Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874

Part 3

Chapter 34,014 wordsPublic domain

»Laten wij ons dagelijks afvragen, of wij onze plichten als Nederlanders jegens het Vaderland, Ik als Koning, gij mijne Heeren! als Vertegenwoordigers des Volks, allen hebben vervuld, en die Rechter, die in ons binnenste is, dien niemand verloochenen kan, zal ons den weg wijzen tot handhaving der eer, tot bevordering van het heil des Lands.

»Onze rustige houding in deze bewogene tijden heeft ons niet slechts behoed voor groote rampen; zij heeft ook het aanzien des Rijks vermeerderd; want zij heeft de bewondering van alle beschaafde volken tot zich getrokken.

»Ik verbind mij aan een Volk, grooter in deugden dan in het bezit van een uitgestrekt grondgebied; krachtiger door eensgezindheid dan door zielental. Het is een grootsche roeping, koning van zulk een volk te zijn."

Hierop staat de koning op en legt blootshoofds en met luide duidelijke stem den eed af:

»Ik zweer aan het Nederlandsche Volk, dat ik de Grondwet van het Rijk steeds zal onderhouden en handhaven.

»Ik zweer, dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de rechten mijner onderdanen zal beschermen en tot instandhouding en bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wetten te mijner beschikking stellen, zooals een goed koning schuldig is te doen. Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!"

Na 't uitspreken van dien plechtigen eed, zet de koning zich weder op zijn zetel en nadert de Voorzitter van de Eerste Kamer, als president van beide Kamers, den troon; zeggende:

»Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandsche volk en krachtens de Grondwet, U als koning; wij zweren, dat wij uwe onschendbaarheid en de rechten Uwer kroon zullen handhaven; wij zweren alles te zullen doen, wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn te doen.

»Zoo waarlijk helpe ons God Almachtig!"

Nadat deze plechtige verklaring door den voorzitter der Tweede Kamer en door de leden van beide Kamers hoofd voor hoofd beëedigd is geworden, zwaait een der wapenkoningen zijn schepter, en roept met luider stem, zoodat het door 't geheele gebouw klinkt:

»Zijne Majesteit, koning Willem de derde is ingehuldigd! Leve de koning! Leve de koning! Leve de koning!"

»Leve de koning! Leve de koningin!" roepen we met de vierduizend menschen, die zich in de kerk bevinden. Daar blazen de trompetters 't geliefd Wilhelmus, het orgelspel doet vaderlandsche liederen hooren, de beide wapenkoningen begeven zich buiten de kerk, om strooipenningen onder 't volk te werpen, de vier herauten springen te paard en gaan, ieder vergezeld van een commando cavalerie, naar verschillende plaatsen der stad, om ook daar die penningen onder de menigte uit te strooien.

Het duurde een heelen tijd, eer onze jongelieden de kerk uit waren. Toch hoorden ze nog de klokken spelen en de saluutschoten lossen.

»En nu moeten we zien, dat we een strooipenning machtig worden!" zeide Gustaaf.

»Dat zal zoo gemakkelijk niet gaan, Gustaaf," zeide Margot. »'t Zal nog al een erg gedrang zijn."

»Ja, die eksteroogen heeft of bang is voor zijn glimmende laarzen, behoeft zich niet bij de herauten te wagen," hernam Gustaaf. »U en Florence is 't niet geraden, zich in 't gedrang te begeven, evenmin als Bernard, die aan geen ~Amsterdamsche~ standjes gewoon is. Laat ons dus maar eens opwandelen en de aanstalten voor de illuminatie van dezen avond zien. Komen we dan toevallig op een plaats, waar een heraut penningen uitstrooit, dan zal ik mij wel alleen in 't gedrang begeven. Intusschen past Bernard op de beide dames."

»Of wij op hem," zeide Margot lachend. »Zoo'n buitenman heeft in de drukte meer oppassing noodig dan wij."

Inderdaad was Gustaaf zoo gelukkig, door 't ophouden van zijn hoed zes bronzen strooipenningen machtig te worden. Nu had ieder er een; de beide andere bestemde hij voor mama en oom Henri.

De strooipenningen (er waren ook zilveren onder) waren iets grooter dan een halve cent. Aan de eene zijde was een geopende grondwet, waarop stond: _Grondwet, art. 50, 51_ en _52_. Zij lag in een eikenkroon en rustte op een kruis, gevormd door het rijkszwaard en den schepter, waarboven een koninklijke kroon. Op de andere zijde stond: _Willem III, Koning der Nederlanden, ingehuldigd XII Mei MDCCCXLIX._

* * * * *

»Nu, oom, gij hebt ons een heerlijke plaats bezorgd!" riep Margot kapitein de Bosson te gemoet, toen hij kort na hen bij zijn zuster thuiskwam, om te dineeren.

»Zoo, Margot, dat doet me genoegen," antwoordde oom Henri. »Je hebt dus alles goed kunnen zien en hooren?"

»O, perfect," antwoordde Margot. »'t Was geducht vol; maar daar we vooraan zaten, kon ons niets ontgaan. Tante en mama zijn zoo gelukkig niet geweest; want daar de tribune, waarvoor haar kaarten waren afgegeven, vol was, hebben ze zich met een plaats achteraf moeten vergenoegen."

»Dat is jammer," antwoordde de kapitein. »Doch ze hebben in 't lot van zoovelen gedeeld. Er zijn meer heeren en dames geweest, die niet op hun plaatsen hebben kunnen komen. Trouwens, bij zulke gelegenheden heerscht er wel eens meer wanorde. Intusschen doet het mij genoegen, dat gij allen hebt kunnen zien. Voor jongelieden is zoo'n plechtigheid een herinnering voor 't gansche leven."

»En we hebben zes strooipenningen machtig kunnen worden, oom," zeide Gustaaf. »'t Heeft mij wel een paar platgetrapte teenen gekost; dat is echter minder. Mag ik u er een offreeren?"

»Heel gaarne. Dank u, Gustaaf," antwoordde de kapitein; terwijl hij den penning aannam. »'t Is jammer, dat ge er geen zilveren hebt kunnen opvangen."

»Nu oom! Een zilveren!" riep Gustaaf lachend uit; »ik mag inderdaad van geluk spreken, dat ik een bronzen heb. Ik hield mijn hoed op, en moest mij nog geducht weren ook: want tien handen tegelijk wilden mij den buit ontrukken. Als er hier zoo iets te doen is zijn de Amsterdammers hachjes."

»Ja, dat zijn ze. Dat heb ik ondervonden," zeide de kapitein.

Op dit oogenblik kwam mevrouw de Winter binnen en noodigde de familie aan tafel.

Onder den maaltijd werd er druk gesproken over 't geen men gezien had, ook over de plannen om dien avond de illuminatie te gaan zien. Tante de Bosson was over de slechte plaats welke zij dien morgen in de kerk gehad had, geheel en al uit haar humeur en had geen lust om naar de illuminatie te gaan kijken. Er werd dus bepaald, dat de kapitein, die dezen avond vrij had, met mevrouw de Winter, Bernard met Margot en Gustaaf met Florence te zamen zouden gaan, om de voornaamste punten te zien. Van een open rijtuig, 't geen de kapitein voorstelde, wilde mevrouw de Winter niet hooren. Ze was in zulk een drukte veel te bang om te rijden, daarenboven ging zij liever te voet; omdat men dan meer kon zien. En zoo werd het plan tot een wandeling door de verlichte stad goedgekeurd.

't Was een schitterende illuminatie op dien Zaterdagavond in de hoofdstad des Rijks. Zoowel van stadswege als van de zijde der burgers was alles aangewend, om die prachtig te doen zijn. Waar men ging, overal bevond men zich in een zee van licht, dat met het groen en de draperieën der gevels, alsook met de tallooze vlaggen een allerfeestelijkst tooneel opleverde. Duizenden bij duizenden, inwoners zoowel als vreemdelingen, waren er op de been, een echt nationale vreugde heerschte onder die allen. Vaderlandsche liederen werden er gezongen, ~Oranje~ en ~Nederland~ was de leus. 't Was merkwaardig te zien, hoe, terwijl nog zoo kort geleden in andere landen de vlammen des oproers in de hoofdsteden van Europa gloorden, hier op den ~Kadijk~ en ~'t Kattenburg~ vreugdevuren werden gebrand ter eere van Neerlands geliefden koning, hoe, terwijl elders oproerige liederen werden aangeheven, hier 't Wilhelmus, 't Wien Neerlandsch bloed, en andere vaderlandsche gezangen uit volle longen schalden, en hoe, terwijl ginds de kreet: »Weg met den koning!" weerklonk, geen andere toon werd gehoord dan »Oranje boven! Leve koning Willem III!"

En toch wist niemand nog, wat Willem de derde voor een koning wezen zou; niemand kon voorspellen, of zijn regeering tot zegen of tot straf, tot heil of tot onheil van 't land zou zijn. Maar Willem de derde was een vorst uit het geliefde stamhuis, welks zonen goed en bloed voor 't lieve Vaderland hadden opgeofferd, een stamhuis, sedert bijna drie eeuwen aan ons door de onverbreekbaarste banden verknocht, en daarom juichte ~Amsterdam~, en met ~Amsterdam~ geheel Nederland, dat het stamhuis van Oranje-Nassau niet was uitgestorven, maar 't een vorst bezat, om zijn kroon te dragen, den schepter over zijn volk te voeren.

»O, hemel! ma! Bernard is van mij afgeraakt!" riep Margot doodelijk verschrikt uit, toen men op de Muntsluis in een vreeselijk gedrang was geweest. Kapitein de Bosson, die met zijn zuster vooruitging, was 't eerst uit het gedrang en stond nu op een stoep op 't Schapenplein de andere op te wachten; weldra voegden zich Gustaaf met Florence bij hen--het duurde echter eenige minuten, eer ze iets van Margot vernamen, die met Bernard de achterhoede had uitgemaakt. Daar kwam ze geheel ontdaan zich aan de menigte ontworstelen, keek angstig rond, en werd haar gezelschap spoedig op den stoep gewaar. Radeloos was ze op hen aangesneld, en uitte den kreet, dien we haar hoorden slaken.

»Bernard van u afgeraakt. Goede Hemel!" riep mevrouw de Winter uit. »En hoe is dat gekomen, Margot?"

»Door 't vreeselijke gedrang, ma!" antwoordde Margot. »We konden elkander niet meer vasthouden. Ik dacht niet anders of we raakten onder den voet. Ik gilde 't uit van angst. Toen ik weer adem kon halen, miste ik Bernard."

»Als hij maar niet gevallen is!" riep Florence uit.

»We willen hopen van neen," merkte de kapitein aan. »Blijft mij hier even wachten, dan zal ik de ~Muntsluis~ opgaan, en zien of ik hem daar of op de ~Reguliersbreestraat~ vind. De knaap is hier vreemd, en zal waarschijnlijk, door 't gedrang meegesleept, op een plaats blijven wachten, waar hij vrij staat."

»Doe zoo, Henri," zeide mevrouw de Winter.

En de kapitein ging de ~Muntsluis~ weer op. Na geruimen tijd gewacht te hebben, zag men hem terugkomen maar zonder Bernard.

»Ik heb overal rondgekeken, maar hem niet kunnen vinden," zeide hij.

»Als hij maar niet onder den voet geraakt is," zeide mevrouw de Winter.

»Daarover behoeft ge u niet ongerust te maken. Als dat gebeurt, gaat het zoo stil niet in zijn werk, en zou ik er dus dadelijk iets van vernomen hebben. Zeer waarschijnlijk is hij, in de meening van u en Margot te volgen een verkeerden kant opgegaan."

»We moesten maar naar huis gaan," zeide mevrouw de Winter. »Ik heb nu toch geen lust meer om te kijken. Dat ook zoo iets moest gebeuren!"

»Hoor eens, zusje," zei de kapitein. »Naar huis gaan, zou de grootste dwaasheid zijn, die er bestaat, Bernard is geen klein kind en zal dus zijn weg wel vinden. Hij weet zeer goed, dat gij vooreerst nog niet thuiskomt, en zal dus, als ik hem wel ken, de zaak nemen zooals zij is en wat op eigen gelegenheid rondloopen eer hij de weg naar huis vraagt. Uw kinderen en Florence zullen nog graag wat van de illuminatie zien. Er is altijd nog mogelijkheid, dat we den jongen hier of daar bij 't een of andere groote stuk ontmoeten. Doch dan moeten we de Muntsluis weer over. Margot kom jij aan mijn linkerarm."

Mevrouw de Winter begreep, dat de raad haars broeders de beste was. Men drong dus de ~Muntsluis~ weer over en ging de ~Reguliersbreestraat~ op. Doch hoe zou men in zulk een volte Bernard vinden? Dat was wel niet zeer waarschijnlijk. Het ongeval had allen van het pleizier van den avond beroofd; want, al was men nu niet bang, dat Bernard juist een ongeluk zou krijgen; 't was toch onaangenaam, dat hij van hen was afgeraakt en men was er verzekerd van, dat hij die onbekend was in ~Amsterdam~, zeker de tiende part niet zien zou. Vooral mevrouw de Winter was geheel en al neergeslagen.

»Hoor eens, Henri," zei ze eenigen tijd daarna tot haar broeder. »Mijn genoegen is geheel en al over. Brengt mij met u vieren naar huis, en ga gij dan nog eens met de kinderen kijken."

»Zooals ge wilt," antwoordde de kapitein. »Maar wat is 't, Margot? Waar moet je heen?"

Het meisje had zich eensklaps van hem losgerukt, een oogenblik daarna kwam ze zegepralend met haar gebochelden cavelier terug. Terwijl ze stilstonden, had haar scherp oog bemerkt, hoe de knaap blijkbaar zoekende onder de menigte voortsukkelde. Ze had zich eensklaps van haar oom losgemaakt en was den zoekende achternagesneld, dien ze luid jubelend terugbracht.

»Hier heb ik den deserteur, kapitein," zei ze tegen haar oom. »Wat vonnis velt de krijgsraad over hem?"

»Dat hij u vast moet houden in plaats van jij hem; verder is hij veroordeeld, om voortaan 't centrum uit te maken, opdat hij ons niet ten tweeden malen ontloope."

Mevrouw de Winter was nu ten volle gerustgesteld, en stemde er in toe, om nog verder te zien. Men begaf zich echter eerst naar Hartman, om wat ijs te gebruiken en een weinig uit te rusten. Daar er verder dien avond niets bijzonders gebeurde, en het geval met Bernard, nu 't zoo goed afgeloopen was, meer stof tot pret gaf, dan 't vroeger de vreugde verstoord had, melden we alleen, dat de familie vrij laat en braaf vermoeid thuiskwam; doch uiterst tevreden over de wandeling was.

Den volgenden dag werden er in de kerken der onderscheidene godsdienstige gezindheden dankzeggingen en gebeden ter gelegenheid van de plechtigheid van den vorigen dag opgezonden. De koning, de koningin en de geheele koninklijke familie woonden de voormiddaggodsdienstoefening bij in de Westerkerk, onder 't gehoor van Ds. Wildschut. En 't was met dien bedestond, dat het werk der inhuldiging, met den plechtigen intocht in de hoofdstad aangevangen, voleindigd was. Ook wij eindigen hiermede dit hoofdstuk en rekenen ons gelukkig, dat we, na vijfentwintig jaren, die plechtige gebeurtenis voor 't nu levende aankomende geslacht hebben mogen beschrijven.

DERDE HOOFDSTUK.

Een zilveren bruiloft in de Bommelerwaard.

We treden elf jaren later, op den vroegen morgen van den elfden Mei 1860, een der grootste boerderijen van het eiland tusschen ~Maas~ en ~Waal~, den ~Bommelerwaard~, binnen. De boerderij behoort tot het dorp ~Brakel~, en ligt dicht bij den dijk, tusschen dat dorp en 't meer oostwaarts gelegen ~Zuilichem~; men kan het aan alles bemerken, dat de boer rijk is. Daarenboven zullen we, wanneer we haar binnentreden, terstond bespeuren, dat, hoewel al wat tot het boerenbedrijf behoort hier in de uiterste orde is en door zijn keurigheid den rijkdom des eigenaars vertoont; we in de huis- en andere vertrekken een smaak en een geest vinden, die er van getuigen, dat de eigenaar der boerderij en zijn vrouw in hun jeugd een steedsche opvoeding genoten hebben. Immers, we vinden er niet die bonte, schreeuwende kleuren, die misplaatsing van somtijds prachtige meubelen, die overlading van ornementen, zooals men ze in andere boerenhuizingen aantreft; maar iets steedsch, iets comfortabels, ja, men zou zich bijna verbeelden, in de stad verplaatst te zijn, wanneer de blik naar buiten ons niet herinnerde, dat we ons op het land bevinden. Een en ander zal u niet verwonderen, als ik u zeg, dat deze woning het eigendom is van Ernst Veldhuis, wiens vrouw de eigen zuster is van mevrouw de Winter. Hij is zoo wat een heereboer en beiden zijn in een stad grootgebracht. Ernst had in zijn jeugd zin om boer te worden, en is door zijn vader op de landbouwkundige school te ~Groningen~ gedaan, waar hij zich voor zijn vak gevormd heeft. Toen, nu ruim vijfentwintig jaren geleden, deze boerderij te koop kwam, heeft hij haar gekocht. Ze zag er destijds echter heel anders uit dan nu. Naast het oude, sombere huis heeft hij in later jaren dit laten bouwen en 't andere laten afbreken. En zoo vinden we hier een tweeslachtig gebouw: van voren heerenhuis, van achteren boerderij, met al de zaken welke daartoe noodig zijn.

We weten er nu genoeg van, om het huis zelf binnen te treden en begeven ons naar de zoogenaamde pronkkamer, een ruim hoog vertrek met modernen schoorsteenmantels en glazen deuren, die met spanjoletten gesloten worden en toegang schenken tot een vriendelijk aangelegden bloemtuin. Een man van zesentwintig jaren, eenigszins contrefait, staat op een trapladder, en is bezig, hier en daar uiterst fijne duimpjes in de balkstukken te slaan, waaraan hij slingers van groen met bloemen doorstoken vasthecht. Een jeugdige vrouw, ruim een jaar jonger dan hij, met den blos der gezondheid op de frissche wangen en den schalkschen lach van 't geluk op 't gelaat, helpt hem. Twee andere meisjes van eenentwintig en twintig jaren, kennelijk zusters, zoo sprekend gelijken zij op elkander, zijn bezig den spiegel te versieren, terwijl een jongman van tweeëntwintig jaren, wiens kleeding tusschen die van een boer en een stedeling is, bloemen steekt in de slingers, welke op de net geschuurde gele steentjes voor de kamer liggen.

Wie die personen zijn! Slechts twee kennen wij er van. Hij, die op den trapladder staat, is onze oude kennis, Bernard Veldhuis, sedert een jaar predikant op een klein dorp in Gelderland; die hem helpt, is zijn vrouw, Margot de Winter, met wie hij, toen hij zijn dorp betrok, gehuwd is; dezelfde, die hem terugvond, toen hij bij de illuminatie was weggeraakt. Bernard is geworden, wat hij reeds in zijn jeugd deed verwachten, een zeer knap degelijk mensch, en men houdt het er voor, dat hij, wanneer hij slechts lang genoeg op zijn dorpje gestaan heeft, wel spoedig een ander beroep zal krijgen. De twee, die den spiegel versieren, zijn Bernards zusters Truda en Netje. Beide meisjes hebben, even als haar broeders, in ~Bommel~ school gegaan en zijn daarna nog twee jaren op een goede kostschool geweest. Hij, die zich met het versieren der slingers bezighoudt, is Frits Veldhuis, die eens zijn vader in de boerderij zal opvolgen en er nu reeds deel in heeft. Zijn vrouw, want hij is reeds meer dan anderhalf jaar gehuwd, zit in een andere kamer, waar ze haar kleinen Ernst aankleedt. Straks, als het kind gereed is, zal ze 't aan de meid overgeven, en wel hier komen, om te zien, of ze een handje helpen kan. De reden waarom alles zoo versierd wordt, is, dat op morgen 12 Mei vader en moeder hun zilveren bruiloft vieren.

»Hoor eens, Bernard," zegt Frits. »Ik heb geen bloemen meer, en Net en Truda hebben den tuin zoo geplunderd, dat er geen enkele meer te vinden is."

»Wacht dan maar wat," antwoordt Margot. »Jans heeft me beloofd, ons nog wat bloemen te bezorgen."

Jans? vraagt ge. Zou dat de vroegere dienstmaagd van mevrouw de Winter zijn? Ja, dat is ze. In den zomer van 't zelfde jaar, toen we haar voor 't eerst ontmoetten, kreeg zij verlof, om haar ouders te gaan bezoeken, en daar een dag of wat te logeeren, en toen ze terugkwam, had ze tegen haar meesteres gezegd: »Hoor eens, mevrouw, u moet het mij niet kwalijk nemen, maar ik heb thuis een vrijer opgedaan."--»Zoo, Jans," had mevrouw geantwoord, »en wat is dat voor een soort van vrijer?"--»Welnou," had Jans geantwoord, »een boerenknecht, mevrouw, die bij uw broer Veldhuis werkt, een knappe, brave borst. En als mevrouw 't nu goedvindt, dan hadden we afgesproken, om 't volgende voorjaar te trouwen!"--»Nu, Jans, ik heb daar niets tegen, ofschoon 't me zal spijten, als ik je zal missen. Maar eerst zal ik eens aan mijn broer schrijven, om te weten, wat voor een knaap uw aanstaande is: want ik zou niet graag hebben, dat je in je ongeluk liept."--»O, dat kan mevrouw gerust doen; zijn naam is Klaas Veen."--En mevrouw de Winter had onderzoek gedaan, en Jans was in 't voorjaar van 1850 vrouw Veen geworden en ze woonde nu met haar man en vier kinderen in een aardig huisje op eenigen afstand van de woning van baas Veldhuis, bij wien Klaas echter nog in 't werk was; want van knecht was hij arbeider geworden, en ik moet u zeggen, dat hij een oppassend man was, en hij en zijn vrouw bij de familie van zijn baas zeer gezien waren. Om u nu verder op de hoogte te brengen van 't geen er in de tien jaren met onze oude kennissen gebeurd was, moet ik u meedeelen, dat de oude tante de Bosson sedert drie jaren dood was, dat Gustaaf makelaar in effekten en met zijn nicht Florence gehuwd was, en dat mevrouw de Winter nog altijd haar huisje op de Heeregracht bewoonde, doch om de gezelligheid een juffrouw van gezelschap had genomen, een officiersdochter en een zeer beschaafd meisje, Emma Kellner, die zich bij de geheele familie zeer bemind had weten te maken. Kapitein de Bosson was sedert twee jaren gepensionneerd: zijn oudste zoon August was op de militaire academie te ~Breda~, zijn jongste, Emile, was bij hem aan huis, en (want hij woonde tegenwoordig in Amsterdam) bij Gustaaf op 't kantoor. Ge bemerkt wel, dat we er eenige nieuwe kennissen bij gemaakt hebben. En zoo zijn we nu na tien jaren geheel en al op de hoogte van de familie, van welke we er in onze vorige hoofdstukken eenige leerden kennen.

»Hoe laat komt tante, Margot?" vroeg Truda aan haar nicht en schoonzuster.

»Dat weet ik niet," antwoordde Margot. »Mama heeft mij geschreven, dat ze met de Rijnspoor uit ~Amsterdam~ zou vertrekken en dan naar ~Gorkum~, waar ze wel gelegenheid zou vinden om hier te komen."

»Een lastige reis," zeide Ernst. »Waarom is ze niet over ~Rotterdam~ gegaan; dan was ze met de Nijmeegsche boot hier vlak voor den dijk aangeland."

»Nu, die reis zou nog vrij wat lastiger zijn geweest," oordeelde Margot. »Dan had ze den nacht in ~Rotterdam~ moeten overblijven."

»En een grooten omweg moeten maken ook," voegde Bernard er bij. »Zooals ze nu de reis doet, is die veel beter. 't Zal echter zoo lang niet meer duren, of de reis herwaarts en door 't geheele land wordt vrij wat gemakkelijker!"

»Hoe meen je dat, Bernard?" vroeg Netje.

»Wel, nu de wet op de staatsspoorwegen is aangenomen. Weet je wel, dat we dan door den tijd een brug over de Waal krijgen?"

»Die spoorwegen zullen duiten genoeg kosten," zeide Ernst. »Eenige millioenen, naar ik hoor."

»En toch zullen ze een zegen voor handel, nijverheid en akkerbouw zijn," hernam Bernard. »'t Is nu elf jaren geleden, sedert we koning Willem den derden te ~Amsterdam~ zagen huldigen, Margot. En in dien tijd is er al wat gebeurd. Daar heb je vooreerst in 't jaar '52 het voltooien van de droogmaking der ~Haarlemmermeer~. Dat land heeft wat geld aan 't Rijk opgebracht."

»Maar ook geld genoeg gekost," hernam Ernst. »Sakkerloot! daar zijn wat duiten mee heengegaan."

»Vergeet echter niet, dat die droogmaking driedubbele voordeelen oplevert Ernst," hernam Bernard. »Vooreerst is daardoor 't nationale kapitaal aanzienlijk vermeerderd, ten tweede is er een groot terrein voor akkerbouw en veeteelt aangewonnen, en ten derde brengen dat land en de gebouwen die er op gezet zijn, jaarlijks vrij wat in de belastingen op."

»Daar heb je gelijk in, Bernard," hernam Ernst. »En wat is er dan nu meer onder de regeering van koning Willem den derden gebeurd, dat je die zoo roemt?"

»De wet op de rijkstelegrafen, zoo onmisbaar voor een goede correspondentie met het buitenland, vooral voor den handel van groot gewicht."

»Wat hebben wij daaraan?" vroeg Truda.

»Wat wij er aan hebben?" hervatte Bernard. »Nu eenmaal de wet er door is, wordt het telegraafnet langzamerhand meer en meer uitgebreid, en zullen we spoedig zien, dat men voor weinig geld naar alle oorden van ons land in onbegrijpelijk korten tijd allerlei soort van berichten kan zenden."

»Maar 't kost allemaal zooveel geld," zeide Ernst. »En de belastingen zijn toch al zoo hoog. Waarom geen vermindering van lasten?"

»En dat zegt een landbouwer, die zijn producten reeds zooveel duurder verkoopt dan vroeger! Laat het spoorwegnet maar eens klaar zijn, en de landbouwproducten zullen nog meer stijgen. Daarenboven, wat klaagt gij, landlieden, over de belastingen? Je moest eens in ~Amsterdam~ of andere groote steden wonen; dan zou je anders praten. Uw land, uw producten zijn ontzaglijk in waarde vermeerderd, en uw belastingen zijn genoegzaam 't zelfde gebleven."