genootschap Natura- Artis- Magistra, als kozakken verkleed, om een ferm wachtvuur gelegerd waren, op hetwelk pannekoeken gebakken werden, hetgeen een trouwe herinnering aan 't jaar 1813 gaf;--we hebben echter geen tijd meer; want we moeten morgen weer vroeg op, om met de familie de Winter en Veldhuis met den eersten trein naar ~'s-Gravenhage~ te trekken. Daarenboven laat mevrouw de Winter (de jonge namelijk) ons niet los, voor we bij haar gesoupeerd hebben, waarbij met een lekker glas wijn tal van toosten gedronken worden, en natuurlijk ook een op koning Willem den derden.

Met blijde vooruitzichten stapten de zeven reizigers in een waggon tweede klasse, om zich naar ~Den Haag~ te laten vervoeren en aldaar wederom een feestdag bij te wonen. 't Waren kapitein de Bosson, Veldhuis, Gustaaf en Florence, Bernard en Margot, Emile en Emma. Mevrouw de Winter en juffrouw Veldhuis waren nog te vermoeid van den tocht van gisterenavond; de laatste had er op aangedrongen, dat Emma mee naar ~Den Haag~ zou gaan; _zij_ zou dien dag wel op de kinderen van Florence passen; en Gustaaf had zijn boekhouder voor dien dag de zorg over 't kantoor opgedragen; omdat zijn vrouw gaarne had, dat hij haar vergezelde, en hij wenschte, dat zijn compagnon ook zou meegaan. Deze deed dit des te liever, omdat hij een goed oogje had op juffrouw Emma, 't geen waarschijnlijk wel spoedig op een engagement zou uitloopen.

De reis per spoor, ofschoon vrij wat sneller dan vroeger per trekschuit of diligence, duurde onzen reizigers nog veel te lang; eindelijk, daar klonk de stem van den conducteur »~'s-Gravenhage~, heeren!" hun als hemelmuziek in de ooren, en spoedden zij zich naar de door August bewoonde kamers. Hem zelf vonden ze echter niet thuis; hij was reeds vroeg naar de kazerne vertrokken, omdat hij dienst had; hij had echter gezorgd, dat zijn hospita alles tot ontvangst van de gasten in gereedheid had gebracht, en een klein briefje achtergelaten, waarin hij meldde, dat hij de wacht aan den ingang der tribune zou hebben; waarom hij diegenen van 't gezelschap, welke lust hadden de eerste steenlegging van 't monument bij te wonen, uitnoodigde, om in ~'t Willemspark~ te komen, als wanneer hij hun den toegang zou verschaffen. Onder een ferm ontbijt, hetwelk onze reizigers geheel en al restaureerde, besprak men dat punt.

»Ik ga naar ~'t Willemspark~," zeide Veldhuis. »Ik wil den koning graag eens weerzien, dien ik, sedert hij met den watersnood bij ons was, niet weer aanschouwd heb. Willem de derde heeft door zijn edel gedrag bij die gelegenheid voor altijd mijn hart gestolen."

»En ik," zei Bernard, »wenschte Oosterzee wel eens te hooren, en ga dus mede; tenzij Margot liever naar de ~Maliebaan~ mocht gaan, om de volksvermakelijkheden en de fraai gedecoreerde gebouwen te zien."

»Jongens neen," zei Margot. »Ik wil ook den koning wel eens zien en Oosterzee hooren. Sedert ik uit ~Amsterdam~ ben, heb ik 't eerste genoegen niet gehad; daarenboven zoo'n eerste steenlegging moet wel aardig zijn. Jij hebt dat in ~Zutfen~ bijgewoond, Bernard; ik niet."

»Ik ga naar de ~Maliebaan~," zeide Emile. »Ik heb gehoord, dat het een geheel ander soort van volksvermakelijkheden zal zijn, dan bij ons in ~Amsterdam~. En dat wil ik gaarne eens zien. Je gaat toch met me mee, juffrouw Emma?"

»Volgaarne, mijnheer Emile," antwoordde Emma. »En wat denkt mevrouw de Winter te doen?"

»Ik ga, waar mijn man gaat," antwoordde Florence. »Wat ben jij van plan, Gustaaf?"

»Ik zat er juist over te denken, Florence," gaf hij ten antwoord, »en ben 't met mij zelf niet eens. Beslis jij dus vrouwtjelief."

»Als _ik_ zeg, dat het mij onverschillig is, dan zou de zaak hangend blijven. Nu, om u de waarheid te zeggen, wenschte ik 't liefst naar 't ~Willemspark~ te gaan."

»Aangenomen," zeide Gustaaf. »Nu, Emile, dan zul jij de firma wel in de ~Maliebaan~ representeeren."

»Dat beloof ik u," antwoordde Emile. »En ik hoop er u van middag 't een en ander van mee te deelen, mits gij mij _uw_ ervaringen vertelt."

»Voorzeker. Misschien lees ik u wel de redevoering van Oosterzee voor; ten minste, als die al te koop is."

»Och, laat dat maar voor een anderen tijd over, compagnon," zeide Emile. »Je zult die toch nooit met zooveel welsprekendheid voordragen als de Utrechtsche redenaar. Doch wil je haar koopen, ga uw gang. Ik wil haar graag eens lezen."

»Dus voor rekening van de firma?" vroeg Gustaaf lachend.

»Wel zeker, voor rekening van de firma," antwoordde Emile. »Of nog beter voor gezamenlijke kosten."

»Ferm zoo," zeide kapitein de Bosson. »'t Heele ding kost misschien twee dubbeltjes, dat is twee en een halven cent voor ieder van ons."

»'t Zal wel acht stuivers kosten," zeide Florence. »Nu, dat is tien centen voor mijn man en mij. 't Is alweer een dubbeltje voor een plaats in het doophuis. Maar soit! 't Is alle dagen niet de 17de November."

»Wat is die Florence toch een zuinige huishoudster!" riep Margot uit. »Dat berekent zelfs de dubbeltjes, die ze voor een plaats in 't doophuis geeft."

»Geen wonder," zei Florence. »Jij hebt makkelijk praten, Margot. Als vrouw van den dominé heb je een plaats in de kerk, en nog wel een gedistingueerde. Bij mij is ieder dubbeltje er een."

»Bij mij ook," antwoordde Margot. »Ofschoon ik dikwijls zou wenschen, dat ieder dubbeltje er twee was."

Alzoo was er dan bepaald, dat er zes naar 't ~Willemspark~ en twee naar de ~Maliebaan~ zouden gaan. Daar we ons, zooals de meeste menschen doen, bij de meerderheid aansluiten, gaan we dus eerst naar genoemd park, waar de tribune gebouwd is. Het middengedeelte is hooger uitgebouwd dan de beide zijvleugels, en gedekt met het ~Nederlandsche~ wapen, waarboven de koninklijke kroon; aan weerszijden twee schilden met vrouwenbeelden, wier arm rust op een hoeksteen, met de inscriptiën: »~Nederland~" en »~Oranje~." Boven de zijvleugels prijken aan beide kanten de wapens der verschillende provinciën, en daarboven wapperen nationale en oranjevlaggen. In 't midden is de loge van den koning; rechts daarvan staat het gestoelte, voor prof. Oosterzee bestemd. Vlak over de loge van Z. M. is de tribune voor de zangers en zangeressen; aan de linkerhand daarvan die voor 't muziekcorps der stedelijke schutterij, aan de rechter- die van de kapel der grenadiers. Nog zijn er op het terrein zelf drie rijen stoelen, die tusschen de zangers en den steen staan en bestemd zijn voor de overgebleven strijders van 1813. In 't midden is de steen, omringd door met oranje omstrengelde palen, waarboven een linnen dak, om, indien 't mocht gaan regenen, de plechtigheid ongestoord te doen doorgaan.

Toen echter onze zes vrienden aankwamen, waren de tribunes der muzikanten en zangers reeds bezet, en begonnen ook de andere vol te worden. Ofschoon de kapitein een toegangskaart en dus een aangewezen tribune had, vond hij het toch prettiger om bij 't gezelschap te blijven, en vergezelde hen naar de algemeene.

Daar komt de grijze prins Frederik, eere-president der hoofdcommissie voor 't monument, en wordt terstond door die commissie naar de stoelen geleid, waarop nu de oudstrijders, omstreeks 150 in getal, gezeten zijn, hij vertoeft lang onder hen. Intusschen geleidt de hoofdcommissie de afstammelingen van de groote mannen van 't jaar 1813, de Hogendorps, de van der Duins van Maasdam, de van Stirums, de Kempers, naar de voor hen bestemde loge, en prins Frederik richt tot hen een hartelijke toespraak, welke door graaf Frederik van Hogendorp beantwoord wordt. Hierop gaat de prins naar zijn loge. Daar hadden inmiddels ook zijn doorluchtige gemalin met hare dochter prinses Marie, alsmede de prins van Oranje en prins Hendrik hun plaatsen ingenomen. Eensklaps doet zich een fanfare van 't orkest hooren. In een met vier schimmels bespannen opene calèche komt het vorstelijke echtpaar; tegenover hen zit hun jongste zoon, prins Alexander. Terwijl ze de met een sierlijk tapijt bekleede trappen hunner tribune opstijgen, overstemt het: »Oranje boven!" de muziek van 't orkest. De geestdrift in ~Den Haag~ was dien dag niet minder dan ze gisteren in ~Amsterdam~ was geweest.

Den ouden Veldhuis stonden de tranen in de oogen.

»Dat doet me goed!" zei hij. »O, ze hadden koning Willem den derden eens moeten zien, zooals ik hem in den ~Bommelerwaard~ gezien heb, er zou geen eind aan hun gejuich zijn."

»Dan ben _ik_ blij dat ze er hem niet gezien hebben," zeide Florence, »want ik verlang hartelijk naar de feestcantate." Daar hief de grijze Lubeck den dirigeerstok op, en begon het koor:

»De Heer heeft groote dingen[8] Aan ~Nederland~ gedaan, Dies zijn we blijde en zingen! 't Is feest! Hef hymnen aan! O volk, hersteld in eere! Wie wendde uw treurig lot? 't Is God!--Der vaadren God! Almachtige! U zij de eere!"

[8] Woorden van C. G. Withuijs, muziek van J. H. Lubeck.

Prachtig waren niet alleen de koren, maar ook de solo's, door de dames van Heun, Borst-Hoppenbrouwers en van Deventer, de heeren Nievelt en Deckers. Dit eerste gedeelte eindigde met een koraal, waarvan het laatste couplet dus luidde:

»Neerlands bloeien doet herdenken, Hoe de dag des heils verscheen, En hun blijvende eere schenken, Die het volk zijn voorgeschreên. Maar de mannen die wij eeren, Waren tot niets groots bekwaam, Buiten U!--o Heer der Heeren! Alles in ons looft Uw naam!"

Nu trad professor J. J. van Oosterzee op het voor hem bestemde gestoelte. We zullen u uit die redevoering niets mededeelen. De keus is te moeilijk; we zouden het stuk genoegzaam geheel moeten overschrijven. Alleen het einde van het eerste gedeelte:

»In tallooze harten, o, Vorst," zei de redenaar, »rees in stilte een monument voor U op: wie verdient meer dan gij de hand te slaan ook aan dit zichtbaar gedenkteeken? De natie alleen wil het bouwen, de rijke heeft van zijn schat, de weduwe haar penningske ten offer gebracht, maar de eerste steen mag door geen andere dan door Oranjes handen worden gelegd!"

Een donderend hoezee! toonde, hoezeer 't volk met den redenaar instemde, dat geen ander dan een Oranje den eersten steen voor 't monument van ~Neerlands~ onafhankelijkheid mocht leggen. 't Was of er geen eind aan 't juichen zou komen. Doch daar hief Lubeck zijn dirigeerstok weer op, en klonk de solo schoon:

»Een drietal eedle mannen[9] zat, Voor 's aadlaars[10] blik verborgen, In Hollands oude Gravenstad[11] Te wachten naar den morgen; Daar groette, als op een tooverslag, Een nieuwe Staat den nieuwen dag."

[9] Hogendorp, van der Duijn van Maasdam en van Limburg Stirum.

[10] der Franschen.

[11] ~'s-Gravenhage~.

Hierop viel het koor in, en werd het tweede gedeelte der feestcantate gezongen. Intusschen had prins Frederik zich met de hoofdcommissie naar de koninklijke tribune begeven, bij welken stoet zich de ministers en de voorzitters van de beide Kamers der Staten-Generaal hadden aangesloten. Zoodra nu 't slotkoor was geëindigd, noodigde de prins zijn koninklijken neef uit, om ingevolge Z. M. belofte, den eersten steen te leggen tot het Nationaal gedenkteeken. Nu stond de koning op en begaf zich, gevolgd door zijn zonen en zijn broeder, alsmede prinses Marie, naar de plaats, waar de keurig versierde fondamenten van 't op te richten monument zich bevonden. Daar we reeds een dergelijke plechtigheid hebben hooren beschrijven, zal ik u alleen zeggen, dat het hier prinses Marie was, die haar koninklijken neef den troffel aanbood. Nauwelijks was ook hier de hamerslag gevallen, of 't geschutgebulder kondigde den volke aan, dat de eerste steen gelegd was van een gedenkstuk, hetwelk, zoo wij hopen, nog aan het verre nageslacht zal verkondigen, dat er in 1863 een volk leefde, krachtig genoeg door eendracht, om gelden bijeen te brengen tot een gedenkzuil voor zijn verlossing uit vreemde overheersching, en een koning, die nationaliteit genoeg bezat, om den eersten steen voor dat gedenkteeken te leggen. Want er was inderdaad in die dagen wel energie noodig, om hier te lande feest te vieren van de verlossing der Fransche dwingelandij; terwijl daar in ~Frankrijk~ een Napoleon III op den troon zat, die toen nog ~Europa's~ vorsten deed sidderen voor zijn toorn[12].

[12] Ofschoon er geen bepaalde demonstratiën tegen ~Frankrijk~ zijn voorgevallen, hoorde men 's avonds bij de illuminatie in ~Amsterdam~ 't volk, behalve Vaderlandsche liederen, zingen: »Weg met Napoleon, leve Willem drie!"

Nauwelijks was het eerste schot gehoord, of daar hieven de leerlingen der nationale zangschool het geliefde volkslied aan, en.... alsof een electrieke vonk door die duizenden gevaren was, allen stemden mee »het God gevallig feestlied in voor Vaderland en Vorst." Plechtig klonk dat daar in de opene lucht, uit den mond van een geheel volk; want uit alle oorden des lands waren er saamgekomen, om de plechtigheid bij te wonen van de stichting eener gedenkzuil, waartoe allen van 't hunne hadden bijgedragen. En dat gezang, 't overstemde de tonen van 't geschut, en een vriendelijke Novemberzon scheen op dat in geestdrift ontstoken volk, en vermeerderde, kon 't zijn, die geestdrift nog. O, 't was een plechtig oogenblik, lieve lezeressen en lezers! Ook de koning gevoelde dat, toen hij zijn vorstelijken oom om den hals viel, als wilde hij hem danken voor het schoone oogenblik, hem door den president der commissie bereid; dat gevoelde ook de grijze prins, toen hij, op de tribune teruggekomen, zijn vorstelijke gemalin, die hem, tot schreiens toe bewogen, de hand drukte, aan zijn borst klemde.

De laatste tonen van 't lied waren nauwelijks weggestorven op de vleugelen van den wind, toen zich weer de welbespraakte mond van den Utrechtschen hoogleeraar deed hooren. En nadat daarop het slot der feestcantate was gezongen, hief andermaal al 't verzamelde volk aan:

»Wilhelmus van Nassauwen Stichtte ons Gemeenebest, Wilhelmus van Nassauwen Heeft Neerlands troon gevest, Wilhelmus van Nassauwen Regeert ons, hoog geloofd: Wilhelmus van Nassauwen Zij eeuwig Neerlands hoofd!"

Nu werden door prins Frederik de feestredenaar, de dichter en de componist aan Z. M. en de geheele koninklijke familie voorgesteld. »Die compositie was u uit het hart gekomen, mijnheer Lubeck," zeide de koning en dat was inderdaad een hooge lof uit den mond van hem, die zelf zulk een gelukkig beoefenaar der muziek is.

Thans defileerden vóór de koninklijke tribune, van de zijde der Willemskerk komende, de kinderen der weeshuizen. Op hen volgde de feesttrein der werklieden, en hield de heer van Coeverden, medechef van de firma de Wed. A. Sterkman en Zoon, een aanspraak tot den koning, waarin hij deed uitkomen, dat ook de werklieden, ofschoon nederige burgers, zich met hen, die in hoog aanzien zijn geplaatst, volkomen gelijk stellen wanneer het de liefde geldt voor Vaderland en Koning. Nu zongen de werklieden uit de fabriek van de heeren van Kempen en Zoon, te ~Voorschoten~, Psalm 134, vers 3:

»Dat 's Heeren zegen op u daal! Zijn gunst uit ~Sion~ u bestraal! Hij schiep 't heelal Zijn naam ter eer, Looft, looft nu aller Heeren Heer!"

Intusschen drukte de lithograaf van den heer Lankhout, op zijn met groen en oranje versierden wagen, 't portret van den koning op oranjepapier, en verspreidde die platen onder 't volk. Toen deze wagen vóór de koninklijke tribune stilhield, verlangden ook H. M. de koningin en prins Alexander daarvan een afdruk. Nu defileerden voorbij de koninklijke tribune: de Haagsche schutterij, de grenadiers en jagers en de dragonders, en was de plechtigheid afgeloopen, een plechtigheid zoo indrukwekkend, dat onze vrienden uit ~Amsterdam~ onuitwischbaar in 't geheugen bleef.

»Hoe komen we nog door die menigte heen!" zeide de oude Veldhuis.

»O, daar weten wij Amsterdammers niet van, oom," zeide Gustaaf. »We zijn niet bang voor een beetje gedrang."

't Was dan ook werkelijk een gedrang. De paarden der vorstelijke rijtuigen moesten stapvoets rijden, en nog konden ze zich ter nauwernood een weg banen door de steeds juichende menigte, die 't niet moe scheen te worden »Oranje boven! leve de koning!" te roepen. Nog vóór echter de koning in zijn rijtuig was gestegen, had hij tot prins Frederik en al het volk met zijn krachtige stem voor de vuist de volgende woorden gesproken:

»Mijn hart gevoelt de diepste erkentelijkheid. Ik ben ten diepste getroffen over hetgeen ik gezien en gehoord heb. Wanneer Ik dàt zeg, dan geloof ik de tolk te zijn van de gevoelens van al de prinsen en de prinsessen uit het Huis van Oranje.