Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874

Part 6

Chapter 63,920 wordsPublic domain

~Tiel~ is in gevaar. Reeds is er een stuk van de borstwering der wallen door 't ijs weggesneden. Reeds stroomt het water in de stad. Ook de ~Betuwe~ is in geen minderen perijkel. Daar begint het water om zes uur in den morgen eensklaps te dalen. Maar 't angstig gelui der noodklokken aan den overkant verkondigt de oorzaak van die daling. Een vreeselijke doorbraak bij het dorp ~Leeuwen~, op ongeveer een uur afstands boven ~Whamel~ gelegen, doet het opgezette water met zijn ijsschotsen in den ~Tielerwaard~ stroomen. De ~Betuwe~ was gered, ten koste van den vruchtbaren ~Tielerwaard~. Onder aanhoudend aanwassen was het water al hooger en hooger gestegen, spoedig was het boven noodpeil. De ijsmassa's staken heele stukken van den dijk af: geen menschelijke macht was berekend tegen Gods elementen. Twaalf huizen worden door den brullenden stroom meegesleept; tal van menschen reddeloos door hem weggevoerd. Hun angstgeschrei klinkt boven 't geweld van het water; niemand kan hen helpen. Een nieuwe doorbraak bij ~Whamel~ verhaast slechts den spoed, waarmede het water in den ongelukkigen ~Waard~ stroomt. Huizen storten in puin, hutten worden meegesleept. Daar staat het huis van Nikkels. Bij alle vorige vloeden of gevaar voor overstrooming heeft het zich goedgehouden en was het een toevlucht voor vluchtelingen. Daar dicht bij is het huis van Van Beek. 't Gezin verkeert in den doodelijksten angst. Er wordt geklopt. Een doodsbleek man met verwilderde haren komt binnen. 't Is Marcelis van der Veen. Hij vraagt naar een zijner kinderen. 't Is bij zijn vlucht naar den dijk achtergebleven en zou hier een schuilplaats gezocht hebben. Het kind is er niet. Dan terug om zijn kind te zoeken. 't Is te laat! Daar is geen tijd meer, arme vader! 't Water dringt in huis. »Naar boven!" roept Verbeek. Ook daar is men niet veilig. »Dan maar naar het dak!" Doch ook dat is geen schuilplaats. Een geweldige ijsschots scheurt het achterdak weg, waarop vrouw Verbeek met haar jongste kind, haar dochtertje, Johanna of Hanneke, en Marcelis van der Veen zich bevinden. Vrouw Verbeek met haar zuigeling wordt in de grondelooze diepte bedolven. Marcelis en de kleine Hanneke drijven, in 't gezicht van den wanhopigen vader, de woeste zee in. Jammerend klemmen zich de drie overgebleven kinderen vast aan hun vader, die zich met hen en een dienstbode op het voordak bevindt. Een oogenblik later stort ook het voorhuis in; zich aan elkander vastklemmende worden de ongelukkigen door den stroom medegevoerd. Goddank! daar drijven ze tegen 't huis van Nikkels aan. Ze worden er in opgenomen en rekenen zich behouden. Doch ook dat huis begint te waggelen. »Naar de schuur!" gillen allen, en in doodsangst ijlen ze derwaarts. 't Stevige huis, dat zooveel stormen en vloeden getrotseerd heeft, valt voor de oogen der ongelukkigen, die het dak der schuur beklommen hebben, in puin. Nog eenige pijnlijke, angstige oogenblikken. Daar scheurt ook het dak der schuur in vieren; meer dan vijftig wanhopige menschen die er hun redding hebben gezocht, worden met hen, die op den hooizolder zitten, door den vloed meegesleept en verzwolgen! Een tijdlang drijft Verbeek met zijn drie oudste kinderen op den vloed rond; hij ziet ze alle drie in de diepte verzinken--hij is het laatste slachtoffer van de vier. En Marcelis van der Veen en de achtjarige Hanneke? vraagt gij. Ik zal 't u vertellen. Toen ze nog op het dak zaten, had Verbeek het lieve kind, dat van koude rilde, zijn jas toegeworpen, om zich daar mede te dekken. Onder angstig gekerm klemt het arme Hanneke zich dichter tegen Marcelis aan. Pijlsnel vliegen ze op hun broos vaartuig tusschen bergen van ijs, vernielde gebouwen en ontwortelde boomen. Het dak blijft hen houden. Daar komen zij aan eenige nog staande boomen. Met reuzenkracht wordt het dak daar tegenaangeslingerd en scheurt in tweeën. Van der Veen klemt zich in zijn doodsangst aan de takken vast. »Ach! Celis!" roept het arme kind. »Laat mij niet alleen, houd me toch bij u!" Hij doet een poging om haar te grijpen--onmogelijk! Het stuk dak waarop het kind zit, is reeds te ver weggedreven; 't bestaat uit hoogstens drie vierkante ellen.

Zes dagen later, op den middag van den 7en Februari, vaart een ranke boot uit ~Puifdijk~ naar een in 't veld gelegen woning om te zien wat er gered kan worden. Daar valt de roeiers een blauw pakje in 't oog, dat op 't water drijft, ze weten niet, of 't een kleedingstuk of misschien een drenkeling is. Toch sturen zij er hun boot heen. Eensklaps komt er beweging in het pakje; een kind rijst er uit omhoog. 't Is Hanneke Verbeek, die, voor zoover haar krachten 't haar toelaten, hoofd en bovenlijf omhoogbeurt. Spoedig is men bij haar. Een der mannen wil voorzichtig den eenen voet op het stukje dak zetten; Hanneke komt hem voor. Eerst reikt zij hem haars vaders jas toe, aan welker beschutting en verwarming zij haar leven te danken heeft, het eenige wat haar van den man is overgebleven, die nog in zijn laatste ure zoo liefderijk voor zijn kind gezorgd had, toen laat zij zich in de boot tillen. »Heb je geen honger, kind?" vraagt een der mannen die in de boot zijn.--»Ja, vader," antwoordt het vaderlooze kind, de eenige overgeblevene van een huisgezin van acht personen.

Volgens haar verhaal, had ze den meesten tijd slapend doorgebracht; tegen den avond, als 't haar tusschen die ontzaglijke ijsbrokken zoo angstig werd, verborg zij zich in haars vaders jas en viel dan spoedig in slaap; ook des daags wikkelde zij zich warmpjes in dien jas. En als er een ijsschol of ander voorwerp haar stuk dak bedreigde, hield ze de handjes voor de oogen, om 't gevaar niet te zien, waaraan ze was blootgesteld. Al den tijd dien ze op den vloed had doorgebracht, had ze niets gegeten; slechts met een stukje ijs, nu en dan in den mond genomen, haar dorst gelescht; ze had van tijd tot tijd lekkere appelen zien voorbijdrijven, waarvan ze zooveel hield, maar er de handjes niet naar uitgestrekt, dewijl ze bang was, dat ze in 't water zou vallen.

Met het huis van Nikkels waren ook de kuiper Piek en zijn gezin een prooi der golven geworden. Hij had met vrouw en vijf kinderen een schuilplaats gezocht op den zolder van Nikkels' schuur.

En Marcelis van der Veen? Twee malen moest hij, na zijn scheiding van Hanneke, van boom verwisselen. Zeven uren hing hij aan den laatsten; toen werd hij, uitgeput naar ziel en lichaam, door eenige schippers van ~Druten~ gevonden.

De geheele ~Tielsche waard~, die met het stedeke ~Batenburg~ twintig dorpen, benevens vele buurtschappen en gehuchten telt, werd een prooi van het woedende water. Van ~Whamel~ af zag men niets dan een onafzienbaren waterplas, waarboven hier en daar een enkel dak uitstak. Te ~Alphen~ stroomde het water op sommige plaatsen een el hoog over den Maasdijk. Omstreeks tachtig menschen, die hun toevlucht op de zolders hunner woningen gezocht hadden, verkeerden te ~Ammerzoden~ in doodsgevaar. Ook een grijsaard van zesennegentig jaren, Roekof van Woelderen, de oudste man der geheele gemeente. Kalm en gelaten bleef deze eerwaarde grijsaard in 't gevaar: geen jammerkreet kwam hem over de lippen. In stille onderworpenheid aan God wachtte hij af, wat de Heer over hem beschikken zou.

Dieper den polder in woont Martinus van Fraaijen met de zijnen. Zoodra hij de ramp van de doorbraak verneemt, brengt hij met behulp van zijn zoontje een gedeelte van zijn vee naar de ~Maasdijk~ in veiligheid, en keert daarop met den knaap naar huis terug, om zijn vrouw te helpen bij 't inpakken en zoo mogelijk redden van hun tilbare have. Doch reeds komt de verbolgen vloed hem tegen. Slechts door een snelle vlucht kan hij zich redden. Alleen kan hij dat doen; maar hij kan den knaap toch niet achterlaten. Hem in de armen te nemen, dat zal zijn loop vertragen. Daar ontdekt hij een hoogte. »Klim daar op, dan kan ik u straks halen," zegt hij en spoedt zich, nadat hij zijn jongen in veiligheid gezien heeft, ijlings voort. Hij werpt zich in een drieplanker, een bootje van de kleinste soort. Hij waagt er zich mee op den vloed en brengt het kind behouden thuis. Maar ook hier begint het water te rijzen--eerst zoeken ze hun toevlucht op den zolder, toen op het dak. Levensmiddelen hebben ze niet mee kunnen nemen. Hongerdood of verdrinken--beiden grimmen hen aan. In Gods naam begeeft hij zich met vrouw en zes kinderen in de ranke boot. De moeder bindt haar zuigeling op het bloote lijf, uit vrees, dat het kind bevriezen zal. Zes uren lang dobberen zij op den vloed. Vrouw en kinderen zijn verkleumd van koude. Daar komen zij aan de ruïnen eener kerk. Nu zijn ze dicht bij hun redding en worden voorloopig opgenomen in de woning van den heer J. de Waal, van alles beroofd, behalve van het vee, dat Martinus naar een dijk gebracht en een bed, hetwelk hij in 't schuitje meegenomen heeft.

Op 't kasteel, bewoond door baron Arthur de Woelmond, zijn, behalve de paarden en koeien welke er gestald zijn, drie honderd menschen geborgen, die niets dan 't leven hebben overgehouden.

Ook in ~Driel~ is de ellende vreeselijk. Daar zijn meer dan twee duizend menschen in de Protestantsche kerk bijeen, die niets meer te eten hebben. Te ~Rossum~ is het bedehuis met ongelukkigen gevuld en loopt het water over den dijk, zoodat ze niet weten, of ze hun leven zullen behouden. Te ~Hurwenen~ zitten allen in angstige bekommering op hun zolders.

Doch ik kan zoo niet voortgaan, en u de ellende schetsen, die er overal heerscht. Ik sluit dus dit Hoofdstuk, om u in 't volgende een liefelijker tooneel voor oogen te stellen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

De Koning als redder van ongelukkigen.

Hoe vreeselijk elke ramp is, hoe verschrikkelijk vooral volksrampen zijn--in ~Nederland~ hebben ze altijd een schoone keerzijde: ze geven den alouden geest van weldadigheid een ruim veld om zich te doen zien. Misschien was het als een tegenhanger van 't vorige Hoofdstuk niet kwaad, dat ik u een tafereel ophing van al wat er in ~Nederland~ gedaan werd tot leniging van de ramp, zoo door particulieren als door vereenigingen en genootschappen; gaarne zou ik de namen en daden van de menschenvrienden mededeelen, die ondanks 't gevaar, waaraan zij zich blootstelden, niet aarzelden, om met dikwerf ranke vaartuigen den uitgestrekten plas in te varen, waar ze ieder oogenblik ijsschotsen zagen drijven, die hen dreigden te verpletteren--ik wil in de eerste plaats uw oog vestigen op een enkel man, den eersten uit het land, op koning Willem den derden.

't Was op den vierentwintigsten Januari, dat op den dijk bij ~Brakel~, kort na twaalven, ondanks het koude, mistige weder, een groote menigte volks zich om het door de wateren gespaarde veerhuis verzameld had. Ge herkent onder hen den ouden Veldhuis en zijn zoon Frits, ook Bernard die uit zijn dorp is overgekomen, om zijn ouders te bezoeken, en te zien, of hij ze met zijn geheele familie naar zijn pastorie kan medekrijgen. Ze hebben dat echter afgeslagen; daar ze hopen, dat voor hen 't gevaar te boven is en ze gaarne bij hun goed willen blijven. Bernard zou wel eer zijn gekomen; maar ook bij hem heeft het gespannen, en hij kon vrouw en kind (want hij heeft een zoon) niet verlaten, ook zijn gemeente niet, zoolang ook zij door watersnood bedreigd werden. Doch nu 't gevaar geheel van hen is afgewend, is hij overgekomen, in de hoop, dat er ten minste eenigen mede zouden gaan--we hoorden reeds, dat dit hem mislukt is.

In 't veerhuis bevinden zich onder anderen de burgemeester van ~Brakel~, die tevens dijkgraaf van het polderdistrict ~Bommelerwaard~ beneden den ~Meidijk~ is, ook de predikant en de rijksontvanger der belastingen van ~Brakel~. Doch waarom staat al dat volk daar; waarom richten allen hun blikken naar de overzijde der rivier en wel bepaald in de richting van ~Gorkum~? Waarom schijnt hun 't wachten niet te verdrieten; ondanks den door 't sterk ontdooide ijs modderige paden en den kouden nevel, die hen door de kleederen heendringt?

Ik zal het u zeggen. Er is tijding gekomen, dat Zijne Majesteit de Koning zich met eigen oogen zal komen overtuigen van de ramp, welke zijn volk getroffen heeft, dat hij zooveel hem mogelijk is, hulp en leniging zal toebrengen. Welnu, dat is de oorzaak van hun geduldig wachten. Velen zijn er onder hen, die geen eigen woning meer hebben, wien alles door den watersnood ontnomen is; o, met welk een ongeduld verwachten deze den vader des vaderlands, die komen zal om met eigen oogen de ramp te aanschouwen, welke hen getroffen heeft.

Toch duurt het tot twee ure. Daar bemerkt men, in de verte eenige rijtuigen aan den overkant der rivier. »Dat zal de Koning zijn!" is de kreet, die uit vele monden oprijst. »Gezegend hij, die komt als Vader des Volks!" klinkt het in menig hart. Daar staan de rijtuigen aan den overkant stil. Koning Willem de derde, vergezeld van zijn broeder Prins Hendrik en van den gouverneur[7] van ~Gelderland~, stapt in de schietschouw en laat zich de ~Waal~ overzetten. Nauwelijks is hij aan land, of hij wordt door een luid »Hoezee! Leve de Koning!" verwelkomd.

[7] Tegenwoordig commissaris des Konings.

Terstond worden de burgemeester, de predikant en de rijksontvanger van ~Brakel~ aan Zijne Majesteit voorgesteld.

»Mijne Heeren!" zegt de Koning. »Ik verzeker u, dat ik gevoelig ben over al hetgeen gij verricht hebt, om in den eersten en dringendsten nood te voorzien. Nooit--neen nooit zal ik dit vergeten."

Nu leidt men Zijne Majesteit rond, opdat hij eenig denkbeeld moge erlangen van de grootte en uitgestrektheid der ramp, hier door 't water aangericht, en men kan 't hem aanzien, hoezeer 't leed zijner geliefde onderdanen, zijner medemenschen hem schokt.

Nauwelijks gunde de Vorst zich den tijd, om des nachts te rusten van zijn vermoeiende en door den dooi al gevaarlijker en gevaarlijker wordende tochten; terwijl hij de ongelukkigen van de overstroomde dorpen in den beneden- en boven- ~Bommelerwaard~ bezocht. Overal poogde hij de slachtoffers van den watersnood te bemoedigen door een vriendelijke toespraak, overal zorgde hij met milde hand, dat er in hun behoeften voorzien werd. We zullen den Vorst niet voet voor voet op zijn tocht volgen; liever willen we enkele schitterende tooneelen van zijn verblijf op de plaats van den rampspoed opgeven.

Geen koude, hagel of sneeuw, geen levensgevaar zelfs, hield den Vorst terug om zijn landgenooten te helpen en op te beuren. Hij bezocht alle plaatsen, waar ongelukkigen gehuisvest waren, deed zelf onderzoek naar hun behoeften, luisterde met deelneming naar 't verhaal hunner rampen en de bijzonderheden hunner redding, ja wilde weten, of ze wel goed gevoed werden. In een der openbare gebouwen van ~Kerk-Driel~ was men juist bezig aan 't opscheppen van soep. »'t Schijnt hun goed te smaken," zegt de Vorst met een vergenoegd gelaat. »Apropos! Schep mij ook eens bord op," beveelt hij op vriendelijken toon. Men gehoorzaamt; de koning eet met smaak de helft van 't bord leeg. »Nu, dat is krachtige kost," zegt hij tevreden, »dat zal den menschen goed doen. Laat het hun vooral aan niets ontbreken, hoor!"--»Informeer eens bij de commissie, of er nog voorraad genoeg is," vervolgt hij tot zijn adjudant, »en zeg haar, dat zij anders op mij kan rekenen."

Maar door de steeds herhaalde bijdragen, welke de verschillende commissiën, uit 's konings kas ontvingen, raakte die eindelijk uitgeput. Men zeide het hem. »Nu, wat zou dat?" vroeg hij, »als 't niet anders kan, zullen we ons wel eenigen tijd behelpen; die arme bloeden hebben 't vrij wat meer noodig dan wij."

De koning was te ~Tiel~. 't Was kort na de overstrooming van 't land tusschen ~Maas~ en ~Waal~.

»Sire," waarschuwt men hem. »De tocht is gevaarlijk. Uwe Majesteit zal vóór den nacht niet terug kunnen, en 't zal Haar bezwaarlijk vallen, een voegzaam nachtverblijf te vinden."

»Een nachtverblijf, mijne heeren?" vraagt de Vorst lachend. »Ziet mij eens aan. Zoudt ge niet denken, dat ik nog sterk genoeg was, om 't een nacht op den dijk uit te houden? Kunnen we niet terugkomen, welnu, dan blijven we op den dijk. Er zijn er zoo velen die er zich in moeten schikken; wij zullen er ook niet van sterven."

»Maar Sire," zegt de veerman, toen de koning in de veerschuit stapt. »De tocht zal lang duren en is gevaarlijk ook."

»Durf jij er over?" vraagt de koning.

»Ja, Sire, als 't moet, durf ik alles," antwoordt de veerman.

»Dan durf ik het ook. Steek af!"

In een dikken pijakker gehuld, met hooge kaplaarzen aan, blijft hij twee uren (want zoo lang duurde de overtocht) kalm en bedaard, waar allen sidderen. En 't was inderdaad een vreeselijke overtocht. Niet alleen, dat een scherpe sneeuwjacht allen kil en snijdend in 't gezicht jaagt; maar men moet tusschen dichte ijsschollen heendobberen, die telkenmale dreigen het ranke vaartuig te zullen verbrijzelen.

Het eerst gaat de koning aan wal, klautert over het ijs, springt over wakken, waadt door plassen, 't is of hij geen rust heeft voor hij bij de ongelukkigen is. Hij komt te ~Dreumel~, waar de burgemeester, die van zijn komst verwittigd is, hem een eenvoudig ontbijt aanbiedt.

»Nu, dat is goed," zegt de Vorst. »Men zou trek krijgen, als men zoo lang op 't water is."

De koning laat zich het ontbijt goed smaken, en onderhoudt zich intusschen met den burgemeester over de plaats gehad hebbende ramp. Ook de tijd, die 't ontbijt kost, kan ten nutte der ongelukkigen besteed worden. Spoedig is 't ontbijt afgeloopen. De koning schenkt zijn glas nog eens vol.

»Om u te bedanken, mijn waarde gastheer," zegt hij minzaam, terwijl hij het glas ledigt. »Ik moet u zeggen, dat ik geheel en al bekomen ben, na 't frissche morgentoertje, dat ik gedaan heb.--Doch nu spoedig verder," zegt hij tot zijn gevolg.

Ook hier worden weder de overstroomde dorpen bezocht; ook het punt, waar de doorbraak heeft plaats gehad. De koning laat zich de plaatsen aanwijzen, waar vroeger huizen stonden, doch die door den geweldigen vloed verdwenen zijn. »Die arme menschen!" roept hij uit. »Zoo van alles beroofd te zijn. Worden ook hier van die ongelukkigen verpleegd?"--»Voorzeker, Sire," luidt het antwoord. »Welnu, brengt mij dan derwaarts."

En nu stapt de koning in een schuit, die hem weldra bij de bovenramen van een stevig gebouw brengt, hetwelk de woede van stroom en ijsgang doorstaan heeft, en waar zich niet minder dan driehonderd menschen bevinden. De Vorst treedt er binnen; hij gaat de rijen door en heeft voor allen een vriendelijk woord. Nu eens spreekt hij een ouden van dagen aan: »Wel hoe gaat het, vader? Op uw ouden dag zoo iets te moeten ondervinden! 't Is erg!"--of het klinkt uit zijn mond: »Wel, moedertje. Hoe maak je 't? Toch nog gelukkig gered?"--Of hij staat stil bij een moeder, die haar kind op den schoot houdt, streelt vriendelijk de wangen van het wicht, en zegt: »Dat heb je ten minste nog behouden!"--Zoo spreekt hij tot allen, vooral tot hen, van wie men hem zegt, dat zij het meest geleden hebben. Daar wijst men hem een oud, maar nog krachtig en stevig man. »Die heeft twee dagen lang op een boomstam doorgebracht; terwijl de golven om hem heenbruisten, en ieder oogenblik dacht, dat zijn laatste uur gekomen was."

De koning nadert hem, en ziet, dat de grijsaard het metalen kruis op de oude, versleten jas heeft gehecht. De man neemt een flinke houding aan en brengt de hand aan de pet, om op militaire wijs Zijne Majesteit te begroeten.

»Wel vriend," zegt de koning. »Hoe gaat het u? Je hebt je taai gehouden naar ik hoor. En zooals ik zie, ben je ridder van 't metalen kruis. Heb je den tiendaagschen veldtocht meegemaakt?"

[Illustratie: _Tresling & Co Hof-Lith Amst._]

»Pardon, Sire," antwoordt de grijsaard. »Ik diende destijds bij de tiende afdeeling, en was onder generaal Chassè op de citadel."

»Nu, daar heb je 't warm genoeg gehad," herneemt de koning. »'t Was daar geen haar beter dan bij ~Hasselt~ en ~Leuven~. Je kunt dus meepraten van vuur en van water. Waar vondt je 't nu wel 't minst prettig: op de citadel of op je boomstam?"

»Sire," antwoordt de man. »Als 't zijn moet, dan tienmaal liever in 't vuur, dat de kogels om mij heen fluiten, dan ooit weer in 't water. Doch in beiden heeft God mij bewaard."

»God bewaart brave soldaten altijd," hervat de koning, terwijl hij zijn beurs uit den zak haalt en die den man overreikt. Daarna drukt hij den braven krijgsman hartelijk de hand, en zegt bewogen: »Houd maar moed; we zullen ook u niet vergeten."

En met deze woorden verwijdert hij zich.

»Vaartwel!" zegt hij daarop met krachtige stem tot allen. »Vaartwel! Hebt slechts geduld en weest tevreden; 't zal u aan niets ontbreken!"

Ik behoef u wel niet te zeggen, hoeveel zegenbeden er uit de borst van die ongelukkigen oprezen, zegenbeden voor den Vorst, die zoozeer toonde, de vader en helper zijner onderdanen te zijn. De tranen, welke in de oogen van die ongelukkigen glinsterden over de liefdevolle behandeling, welke zij van hun koning ondervonden, waren zeker wel de schoonste parelen, welke zijn kroon konden versieren. De tijding van 's konings edelaardige grootmoedigheid ging door 't gansche land, en uit millioenen harten steeg de bede op tot den Koning aller Koningen: »O Heer! spaar onzen goeden Vorst!"--Evenals zijn naamgenoot, graaf Willem de derde, had hij zich bij de ramp, die ~Nederland~ getroffen had, den naam van: »Willem den goeden" waardig gemaakt!

Zijn terugreis uit de overstroomde landen naar de residentie was dan ook inderdaad een zegetocht. En toen hij in dat voorjaar in de hoofdstad kwam, werd hij luisterrijk ingehaald en vierde men daar feest, omdat »Willem de goede," niet alleen koning der ~Nederlanden~ was, maar ook getoond had, de vriend en weldoener zijner door den rampspoed geteisterde onderdanen te zijn. En met hoeveel geestdrift werd zijn vierenveertigste verjaardag, de 19de Februari, gevierd. Schooner echter nog volgens 's konings wensch zelf: want op dien dag had de algemeene collecte voor de door den watersnood ongelukkig gewordenen plaats.

En waar haar koning dus voortging, volgde de natie. Neen, niet alleen volgde zij hem--ze was hem reeds voorgekomen. Nauwelijks toch was de mare van de eerste ramp vernomen, of er vormden zich terstond overal commissiën om gaven voor de noodlijdenden in te zamelen. Uitgevers van dagbladen plaatsten kosteloos advertentiën en boden zich aan tot ontvangst van giften. Concerten werden gegeven, tooneelvoorstellingen gehouden, waarvan de opbrengst geheel voor de noodlijdenden was. Daar kwam van alle kanten vrij wat in! Koren, brood, rijst, aardappelen, allerlei levensmiddelen, hemden, kousen, broeken, en alle soorten van bovenkleederen, bedden, matrassen, dekens, en wat niet al. En behalve dat alles geld, geld in overvloed. Zoo was er onder andere op den 21sten Januari alleen bij de commissie te ~Amsterdam~ de niet geringe som van f 63,090.82½ ontvangen, en dat reeds op dien datum. Bij de meeste van die gaven schreef men alleen letters; bij sommige ook versjes, dikwerf erg kreupelrijm. Een der aardigste versjes heb ik indertijd uitgeschreven; ik vond het zeer lief. 't Was van de leerlingen eener jongeheerenschool, die elk uit zijn spaarpot wat gegeven hadden, en de som van negenendertig gulden inzonden met de volgende dichtregelen:

»Onze ouders zijn ons voorgegaan, Zij gaven van hun overvloed; Wij geven van 't gespaarde geld, God weet het, dankbaar van gemoed, En toonen, door te lenigen Der armen bittren nood en pijn, Dat wij disciplen van den Heer, Dat we Amsterdamsche jongens zijn."