Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874

Part 12

Chapter 123,905 wordsPublic domain

Welk een oorverdoovend gejuich volgt op deze woorden des konings! Men hoort het schieten van 't kanon niet. Daar heffen de orkesten 't Volkslied aan. Intusschen hebben allen hun plaatsen weer ingenomen, en houdt professor de Vries het slot zijner feestrede, die eindigt met de tegenstelling van de ~Nederlanders~ in de 16e en 19e eeuw. Toen: haat en opstand tegen hun vorst--thans: innige gehechtheid en trouw aan hun koning. Een derde feestcantate vervangt deze keurige redevoering.

En nu, nadat Z. M. den feestredenaar bedankt heeft, verlaat hij de tribune en gaat naar 't groote feestlokaal, hetwelk zich daar vlak achter bevindt, en waar 't concert en operettengezelschap van den heer Pfläging van ~Rotterdam~ een matinée muzicale geeft. Hier blijft de koning niet lang, hij begeeft zich naar het keurig versierde huis van den burgemeester, G. F. Lette, tevens voorzitter van de commissie, waar een receptie plaats heeft en uit welks vensters Z. M. den optocht zal zien passeeren. In ons tenue mogen wij ons achterafhouden en blijven dus maar bij de familie. We zullen dus ook straks niet met het vijftigtal hooge gasten aan het déjeuner dinatoire aanzitten en weten niet, welke toosten daar worden geslagen. Dat déjeuner dinatoire duurt tot 6 ure, en om halfzeven verlaat de koning de stad ~Brielle~.

Intusschen gaan we naar 't groote feestlokaal, om den troep van Pfläging te hooren en wat te gebruiken. 't Is hier wel wat donker; misschien komt het door de decoratiën, die inderdaad sierlijk zijn. Ziezoo, nu gaan we den optocht zien, die hier langs komt. Ha! daar is hij. We zullen onze attentie slechts op enkele nummers daarvan vestigen. Ziet, die banier van ~Brielle~ is door eenige Brielsche dames vervaardigd en aan de hoofdcommissie ten geschenke gegeven ten gebruike bij de feestviering. Die zegewagen, door vier zwarte paarden getrokken, stelt ~Nederland~ voor. De vrouw, in wit neteldoek gekleed en den helm op het hoofd, leunende op de grondwet van 1848 en de zijden teugels der door pages geleide paarden in de linkerhand houdende, terwijl ze in haar rechter- den koninklijken schepter torscht, stelt de Nederlandsche maagd voor. Op den wagen zien we de borstbeelden van koning Willem den derden, en zijn doorluchtige gemalin, gekroond wordende door de geniën van den vrede. De wagen ziet er goed uit; ook die tweede, voorstellende de zeevaart en getrokken door vier witte paarden. Het is de reddingsboot Rotterdamsch welvaren No. 1, bemand, als moest ze de équipage van 't een of andere gestrande schip redden. En niet minder is die derde zegewagen, voorstellende de bronnen van Neerlands welvaart: koophandel, nijverheid, landbouw, kunsten en wetenschappen, getrokken door vier bruine paarden, en waarop zich Ceres, Flora en Pomona, met de geniën van kunsten en wetenschappen, koophandel en nijverheid bevinden.

»Maar ik zie er geen enkelen watergeus bij!" roept Henri uit.

»Ik ook niet," antwoordt Ernst van den dominé. »Een Brielsche optocht zonder watergeuzen!"

»De schrik van 't jaar 1572 zal nog in de Briellenaars zitten!" zegt Frédérique spottend.

»Nu, bij ons in ~Amsterdam~ zijn ze dan niet zoo bang voor de watergeuzen," zegt Marie de Winter. »Ik heb 't programma gelezen, en daar zijn wel degelijk watergeuzen bij."

»Degelijke watergeuzen?" vraagt Ernst Veldhuis uit ~Brakel~, die 't zeker verkeerd verstaan heeft.

»Och, jongen, ben je mal?" vraagt Marie. »Denk je dan, dat ze die, drie honderd jaren geleden, op sterk water gezet hebben, om ze nu weer te vertoonen?"

»Maar je hebt het toch gezegd, Marie," herneemt Ernst.

»Ik heb gezegd, dat er wel degelijk van die mannen bij zijn, welke zich als watergeuzen verkleed hebben," antwoordt Marie. »Maar lieve hemel! Wat wordt de lucht weer donker! Daar straks scheen de zon nog zoo helder."

»En haalde ze water," hernam Ernst. »We krijgen weer een buitje."

»Dan maar naar huis," zegt de Brielsche predikant. »Zoo zien we meteen den trein nog eens."

En we zien den trein. Maar hoe? Och! lieve hemel! Nauwelijks zijn we bij den dominé geborgen, of daar slaat het drie uur, en 't is of die klokslag 't sein geeft tot een slagregen. Een letterlijke stortvloed. Die arme maagd heeft nu veel van een kat, die te water is geweest; de sierlijke plooien van haar neteldoeksche japon zijn weggeregend; alles hangt haar druipend langs 't lijf. En nu wij droog daar binnen zitten, is het een koddig gezicht, die druipnatte menschen hier en ginds te zien stuiven.

Vele feestgenooten zoeken plassend en bibberend een schuilplaats op de booten. De tocht is verstoord--de kleuren der vlaggen loopen in elkander--de illumineerglazen staan vol met water--'t vuurwerk zal wel bedorven zijn. En die menschen daar ginds, waar de volksspelen gehouden worden. Wat zullen die mastklimmers, boegsprietloopers, schijfspuiters, zakkeloopers, pap-eters, renners, wat zal die arme Hart nat zijn! Nu, dat is toch jammer!

Gelukkig dat het tegen zes uur weer wat opgehelderd is, en tal van Briellenaars zich naar de haven kunnen begeven, om Zijne Majesteit het vaarwel toe te roepen. En dat geeft hoop op het doorgaan van de illuminatie en (als ze het ten minste nog niet hadden aangeslagen) het vuurwerk.

Wij blijven. Om halfacht wordt de illuminatie opgestoken. Gelukkig is het droog.

»Daar hebben we toch een watergeus," roept Henri eensklaps uit, toen we voor 't huis staan, aangekocht voor 't Geuzengesticht (het asyl voor verminkte zeelieden.)

»Een leelijke kerel!" zegt Frédérique. »Als ze er zoo hebben uitgezien, behoeft men niet bang te zijn, dat men er verliefd op zal worden."

»Nu, mooi zijn de meesten wel niet geweest," hervat Henri. »Denk maar eens aan dien kapitein zonder neus en ooren."

Inderdaad zien we de afbeeldingen van een dier zonen der zee, door een krans van licht omgeven. Doch we kunnen den geheelen avond niet langs de straten dwalen, en gaan ter afwisseling eens naar de kleine feestzaal, waar evenals in de groote een soireé musicale wordt gegeven, en waar we tegen entrée binnenkomen. Tegen tien ure gaan we naar de plaats, waar 't vuurwerk zal worden afgestoken. En inderdaad, men heeft de voorzorg genomen, om het droog te houden. 't Is een prachtig vuurwerk, bestaande uit dertien nummers. 't Mooist is het tweede, zijnde het Brielsche wapen met de zinspreuk: »Libertatis Primitiae" (de eersteling der vrijheid) door bengaalsch vuur verlicht en omgeven door fonteinen en luchtbolspelen in de vaderlandsche kleuren. Maar 't allermooist is het laatste nummer, de slotdecoratie. 't Bestaat uit zes kolommen, wier basementen met het opschrift Oranje versierd zijn. Door gekleurde vuurlansen worden de jaartallen 1572 en 1872, benevens 1 April voortgebracht. En wat tal van zonnen, wat een menigte vazen, waaruit nationale bouquetten opstijgen. En welk een geweld aan 't slot, dat bouquet van 1200 luchtzwermers en die honderd vuurpijlen! We zijn doof van 't leven. Gelukkig, dat het uitbundig gejuich op die vreeselijke kanonnade volgt; een doodsche stilte zou een te groote afwisseling zijn, en ons angstig doen rondkijken, of hier ook een tweede slag van ~Sédan~ geleverd was en 't slagveld vol dooden en gekwetsten lag.

En wij, we nemen afscheid van onze vrienden, die zich naar 't logement spoeden, waar ze hun rijtuig zullen inspannen, om naar huis te rijden. Wij nemen plaats op een der volgepropte stoombooten, om dien nacht in ~Rotterdam~ te logeeren.

En terwijl we naar de Rottestad stoomen, herhalen we in ons zelf nog eens het eerste en tweede gedeelte der tweede feestcantate, die we op het feestterrein hoorden zingen:

't Hart klopt ons met hooger slagen, Holland, bij uw dierbren naam; Naam, langs zee en zand gedragen, Glorievol en zonder blaam; Wie zijn land met fierheid noem!-- Hooger, Holland, stijg uw roem!

Ja, de daden blijven spreken, Door der vad'ren moed gewrocht: Nimmer zal de roem verbleeken. Met hun goed en bloed gekocht: Wat onsterflijk blijven zal,-- Hollands glorie bovenal.

Hollands zonen, toont u waard 't Bloed van d' ouden heldenaard, Vloeiende in uw adren. Weest, gelijk uw vadren, Fier en moedig, Vroom en goedig, Koel van zinnen, warm van bloed, Trouw en vroed.

En dreigt;--wat God verhoed'!-- De krijg met fellen gloed, Dan, 't oog op God, Oranje aan 't hoofd! Oud-Hollands glorie niet gedoofd! Doet, houw en trouw In nood en dood, Dan der vadren leus gestand: Goed en bloed voor 't Vaderland!

't Feest van 1 April, door 't geheele land gevierd, had er wederom niet weinig toe bijgebracht, om den band tusschen Koning en Volk te versterken.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Koning Willem de derde, de beschermer der kunst.

We treden, op den 19en Februari van 't jaar 1874, de woning van Gustaaf de Winter binnen. 't Is daar feest. Nu ja, zegt ge, geen wonder: want onze koning is op dien dag jarig, en dan is het feest in elk huisgezin, waar men met koning en vaderland hoog loopt. De 19de Februari en de 17de Juni zijn altijd feesten in ~Nederland~; dan steken de burgers de vlaggen uit; want naast den koning heeft de natie hare edele koningin lief, en, al hebben we weinig van haar in dit boekje gesproken, 't is niet, omdat wij de vorstin, die zoo altijd toont, al wat goed en edel is te beschermen, vergeten hebben; maar omdat dit werkje, blijkens den titel, aan 's konings zilveren feest is gewijd, en dat we dus Zijner Majesteits regeering en wat hij gedaan heeft op den voorgrond moesten stellen. Onze lezeressen en lezers zullen dat wel begrepen hebben, en we kunnen hun daarbij de verzekering geven, dat er, zoowel in de familie de Bosson, als in die van de Winter en die van Veldhuis, warme liefde voor Hare Majesteit woonde. Doch thans ter zake.

We voerden onze lezeressen en lezers op den avond van den 19de Februari 1874 de woning van den heer Gustaaf de Winter binnen, en wanneer we hen naar de zaal geleiden, waar behalve de gaskroon ook de lusters aan den schoorsteen ontstoken zijn, dan hebben we ten minste licht genoeg, om te zien, dat hier een feest wordt gevierd, en wel een feest van jongelieden: want we zien een aardig groepje bij elkander. En daar de beleefdheid eischt, dat we elk der aanwezigen aan een nieuw inkomenden gast voorstellen, zoo willen we dit nu ook doen, met dien verstande, dat we u wat meer van den een en den ander zullen mededeelen, dan zulks wel de gewoonte is, dus ons niet met een bloote opnoeming der namen zullen vergenoegen.

We beginnen met de heldin van het feest, de lieve Marie de Winter, die van daag haar dertienden verjaardag viert. Van de cadeaux welke ze gekregen heeft, zullen we maar zwijgen, hoe gaarne mijn eenigszins nieuwsgierige lezeressen dat ook zouden vernemen; ik kan haar die toch niet laten zien, en ze zouden mij op den koop toe nog maar uitlachen, als ik eens een fout in de beschrijving van al die meisjesartikelen maakte. Liever wil ik u meedeelen, dat Marie een allerliefste meid is en sprekend op haar mama lijkt, die we, nu zoo wat vijfentwintig jaren geleden, op schier denzelfden leeftijd voor 't eerst ontmoetten. Ze kan even ondeugend (altoos in den goeden zin) en even schalksch zijn als haar mama toen was.

Haar broer Henri is nu twaalf jaren, en nog altijd de geprononceerde lieveling van grootpapa de Bosson. In 't leeren aardt hij weinig naar zijn oom Bernard; niet dat hij juist dom is, maar uitsteken doet hij niet in al wat de school betreft--vrij wat meer in een ander vak, en dat heeft hij dan ook gekozen--in het handteekenen. Sedert October jongstleden heeft zijn papa hem op de teekenacademie gedaan en daar vordert hij, volgens 't getuigenis zijner leermeesters, met reuzenschreden. We zullen straks wel hooren, welke plannen papa de Winter met hem heeft. Op 't punt van leeren is zijn tienjarige broeder Leonard hem ver de baas. Oom Bernard zei nog onlangs, toen hij voor een dag of wat over was en den knaap examineerde, dat Leonard, als hij zoo voortging, niet in 't vak van zijn papa moest komen, maar voor de studie moest worden opgeleid. En als dat gebeurt, zal 't me niet verwonderen, of, als we tijd van leven hebben, lezen we nog eens in de courant: »Door Z. M. den koning is benoemd als professor aan de Hooge school te ..., de heer Leonard de Winter." Nu, dat heeft in alle gevallen nog tijd.

En daar we nu toch aan de huisgenooten zijn, vergeten we de dertienjarige Frédérique Veldhuis, Marie's tweede _ik_ en de lieveling van de familie niet. Frédérique heeft een bijzonderen aanleg voor de muziek en wordt daarin opgeleid. Ook van de plannen, welke er met haar zijn, hopen we straks iets te vernemen. Dat ze een dochter van onze oude vriendin Margot de Winter is, kunnen we dadelijk aan haar zien, wij, die Margot op dien leeftijd gekend hebben. Om zich geheel aan de muziek te kunnen wijden, heeft ze reeds verleden jaar Juli de school verlaten; wel een droefheid voor Marie, die zoo ongaarne haar kameraadje miste en nu den weg naar en van de school alleen moet afleggen, wanneer niet toevallig de uren der muziekles er gelijk mee komen.

We vinden echter nog drie huisgenooten van de familie de Winter in de zaal, al zijn 't dan ook maar huisgenooten voor eenige dagen, namelijk logés. Twee daarvan herkent ge terstond. 't Zijn kinderen van dominé Veldhuis, overgekomen om Marie's verjaardag te vieren: Ernst, die nu reeds den leeftijd van veertien jaren bereikt heeft en op het gymnasium te ~Brielle~ de taal der oude Latijnen en Grieken leert, en de twaalfjarige Marie Veldhuis, die ook wat grooter geworden is, sedert we haar, nu bijna twee jaren geleden, voor 't laatst zagen. De derde logé is ook een Ernst Veldhuis; hij is de zoon van den landbouwer uit den Bommelerwaard en door zijn vader bij een heereboer te ~Apeldoorn~ besteed, om daar eens wat andere denkbeelden van den landbouw op te doen. Hij is er, sedert hij onder een vreemde leiding is, veel op verbeterd, en niet meer die stijve houten klaas, als toen we hem in ~Den Briel~ ontmoetten. In 't gesprek zullen we, om hem te onderscheiden, hem Ernst den boer, en zijn jongeren neef, Ernst van den dominé noemen; 't is maar, omdat onze lezeressen en lezers anders in de war zouden raken. We vinden er nog een Frédérique, en wel Frédérique de Winter, de dochter van oom Emile. Ze is wel pas acht jaren; maar Marie stond er op, dat ze ook zou komen. Leonard en Karel waren nog te jong, die zijn dus thuisgebleven.

Hoewel nu 't liedje zegt:

»Où peut-on être mieux, Qu'au sein de sa famille?"

wil men er bij zulk een gelegenheid ook wel eens een paar vreemden bij hebben. Vreemd zijn ze nu wel niet, ten minste niet in de familie de Winter (ons wel); want het zijn twee vriendinnetjes van Marie: Lucie Brouwer en Angelique Sander; benevens twee vrienden van Henri: Jan van Dalen en Hendrik Korteweg. Daar we geen bijzondere belangstelling voor hen koesteren, bepalen wij ons bij het noemen hunner namen, en hebben hen dus fatsoenlijk aan u voorgesteld. En zoo vinden we dus juist een dozijntje bij elkaar aan de theetafel zitten.

Marie de Winter neemt de honneurs waar; zij schenkt thee.

»Hé, Ernst," zegt Jan van Dalen op eens tot den Apeldoornschen logé. »Je komt zoo regelrecht uit ~Apeldoorn~. Ik heb wel eens gehoord, dat onze koning daar een school heeft, welke hij geheel en al bekostigt. Is dat waar?"

»Voorzeker," antwoordt de aangesprokene, »en ik kan u daarvan, als ge 't wilt, wel wat vertellen; daar ik de avondcursus bezoek."

»O, doe dat, Ernst," zegt Jan. »Ik heb al zoo lang verlangd, daarvan iets naders te hooren."

»Het oorspronkelijke doel der school," hervat Ernst, »die niet te ~Apeldoorn~, maar op ~'t Loo~ ligt...."

»Op de buitenplaats van den koning?" vraagt Henri.

»Neen, op het dorp ~het Loo~," herneemt Ernst, »en wel aan de linkerzijde van de prachtige Loolaan, waarmede men van ~Apeldoorn~ naar 't schoone landgoed van Zijne Majesteit wandelt. De school dan is oorspronkelijk een lagere opvoedingsschool, den 3den Mei 1852 geopend ter verspreiding van meerdere kennis onder ambachtslieden en den landbouwenden stand."

»Bestaat die school al zoo lang!" roept Frédérique Veldhuis uit. »Dat is al twee en twintig jaren!"

»'t Is toch zoo," hervat Ernst. »En 't aantal leerlingen bedraagt honderd en twintig. Ze is in de eerste plaats bestemd voor de zonen en beambten in dienst van 't koninklijk domein, of als zoodanig gepensioneerd door de twee laatste koningen, en verder voor die van minvermogenden, welke niet te ver af wonen, om hun kinderen, in elk jaargetijde, de school te doen bezoeken. Ze wordt geheel en al op kosten van Z. M. onderhouden. Sedert 1854 is er een teekencursus bijgevoegd en twee jaren later de avondcursus, welke ik bezoek, die van 1 November tot ultimo Maart duurt, en waarop reken-, meet- en scheikunde, benevens bouwkundig teekenen worden onderwezen."

»En is dat ook geheel op kosten van den koning?" vroeg Henri.

»Alles," antwoordde Ernst. »Alle drie de verschillende afdeelingen zijn geheel gratis voor de bezoekers. Alleen voor den teekencursus moeten ze voor een portefeuille en voor de dagelijksche teekenbehoeften zorgen."

»Nu," zeide Hendrik. »Dat is voor ~Apeldoorn~. Maar voor 't geheele land toont Z. M. een beschermer van de kunst te zijn. Aan jonge schilders, die eenigen aanleg hebben, schenkt hij jaarlijks een subsidie, en jeugdige kunstenaars en kunstenaressen in de muziek worden op zijn kosten buiten'slands gezonden, om aan een der conservatoires, 't zij te ~Brussel~, te ~Parijs~ of te ~Berlijn~, voor de muziek te worden opgeleid."

»Waardoor we hoop hebben, dat ons land in schilderkunst en muziek niet bij andere volken zal achterblijven!" zegt Ernst van den dominé.

Gaarne zou ik met u nog langer bij onze jongelieden vertoeven; we willen echter liever eens zien, hoe ze 's konings zilveren feest vierden. Doch dit in een volgend hoofdstuk.

TIENDE HOOFDSTUK.

Het zilveren feest.

»Kom, Marie, word wakker!" zeide Frédérique op den morgen van Maandag den 11den Mei tegen haar nichtje, dat met haar op dezelfde kamer sliep. »'t Is allerprachtigst weer en de zon schijnt al zoo vriendelijk, alsof ze alle langeslaapsters als u ten bedde wil uithalen."

»Ik was net zoo prettig aan het droomen," antwoordde Marie, terwijl zij zich uitrekte. »Gij buitenmenschen spookt ook altijd zoo vroeg. Dat kun je maar niet afleeren."

»Vroeg?" hernam Frédérique. »De Westerklok is daar zoo even zeven uur geslagen. Kom, sta nu maar gauw op. 't Is heden de dag, waarop Hunne Majesteiten in de hoofdstad komen."

»Nu, als ik daarvoor om zeven uur moet opstaan, dan mag ik 't morgen wel om vier uur doen. Maar, in vredesnaam! Ik ben nu toch wakker, en dus zal ik u uw zin maar geven."

Allerprachtigst weer! Ja, dat was het in den vroegen morgen van den 11den Mei. En er was dan ook vrij wat volk op de been, om de schoon versierde stad te zien. En wat een tal van vreemdelingen! In de logementen was geen plaats meer te krijgen; ja, vele particulieren hadden tegen groote sommen gelds hun kamers voor drie of vier dagen verhuurd. 't Bracht veel geld in de hoofdstad; maar er is in die dagen ook vrij wat geld besteed. Want ~Amsterdam~ was met recht in feestgewaad getooid en de burgerij heeft geen kosten ontzien, om alles mooi te maken. We willen in gezelschap van Frédérique, Marie, Henri en Leonard eens een kleine wandeling door de stad doen.

Eerst gaan we met hen naar de Willemstraat, die er keurig netjes uitziet, met haar slingers van groen en haar drie eerepoorten; dan door een dwarsweg naar de Westerstraat, waar we een door de feestcommissie opgerichte obelisk en een door de bewoners daargeplaatst fraai borstbeeld van koning Willem III zien, gekroond door de ~Nederlandsche~ Maagd.

»Die kroon zal van avond met gas geïllumineerd worden," zegt Henri.

»Nu, dat zal een goed effect maken," oordeelt Marie. »Doch we kunnen hier niet lang staan kijken; anders komen we niet op onzen tijd aan 't station."

»Waar zullen we nu heengaan?" vraagt Frédérique.

»Wel naar den prachtigen bloementempel op 't Koningsplein," antwoordt Henri. »Dan bekijken we meteen de schoone decoratie bij den burgemeester."

Zoo gezegd zoo gedaan. We wandelen langs 't Singel naar 't Koningsplein; waar we een prachtigen bloementempel zien staan, versierd met de schoonste kinderen van Flora. Daarna gaan we even de Heeregracht op, waar we, onder verschillende prachtige decoratiën, die van den burgemeester van ~Amsterdam~ bewonderen, vooral om zijn rijkdom.

»En nu naar de Botermarkt," zegt Henri.

»Wat is daar te zien?" vraagt Leonard.

»Wel een groote eerepoort met het ruiterstandbeeld van Willem den Zwijger er op," antwoordt Henri.

Van de Botermarkt gaan we met onze jongelieden naar het Jozua-Daniël-Meyersplein, waar we een oud kasteel vinden opgericht, zoo natuurlijk, alsof het er wezenlijk stond.

»O, dat is prachtig!" roept Marie uit. »'t Doet me denken aan den Dillenburg, 't stamslot der Nassau's."

»Als ik 't niet beter wist, zou ik denken, dat er zoo straks een stoet van edelen uit de burchtpoort zou te voorschijn komen," zegt Frédérique; »zoo natuurlijk is 't geschilderd."

»Maar we moeten voort," zegt Henri, terwijl hij op zijn horloge kijkt. »Indien we ten minste nog koffie willen drinken, vóor we naar 't station gaan."

»Mij goed," antwoordt Marie. »Dan gaan we den Dam over, en zien daar meteen 't versierde monument en de eerepoort."

»'t Weer schijnt te betrekken," merkt Frédérique aan, terwijl zij naar de lucht kijkt. »'t Zou me niet verwonderen, of we krijgen regen."

»O, ongeluksprofetes!" roept Henri uit. »Doch ik vrees, dat je gelijk hebt. 't Zou vreeselijk jammer zijn."

»Als de koning 't maar droog treft," wenscht Leonard.

»We willen 't hopen," antwoordt Frédérique, met de zekerheid van iemand, die lang buiten heeft gewoond. »Ik zou er echter aan twijfelen."

»Welnu, dan nemen we onze parapluie's mee!" troost Marie. »Als het niet anders is, in vredesnaam."

We gaan met ons viertal den Dam over; drinken koffie, en wandelen met hen, met parapluie's gewapend, naar 't station.

't Is bij halftwee. Een kanonschot verkondigt ons, dat de trein met H. H. M. M. gearriveerd is. Vergezeld van den prins van ~Oranje~, prins Alexander en Frederik, alsook van den hertog van Saksen-Weimar en diens gemalin, 's konings eenige zuster, komen ze 't station binnen. Amsterdams burgemeester houdt een toespraak, en zijn dochtertje, in 't wit gekleed en met de Amsterdamsche kleuren op ceintuur en strikken, biedt der koningin een prachtigen bouquet aan. 't Zelfde doet de jonge juffrouw Westervoudt, na een aanspraak van den president der feestcommissie.

»Mijnheer de burgemeester," zegt de koning, terwijl hij dezen hartelijk de hand schudt. »Het doet mij onuitsprekelijk veel genoegen, het vijfentwintigjarig feest mijner regeering in de hoofdstad te zullen vieren."

En nu spoeden we ons met de jongelui naar 't huis van mijnheer de Winter, om den stoet te zien passeeren. Jammer, dat het regent--wel niet hard; maar toch, er valt vocht. Wat den stoet aangaat, die is uiterst eenvoudig. Na een escadron huzaren en de helft der eerewacht, komt Z. M., omstuwd door zijn adjudanten en gevolgd door de prinsen met de hunne, allen te paard gezeten, aan. Daarachter H. M. de koningin in een open rijtuig met de groothertogin van Saksen-Weimar en prins Frederik, en eindelijk de andere helft der eerewacht.

»Ziezoo! Nu gaan we naar den Dam," zegt Henri. »We hebben echter tijd in overvloed; want behalve dat de stoet een heelen weg te maken heeft, moet die aan 't Burger-weeshuis nog tweemalen wachten, daar de weezen voor koning en koningin elk een couplet zullen zingen."