Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874

Part 2

Chapter 23,875 wordsPublic domain

Intusschen schaart zich de stoet en trekt tot aan de prachtig versierde Willemspoort. De façade naar 't station is op smaakvolle wijs met guirlandes van vlaggen, met de kleuren van ~Nederland~, ~Oranje~ en ~Wurtemberg~ en met veelvuldig groen gedrapeerd. Boven op de poort is een fraaie tropee van oranjedoek aangebracht, rondom lange wimpels, op den top door een lauwerkrans bijeengehouden. Aan weerszijden van den ingang staan allerlei soorten van bloemen en gewassen; o. a. twee schoone oranjeboomen, met tal van vruchten beladen.

Aan de Willemspoort, het eigenlijke begin der stad, staan Burgemeester en Wethouders, benevens de Leden van den Raad der Hoofdstad. De burgemeester, de heer P. Huidecoper, verwelkomt Z. M. uit naam der burgerij, geeft de vreugde der ingezetenen te kennen over Z. M. komst in de hoofdstad des Rijks, en verzekert den koning, dat geheel ~Amsterdam~ deelneemt in het feest, hetwelk het thans viert. Koning Willem III beantwoordt die toespraak kort, maar hartelijk.

Zulke toespraken zijn behoorlijk, ze zijn heel interessant voor wie er dicht bij staan, voor de wachtenden op straten en grachten zijn ze vrij vervelend; daar ze het oogenblik verschuiven, waarop men den lang gewenschten stoet ziet. Eindelijk--daar komt hij. Let nu goed op.

Eerst een commando cavalerie. Dat is niet alleen statig, maar ook goed om wat ruimte te krijgen voor den stoet. Langzaam en deftig rijden ze daar voort, die mannen te paard. Aan hun hoofd de trompetters, die de lucht van het geliefde Wilhelmus doen weergalmen. Dan komt de helft der eerewacht te paard, bestaande uit jongelieden van aanzienlijken huize. Wat zien ze er keurig uit, zoo deftig in 't zwart en met witte vesten, hun karmozijnrood fluweelen sjerpen met witte zijden randen afgezet en wier slippen in zilveren franjes eindigen, om 't lijf gestrikt. Op hun hoeden hebben ze een grooten oranjestrik, waarin de zwarte en roode kleuren van ~Wurtemberg~; daarin een sierlijk gedreven zilveren lauwerkrans, met een koninklijke kroon getooid, en in haar midden de naamcijfers van Hunne Majesteiten.

En nu de hoofdpersoon van den optocht: Koning Willem de derde, een statige, fiere gestalte, gekleed als generaal der infanterie, versierd met de grootkruisen zijner ridderorden en gezeten op een fraai appelgrauw ros. Naast hem de prinsen Frederik en Hendrik, en daarachter het militaire huis des Konings en de adjudanten van Hunne Koninklijke Hoogheden. Achter dezen stoet, die onder 't onophoudelijk geroep van: »Hoezee! Leve de koning! Leve Willem de derde!" voortrijdt, komt een koets met twee paarden bespannen, waarin de grootmeester van de koningin en de kamerheer van dienst. En daarop; men hoort het wel aan 't nieuwe gejuich dat er oprijst en nu den kreet: »Leve de koningin! leve de prinsen!" doet hooren, de statiekoets met zijn acht appelgrauwe schimmels. Voor op de koets, ter zijde van den koetsier, staan vier keurig uitgedoste pages. De koningin is in 't wit satijn gekleed; tegenover haar zitten de beide jonge prinsen, Willem en Maurits.

Het derde rijtuig, waarin mevrouw Falck, een dame du palais en twee hofdames van H. M. gezeten zijn, wordt gevolgd door de andere helft van de eerewacht, een commando cavalerie en het bataljon schutterij met vol muziek. De trein gaat den Haarlemmerdijk tot aan de Heerenmarkt. Eensklaps wordt er bevel gegeven, om stil te houden; de trompetters zwijgen, de muziek verstomt. Daar verheffen zich eenvoudige doch liefelijke kinderstemmen; 't zijn de weezen der Hersteld-Evangelisch Luthersche gemeente, die voor 't gesticht staan, waarin ze verpleegd worden. Ze zingen:

»Welkom, welkom, Neerlands Koning, Welkom, in de stad aan 't IJ! Grijzen, weezen in deez' woning, Vieren blijde feestgetij. Nu ge, o Vorst! wordt ingehuldigd, Zijn wij, Weezen, ook verschuldigd, Om te bidden tot den Heer: Daal met Uwen zegen neer!

Ja, wij doen het, Neerlands Hoeder! Allen, allen één van zin; Bidden ook voor Neerlands Moeder, Onze dierbre Koningin. God spaar lang Uw beider leven; Roem moog' Uwen troon omgeven. En de liefde van Uw volk, Zij daarvan de minste tolk."

Met eenige toepasselijke woorden reikt nu een der weeskinderen aan Hunne Majesteiten een in goud gedrukt exemplaar van dit vers over. We volgen den trein niet verder, die eerst om halfvijf op den ~Dam~ komt, waar de vorstelijke familie zich op 't balkon van 't paleis aan 't in geestdrift ontbrande volk vertoont.

[Illustratie: _Tresling & Co Hof-Lith Amst._]

Daarop begeven zich twee wapenkoningen en vier herauten (die van ~Nederland~, van ~Oranje~, van ~Limburg~ en van ~Luxemburg~) vergezeld van rijknechts van Z. M. en van detachementen cavalerie, naar de groote pleinen en de voornaamste straten der stad, waar zij de aanstaande plechtigheid op morgen den volke luide verkondigen.

En hiermede liep deze eerste dag ten einde. Ofschoon het 's morgens van tijd tot tijd geregend had en de straten alles behalve zindelijk waren, was er toch gedurende den geheelen tijd, dat de optocht duurde, geen druppel regen gevallen.

't Was ruim vijf ure, toen onze vier jongelieden thuiskwamen. Trouwens mama had daarop gerekend en tegen Jans gezegd, dat van middag 't eten niet vóór zes ure op tafel behoefde te staan. Ze hadden dan ook alles goed opgenomen, en daar hadden ze gelijk in gehad; want zulke zaken komen niet alle dagen voor.

»Nu raadt ge nooit, wier er zooeven in de stad is gekomen, Florence," zeide mevrouw de Winter tegen haar nichtje, toen ze binnenkwam.

»Ja, tantelief, hoe zou ik dat kunnen raden?" vroeg Florence. »Er zullen vandaag misschien nog tal van vreemdelingen in ~Amsterdam~ zijn gekomen. 't Is zeker een Hagenaar, en een kennis van mij."

»Natuurlijk, en een heel goede kennis ook!"

»Toch niet, papa?"

»Juist, broer Henri," antwoordde tante.

»En hoe is die zoo onverwachts gekomen?" vroeg Florence. »Gisteren was daarop geen plan."

»Zooals gij weet zijn er van morgen een compagnie grenadiers en een dito jagers per spoortrein gearriveerd, die morgen de eerewacht aan de Nieuwe kerk moeten vervullen. Daar nu de kapitein van de compagnie grenadiers eensklaps ongesteld was geworden, heeft uw papa met hem geruild en in zijn plaats 't commando op zich genomen."

»O, dat is heerlijk!" riep Florence uit. »Dat is een verrassing. Misschien heeft papa nu wel gelegenheid, om ons in de kerk te brengen." »In alle gevallen kunt gij er stellig op rekenen, dat hij u een goed plaatsje buiten het kerkgebouw zal verschaffen," antwoordde mevrouw de Winter. »Hij is er echter nu op uit, om te zien, of hij ook toegangsbewijzen tot de kerk krijgen kan."

»Dus komt hij hier eten!" zeide Margot.

»Stellig," antwoordde mevrouw de Winter. »Hij was hier al vroeg. Toen hij echter hoorde, dat we om de gelegenheid zoo laat aten, is hij zijn boodschap maar vóór het diner gaan verrichten."

Het duurde echter niet lang, of kapitein de Bosson kwam thuis. Hij had niet meer dan twee kaarten voor de tribune kunnen machtig worden, die voor mevrouw de Winter en tante de Bosson bestemd werden; hij beloofde echter de vier jongelieden in de kerk op de galerij te zullen bezorgen. Hij had vernomen, dat dit wel gaan kon, mits ze heel vroeg op ~den Dam~ waren.

Ge begrijpt wel, dat ons viertal dien Vrijdagavond niet stil thuis bleef. Daar was zoo'n drukte op de straat en er was nog zooveel te kijken, dat ze tamelijk laat thuiskwamen.

»En nu van avond vroeg naar bed," zei mevrouw de Winter, die wel zag, dat Florence en Bernard, minder gewoon aan de Amsterdamsche einden en Amsterdamsche keien, doodmoe waren. »We zullen 't souper laten opzetten, en dan gauw in de veeren gekropen--morgen wacht u weer een vermoeiende dag."

»Wat mij aangaat, tante," zeide Bernard. »Ik zal niet soupeeren. 't Was van middag zeven uren vóór we van tafel opstonden; ik heb volstrekt geen behoefte aan iets."

»Ik evenmin," voegde Florence er bij. »Daarenboven ben ik te moe om te eten. We hebben dan ook vandaag onze beenen 't noodige werk gegeven. We hebben wat afgeloopen!"

»En dan van morgen een heelen tijd gestaan," zeide Margot. »Dat rekent ook mee. Ik ten minste verlang naar bed."

»En ik ook," hernam Florence.

Daar alle vier betuigden, geen trek in eten te hebben en vrij wat meer lust te gevoelen, om zich in de armen van Morpheus te werpen, zeide mevrouw de Winter:

»Welnu, als dat het geval is, dan maar met de kippen op stok. Morgen is 't vroeg dag!"

TWEEDE HOOFDSTUK.

's Konings inhuldiging.

»O, wat prachtig weer! Wat scheelt dat bij gisteren!" riep Margot den volgenden morgen uit, toen ze met Florence beneden kwam, om te ontbijten.

»En 't mooist van alles is, dat we 't zullen houden," zeide Bernard met die zekerheid, waarmede een buitenman over 't weer praat.

»Dat zal heerlijk komen voor de illuminatie van heden avond, die prachtig belooft te zijn," zeide Gustaaf.

»Goeden morgen, ma! Goeden morgen, tante!" klonk het, toen mevrouw de Winter binnentrad.

»Goeden morgen, kinderen!" zeide deze, terwijl ze de meisjes een kus en den jongens een hand gaf. »Zooals ik bemerk, reeds vroeg uit de veeren. En al gekleed en gereed! Nu, ge moet vooral niet te laat komen. Oom Henri heeft het mij nog zoo op 't hart gedrukt, toen hij van morgen vertrok."

»Is papa dan al weg!" riep Florence uit. »Moest hij zoo vroeg naar de kazerne?"

»Natuurlijk," antwoordde mevrouw de Winter. »Bij zulke gelegenheden is 't voor heeren militairen vroeg dag."

»En voor ons ook, mama," zeide Margot. »Als u het dus goedvindt, moesten we maar gaan ontbijten."

»Zoo'n vreeselijken haast hebt ge nu juist niet," hernam mevrouw de Winter, terwijl ze op de pendule keek. »Als ge echter zoo ongeduldig zijt, gaat dan uw gang maar. Ik zal op tante wachten; die zou geheel uit haar humeur zijn, wanneer het ontbijt was afgeloopen zonder haar. Voor u maakt dit echter van daag een onderscheid. Op dagen als deze moet men 't met eten en drinken maar nemen zooals 't valt. Uw papa, Florence, zei toen hij jong was altijd: op zulke dagen kijkt een mensch zijn buik vol."

»En deed papa dat?" vroeg Florence.

»Met dien verstande, dat hij zich dikwerf vergenoegde, met bij een bakker een paar broodjes te koopen, die hij dan maar zoo droog oppeuzelde, of dat hij uitgerammeld van den honger thuiskwam. En toch hield hij vol, dat hij zijn buik volkeek."

Toen ons viertal ontbeten had, ging het regelrecht op ~den Dam~ aan. Wat was 't overal reeds vol! 't Leek wel of 't midden op den dag was. Maar 't verwonderlijkste gezicht van alles leverde ~de Dam~ zelf op. Van de meeste huizen waren op de eerste en tweede verdieping de ramen uitgenomen en amphitheatersgewijs zitplaatsen van ruw hout getimmerd; om de stoepen staketsels, waarboven zitplaatsen uitstaken, van verscheidene daken de pannen afgehaald en op de zolders planken op verschillende hoogte gelegd als staanplaatsen; ja, zelfs het plat van de Beurs en de platten van de Nieuwe kerk waren met zitplaatsen bezet. Daar is dien dag wat geld voor plaatsen betaald; en nog gelukkig hij, die voor geld een goed plaatsje kon erlangen--menigeen heeft zich moeten behelpen met onder de opgepakte menigte te staan en, als hij wat klein van persoon was uitgevallen, niets te zien. De weg van 't paleis naar de kerk was door een balustrade afgeschut en de grond met groen laken bekleed. Buiten dat hek reden, tot handhaving der orde, dragonders op en neer.

Daar slaat het acht ure! »Bom!" klinkt het eerste schot van de honderd en een, die er gelost worden; de klokken beginnen te spelen; aan Amstels burgerij is geen houden meer. Trouwens, daarin verschilt ze niet met die van andere steden. Intusschen hebben schutterij, grenadiers, jagers, infanterie en cavalerie hun standplaatsen ingenomen. Aan 't paleis staat een eerewacht van twee compagniën schutterij, binnen de balustrade hebben zich aan de eene zijde schutters, aan de andere 't garnizoen geplaatst. Aan de kerk zelf een eerewacht jagers en grenadiers, die ook de posten aan de andere kerkdeuren betrekken. Bij die grenadiers staan reeds vóór acht ure onze vier jongelieden.

Wij, die daar niet bij behoeven te staan, maar 't voordeel boven hen hebben, dat we ons gemakkelijk overal bewegen kunnen, kijken eens fiksch rond. Alles stroomt naar ~den Dam~, die langzamerhand een vreemd schouwspel van menschenhoofden oplevert; want al de zit- en staanplaatsen worden gevuld, en zelfs op den nok der huizen zitten schrijlings de werklieden, die de stellages gemaakt en voor zich een plaatsje in de goot of op den nok bedongen hebben. De ruimte van ~den Dam~ vóór 't paleis ziet zwart van menschen. Voor elke kerkdeur staat het vol met prachtig gekleede heeren en dames, allen van toegangskaarten voorzien. Velen hunner zijn met rijtuig gekomen; doch staan nu evenals de anderen te wachten, tot de kerk zal opengaan. Zoo door infanterie als door cavalerie wordt er zorg gedragen, dat er geen anderen voor de kerkdeur komen dan zij die van toegangskaarten voorzien zijn. Daar slaat het halftien. De deuren gaan open.

»Nu zal ik u een goede plaats bezorgen," zegt kapitein de Bosson tot zijn dochter en haar gezelschap, en we volgen hen naar de publieke galerij, waar we reeds niet zonder moeite komen, maar een perfect plaatsje hebben, zoodat we alles kunnen overzien.

»Nu, die kerk ziet er prachtig uit!" zegt Bernard. »Men zou er haast geen kerk meer in herkennen. Wat zijn die pilaren heerlijk gedrapeerd!"

»Dat zijn zeker de wapens der provinciën, daar boven aan elke pilaar," meent Margot.

»Juist," antwoordt Gustaaf. »En dat die van onze buitenlandsche bezittingen. Wat staan er die tropeeën goed boven."

»En hoe sierlijk hangen die Oranjevlaggen aan hun zwarte stokken!" vindt Florence. »Maar waarom die roode en zwarte vlaggen daartusschen. Of is dat de kleur van ~Amsterdam~?"

»Ook wel, Florence," antwoordt Gustaaf. »Hier echter stellen ze de kleuren van ~Wurtemberg~ voor. Ge weet toch, dat onze koningin een ~Wurtemburgsche~ prinses is."

»O, ja, dat is waar," hervat Florence. »En die met wit gedrapeerde gang, door welke wij gekomen zijn, is zeker de plaats waar Zijne Majesteit zal binnentreden."

»Juist," antwoordt Gustaaf. »En daartoe is de grond met dat prachtige tapijt belegd. Maar hoe vindt ge den troon, die daar tegen 't koor aanstaat?"

»Allerprachtigst!" oordeelt Florence. »Maar wat is daar achter dien troon?"

»Het koor der kerk, waarin 't graf van de Ruyter," antwoordt Gustaaf. »Dat is nu echter geheel en al door den troon verborgen. Hoe rijk is dat tapijt, waarmee de trappen zijn belegd. Ziet ge wel, op 't achtergedeelte van purperfluweel met wit en rood afgewisseld, is het koninklijke wapen, met de spreuk van Oranje »Je maintiendrai" geborduurd."

»Maar wat is die troonhemel prachtig!" roept Margot uit. »Wat smaakvolle draperieën!"

»En dan die koninklijke zetel!" zegt Bernard.

»Dat is de fauteuil van koning Willem II en door Hare Majesteit de koningin-weduwe voor deze gelegenheid aan haar zoon geschonken. Op den achterkant, dien we natuurlijk nu niet zien kunnen, staat het met gouden letters. Deze fauteuil van moirée mahoniehout, werd vroeger dagelijks gebruikt door koning Willem II, en is nu tot een troonzetel ingericht."

»Inderdaad een aandoenlijk geschenk voor onzen Koning," verzekert Florence. »Ik had er reeds in ~Den Haag~ van gehoord. De gebroeders Horrix hebben den stoel gemaakt en nu zoo versierd. Dat alziend oog met stralen omgeven, in goud op den rug geborduurd, steekt prachtig af bij dat scharlakenfluweel. En daaronder staan letters; doch die kan ik op dezen afstand niet lezen."

»Ik wel," zegt Bernard. »'t Zijn de naamcijfers van koning Willem II en Zijne gemalin: W. A. P. (Willem en Anna Paulowna), met een kroon gedekt. Doch 't sierlijkst van alles vind ik die groote vergulde kroon boven den rand van den rug. Wat schittert zij van edelgesteenten!"

»En dan die fraaie vergulde leeuwen, zich aan beide zijden vastklampende," merkt Margot op. »Even rijk als de pooten, die in vier kolossale leeuwenklauwen eindigen. Wat zouden dat voor borduursels op de armkussens zijn?"

»Dat zijn twee maarschalkstaven," verzekert Bernard. »'t Geheel is prachtig en rijk omzet met goud en franje."

Al duurt de tijd tusschen halftien en één uur wat lang; onze jongelieden vervelen zich in 't geheel niet. Eerst beschouwen ze de verschillende tribunes en zitplaatsen; dan houden hen de prachtige galacostumes en de schitterende kleeding der dames genoegzaam bezig; zoodat het twaalf ure is, vóór ze 't weten. Maar al wordt hun geest ook ruimschoots door dat alles bezig gehouden; de jonge magen beginnen braaf te jeuken. Gelukkig is mama de Winter daarop bedacht geweest, en heeft ze ieder van hen, toen ze 't huis verlieten, twee krentebroodjes meegegeven, die dan ook nu met veel smaak verorberd worden en hen voor 't gevaar behoeden van flauw te vallen.

En nu zullen we eens mededeelen, wat ze al verder bijwonen en 't geen hun opmerkzaamheid geheel en al inneemt.

Eerst klinkt ons de militaire muziek in de ooren en trekken de schutters, die Z. M. eerewacht in de kerk zullen uitmaken, binnen, zich scharende van den ingang tot aan den troon. Kort daarop ('t slaat juist 12 ure) komen de leden van de beide Kamers der Staten-Generaal, vergezeld van hare griffiers, door de deur van ~den Dam~ de kerk binnen en nemen plaats op de voor hen bestemde zitplaatsen, vlak tegenover den troon. Daar behooren zij ook te zitten; want zij vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche volk, hetwelk hen gekozen heeft, om zijn belangen voor te staan. Onder een doodelijke stilte, die thans in de kerk heerscht, opent de voorzitter der Eerste kamer, de graaf van Limburg Stirum, de vergadering met een korte toespraak, benoemt een commissie van negentien leden, onder welke ook Mr. Thorbecke, om Z. M. bij diens binnenkomen te ontvangen en bij het vertrekken uitgeleide te doen. Kort daarop komen door de Damdeur de ministers, de hoofden der ministerieele departementen en de leden van den Raad van State binnen; terwijl het corps diplomatique (de ambassadeurs der vreemde Mogendheden), door de deur onder 't orgel binnengekomen, ingelijks naar de voor hen bestemde zetels worden geleid. Na hen, de ministers van Staat, de kanselier en de grootkruisen der ordes, de leden van den Hoogen Raad der Nederlanden, het hoog militair gerechtshof, de gouverneurs der provinciën, de algemeene Rekenkamer, de Hooge Raad van Adel, Raden en Generaalmeesters der Munt en andere collegiën en staatsambtenaren.

Ik zal u niet vermoeien met u al de andere collegies te wijzen, welke hier vertegenwoordigd zijn, en waaronder we de Kamer van Koophandel, de Handelmaatschappij, het stedelijk bestuur van ~Amsterdam~, ook kerkbestuur en collegiën van diakens en collectanten vinden. Onze aandacht wordt ('t is kwart voor éénen) afgeleid door 't liefelijk orgelspel en de oplettende blikken, welke alle zich naar de deur onder 't orgel richten.

Daar komt een fiere vrouwelijke gestalte binnen, gekleed in wit satijn en hermelijn, het hoofd versierd met een diadeem van schitterende briljanten, de lange sleep van haar kleed door twee pages gedragen. Aan elke hand houdt ze een harer zoontjes, prins Willem, nu prins van Oranje, en prins Maurits. Haar volgen twee prinsessen: prinses Frederik met haar dochter Louise, ook schitterend gekleed, wier slepen insgelijks door pages worden opgehouden. Onder 't spelen van 't orgel bezetten zij de voor haar bestemde loge, van buiten purper fluweel met gouden bloemen doorwerkt. In het midden zit de koningin, naast haar aan de rechterzijde de beide jonge prinsen, van welke de oudste den leeftijd van negen jaren nog niet bereikt heeft. Aan de linkerzijde van Hare Majesteit, prinses Frederik en achter deze, prinses Louise, schitterende door jeugd en door haar bevallig toilet. De edeldames van het Huis der beide vorstinnen zitten naar rang; de pages hebben zich op een kleinen afstand ter linkerzijde van de loge geplaatst.

Thans wacht alles op den held van het feest--op den koning. Reeds heeft zich de commissie der Staten-Generaal buiten de kerk begeven, om Z. M. te ontvangen. Daar slaat het één uur, het geschut dondert, de klokken beginnen te spelen, 't gejuich van 't volk klinkt tot ons door in de kerk, het orgel begint weder zijn tonen te doen hooren. Nog weinige oogenblikken, en daar komt de stoet binnen.

Eerst komen twee wapenkoningen, vergezeld van vier herauten, met hun rokken waarop van voren en van achteren de wapens van ~Nederland~, ~Luxemburg~, ~Limburg~ en ~Oranje~ zijn geschilderd, dan de kamerheer-ceremoniemeester, zes kamerheeren, twee aan twee, de grootofficieren van het Huis des konings. Daarop het ontbloote rijkszwaard, gedragen door den generaal graaf de Perponcher, begeleid door twee ordonnans-officieren des konings, vervolgens de standaard van 't koninkrijk, gedragen door den vice-admiraal Lucas, ook door twee ordonnans-officieren vergezeld; gevolgd door de vaandels van het achtste regiment infanterie, de dienstdoende schutterij te ~Amsterdam~, en 't regiment grenadiers en jagers, alsmede de standaard van het regiment dragonders.

En nu komt de man, die 't middelpunt van al die statie is, de spil om wien alles zich beweegt: Zijne Majesteit koning Willem de derde. Een schetterend trompetgeschal heeft het intreden van den koning in de kerk aangekondigd; de commissie uit de Staten-Generaal heeft hem aan de deur van 't gebouw ontvangen. Allen zijn van hun plaatsen opgerezen.

Welk een vorstelijke gestalte, die koning Willem de derde, zooals hij daar gaat, gekleed in de uniform der marine, waarover een purperen mantel, bezaaid met kleine gouden leeuwen, gevoerd met hermelijn en voorzien van een palatine van 't zelfde bont. De prachtdegen, dien hij draagt, is hem dezen morgen door H. M. de koningin ten geschenke gegeven.

Achter hem gaan prins Frederik en prins Hendrik; dan volgen: het militaire huis des konings, de adjudanten van Hunne koninklijke Hoogheden, de vlagofficieren, generaals en eindelijk zes kamerheeren, allen drie aan drie. Het orgelspel blijft voortduren, tot de koning gezeten is en allen zich om den troon geschaard hebben. De koninklijke kroon, de schepter, de rijksappel en de grondwet liggen op rood fluweelen kussens op de credens-tafel in de nabijheid van den troon.

Het orgelspel houdt op; daar spreekt de koning tot de Staten-Generaal, als de vertegenwoordigers van 't Nederlandsche volk:

»Mijne Heeren! Leden der Staten-Generaal!

»Door Mijne geboorte en de Grondwet, na het afsterven van Mijnen onvergetelijken Vader, tot den koninklijken troon der Nederlanden geroepen, heb Ik onmiddellijk de Regeering aanvaard en dit plechtig aan al Mijne beminde onderdanen bekend gemaakt.

»Thans is het oogenblik daar, dat Ik, vóór het oog van den Almachtigen, die het lot van koningen en Volken in handen heeft, Mij onder inroeping van Zijnen Heiligen Naam, aan mijn edel, trouw en ordelievend Volk zal verbinden.

»Hoog is de betrekking, waarin Ik geplaatst ben; zwaar zijn de plichten, die op Mij rusten. Ook den koningen kleven menschelijke zwakheden aan, en daarom behoeven zij instellingen en zelfstandige voorlichting; opdat de kroon een brandpunt blijve, dat weldadigen gloed verspreidt.

»Dit Volk, dat een der eerste is geweest, om uit de duisternis, het geweld en de verdrukking der middeleeuwen orde en vrijheid en waarborgen voor het behoud van beide te voorschijn te roepen, heeft ook thans weder, naar de behoefte des tijds, zijne instellingen herzien en bevestigd. Koning en Volk, Oranje en Nederland hebben met kalmte dit gewichtig werk volbracht, en de onberekenbare voorrechten van rust en vrede zijn het deel van den dierbaren Nederlandschen grond gebleven.

»Indien wij het oog slaan op de beroeringen, die een groot deel van ~Europa~ teisteren, op de vernietiging der bronnen van bestaan en welvaart, die zulke treffende lessen geven, laat ons dan God dankbaar zijn, die het dierbaar Vaderland heeft behoed, en sluiten wij ons nauwer en nauwer aaneen, opdat wij Zijn zegen mogen waardig blijven.