Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874
Part 4
»Maar wij hebben ook onze polder- en andere lasten, Bernard; vergeet dat niet."
»Dat is waar; doch...."
»Kom, kom! Twist nu niet over die belastingen," zeide Margot. »Laat ieder gewillig dragen wat hij kan. Ik zeg maar, dat we een gezegende regeering onder onzen Willem den derden hebben, en geld moet er wezen, als er onder hem wat tot stand zal komen. Daar heb je nu onder ander die nieuwe schoolwet, voor een paar jaren ingevoerd. Wat kost tegenwoordig het onderwijs een boel geld meer als vroeger. Op ons dorp ten minste klagen ze er steen en been over. Doch _ik_ zeg: Als men 't onderwijs wil verbeteren, moeten de onderwijzers ook beter betaald worden, er moeten beter schoollokalen zijn; kortom, zachts dat we wat meer betalen voor een zaak, die een weldaad is voor de natie."
»Hoor me zoo'n advocaat eens aan!" riep Bernard uit. »Dat zou goed voor de rechtbank kunnen pleiten. Inderdaad, verbetering van den toestand van 't lager onderwijs is een zegen voor Volk en Staat. En welk een vooruitgang in beschaving, dat alle openbare schavotstraffen[2] zijn afgeschaft...."
[2] 29 Juli 1854. Veel later is de doodstraf afgeschaft, voor 't welker behoud nog velen waren.
»Behalve de doodstraf," hernam Ernst. »Ik had dat overblijfsel uit de middeleeuwen nu meteen maar uit ons strafwetboek verwijderd."
»Wacht maar, Ernst, dat zal later wel volgen," hernam Bernard, »evengoed als er spoedig kans is op uitdelging van schuld en vermindering van rentelast. En wat zeg je dan van de afschaffing der belasting op 't gemaal, Ernst?"
»Voorzeker een zegenrijke wet; daar nu de arme man vrij wat goedkooper brood kan eten dan vroeger. Doch daar is Jans. Sakkerloot; ze brengt een heelen schoot bloemen mee. Zoo, vrouw Veen! Daar doe je goed aan."
»Niet waar, baas?" antwoordde Jans, die vrij wat gezetter geworden was dan toen we haar voor 't eerst zagen. »Maar wat zie ik? Den dominé en zijn vrouw! Wel, juffrouw Margot! Hoe maak je 't en kun je al zoo wat aan 't stille buitenleven wennen?"
»Dat gaat nog al, Jans," antwoordde Margot. »Trouwens, we hebben een lieve pastorie. Die moest je eens zien."
»'t Is anders nog al een verschil: het drukke, levendige ~Amsterdam~ bij zoo'n stil eenzaam boerendorp," hernam Jans. »Niet, dat ik er wat tegen heb. Als 't aan mij staat, verkies ik een dorp boven zoo'n rumoerige stad. Maar, zie je, dat maakt verschil: ik ben buiten op 't land gewonnen en geboren, en de juffrouw is van kindsbeen in ~Amsterdam~ grootgebracht."
»En is dat nu uw oudste dochter, Jans?" vroeg Margot, op een achtjarig meisje wijzende, dat heel verlegen aan den ingang van het huishek was blijven staan.
»Ja, juffrouw Margot, dat is Johanna, mijn oudste. Dan volgt Jaap, die wordt aanstaanden Allerheiligen zeven jaar; die gaan beiden al school."
»En leeren ze goed, Jans?" vroeg Bernard.
»Nu, dat zou ik meenen, dominé," antwoordde Jans. »De meester is wat tevreden. En weet u al, dominé, dat we hier een nieuwen meester gekregen hebben? Onze oude is gepensionneerd, en nu hebben we er een--kijk, zoo is er geen tweeden in den heelen ~Bommelerwaard~."
»Jij bent ook wel de bevoegde persoon om dat te beoordeelen, Jans," hernam Bernard lachende, en toch was 't roemen van die eenvoudige vrouw koren op zijn molen. »Maar laat ons nu eens kijken, wat je voor ons hebt meegebracht?"
»Veel is 't niet, dominé," antwoordde Jans. »Maar 't spreekwoord zegt: die geeft van 't geen hij heeft, is waard dat hij leeft, en ik heb meer gedaan dan dat; ik heb alles gegeven, wat ik had en bij de buren de tuinen geplunderd op den koop toe.--Maar jongens! wat maakt u dat daar netjes," vervolgde zij, toen ze naar binnen keek. »En wat moet dat groote papier met die letters beteekenen?"
»Dat zijn de eerste letters van de namen van 't zilveren bruidspaar," antwoordde Margot, »en die cijfers zijn de jaartallen van hun groene en die van hun zilveren bruiloft."
»Kijk, dat vind ik aardig," hernam vrouw Veen. »En mevrouw komt vandaag toch zeker ook?"
»Niet alleen mama, maar ook neef Gustaaf en zijn vrouw en nog een van de neven," antwoordde Margot.
»Nu dan mag ik toch nog wel eens aankomen, om mijn goede oude mevrouw te zien," zeide Jans. »'t Is al een tijd geleden dat ik haar niet ontmoet heb."
»Welzeker Jans. Je bent ons allen welkom," antwoordde Margot. »Misschien wil mama zelf ons wel vergezellen, als we na den middag eens bij je aankomen."
»Wel, dat zou heerlijk zijn!" zeide vrouw Veen. »Dan kan ze mijn vier kinderen eens zien, juffrouw Margot. En de dominé komt dan toch zeker ook mee, niet waar?"
»Welzeker," zeide Bernard. »'t Is meteen een kleine wandeling."
»Nu, dan ga ik gauw naar huis," zeide Jans. »Want als er zulke groote gasten komen, mag ik wel maken, dat de boel netjes aan kant is."
»Daar zul je toch altijd wel voor zorgen," zei Margot. »Mama zegt ten minste dikwijls, dat ze nooit zoo'n heldere en zindelijke meid gehad heeft als jou."
»Wel, dat doet me pleizier," antwoordde Jans. »En daarom moet alles krek in orde zijn, als mevrouw komt. Zie je, juffrouw Margot. Als men vier kinders heeft, dan kan alles niet zoo in de puntjes wezen. Dus tot dezen achtermiddag!"
En zoo vertrok Jans.
Dien namiddag kwam mevrouw de Winter met hare beide kinderen, Gustaaf en Florence, benevens haar broeder met zijn zoon August, den kadet op de academie te ~Breda~. Emile had thuis moeten blijven, om gedurende de afwezigheid van den patroon de zaken op het kantoor te besturen. Ons vijftal werd hartelijk verwelkomd, en ik behoef u niet te zeggen, dat het geheele huis op stelten stond bij zooveel logés. Mevrouw de Winter en haar broeder, de gepensionneerde kapitein, waren er niet jonger op geworden; toch hadden zij zich goed gehouden, en August was een knappe kerel en zou, vooral daar hij een helder hoofd en studielust bezat, eens een ferm officier worden.
Den volgenden dag werd het aantal gasten nog vermeerderd; want behalve een paar vrienden met vrouwen, dochters en zoons uit ~Gorkum~ en ~Bommel~, kwamen ook de broeder van Veldhuis, Frans genaamd, uit ~Whamel~ (een dorp tegenover ~Tiel~) met vrouw, twee zoons en twee dochters, en dan nog een oude neef, die 't vorige jaar als Oost-Indisch invalide te ~Bronbeek~ geplaatst, en evenals kapitein de Bosson metalen-kruisridder was. Hij heette Jan van Dijk, had in den tiendaagschen veldtocht onder de compagnie van de Bosson, toen nog maar tweeden luitenant, gestaan en daarna jaren lang in de Oost-Indiën gediend. De ontmoeting tusschen hem en zijn vroegeren luitenant was heel hartelijk.
»Zoo, oude jongen," zei kapitein de Bosson, toen de veteraan met de stoomboot was aangekomen en hij hem hartelijk de hand reikte. »Hoe maak je 't sinds 't jaar '56 toen we beiden in ~Amsterdam~ waren ter gelegenheid van de onthulling van 't monument op ~den Dam~[3]?"
[3] Op Woensdag, 27 Augustus. De feestelijkheden, waarin vooral de metalen kruisridders de hoofdpersonen waren, duurden van 25 tot en met 28 Augustus 1856.
»O, kapitein," antwoordde de veteraan. »Ik ben zoo gezond als een visch, en heb, sedert onze goede koning Willem III ons 't Huis te ~Bronbeek~ ter residentie gegeven heeft, een oud leventje."
»Dat wil ik wel gelooven, van Dijk," antwoordde de kapitein. »Zoo'n troep mannen bij elkaar, die allen in de ~Oost~ geweest zijn, zullen elkander wat te vertellen hebben."
»Ja, doch dat vertellen is gauw uit. Maar we hebben een prachtige bibliotheek, een biljard, allerlei spelen, en dan een mooien tuin om in te wandelen. Wat echter sommigen van ons niet bevalt (want er zijn altijd menschen die ontevreden zijn, al hebben ze 't nog zoo goed) is, dat we op onzen tijd thuis moeten wezen en aan militaire discipline onderworpen zijn."
»Nu, dat zal jou toch niet hinderen," hernam kapitein de Bosson. »Ten minste, toen je nog in mijn compagnie stondt, was je altijd prompt op je tijd. Ik geloof niet, dat je daarvoor ooit straf gehad hebt."
»Ja, maar zulk een goeden luitenant als u heb ik ook nooit weer gekregen. In de ~Oost~ had ik er een, dat was een ware Nero. Dien kerel kon je ook nooit iets naar zijn zin doen."
»'t Is toch een nobele daad van onzen koning, om zijn buiten ~Bronbeek~ aan die oude Oost-Indische militairen af te staan, papa," zeide Florence.
»Dat is het. En eere zij dien goeden Vorst daarvoor," hernam kapitein de Bosson. »Als we van middag aan het diner zijn, van Dijk, dan zullen we eens een boordevol glas op hem leeg drinken."
»Nu, dat hebben we voor vier jaren in ~Amsterdam~ ook gedaan, kapitein," zeide van Dijk. »Dat waren prettige dagen, hé!"
»Dat zou ik denken," hernam de kapitein. »'s Maandags[4], afgehaald van den trein en onder 't spelen van 't carillon door de met duizende vlaggen versierde straten gewandeld naar ~'t Park~, waar we feestelijk ontvangen werden. Toen om vier ure den maaltijd in de Nederlanden, waar wat toasten werden geslagen, 's avonds voorstelling van »Onthoud uw dag" in den grooten schouwburg."
[4] 25 Augustus.
»En wat daar een geestdrift was, kapitein!" zeide van Dijk. »En toen Dinsdag dien optocht naar de werf William op de ~Kadijk~, waar 't klipperschip, »Het Metalen kruis" te water werd gelaten."
»En des avonds in 't Park dat groote landelijke feest," zei kapitein de Bosson. »Toen zijt gij nog mee geweest, zusje."
»En ik ook, oom," zei Margot. »Dat was daar toen allergezelligst."
»Ik wil 't wel gelooven," zeide van Dijk. »Mij was het te duur. Een gulden vijftig de persoon."
»Ho, ho! voor kruisridders half geld, dus maar vijfenzeventig cents," zei kapitein de Bosson.
»Nu ja, kapitein," antwoordde van Dijk. »Maar voor een gepensioneerd Oost-Indisch onderofficier is vijfenzeventig cents al een heele schat, vooral wanneer de vertering er niet onder begrepen is. Dat grapje kostte ons toch al geld genoeg."
»Dan zijt ge ook Woensdag niet aan 't feestmaal in 't Park geweest, van Dijk. Dat kostte tien gulden de persoon: maar 't was prachtig."
»Ik zou mijn tien gulden zeker twintigmaal hebben omgekeerd, eer ik daartoe besloten had," zeide van Dijk. »'t Was anders een heerlijke dag, die Woensdag. Eerst de ontvangst van Z. M. den Koning en toen de onthulling van 't monument. En dan Donderdags die réunie in Artis. Doch dien dag ben ik vertrokken. Den wedstrijd met de buks in ~Frankendaal~ heb ik niet bijgewoond."
Zoo spraken de beide grijze mannen over hun herinneringen, en wij hebben daarbij gelegenheid gehad te vernemen, hoe koning Willem III zijn landgoed ~Bronbeek~ voor in den dienst grijs geworden krijgslieden had laten inrichten, een daad, die hem tot eer verstrekt en hem de zegenbeden van menigen hulpbehoevenden grijsaard heeft waardig gemaakt.
Ons doel is niet, u een beschrijving te geven van de viering der zilveren bruiloft, noch met u de verrassing te beschrijven van het zilveren paar toen ze in de keurig versierde pronkkamer kwamen, waar hun bij de schoone cadeaux de hartelijkste zegenwenschen werden aangeboden; noch met u aan den feestdisch aan te zitten, waaraan de gulste vreugde heerschte; we willen liever Gustaaf en Bernard met hun vrouwen en August den volgenden dag op een toertje vergezellen, hetwelk zij door den ~Bommelerwaard~ maakten, en dat bovenal voor Florence, Margot, Gustaaf en August merkwaardig was. Bernard kende 't land en had alleen 't genoegen der herinnering; Ernst mende de twee bruine blessen, die voor 't keurige eikenhouten speelwagentje gespannen waren.
Eerst ging men naar ~Loevestein~, vermaard in onze geschiedenis door de inneming en verdediging van Herman de Ruyter, alsmede door de inkerkering van den geleerden Hugo de Groot. Dat fort, gebouwd op de plaats waar ~Maas~ en ~Waal~ zich vereenigen en te zamen den naam van ~Merwede~ aannemen, bestaat uit een onregelmatigen vijfhoek, die bij hoogen waterstand geheel en al door water omringd is. De binnenruimte wordt ingenomen door het kasteel, eenige rijksgebouwen en drie particuliere huizen.
»Wanneer is dit fort toch gesticht?" vroeg Margot haren man.
»Men weet het niet," antwoordde Bernard. »Alleen gist men op goede gronden, dat het in 't laatst der negende eeuw door de Noormannen gebouwd is. In 1397 werd het door Willem, den zoon van Albrecht van Beieren, ingenomen; doch eerst later is 't vermaard geworden."
»Juist--door de inneming van den dapperen Herman de Ruyter, die 't in 1570 met een gering aantal manschappen verdedigde," zeide Margot.
»Toen het door driehonderd Spanjaards belegerd werd," zeide Florence, »en de dappere Bosschenaar daar hij het tegen de overmacht niet kon volhouden, het in de lucht deed springen!"[5]
[5] 't Geen later door den heer Acquoy op goede gronden is tegengesproken.
Intusschen was men over de houten brug de breede gracht overgegaan, en kreeg verlof, ~Loevestein~ te bezichtigen. 't Meest van allen interesseerde hen de kamer van Hugo de Groot, waar men hun 't venster wees, uit hetwelk Maria van Reigersbergen het trouwe Elsje van Houweningen nastaarde; ook bezag men de kamer van Hoogerbeets en die, waar de Remonstrantsche predikanten gevangen gezeten hadden.
»'t Is of 't slot ~Loevenstein~ een levend getuigenis moet zijn van echtelijke liefde," zeide Bernard. »Behalve toch Maria van Reigersbergen, blonk hier ook de trouwe gade van Rombout Hoogerbeets uit, die in 't lot van haar man deelde. Niet minder Susanna van Oostdijk, een edele jonge dochter uit ~Den Briel~, die met een der Remonstrantsche predikanten, Arnold Geesteranus, verloofd was, en verlof wist te bekomen, hem in zijn gevangenschap te huwen, en als vrouw gezelschap te houden en te vertroosten!"
»Hier hebben Jacob de Witt en de andere ~Hollandsche~ heeren onder Willem II immers ook gevangen gezeten?" vroeg Margot.
»Welzeker," antwoordde August. »Vandaar nog den naam van ~Loevesteinsche~ factie, aan de anti-stadhouderlijke partij gegeven. Later heeft dit kasteel gediend tot kerker van krijgsgevangenen en voorname personen onder andere van den Engelschen admiraal Ascue."
Nadat zij ~Loevenstein~, welks bevolking met inbegrip van de bezetting 30 zielen bedraagt, bezichtigd hadden, zetteden zij zich weder in het wagentje, waarin Ernst was gebleven om op de paarden te passen, en reden over ~Poederrooien~ met 450 inwoners, en ~Aalst~, een even gering dorp met slechts 400 inwoners en een heel oude kerk, naar ~Neder-Hemert~, even als ~Aalst~ aan de ~Maas~ gelegen.
»Een gedeelte van dit dorp ligt aan de overzijde der ~Maas~," zeide Ernst.
»En wat voor een gebouw is dat, hetwelk daar aan de overzijde zoo bevallig boven 't geboomte uitsteekt?" vroeg Florence.
»Dat is 't adellijk huis van ~Neder-Hemert~," antwoordde Ernst. »Het ligt te midden van aangename tuinen en boschages. We rijden echter nu voort; 't zou ons te lang ophouden, om de rivier over te steken, en dan zou 't nog de vraag zijn, of we 't mogen zien. Het huis zelf en 't andere gedeelte van het dorp ligt op een eiland, den ~Hemerwaard~ genaamd."
»Waar Floris de eerste, graaf van ~Holland~, ~Zeeland~ en ~West-Friesland~ de ~Stichtschen~ geslagen had; toen hij na den strijd zoo verraderlijk door Floris van Kuyk vermoord werd," zeide August.
Altijd den ~Maasdijk~ volgende, reed ons gezelschap over ~Ammerroden~, een dorp met 900 inwoners en een deftig kasteel met vier ronde torens, naar het onder de zelfde gemeente gelegen ~Well~, waar ook een klein slot staat, omgeven door grachten en bezet met twee hangtorentjes.
»We zullen te ~Hedel~ uitspannen; daar is een goede herberg," zei Ernst.
»En dan te gelijk koffie drinken en er 't noodige bij gebruiken," zeide August. »Ik wil wel ronduit bekennen, dat ik de plaats begin te voelen, waar mijn maag zit."
»Om u de waarheid te zeggen, begint de mijne ook te jeuken," zeide Bernard.
»Foei, welk een uitdrukking, Bernard!" zeide Margot. »Een maag jeukt niet, maar vermaant."
»Eigenlijk zijn geen van beiden goed," merkte Bernard aan. »Ik zou zeggen: waarschuwt dat ze gebrek aan werk heeft: want het gevoel dat wij honger noemen en hetgeen eigenlijk trek is, komt immers door 't inkrimpen van de wanden der maag, die geen werkeloosheid kunnen verdragen."
»Ten minste als ze in haar normalen toestand zijn," hernam Gustaaf. »Doch kijkt eens uit; vindt ge dit landschap niet schoon?"
»Inderdaad prachtig!" riep Florence uit.
Te ~Hedel~, een dorp met 1400 inwoners en waarvan reeds in 840 gewag gemaakt wordt, stapte men in de voornaamste herberg uit en bestelde koffie, brood, boter en vleesch.
»'t Laatste hebben we niet, mijnheer," zeide de kastelein. »Wel heerlijke ham."
»Ook al goed, hospes," zei Ernst. »Dan maar een fermen schotel met gesneden ham; want je krijgt hongerige lui te gast."
Weldra stond er, behalve een kolossale koffiekan, een groote schotel met ham benevens brood en boter op tafel, en onze zes reizigers deden zich dapper te goed. Men kon 't merken, dat de frissche morgenlucht en de lange rit hun eetlust hadden opgewekt.
Van ~Hedel~ deden ze te voet een uitstapje naar ~Bruchem~ zoo wat midden in den ~Bommelerwaard~ gelegen, en dat met het dorp ~Kerkwijk~ en de heerlijkheid ~Delwijnen~, ongeveer duizend inwoners bevat. Alles was heerlijk bebouwd of leverde prachtige mollige weiden op, zoodat het oog met welgevallen op de afwisselende kleuren rustte, en ons zestal zeer tevreden over hun wandeling, in de uitspanning te ~Hedel~ terugkwam, waar men, na nog iets gebruikt en den kastelein betaald te hebben, 't rijtuig weer liet voorkomen, en steeds den ~Maasdijk~ over, naar ~Driel~ reed, een welvarend dorp, ook reeds vroeg en wel in de tiende eeuw bekend en vroeger door verscheidene adellijke sloten omringd. In zijn buurtschappen bevat het een bevolking van 2800 zielen. Van hier reden zij tot aan het dorp ~Rossum~, in den Noord-Oostelijken hoek van den ~Bommelerwaard~ gelegen, en waarbij het in 1816 gebouwde fort Sint-Andries ligt. De beruchte Maarten van Rossum, heer van ~Poederooien~, ligt hier begraven.
Hier lieten zij zich met de pont over de Maas zetten, om oom Frans te ~Whamel~, te bezoeken, die hen dien middag te eten gevraagd had, en wien zij beloofd hadden, aan zijn verzoek te zullen voldoen, mits hij zijn diner tot 's namiddags vier ure uitstelde; hetgeen tante Betje beloofd had. Te ~Dreumel~, aan den ~Waaldijk~ gelegen, stapten ze even uit, om er de prachtige, in 1838 ingewijde R. K. kerk te bezichtigen, met haar zwaar orgel en drie altaren, waarvan het hoofdaltaar, dat een rots voorstelt, een meesterstuk van kunst is. Spoedig kwamen zij aan het dorp ~Whamel~ aan, waar een gierpont over de Waal is, ze werden zoowel door oom Frans als tante Betje, ook door de neven en nichten hartelijk ontvangen, en hadden 't er zeer goed. Daar ze echter nog een heelen tocht te maken hadden, eer ze thuis waren, gingen zij terstond na het theedrinken weer op reis, reden andermaal over ~Dreumel~ naar 't veer van Sint-Andries, en nu over den ~Waaldijk~ naar huis. De tocht, welke bijna rechtuit ging, was slechts de helft van dien, van dezen morgen. Van ~Rossum~ reden ze over 't kleine ~Hurwenen~, met slechts 350 inwoners en een oud-adellijk huis, naar de stad ~Bommel~ of ~Zalt-Bommel~, reeds in 850 vermeld en in 1316 als stad voorkomende. Men hield zich echter hier niet op en reed door naar ~Gameren~, dat met het kleine ~Nieuwaal~ éen gemeente vormt en welks 1300 inwoners genoegzaam geheel van den aardappeloogst bestaan; terwijl een steenoven aan enkele andere brood verschaft. Van ~Gameren~ reden zij over ~Zuilichem~, waar vroeger een zwaar vierkant kasteel stond, dat in 1753 werd afgebroken en aan de in de geschiedenis wel bekenden Constantijn Huygens toebehoorde. In 1819 heeft de toenmalige eigenaar der heerlijkheid op den overgebleven voorburg een grooten ronden toren laten opbouwen en een kleineren zeskanten met bijgebouwen opgetrokken, waarbij de oude poort van het slot hersteld is. Daar 't echter reeds donker begon te worden, kon ons gezelschap er niet veel van zien. Het duurde niet lang, of ze waren te ~Brakel~, waar ze den dijk afreden en weldra thuis waren, zeer tevreden over hun tochtje, hetwelk hun een goed denkbeeld van den ~Bommelerwaard~ had gegeven. Eer we echter dit hoofdstuk sluiten, moet ik u nog even met de dijken en polders van den ~Bommelerwaard~ bekend maken.
Van het aan den ~Waaldijk~ gelegen ~Zuilichem~ loopt een dwarsdijk tot aan den ~Maasdijk~ nagenoeg halverwege tusschen ~Aalst~ en ~Poederooien~. Die dijk, de ~Meidijk~ genoemd en een kwartier gaans lang, verdeelt den ~Bommelerwaard~ in twee zeer ongelijke polderdistricten, bekend onder de namen, van »boven- en beneden den ~Meidijk~." Nog loopt er van ~Brakel~ tot ~Poederooien~ een andere, de ~Nieuwe-~ of ~Dwarsdijk~ genoemd, die beide polders van het ~Munnikenland~, een buitenpolder, waarop ~Loevestein~ gelegen is, scheidt. Dat ~Munnikenland~ loopt bij hoog water, ook met den geringsten ijsgang, onder.
VIERDE HOOFDSTUK.
De watersnood.
»Jongens, baas, wat is het buiten glad!" zeide vrouw Veen, toen ze met haar man de familie Veldhuis geluk kwam wenschen met den nieuwjaarsdag van 1861. Ze had haar jongste kind, een zuigeling van ongeveer drie maanden, op den arm, en haar oudste zoontje Jaap aan de hand. Klaas Veen, een ferme, stoere kerel, hield zijn oudste dochtertje Johanna en heur op haar volgend zusje Maartje bij de hand. Op éen na het jongste kind had ze zoo lang bij een buurvrouw gebracht, die haar beloofd had, er gedurende haar afwezigheid op te zullen passen. Want niet alleen zouden Klaas en zijn vrouw om alles ter wereld verzuimd hebben, den baas met vrouw en dochters, en den jongen baas en diens vrouw met nieuwjaar geluk te wenschen; maar ze vonden 't ook hun plicht, hun oudste kinderen mee te brengen. Of dat nu juist wel zulk een plichtgevoel was, dan of 't zijn oorsprong te danken had aan het kwartje, dat de oude vader Veldhuis, behalve de fooi welke hij aan Klaas gaf, ieder kind in de handen stopte, willen we liefst niet beoordeelen.
We vinden daar in de pronkkamer van Veldhuis een allerliefst familie-tafereeltje. 't Is er nu wel niet versierd, zooals voor acht maanden, en de tuin, waar 't zwart van den grond hier en daar met wat nog niet door den dooi gesmolten sneeuw wordt afgewisseld, staat kaal en treurig; daarbinnen is 't aangenaam warm: want de kachel wordt ferm gestookt. En hoewel 't anders geen gewoonte is, de arbeiders en hun vrouwen binnen 't pronkvertrek te laten, Jans en haar man maken hierop een uitzondering. Klaas toch is reeds als knaap in dienst van den ouden Veldhuis geweest, en moeder Veldhuis heeft Jans, die naar haar genoemd is, onder den doop gehouden. Daarom ook heeft Jans haar oudste dochtertje naar haar eigen peetmoeder vernoemd, die er tevens de conditie bij gemaakt had, dat ze geen Jans maar Johanna zou genoemd worden. En als nu 't petekind No. 2 jarig is, geeft juffrouw Veldhuis haar altijd een aardig cadeau, bestaande in 't een of andere warme kleedingstuk en met nieuwejaar wordt er een kwartje extra door moeder Veldhuis in Johanna's handje gestopt. Hun oudsten jongen hadden ze zoo gaarne naar vader Veldhuis genoemd; maar die was er niet op gesteld, zeide hij, en daarom had het kind den poëtischen naam van Jaap gekregen naar zijn grootvader van vaders zijde.
Doch we houden ons veel te lang op bij Jans en haar man en kroost. We zouden eens even een kijkje nemen in de ons bekende pronkkamer van de woning van vader Veldhuis. En inderdaad, die is wel een kijkje waard. Niet de bruin gepolitoerde meubelen, of de groote kom met brandewijn en rozijnen op de tafel, in welke een lepel, om die in de rondom staande glazen te gieten, en waaruit de geur van notemuskaat u te gemoet komt; maar 't groepje zelf, dat we daar zoo gelukkig en tevreden zien zitten.