Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874
Part 7
Bij den minister van Binnenlandsche Zaken werd alleen uit ~Nederland~ en zijn overzeesche bezittingen de som van f 253,583.86, van buiten'slands f 304,439.69 ontvangen; terwijl de collectie van den 19den Februari f 774,774.28 en een later gehouden algemeene verloting van voorwerpen van kunst en smaak (alle geschenken van de inzenders) f 191,034.14 opbracht; zoodat de totale opbrengst meer dan anderhalf millioen (1,523,831.97) bedroeg. Hoe kon 't anders bij een volk, welks koning zulk een voorbeeld had gegeven? Wat het den koning zelf gekost heeft, is ontzaglijk. Toch heeft hij, nog meer dan door dat geld, zich een naam gesticht in de harten der dankbare natie door zijn bezoek aan de overstroomde gewesten, en zal de naam van Willem den derden daar steeds in dankbare herinnering blijven.
En spreken wij van menschenliefde, dan voorzeker mogen wij ook hen niet vergeten, die hun eigen leven waagden, om dat hunner medemenschen te redden. Een voorbeeld onder vele. Drie schippers, Cornelis, Dirk en Jan van de Weerd waren de eersten, die zich omstreeks acht ure in den morgen van den 30sten Januari, dus zoo wat anderhalf uur nadat de dijkbreuk was ontstaan, door den burgemeester van ~Whamel~, den heer Kolfschoten, lieten bewegen, om met genoemden burgemeester op redding van menschen uit te gaan. Dat voorbeeld werkte; Hendrik van Kessel en Andries Adams volgden met een tweede schuit; Hol en Brouwer met een derde. De drie schuiten voegden zich bij elkander en waren na twee uren een heel eind in den polder gekomen. Daar kwam op eens zulk een geweldige strooming, dat de schuit van Kessel en Adams, waarin de burgemeester was overgegaan, zijwaarts afdreef en met ontzaglijk veel krachtsinspanning aan het bosch van den Hoogen kamp aanlandde, vanwaar ze trachtten naar den dijk te geraken; 't geen hun belet werd door het ijs, dat hen van rondsomme insloot. De burgemeester, niet zoo gewoon aan wind en weer als de flinke varensgezellen, kon 't niet langer uithouden van de strenge koude. Andries Adams kon dat niet kalm aanzien; hij stapte uit de schuit, nam den half verkleumden burgervader op de schouders en bracht hem, na een vreeselijke worsteling van tien minuten tegen het ijs en het water, waarin hij tot aan den buik ging, behouden aan den dijk. De andere booten keerden eenigen tijd later met zestien geredden terug, menschen, die zonder hen een wisse prooi van den dood zouden zijn geworden.
Maar de edele redders hadden nog niet genoeg gedaan. Andermaal gaan Jan en Cornelis van de Weerd met Evert Kessel in een schuit den plas op. Daar zien ze een vrouw met vier kinderen op een ellendige stroowisch. 't Was de vrouw van Nicolaas Elsen met haar vier kinderen. Met haar man en hun gezin en nog dertig andere menschen waren zij op het dak hunner woning gevlucht. De woning was ingestort, de vader met de anderen waren door den vloed weggesleept; zij met haar kinderen bleven op een stukje riet of stroo, ter grootte van ongeveer vier vierkante ellen, drijven. Achtereenvolgens zag ze al haar buren en vrienden verdrinken, ja zij zelf was reeds ten halvenlijve door het dak gezakt. Daar komt de schuit met de drie wakkere mannen aan, regelrecht op haar toe. Maar de schippers, die reeds anderen gered hebben, kunnen er ternauwernood twee van de vijf bergen. Dat geeft een edele wedstrijd: de moeder wil niet gaan zonder haar kinderen, de kinderen niet zonder hun moeder. Doch er is geen tijd tot beraad. De moeder verkeert in 't grootste gevaar; half met geweld maken ze zich van haar meester en trekken haar met een harer kinderen in 't schuitje. Toen ze haar aan wal gebracht hebben, keeren ze om de andere drie kinderen terug en--brengen ze in de armen hunner moeder, die daarenboven 't geluk heeft, den volgenden dag ook haar man gezond en wel terug te zien.
Ziedaar een enkel voorbeeld uit honderde. 't Is genoeg, om u te verheugen, dat er in dergelijke rampen altijd menschen in overvloed zijn, die 't beeld van God niet verloren hebben, waar 't aankomt om hun menschenliefde te toonen en anderen te redden en te behouden.
En thans--genoeg van den watervloed. Als we dominé Veldhuis spraken, zou hij zeggen:
»Daar is in dat jaar veel geleden en veel vergoed. Maar we moeten ons ook herinneren, dat hetzelfde jaar 1861 voor Gelderland in gezegend aandenken wordt gehouden; daar den 21sten October van dat zelfde jaar door Z. M. den koning de eerste steen werd gelegd van de eerste spoorwegbrug, en wel over den IJsel, te ~Zutfen~."
»Alweer de koning?" vraagt ge. Welzeker, alweer koning Willem de derde. Waar nood was, wist hij te helpen; waar een goede zaak, weldaad voor 't land, in 't spel was, wist hij die door zijn tegenwoordigheid en medewerking op te luisteren.
We willen ditmaal onze lezeressen en lezers zelf niet naar ~Zutfen~ voeren; maar hun liever een brief mededeelen, op den namiddag van het feest door Bernard aan Gustaaf geschreven. Waarschijnlijk zullen ze uit dien brief bemerken, dat de familie van Veldhuis en die van de Bosson vermeerderd is, en misschien knorren ze op mij, dat ik hun daarvan op zijn tijd geen mededeeling heb gedaan. 't Is mijn schuld niet; dan hadden ze eenvoudig maar de Oprechte Haarlemmercourant moeten lezen; daar zouden ze beide advertenties hebben gevonden.
Thans echter wil ik hun den door mij genoemden brief van dominé Veldhuis mededeelen. Deze luidt als volgt:
Zutphen, den 22en October 1861.
»Gustaaf!
»De dag van heden was voor deze stad een ware feestdag; doch niet alleen voor ~Zutphen~, maar voor 't geheele land. Het spoorwegnet bestaat thans niet alleen meer in de verbeelding, niet alleen meer op 't papier--de eerste steen is gelegd van 't gebouw, dat ~Nederland~ zal doen concurreeren met andere natiën. Ik ben gisteren naar ~Zutphen~ gereden--Margot durfde niet, om onzen kleinen Ernst; anders ware ze zeker meegegaan.
Ge weet, dat onze goede koning zelf zijn voornemen had te kennen gegeven, om den eersten steen te leggen van de spoorwegbrug over den IJsel, en zoo te toonen, hoeveel belang hij er in stelt, dat ook de Noordelijke provinciën het voorrecht zullen smaken, hetwelk een versnelde communicatie geeft. Reeds gisteren wapperde de driekleur van ~Zutphens~ toren, waren er aan de IJselkade tribunes opgericht en stonden van den overkant van de rivier een eereboog en groene tropeën te prijken. Verschillende ministers en andere aanzienlijken kwamen in de stad aan, die zelf zoo geheel en al feestelijk getooid was en waarin een drukte heerschte, welke der stille veste anders vreemd is. Ook Jan, bij wien ik logeerde, had zijn huis vol logés. Doch laat mij nu tot het verhaal van de plechtigheid van den dag overgaan.
Om twaalf ure kondigde een algemeene geestdrift de komst van Z. M. aan, die met zijn gevolg door de commissie voor de Staatsspoorwegen aan de brug ontvangen en onder fanfares naar de smaakvol ingerichte tribune geleid werd. Hierop hield de minister van Binnenlandsche Zaken, baron van Heemstra, een redevoering tot Z. M., waarin hij te kennen gaf, van hoe hooge waarde de spoorwegen voor ~Nederland~, een land van handel, nijverheid en landbouw waren, en hoe de natie met geestdrift had vernomen, dat de koning in persoon den eersten steen tot het groote gebouw wilde leggen, omdat Z. M. daarvan de diepe beteekenis gevoelde. De natie was dankbaar aan zijn Vorst, die zelf het groote werk wilde inwijden, en wenschte vurig dat het hem vergund moge zijn, de voltooiing daarvan en de ontwikkeling des lands te aanschouwen. Hierop begon de plechtigheid: de koning stond van zijn zitplaats op en begaf zich naar den pijler, waar de president der commissie het proces-verbaal van de handeling voorlas, dat, met sierlijk gekleurde letters op perkament geschreven, van de zaak zelf en de personen, die er deel aan namen, melding maakt. Z. M. onderteekende dit stuk: dezelfde hand, die 't vorige jaar de spoorwegwet bekrachtigde, vereeuwigde thans voor de nakomelingschap de eerste uitvoering daarvan. Hierop rolde de president het perkament op, en deed de koning het in een looden bus, hem tot dat einde overhandigd. Nadat Z. M. in dezelfde bus een exemplaar van alle munten van den Staat had geworpen, werd zij door den opzichter Springer gesoldeerd. Nu legde Z. M. de bus in een steen, waarop gebeiteld stond: »Koning Willem de derde heeft van deze brug den eersten steen gelegd en daarmede den aanleg van staatsspoorwegen in Zijn rijk ingewijd." Hierop trad de dochter van den burgemeester, de gravin van Limburg Stirum, nader en bood, met een treffende toespraak, den Vorst den troffel aan. Aan de linkerzijde van den koning stond de ingenieur Waldorp met den kalkbak. Op een wenk zakte de steen langzaam en statig naar beneden. Hierop bood de ingenieur Reuvens den koning den hamer aan; allen vormden een kring om den Vorst, die nu een slag op den steen gaf--en de eerste steen was gelegd.
Op 't zelfde oogenblik hief de muziek het Volkslied aan, de klokken begonnen te spelen, en het donderen van 't geschut verkondigde aan de omliggende plaatsen, wat er geschied was: terwijl de geestdrift van 't volk zich in een luid: »Hoezee! leve de koning!" openbaarde.
Toen de koning de tribune verliet, zongen de jongens van Mettray eenige door den heer Heije vervaardigde coupletten, waarvan vooral mij het volgende zeer interesseerde. Het luidt aldus:
»Wat ge dezen winter dee, Koning, hebben we óok vernomen, En nu ziet ons heel Mettray, Hoe ge 't stoompaard van de vree Een weg baant over de IJselstroomen. Dubbele dwinger van den vloed, God zij met u--wat Ge doet."
Nadat de Vorst in de groote Societeit een déjeuner had gebruikt, verliet hij ~Zutphen~, om zich met zijn gevolg naar ~'t Loo~ te begeven, alwaar van middag groot diner zal zijn, tot hetwelk verschillende hooge personen, o. a. de voorzitters van de beide Kamers der Staten-Generaal zijn genoodigd.
De koning is vertrokken; maar de feestvreugde blijft aanhouden, en we zullen van avond een prachtige illuminatie hebben. De stadswaag o. a. zal met gas worden geïllumineerd. Ook de prachtige eereboog zal fraai verlicht zijn. 't Is hier dan ook vreeselijk druk. Volgens een matige berekening zijn er 5 à 6000 vreemdelingen in de stad. Alle kamers en logementen zijn van den dag van gisteren tot morgenavond besproken. Binnen een rayon van zes uren gaans waren er reeds gisteren geen rijtuigen meer te krijgen. Ik behoef u dus niet te zeggen, hoe vol het overal is. Gelukkig, dat ik een goed onderkomen heb. En nu, te midden der feestvreugde heb ik aan u geschreven; 't zij voor ditmaal voldoende. Mijn groeten aan Florence, veel kussen aan de kleine Marie.
Ik ben als altijd
Uw toegenegen broeder Bernard.
PS. Juist wilde ik mijn brief in 't couvert doen, toen Jan mij nog de volgende bijzonderheid mededeelde, welke ook gij zeker niet onaardig zult vinden. De stoel, waarop Z. M. op de tribune zat, was die, welke zijn doorluchtige voorouderen bij hun bezoeken te ~Zutphen~ gebruikten, namelijk de zoogenoemde »stadhouderlijke stoel." Op dezen stoel zat Willem IV den 9 October 1750, toen hij op de landschapsvergadering te ~Zutphen~ tegenwoordig was, en waarschijnlijk ook Willem de vijfde, bij zijn bezoek in die stad, 18 Augustus 1766."
De brief van Bernard Veldhuis heeft ons genoegzaam op de hoogte gebracht van de geheele plechtigheid. Ik behoef er dus niets meer bij te voegen. Alleen kan ik niet nalaten, u de woorden mede te deelen door koning Willem den derden in antwoord op de toespraak van den burgemeester der stad ~Zwolle~ gesproken, en die zeker merkwaardig zijn en wel aan de vergetelheid mogen ontrukt worden.
»Het verheugt mij," zeide Zijne Majesteit, »den eersten steen te hebben mogen leggen van het groote werk, dat voor ~Nederland~ van zooveel belang zal zijn. Het verheugt mij dubbel, dat Ik, die reeds als kroonprins en beschermheer der Koninklijke Academie te ~Delft~, een warm voorstander was van het spoorwegnet, hetwelk thans door de wet ten uitvoer zal worden gebracht, het voorrecht geniet dien steen te hebben gelegd."
Welk een edel Vorst, die niet alleen het welzijn van zijn onderdanen ter harte neemt, wanneer hun rampen treffen, hetgeen alleen het uitvloeisel van een liefderijk, medelijdend gemoed kon zijn; maar ook met krachtige hand medewerkt aan hun welwezen, waar 't er op aankomt, handel, nijverheid en landbouw te bevorderen. Gelukkig het volk, dat zich in zulk een koning mag verheugen!
ZESDE HOOFDSTUK.
Het feest van Neerlands herstelling.
Dat was een drukte in ~Amsterdam~ op den 16en November 1863, het feest van ~Nederlands~ herstelling, na de Fransche heerschappij. Bijna geen huis, of 't was vol logés, die overgekomen waren om de feesten bij te wonen. Want al waren die feesten reeds Zondag begonnen (toen was die herdenking kerkelijk gevierd); Maandag den zestienden zouden ze eigenlijk eerst aanvangen. 't Zou een rechte feestdag zijn voor ~Amsterdams~ ingezetenen.
Ook onze oude vrienden hadden hun deel aan logeergasten. We willen daartoe eerst eens de woning van mevrouw de Winter op de ~Heeregracht~ binnentreden. We vinden haar met kapitein de Bosson en haar gezelschapsjuffrouw, Emma Kellner, op Zaterdag, den 14en November aan 't ontbijt zitten. Ze ziet er nog frisch en gezond uit, al heeft ze haar vierenvijftigste jaar reeds achter den rug, die goede mevrouw de Winter; ook de kapitein, ondanks zijn zesenvijftig jaren en zijn grijzen knevel, doet ons zien, dat hij niet veel verdriet in de wereld heeft, en juffrouw Kellner, die we nog niet ontmoet hebben, en die daar een lieve en hooggeschatte huisgenoot is, draagt haar tweeëntwintig jaren ook met eere.
»Zoodat nu alles klaar is, lieve Emma," zegt mevrouw de Winter: »het ledikant voor Margot en haar man, het kleine ledikantje voor Ernst en Frédérique, en de wieg voor Marietje!"
»Alles in orde, mevrouw," antwoordt juffrouw Kellner. »'t Is wel wat vol op de logeerkamer; maar de dominé en zijn gezin zullen er zich toch goed in kunnen roeren."
»Uw huis zal veel van een kazerne weghebben, Frédérique," zegt de kapitein. »'t Is jammer, dat je zwager Veldhuis met zuster Marie ook nog niet te logeeren genomen hebt."
»O, wat dat aangaat, Henri," antwoordt mevrouw de Winter. »Als Gustaaf niet gepresenteerd had, om ze bij zich aan huis te hebben, dan zouden we er ook plaats voor gevonden hebben, niet waar Emma?"
»Voorzeker, mevrouw. Dan had ik eenvoudig mijn kamer geruimd, en zou wel een plaatsje op zolder hebben gezocht, om voor een nacht of wat te slapen."
»Op zolder!" riep de kapitein lachend uit. »Onze Emma heeft zeker aan den watersnood van voor twee jaren gedacht. Dan zoudt ge 't veiligst op zolder zijn, niet waar?"
»Waarom niet, kapitein?" antwoordde Emma. »Iemands gedachten zijn immers tolvrij. Doch van iets anders gesproken, mevrouw. Zou ik Betje niet naar den sleeper zenden, om de vigilante te bestellen, waarmee u de gasten van 't station wilt afhalen?"
»Eén vigilante, Frédérique?" vroeg kapitein de Bosson. »Laat Betje naar Koens gaan, en vragen, of hij ons geen heelen omnibus kan verhuren. Dan ga ik ook mee, om de karavaan die uit het Oosten komt, af te halen. Vijf personen, en gij zijt de zesde, in één vigilante! De sleeper mag er ten minste wel twee paarden voorspannen!"
»'t Zijn er ook personen naar!" riep mevrouw de Winter uit. »Als je meegaan wilt, Henri, is er nog plaats genoeg. Dan moogt gij de kleine Marie op den schoot nemen."
»Op gevaar van een paar natte knieën; ik dank u, Frédérique. Laat Margot haar eenjarig dochtertje zelf op den schoot houden, dan neemt gij uw tweejarig petekindje Frédérique, en dan mag dominé Bernard voor zijn wilden driejarigen Ernst zorgen."
»Ei, ei! Zoudt ge er zoo gemakkelijk af willen komen, Henri!" vroeg mevrouw de Winter. »Voor niemendal meerijden, en er niets voor doen! Neen man, dan blijf je maar stilletjes thuis."
»O, ik ben in 't geheel niet verlegen om uw vigilante, Frédérique. Weet je, wat ik doe. Ik rijd op mijn eigen kosten met Florence naar 't station--Gustaaf heeft er geen tijd toe, daar hij het te druk op 't kantoor heeft--en dan haal ik Ernst en Marie af."
»En dan moeten Marietje en Henri natuurlijk ook mee. En dan zal grootvader zijn eenjarig petekind wel op den schoot nemen, ook met gevaar van natte knieën te krijgen!" schertste mevrouw de Winter.
»Natuurlijk zal Florence de kinderen graag meenemen," zeide de kapitein. »Dus Emma, wees zoo goed, om aan Betje te zeggen, dat ze twee vigilanten bestelt: een voor mijn zuster en één voor mij."
»Toch zeker voor u een met twee paarden, kapitein?" vroeg Emma schertsend.
»Of een omnibus van Koens?" voegde mevrouw de Winter er bij. »Want dan zijn 't vier volwassen personen en twee kinderen."
»Een tegen twee gaat niet," zeide de kapitein lachend. »Vooral als die twee dames zijn, en de andere zoo'n afgeleefde veteraan als ik."
»Een afgeleefde veteraan!" riep Emma lachend uit. »Kapitein, ge ziet er nog zoo jong uit, dat ik alle dagen bang ben, u met uw aanstaande thuis te zullen zien komen."
Zoo schertsen die goede menschen voort, en we hebben uit hun gesprek al zoo wat gemerkt, wat er in den tijd, sedert we ze voor 't laatst zagen, en dat is nu drie en een half jaar geleden, voorgevallen is. Ten aanzien van des kapiteins zoons moet ik u nog mededeelen, dat de vierentwintigjarige August op dit tijdstip eerste luitenant bij de grenadiers, en diens een jaar jongere broeder deelgenoot in de zaak van Gustaaf is, welke zaak tegenwoordig onder de firma van de Winter en Co. gedreven wordt. Dat er een heele drukte aan 't huis van mevrouw de Winter zou zijn door de overkomst van dominé Veldhuis met zijn vrouw en drie kinderen, behoef ik u wel niet te zeggen. Grootmama zag daar echter volstrekt niet tegen op; daarenboven had ze een trouwe hulp aan haar gezelschapsjuffrouw, Emma Kellner. Bij Gustaaf zouden het de oude lui Veldhuis zeker wel zoo druk niet maken; toch gaf het Florence natuurlijk veel bemoeiing.
Nog bestond er een plan, dat echter voor een gedeelte van de beslissing der logés zou afhangen. Op Dinsdag namelijk zou kapitein de Bosson met Gustaaf en Florence naar ~Den Haag~ gaan, om ook daar het feest van ~Nederlands~ herstelling bij te wonen; nu hoopten ze Veldhuis en zijn vrouw en Bernard en Margot over te halen, hen te vergezellen. Mevrouw de Winter zou dien dag wel op Margot's kleinen passen, en juffrouw Kellner zou bij Gustaaf aan huis komen, om daar voor de kinderen te zorgen. Dat was een plan van den kapitein, en als 't niet werd goedgekeurd, zou 't hem zeker uit zijn humeur brengen. Men zou met retour met den eersten trein vertrekken, en 's avonds met den laatsten terugkeeren; dan kon men nog best de illuminatie zien--zeide hij. Hij had dienaangaande reeds aan August geschreven, en hem aangemaand, om te zorgen, dat ten minste een paar van hen op de tribune konden komen, om 't leggen van den eersten steen van 't monument bij te wonen.
En nu laten we den kapitein en zijn zuster de gasten afhalen, we laten hen komen, in ~Amsterdam~ vertoeven, en willen eens zien, wat er op Maandag den 16en November in de hoofdstad te doen was; om daarna onze goede vrienden voor een dag naar ~Den Haag~ te vergezellen.
Geheel de hoofdstad had een feestelijk aanzien. De straten waren schier verduisterd door de menigte van vlaggen; groen en festoenen, prachtige decoratiën in sommige winkels, eerebogen, chassinetten, alles toonde aan, dat ~Amsterdam~ feest zou vieren, en de nationale kleuren, met Oranje doorweven, welke ieder zonder onderscheid van rang of kunne op den hoed of op de borst droeg, gaven den aard van 't feest aan: 't zou er een zijn, waarbij ~Nederland~ niet alleen de herkrijging zijner onafhankelijkheid, maar ook de herstelling van 't geliefde stamhuis zou herdenken. Daarom ook waren al de vlaggen versierd met oranjewimpels; niemand toch kwam het in de gedachten, ~Oranje~ van ~Nederland~ te scheiden; integendeel elk burger van ons koninkrijk gevoelde het, dat onze vaderen met Oranje hun onafhankelijkheid hadden bevochten, en dat die onafhankelijkheid alleen door 't Huis van Oranje duurzaam was geweest.
Den Zondag te voren was de gedenkwaardige dag in de verschillende kerken van ~Amsterdam~ plechtig herdacht, en had de burgemeester den koning een telegram gezonden, inhoudende gelukwensching van de hoofdstad des Rijks op den huidigen feestdag. Per telegraaf had Z. M. daarop geantwoord, dat hij hoogen prijs stelde op de gevoelens, daarin door den burgemeester namens zijn stad uitgedrukt. Des namiddags om drie ure had er een treffende plechtigheid plaats op de nieuwe brug. Barend Ponstijn, die daar vijftig jaren geleden met de vlag om zijn middel gewonden gekomen was en haar op dezelfde plek en op 't zelfde uur geplant had, kwam nu, vergezeld van de personen, die destijds bij hem geweest waren. Reeds wachtte er hem de burgemeester, die zich vriendelijk met hem en zijn kameraden onderhield. Zoodra nu 't speelwerk van de Oude kerk het uur van drieën aankondigde, haalde Ponstijn, als weleer, de vlag onder zijn bovenkleederen vandaan, en heesch die, onder het daverend gejuich der tallooze aldaar verzamelde menigte. Daarop hield de burgemeester een korte, maar gepaste toespraak tot den waardigen grijsaard, die dezen dag had mogen beleven.
We zullen de verschillende decoratiën niet beschrijven; alleen willen we vermelden, dat de burgemeester der hoofdstad een aangename verrassing had ondervonden. Immers, toen hij dien morgen wakker was geworden, zag hij, dat de voorgevel van zijn huis prachtig was gedecoreerd. Dat was in den afgeloopen nacht gedaan door de leden van 't genootschap »Hooger zij ons doel." In die versiering had men het volgende vierregelige versje aangebracht:
»Heel de Amstelstad mag 't feest der vrijheid vieren, Zoo heuglijk voor ons dierbaar koninkrijk; Ons zij 't vergund, uw woning op te sieren, Der dankbaarheid van Amsterdam ten blijk!"
Maar we spreken van den Zondag te voren. Reeds in de vorige week was de bevolking feestelijk gestemd, getuige verscheidene optochten bij fakkellicht, waarbij die van de Kattenburgers en Willemstraters merkwaardig zijn, omdat ze den goeden geest aanduiden, welke in die dagen de bevolking van ~Amsterdam~ bezielde. Immers de bewoners van beide van elkander verwijderde buurten, menschen uit de heffe des volks, brachten elkaar wederkeerig een bezoek en een contravisite.