Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874
Part 5
Daar hebt ge vooreerst den goeden ouden vader Veldhuis, in zijn gemakkelijken leuningstoel gezeten, een langen gouwenaar in den mond, waaruit hij tusschenbeiden geduchte rookwolken blaast, een man met een vriendelijk goedig gelaat, grijs haar, dat eerwaardig langs zijn slapen krult; naast hem de oude juffrouw Veldhuis, eenvoudig maar keurig gekleed, en wier gelaat de fatsoenlijkheid van haar afkomst bewijst. Ze houdt haar oudste kleinkind, Ernst, den naamgenoot van haar man, op den schoot, een frisch, woelig kind van een jaar en natuurlijk de afgod van beide grootouders, die weer jong worden in den kleinen guit. 't Is een werk voor de oude vrouw om hem stil te houden, en ze zal hem straks wel aan Truda moeten overgeven, zoo lastig maakt het ongedurige knaapje 't haar. Naast haar zit haar schoondochter, de vrouw van Frits, een jeugdige knappe vrouw met haar slapende zuigeling van drie maanden op den schoot, een allerliefst meisje, doch dat tusschenbeiden vrij wat spektakel kan maken. Truda zit naast vader. Frits is uit, om een paar vrienden geluk te wenschen, en Netje is reeds sedert een uur tot hetzelfde doel met haar beminde op weg. 't Is inderdaad een liefelijk gezicht, deze goede vriendelijke menschen daar te zien, die geen grooter geluk kennen dan hun eigen vreedzaam thuis.
»Jongens, baas! wat is het buiten glad!" zeide Jans dan, nadat ze haar zegenwenschen geuit en plaats genomen had op den stoel, door Truda voor haar neergezet.
»Dat zei Frits me van morgen al," antwoordde Veldhuis. »Geen wonder ook. Eerst dooi, waardoor de sneeuw genoegzaam tot water is geworden, en nu daar die vorst weer op, 't kan niet anders of 't moet glad zijn. Daarom denk ik er vandaag maar stilletjes in te blijven."
»Nu, baas, die door u een gelukkig nieuwjaar willen gewenscht zijn, kunnen ook best zelf bij u komen, dunkt me," zeide Klaas Veen.
»Daar heb je gelijk in, Klaas," antwoordde Veldhuis. »Toch spijt het mij, dat de dooi niet is doorgegaan. 't IJs werd langzamerhand week, en daar zit boven nog zoo veel."
»Wat zal ik er van zeggen, baas," antwoordde Veen. »Als 't zoo'n zachten dooi bleef, was 't wat anders. Maar we zijn nog in 't hartje van den tijd. En als er wat storm bijkomt, dan zou 't leelijk kunnen worden."
»Weet je ook, hoe 't met het ~Munnikenland~ geschapen is?" vroeg Veldhuis.
»Tot nog toe goed, baas," verzekerde de knecht. »Ze zijn op 't oogenblik nog zonder water. Eergisteren begonnen ze daar reeds te pakken; nu echter schijnt alle gevaar geweken. Maar 't weer bevalt me nog niet. De wind is nog te laag om door te vriezen. Als 't maar niet gaat stormen."
»Ja, vriezen met een lagen wind, en dat na een dooi is kwaad genoeg, Klaas," antwoordde Veldhuis. »We zullen er echter 't beste van hopen."
Maar dat beste hopen hielp niet veel. Reeds in den avond van den eersten Januari begon de wind een weinig op te steken, 's nachts werd het een vrij hevige storm, 't ijs in de rivier barstte, en er kwam ijsgang, en toen de morgen van den tweeden Januari aanbrak, kwamen de bewoners van ~'t Munnikenland~ die 's avonds, gerust op de vorst, doodbedaard naar bed waren gegaan, met hun tilbare have in den boven ~Meidijkpolder~ vluchten; daar 't water hun velden overstroomde en ze zich in hun woningen niet meer veilig achtten.
Deze tijding bracht echter in 't gezin van Veldhuis geen de minste ongerustheid te weeg. 't Overstroomen van ~Munnikenland~ was een gewone zaak. De nieuwe dam beschutte den polder boven den ~Meidijk~ genoegzaam, en zat het ijs ook in de ~Maas~ reeds vast, de ~Waal~ was vrij en 't ijs dreef met den storm des te spoediger naar zee.
Doch reeds den derden Januari werd hun gerustheid op onaangename wijs gestoord. Tusschen ~Brakel~ en ~Loevestein~ had zich een zware ijsdam gezet en de dijkwachten waren reeds 's morgens om acht ure betrokken.
»'t Water staat reeds tot aan de kruin van den dijk!" zeide Frits, toen hij in den vooravond van dien dag thuiskwam. »Onze wakkere dijkgraaf, Aart van Os, is onophoudelijk in de weer en laat den dijk sterk kisten. Maar de ijsdam is en blijft onbewegelijk. En wat nog het ongelukkigst is, de grond is zoo hard bevroren, dat men er niet in kan heien."
Toch schepte men den volgenden dag ruimer adem. 't Water was aanmerkelijk gevallen. Er scheen een sleuf of geul in den ijsdam te zijn gekomen, die het deed afloopen. Doch die gerustheid duurde slechts eenige uren. De ijsdam, dien ze opgeruimd of doorgedreven meenden, had zich slechts een weinig verschoven en zat nu nog steviger dan zij gedaan had. 't Water rees nu weer, en nog sneller dan gisteren en eergisteren. De dwarsdijk liep het meeste gevaar. Reeds in den vroegen morgen van den vierden Januari vreesde men, dat hij zou bezwijken en dan liep de geheele polder even als ~'t Munnikenland~ onder. Men heide palen in, stutte met planken; allen die handen hadden hielpen. Doch 't water kwam met te veel geweld opzetten. Daar kondigde, in den nacht tusschen den vierden en vijfden Januari, het treurig geklep van den torenklok aan, dat alle hoop vervlogen was: het water, die vreeselijkste aller vijanden, naderde.
Reeds den vorigen dag hadden Veldhuis en andere landbouwers hun vee naar hoogere plaatsen gevoerd, die altijd watervrij geweest waren. Uit voorzorg bracht men hout en horden bij elkaar en maakte er steigers van, om het daarop te redden, wanneer ook die plaatsen van 't water mochten lijden. Terwijl droeg men, zoowel bij Veldhuis als in de andere woningen in den polder, alles naar boven, wat door 't water zou bederven en wat men niet kon meevoeren: meubelen, gereedschappen, boeken, bedden, dekens, turf, hout, steenkolen, aardappelen, vleesch, kortom alles wat men maar kon. Uit kleine, lager gelegene hutten zag men reeds de bewoners vluchten, die hun ouden van dagen ondersteunden of op kruiwagens meevoerden, en een gastvrij dak zochten, om zich en de hunnen met hun armoedige bezitting te redden. Alle hoogergelegen huizen werden vol van die ongelukkigen. Alleen in 't schoolhuis te ~Brakel~, dat door de verplaatsing van den onderwijzer gelukkig ledig stond, waren er weldra honderd en dertig gehuisvest; het heerenhuis te ~Poederrooien~ was van boven tot beneden met vluchtelingen gevuld.
»Houdt de dwarsdijk zich nog goed, Frits?" vroeg de oude Veldhuis, toen zijn zoon in den vooravond van den vierden Januari braaf moede thuiskwam; want wie armen aan 't lijf had, had aan den dijk gewerkt.
»Dat doet hij, vader," antwoordde Frits. »'t Heeft ook werk genoeg gekost. En toch vrees ik, dat het ons niet zal helpen. Eer ik hier kwam, ben ik nog even naar den ~Waaldijk~ gaan kijken. De dam aan den steenoven zit nog maar even vast, en 't water blijft rijzende. Vreeselijke ijsbergen kruien op de rivier en dreigen met een doorbraak."
»Groote God!" riep de jonge vrouw uit, die juist met warm eten voor haar man binnentrad. »Wat zeg je daar, Frits. Watersnood, en dat tegen den nacht!"
»Gij allen moet u op de bovenverdieping begeven," hernam Frits. »Ons huis is stevig, en zal 't wel uithouden. Als ik gegeten heb, ga ik een paar uren slapen, en dan naar den dijk. We moeten doen, wat we kunnen om den algemeenen vijand te bestrijden."
Maar dat bestrijden hielp niet. In den nacht tusschen den vierden en vijfden Januari, tusschen vier en vijf ure, bemerkte men op den dijk, waar te midden van de nijpende koude, onbeschut voor wind en regen, duizenden de wijk genomen hadden, dat het water eensklaps viel.
»Zou de ijsdam gebroken zijn!" riep de een.
»De dijk te ~Vuren~ kan bezweken en de ~Tielerwaard~ ondergeloopen zijn!" zeide een ander.
»De ~Waaldijk~ is doorgebroken!" gilde een derde. En spoedig was de noodlottige tijding tot zekerheid geworden. De ~Waaldijk~ was bezweken; drie huizen, die tegen het punt van den doorbraak stonden, waren weggeslagen. Spoedig was dit getal tot drieëntwintig gestegen, sommige door 't water ingestort, andere door de ijsbergen vergruisd, die er bonzend tegen aankwamen. En als ware dit niet genoeg, ook de den vorigen dag met zooveel moeite en inspanning behouden dijk brak op vier plaatsen tegelijk door, en uit vijf wijd geopende monden braakte de ~Waal~ haar water en haar ijsbrokken in den ongelukkigen polder. Boomen, huizen, alles werd door het ijs afgesneden. Honderd en vijftig menschen reddeden zich, wadende door 't onstuimige water, op den dijk--twaalf kwamen er bij dien jammerlijken tocht ellendig om; anderen poogden zoo spoedig mogelijk hun woningen te bereiken, om voor de hunnen te zorgen, welke zij verlaten hadden, om aan den dijk te werken. Onder deze laatste behoorde ook Frits Veldhuis. Meermalen was hij in gevaar, om door 't binnenstroomende water omvergeworpen te worden, meer dan eens moest hij op zijde springen, om een aangierend stuk ijs te ontwijken; gelukkig kwam hij aan het tamelijk hoog gelegen huis, waar toch alles in de rondte reeds blank stond. En dat water rees met iedere minuut. 't Geheele huisgezin was reeds op de eerste verdieping; God alleen wist, of ze die niet met den zolder zouden moeten verwisselen, God alleen wist, of ze, wanneer ook tegen hun huis de ijsbergen kwamen aandrijven, niet spoedig onder de puinhoopen van hun woning zouden bedolven worden. Het water toch wies niet minder dan twintig duim in 't uur.
In 't lager liggende ~Poederrooien~ was het nog treuriger gesteld. Daar verhief het zich dreigend tegen den ~Maasdijk~. De verschrikte en beangstigde inwoners vluchtten met levensgevaar over de nog bevroren ~Maas~ naar de overzijde. En gelukkig, dat ze er nog bij tijds waren; want het ~Munnikenland~ was nu als een nieuwe rivier geworden, die het water uit de bij ~Loevestein~ verstopte ~Waal~ in de ~Maas~ ontlastte, welke vreeselijk hoog zwol en 't land van ~Heusden~ en ~Altona~ bedreigde.
We hoorden hoe de bewoners van den polder hun vee op een hooge plaats onder dak gebracht, ja, het zelfs op steigers geplaatst hadden. Reeds in den avond van den dag der doorbraak stonden paarden, ossen en koeien niet meer droog. Sommige van hen rukten zich los en trachtten zwemmend een veilige plaats te bereiken. Enkele werden op die manier gered; andere met kleine schuitjes weggehaald en op den dijk gebracht, waar nog tal van menschen zonder huisvesting waren; terwijl het al sterker en sterker begon te vriezen.
Zoo brak Zondag de zesde Januari aan, een treurige Zondag voor de bewoners van den polder boven den ~Meidijk~, een angstige Zondag voor duizende anderen, wie 't zelfde gevaar dreigde. In den nacht was het water in de ~Waal~ weder geducht gewassen; de geheele polder was een zee, waarboven hier en daar enkele daken uitstaken, en die weldra in een onafzienbaar ijsveld zou veranderd zijn. Zoo hoog steeg de ~Waal~ op dien zesden Januari, dat het vee boven op den dijk tot aan de knieën in 't water stond.
Daar begon in den vroegen morgen van den zevenden het water langzaam, maar gestadig te dalen: de oorzaak daarvan was een nieuwe doorbraak.
Om den polder beneden den ~Meidijk~ tegen 't water te beschermen, had men dien dijk door kistdammen verhoogd, en hoopte men aldaar vrij te zullen blijven. Doch 't rijzen van 't water in de ~Waal~ deed van dien kant het ergste vreezen. Hoe men ook aan den door de vorst ijzerharden dijk had gearbeid, 't gevaar werd hoe langer hoe grooter, en wie in de laagte woonde, poogde ten minste zich en de zijnen bij tijds te bergen. De herberg van Hooikaas aan den ~Meidijk~ bevatte een paar honderd mannen, vrouwen en kinderen, de hooger dan den dijk gelegen pastorie van Ds. Carlier even zooveel. Niemand werd teruggewezen, zoolang er nog plaats was.
't Is Zondag-avond. Omstreeks tien uur wordt er op een der ramen der pastorie gebonsd, en een angstige stem roept: »Komt naar buiten, want de pastorie is niet meer veilig!" In doodelijken angst verlaten de meesten het gebouw, waar een wisse dood hen wacht, en snellen naar den dijk, waar zij in de felle kou tot aan de knieën in 't water staan. Daar begint het water te vallen. 't Is reeds onder de knie--aan den enkel--nu staan ze droog. Dicht bij het dorp ~Zuilichem~ waren twee dijkbreuken ontstaan, een iets boven de ruïne van de burcht, een andere beneden ~Nieuwaal~; een dijkbreuk, die den korenmolen en een zestal huizen had medegesleept. Ook 't huis van Ds. Carlier, ofschoon 't gespaard was gebleven, had in groot gevaar verkeerd. Op een plaats in den gang was de vloer door 't welwater gezakt. Gelukkig echter was 't blijven staan, en vonden de verkleumden er op nieuw een toevlucht.
Nieuwe ellende was er nu in den uitgestrekte polder beneden den ~Meidijk~. Zoo hoog steeg het water, dat het te ~Aalst~ over den dijk in de ~Maas~ stroomde, en dat ondanks de daar opgeworpen kistingen. Behalve de pastorie bleef er geen enkel toevluchtsoord open. Met achterlating van alles namen de meesten de vlucht naar het tegenoverliggend ~Veen~. ~Nederhemert~, ~Well~ en ~Ammerzoden~ werden verlaten; hun inwoners vluchtten naar ~Heusden~, waar ze door Ds. Pape in zijn pastorie en de consistorie-kamer, vervolgens ook in de kazerne werden opgenomen en liefderijk verzorgd. Die van ~Ammerzoden~ vluchtten op 't kasteel; anderen betrokken de bovengedeelten hunner woningen. Die van ~Bruchem~, ~Kerkwijk~ en ~Dellewijnen~ werden met hun grijzen leeraar J. van Schaik op schuiten en schietschouwen naar ~Bommel~ gevoerd. En ook zelfs die stad was verre van veilig. Daar moesten alle krachten worden ingespannen, om haar door 't opkisten der dijken voor den ondergang te beveiligen. Te ~Hedel~, ~Driel~ en ~Hurwenen~ waren de menschen naar hun zolders gevlucht. In ~Gameren~ en ~Nieuwaal~ was de toestand allerhachelijkst.
En zoo stond de geheele ~Bommelerwaard~ onder water.
't Huis van Hendrik Veldhuis was gespaard gebleven. Een ijsberg[6] had zich tegen de zware boomen van den hof vastgezet en was door 't steeds aanschuivende ijs tot een vervaarlijke hoogte geklommen. 't Had in 't huis een akelig gekraak en gedreun gegeven; toch was diezelfde ijsberg waarschijnlijk de redding der woning. Frits had haar nog bij tijds bereikt en spoorde de zijnen tot vluchten aan: 't was te laat! Het eenige middel om een wissen dood te ontkomen, was te blijven, waar men zich bevond.
[6] Hierdoor zijn meer woningen bewaard gebleven.
»Weet ge ook, of Veen met zijn gezin gered is?" vroeg moeder Veldhuis.
»Ik heb hen in de verwarring die er op den dijk heerschte niet gezien, moeder," antwoordde Frits. »'t Is vreeselijk, zooals het daar toegaat!"
Twee angstige dagen en nachten had men in de woning van Veldhuis doorgebracht. Men was door 't water uit de eerste verdieping verdreven en naar den zolder verjaagd. Gelukkig had men bij tijds de kachel en brandstof, alsook levensmiddelen en beddegoed derwaarts verhuisd; want het was zeer koud.
De Zondag kwam. Wel bleef het water nog wassend, maar de stroom was niet meer zoo sterk.
»Ik moet gaan zien, of 't gezin van Veen gered is," zeide Frits. »Onze mestpraam is sterk genoeg en kan tegen een stootje."
»Hoe, Frits? Ge wilt u aan een wissen dood blootstellen!" riep zijn vrouw uit. »Als er een ijsschol tegen uw schuit aankomt..."
»Wij zijn in Gods hand, Maartje!" antwoordde Frits. »Jacob en Krijn zullen wel met mij mee willen gaan."
»Voorzeker baas," antwoordden de knechts. »Als 't om menschen te redden is, zijn we gereed."
»En ik ga ook met u mee," zeide de oude Veldhuis.
»Neen, vader," antwoordde Frits. »Dat niet. Het is goed, dat er een man blijft bij al de vrouwen. Men kan nooit weten, wat er gebeurt."
»Maar de praam zal weggeslagen zijn, of onder 't water bedolven," zeide Truda.
»Daarvoor heb ik gezorgd," antwoordde Frits. »Toen ik eergisteren thuiskwam, is mijn eerste werk geweest, de praam los te maken en er een lang touw aan vast te knoopen, hetwelk ik aan het zoldervenster achter heb bevestigd. Naardat het wies, heb ik dat touw aangetrokken en nu ligt de praam veilig en wel achter 't huis."
»Hoe voorzichtig van u!" zeide de vader.
»Ik begreep, dat, ingeval van nood, de praam 't eenige middel was, om ons allen te redden," hernam Frits. »En nu we haar niet noodig hebben voor ons zelf, zijn we verplicht, haar te gebruiken tot mogelijke redding van anderen. Doch we willen niet talmen--iedere minuut, die Jans met haar man en kinderen, als ze nog niet gered zijn, in hun bedreigde woning doorbrengen is voor haar en de haren een eeuwigheid."
En Frits stapte met de beide knechts in de praam. Vreeselijk was de aanblik rondom hen. Overal water en ijsschotsen, overal puinhoopen, waar vroeger welvarende woningen stonden. Ze waren de eenigen niet, die hun medemenschen poogden te redden. Meer edele menschenvrienden trotseerden het gevaar van zelf om te komen door de drijvende ijsschotsen. Toen zij echter aan de plaats kwamen, waar de woning van Veen moest staan, vonden zij daar niets meer. 't Hutje had aan 't geweld van 't water geen weerstand kunnen bieden.
»God geve, dat de ongelukkigen zich nog bij tijds gered hebben!" zeide Frits. »Thans echter, jongens, willen we niet vruchteloos terugkeeren. We moeten anderen redden. Zie je daar ginds het dak, hetwelk boven 't water uitsteekt? Misschien zijn daar menschen op."
»Ik geloof 't niet, baas," zei Jacob.
»Ze kunnen immers aan den anderen kant zitten," zeide Krijn.
»Laat ons 't beproeven," hernam Frits. »Met een ledige schuit kom ik niet terug, al zou ik den ganschen dag op den wijden plas zwalken."
Men hield nu op het dak aan. Het duurde echter eenigen tijd, eer men er was. Doch welk een vreugde voor onze moedige mannen, toen men aan den anderen kant een twaalftal menschen zag, uitgeput door honger, koude, angst en inspanning. En wat nog 't heerlijkst was ook Veen met vrouw en vijf kinderen! Allen te gelijk te redden was niet mogelijk; de praam kon hoogstens negen personen bevatten.
»Blijft bedaard!" riep Frits uit. »Eerst de vrouwen en kinderen. Als we die in veiligheid gebracht hebben, komen we de anderen halen."
»Maar toch voor den avond!" riep een van de mannen uit. »Want we kunnen 't niet langer uithouden. We vergaan van honger."
»We komen spoedig terug en brengen brood mede," zeide Frits, terwijl hij intusschen vrouw Veen en haar kinderen met nog twee vrouwen voorzichtig in de boot hielp. Het verhaal, wat de ongelukkigen geleden hadden, is te lang om hier in te voegen. Toen de eerste vracht goed en wel bezorgd was, gingen zij de tweede halen welke ze ook veilig overbrachten. 't Huisgezin was nu echter met twaalf monden vermeerderd, en de weinige provisie, welke men gered had, zou spoedig op zijn.
»God zal wel zorgen," zeide de vrome moeder Veldhuis.
En God zorgde. Den volgenden dag, Maandag, begon de vorst zoodanig te vermeerderen, dat de gansche oppervlakte van den ~Waard~ boven den ~Meidijk~ met een dikke ijskorst bedekt werd, waardoor 't nu gemakkelijk werd, van ~Gorkum~ en ~Bommel~ met wagens menschen te redden en levensmiddelen aan te voeren. Tevens gaf die ijsvlakte gelegenheid, om 't nog op de steigers overgebleven vee in veiligheid te brengen. Maar 't kostte ook brandstof, en nog zaten Veldhuis en de zijnen, ondanks 't gloeien van de kachel, op den zolder te rillen en te beven.
'k Zou u nog menig tafereel van ellende kunnen voorstellen; 'k zou u kunnen binnenleiden in de woning en de school van den vroegeren onderwijzer, waar honderd en dertig personen waren opgenomen en waar gebrek was aan versche lucht, voedsel, deksel en brandstof. Gelukkig, dat de weldadigheid... doch dat is voor een volgend hoofdstuk. Mijn verhaal van de rampen van den watersnood van 1861 is nog niet uit; het is eerst begonnen. Nog meerdere moet ik meedeelen, zwaarder dan die, welke ik reeds beschreven heb.
Ook de ~Maas~ had in ~Noord-Brabant~ een doorbraak veroorzaakt; daar was de ramp echter op verre na niet zoo groot. Wel stond o. a. te ~Dungen~ en ~St. Michielsgestel~ het water 4 à 5 voet hoog, en moest men met elkander door middel van schuitjes communicatie houden; het ongelukkige ~Gelderland~ scheen ditmaal ontzaglijk geteisterd te moeten worden.
Omstreeks 21 Januari begon de dooi weer in te vallen. Een angstig vooruitzicht voor ons land. Op den ~Bovenrijn~ en de ~Moezel~ begon het ijs reeds in beweging te raken en nog zaten de rivieren hier vast. Eerst was ~Duitschland~ aan de beurt, waar de dijk tegenover ~Emmerik~ doorbrak en de polders overliepen; spoedig zou ~Gelderland~ volgen. Het eerst had er een doorbraak bij ~Zevenaar~ plaats (28 Januari) waarbij een gedeelte van den Rijnspoorweg werd weggeslagen; deze was echter van weinig belang. In grooter gevaar verkeerden de ~Betuwe~ en de ~Tielerwaard~. 't Was de eerste Februari. Van ~Gorkum~ tot ~Loevestein~ zat de dam nog steeds muurvast. 't Was een dam die de lengte had van een uur gaans. Er was nog niet de minste beweging in geweest. En toch was de rivier, volgens telegrafische berichten, boven geweldig aan 't kruien. Ook te ~Nijmegen~ was 't ijs losgeraakt. Gisteren kwart over vijven hadden drie kanonschoten verkondigd, dat de ~Waal~ begon. Doch hij had zich om acht uur weer vastgezet. Er was beneden ook geen schot. Hoog hadden zich daar de ijsschollen tegen de huizen langs de kade opgewerkt. 's Nachts om drie uur was 't ijs weer in beweging gekomen. Steeds klom het onophoudelijk van boven afkomende water al hooger en hooger en brak met geweld de ijskorst los. 't Lage gedeelte der stad liep onder water.