Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874

Part 11

Chapter 113,960 wordsPublic domain

Marie de Winter is net een goed vriendinnetje voor haar oudste nichtje Frédérique. Ze is dan ook wat blij, dat dit naar ~Amsterdam~ zal meegaan; want aan haar ondeugenden broer Henri en aan den kleinen achtjarigen Leonard heeft ze niets. »Die Henri," zegt ze tegen Frédérique, »is grootpapa's lieveling en dien heeft hij braaf bedorven. Die grootpapa heeft zijn naamgenoot allerlei ondeugende streken geleerd." Zoo erg als Marie 't nu maakt, is het wel niet; maar zeker is het, dat de kleine Henri bij grootpapa een potje breken kan, en dat deze meer van hem houdt dan van al zijn kleinkinderen; zelfs van de drie van Emile en Emma, die toch bij hem in huis wonen. Onze goede oude kapitein de Bosson is nu drie-en-zestig jaar; maar hij lijdt het grootste deel van 't jaar aan rheumatiek, hetwelk hem wel eens heel lastig van humeur maakt. Gelukkig, dat hij in Emma een schoondochter heeft, die veel van hem kan velen, en hem meestal weet op te beuren en op te vroolijken. Hij houdt dan ook zielsveel van haar, er zou maar eens iemand moeten komen, die een kwaad woord van haar zeide--de oude rheumatieke kapitein zou in staat zijn, hem op de punt van zijn degen te dagen. Florence zegt wel eens spottend, dat zij nu geheel bij papa achterligt; maar dat meent ze niet, en ze is wat gelukkig, dat haar goede papa zulk een lieve schoondochter heeft. Die Florence is nog altijd even vroolijk en opgeruimd, als toen we haar voor 't eerst ontmoetten; en ofschoon ze haar zesendertigste jaar reeds achter den rug heeft, lijkt ze veeleer op vierentwintig. Gustaaf en Bernard zijn ouder geworden, dat kan men hen duidelijk aanzien, ook Frits Veldhuis en zijn vrouw, wier beide oudste kinderen, Ernst en Marie, mede bij oom den dominé te logeeren zijn. Die Ernst zou u echter niet bevallen. 't Is een goede lobbes van dertien jaren, maar een broer in optima forma. Dat scheelt wat bij oom Bernard, toen we hem op dien leeftijd in ~Amsterdam~ ontmoetten. Den dag bij den nacht! En Marietje is wel wat onplezierig van humeur: ze schijnt niet erg tevreden te zijn; ook kan ze niet best met de anderen overweg. Ernst van den dominé noemt haar »een kribbebijter," en Frédérique zegt, dat ze »zoo zuur kijkt, alsof er een paar flesschen azijn vóor haar staan."

En zoo zijn we, nu ongeveer drie en twintig jaren nadat we aan 't station aan den Hollandschen spoorweg voor 't eerst kennis maakten met onze vrienden, in een geheel nieuw geslacht gekomen, en vinden we de kinderen van hen, die toen kinderen waren, als nieuwe kennissen terug. Dat is wel aardig, vooral als we daarbij eens berekenen, dat _wij_ in dien tijd niet zooveel ouder zijn geworden. Want zoolang toch is 't nog niet geleden, sedert we daar voor 't eerst Gustaaf en Margot hun neef en nicht Bernard en Florence zagen begroeten. Zie, dat is 't voordeel, wanneer we in den geest iets bijwonen.

Doch waartoe zijn we nu in het dorp bij ~Den Briel~ en waarom zijn zooveel logé's bij dominé Veldhuis? Ik zal 't u zeggen.

Nu ruim driehonderd jaren geleden lag ons lieve ~Nederland~ in ijzeren boeien. Toen was er een man, een Willem van Oranje-Nassau, die de groote ideé opvatte, om een door de onderdrukking vernederd volk op te heffen. Die Willem van Oranje-Nassau was een voorzaat van onzen Willem den derden. De zaak stond hopeloos: 't was ook een strijd tusschen een kleinen prins en den machtigen reus, die over ~Spanje~ en ~Amerika~ gebood. En ziet, overmorgen zal het driehonderd jaren geleden zijn, dat een hoop zeeschuimers, waaronder de edelsten van ons volk, den eersten steen legden tot de onafhankelijkheid van onze natie, dat de eerste lichtstraal in dien stikdonkeren nacht doorbrak: op den eersten April zal het driehonderd jaren geleden zijn, dat ~Brielle~ door de Watergeuzen werd ingenomen! Geheel Nederland zal dien eersten April met opgewondenheid vieren; overal zal het feest zijn, een nationaal feest, niet minder dan dat van 1863. Maar wij willen ons naar de kern van dat feest begeven, naar ~Den Briel~. En evenals het Paaschfeest het feest is van de opstanding van onzen Heer, en daardoor de verrijzenis van de menschheid uit den stikdonkeren nacht waarin zij verzonken lag; zoo zal de tweede Paaschdag voor ~Nederland~ het feest zijn van zijn verrijzenis uit de boeien van schande en smaad, waarin het onder de Spaansche dwingelandij geketend lag.

We zouden dat feest overal kunnen medevieren. Maar daar we ons hebben voorgesteld, voor u een gedenkboek van de vijfentwintigjarige regeering van koning Willem den derden te schrijven, moeten we ons naar ~Den Briel~ begeven, waar het Hoofd van onzen Staat, even als voor negen jaren, zal toonen, dat Hij en zijn Huis zoo nauw met ons volk en ons volksbestaan zijn verbonden, dat, als ~Nederland~ feestviert, ook Oranje daar deel in neemt. We laten dus den eersten Paaschdag stil voorbijgaan, begeven ons naar de kerk, waar dominé Veldhuis, dien we als een wakkeren vaderlander kennen, een warm woord tot zijn gemeente spreekt, en gaan met de geheele familie, behalve den achtjarigen Leonard de Winter en de drie jongste kinderen van den dominé, op den vroegen morgen van den eersten April naar ~Den Briel~. We hebben dus gezelschap genoeg.

»Daar is al weer wat gebeurd, sinds we u voor 't laatst zagen, mijnheer," zegt dominé Veldhuis, dien we gerust een wandelenden kalender zouden kunnen noemen, zoo houdt hij zich steeds op de hoogte van zijn tijd. »Daar hebt ge vooreerst de scherpschutterijen."

»Maar dominé!" roep ik uit. »De scherpschutterijen. Dat is soldaatjespelen."

»Zoo beschouwt Zijne Majesteit de koning het toch niet," antwoordt Veldhuis ernstig. »Ge vergeet, waaraan die scherpschutterijen hun oorsprong te danken hebben."

»Aan den lust om soldaatje te spelen, dominé. Als 't land eens in gevaar kwam, dan zullen die dappere scherpschutters wel naar hun schoenen moeten zoeken."

»Zeg dat niet, mijnheer," herneemt de dominé. »Toen in 't jaar 1870, tijdens den Fransch-Pruisischen oorlog, ons land een gewapende neutraliteit aannam; toen de vrees voor Pruisens annexatiegeest ook hier vele gemoederen vervulde, toen greep de bloem onzer natie, de jongelingschap die niet tot den dienst verplicht was, naar 't geweer, en vormde vrijkorpsen, wier leus ~Oranje~ en ~Nederland~ was. Dat was een goed, 't was een manhaftig besluit. Zoo ontstond er, nevens ons leger, een aanzienlijke krijgsmacht, die 't geweer kon behandelen, en in tijd van nood, haardstede en altaren verdedigen. En onze goede koning Willem de derde begreep, welk een edele krachtsontwikkeling dit was, en door hun concoursen bij te wonen, door prijzen uit te loven, door hen te erkennen als gevestigde genootschappen, heeft hij 't vaderland een dienst bewezen."

»Ge hebt gelijk, dominé. Ik vind echter de oprichting en de werkzaamheden van 't Roode kruis vrij wat meer onzen eerbied waard."

»Alles op zijn tijd, mijnheer. Terwijl 't Roode kruis naar de elkander vijandelijke volken toeging en daar de wonden heelde, welke de oorlog geslagen had, vormden zich hier de scherpschutterijen. Ook 't Roode kruis roem ik als een van de gewichtige gebeurtenissen, onder koning Willems regeering voorgevallen, en we weten genoeg, hoezeer Zijne Majesteit daarmede is ingenomen en hoe hij 't ondersteund heeft. Maar de bescherming, welke hij aan de scherpschuttersvereenigingen verleent, is evenzeer tot eer en roem zijner regeering. Doch laat ons van dit punt afstappen, en zeg mij, wat ge denkt van de afschaffing der doodstraf?"

»Een teeken, dat ~Nederland~ den geest van Christus heeft begrepen, die niet wil dat iemand verloren ga, zoolang er nog redding voor hem mogelijk is. Na 't afschaffen van geeseling, brandmerk en tepronkstelling moest ook die van de doodstraf natuurlijk volgen."

»Toch heeft dat nog jaren geduurd; zij is echter een nieuwe parel aan de kroon van Willem den derden, daar hij 't besluit heeft mogen onderteekenen, waarbij wordt afgeschaft, dat de eene mensch (al is het dan ook rechterlijk) in koelen bloede zijn evenmensch het leven ontneemt. Alsof een mensch, al is hij ook een koning, recht heeft op iets, wat alleen God heeft geschonken en Hij alleen kan ontnemen!"

»Ik ben 't volkomen met u eens, dominé. En ik zegen het, dat onze natie dat besluit genomen heeft, toen er elders duizenden in koelen bloede op 't slagveld vermoord werden. Maar, waardoor ook 't jaar 1870 voor mij merkwaardig is geworden, is niet alleen door de oprichting van scherpschutterijen, niet alleen door den arbeid van 't Roode kruis en de afschaffing van de doodstraf; maar nog door iets anders, waarvan we schier dagelijks de weldadige gevolgen ondervinden."

»En dat is, als ik u vragen mag?" zegt dominé Veldhuis.

»Aha! daar heb ik nu onzen knappen dominé Veldhuis eens gevangen. De man, die altijd zoo goed op de hoogte is, weet niet wat er nog meer in 1870 gebeurd is. Kom, beste dominé, roep uw geheugen eens te hulp!"

»Ik weet waarlijk niet, wat ge meent, mijnheer. Help mij uit den droom."

»Wel, de wet op de posterijen," antwoord ik.

»En hecht gij daaraan zulk een groote waarde?" vraagt de dominé.

»De grootste waarde, dominé. Wat is toch belangrijker, dan een gemakkelijke correspondentie?"

»Nu ja, die had men vroeger ook," antwoordt de dominé. »Reeds in 1850 werd het port verminderd van 30 op 15 cents en vijf jaren later op 10 cents. Acht gij nu de vermindering op 5 cents van zulk een groot belang?"

»Van hoog belang, dominé," antwoord ik. »En wel, omdat nu alle ingezetenen van 't Rijk dezelfde rechten hebben verkregen. Een voorbeeld: vóor 1870 zondt ge een brief naar ~Den Briel~, en men betaalde er 5 cents voor, omdat de stad in uw postcirkel lag; maar was het adres naar ~Amsterdam~, dan moest men er 10 cents voor betalen. Was dat nu rechtvaardig van een rijksinstelling? Even goed als een telegram door 't gansche rijk met 30 cents betaald wordt, moet ook het briefport voor allen gelijk staan. 't Land is uw brievenbode, maar mag geen afstand berekenen."

»Ge hebt gelijk, mijnheer. En wat de gedwongen frankeering aangaat, daar heb ik volkomen vrede mee. Ik ontvang nu geen onbelangrijke brieven meer, waarvoor ik een dubbeltje moet betalen; en niemand zal meer klagen over de missives, welke ik hem schrijf; want ze kosten hem geen duit."

Onder dergelijke aangename gesprekken reden we ~Den Briel~ binnen; want ik heb u vergeten te zeggen, dat dominé reeds dagen te voren voor een fermen janplezier had gezorgd, waarin we met ons twaalven ruim konden zitten.

We rijden dan ~Den Briel~ binnen, en stallen ons rijtuig en onze paarden. Eerst gaan we eens rondwandelen. Wat ziet er hier alles feestelijk uit! Nooit is ~Brielle~ zoo schoon geweest. En we schijnen het nog te treffen met het weer! 't Lijkt wel, dat de plasregens van de vorige dagen hebben opgehouden, zoo vriendelijk schijnt de zon. Frits Veldhuis, de buitenman, zegt wel, dat hij het weer niet veel vertrouwt; maar dat heeft hij van morgen toen we uitreden ook al gezegd, en die buitenlui zijn toch ook maar profeten, die brood eten.--Daar in ~Den Briel~ zijn ze ook al vroeg opgeweest evenals wij; de kastelein ten minste vertelt ons, dat reeds om 7 uur de donder van 't geschut en 't gelui der klokken den aanvang van 't feest verkondigd heeft.

»Wat mij aangaat," voegt hij er bij. »'t Was mij niet te vroeg; want we zijn den geheelen nacht niet naar bed geweest. Ons heele huis is vol logé's en we zullen vandaag geen handen genoeg hebben, om al de gasten te bedienen!"

Of die olijke kastelein ook mazematten zal maken! Nu, hij is de eenige niet, dien 't feest van ~Brielle~ geld als water doet verdienen!

»Dan ben jelui vroeg genoeg begonnen," zegt dominé Veldhuis.

»Dat moest ook wel," antwoordt de kastelein. »Want tot eer van ~Den Briel~ moet ik het zeggen: de dag is aangevangen met een werk van liefdadigheid. Op een dag als heden moet er geen enkele Briellenaar zijn, die niet mee feest kan vieren. Van morgen om halfacht zijn al de armen op de daartoe bestemde plaats van een goed maal voorzien."

»Dat is nobel, en recht in den geest der Nederlanders," zegt dominé Veldhuis. »Dan kunnen ze eens van goeder harte feestvieren; want met een leege maag gaat dat niet bijzonder."

De godsdienstoefening in alle kerken is bepaald van negen tot halfelf. Druk worden ze ditmaal niet bezocht, ofschoon de herinnering aan vóor 300 jaren de gewone Paaschpreek vervangt. Maar er is ook zooveel te zien! Immers geheel ~Brielle~ is met groen, oranje en vlaggen versierd. En om negen uur worden de eerste booten verwacht. Toch stappen we even de Roomsche kerk binnen, en zien tot ons genoegen, dat de kaarsen op het altaar met oranje en groen versierd zijn, en een paar schilden ons aan de jaartallen 1572 en 1872 herinneren. Dat doet ons plezier: want bij een feest als de herinnering aan de vestiging onzer onafhankelijkheid, komt immers geen verschil van geloofsbelijdenis te pas. Daar bulderden de saluutschoten en alles stroomt naar de haven; ook wij laten ons derwaarts voeren. O, jammer! Daar begint het te regenen, en met een zegevierend gelaat roept Frits Veldhuis uit:

»Nu, heb ik niet goed voorspeld? Een geluk, dat je mijn raad gevolgd en parapluies meegenomen hebt."

En waarlijk een geluk was het, dat we naar den raad van den ongeluksprofeet geluisterd hebben; want het is een plasregen. 't Is alsof 't water met bakken van den hemel valt.

»Goed om 't groen frisch te houden," zegt dominé Veldhuis. »Dat hebben we nu voor onze pekelzonde, omdat we niet naar de kerk zijn gegaan. Daar hadden we ten minste droog gezeten."

»Als 't er niet lekt," meent Florence ondeugend. »Maar wie had ook zoo'n bui verwacht?"

»Ik," zegt Frits Veldhuis, die de eenige van ons is, wien de regen genoegen schijnt te doen; alleen omdat zijn profetie is uitgekomen.

»In alle gevallen zijn we er met onze parapluies toch beter aan toe, dan de arme feestgangers, die geen weerprofeet bij zich gehad en te veel op 't Aprilzonnetje vertrouwd hebben," zegt Florence. »Wat worden die arme menschen nat! En met dat natte pak mogen ze den ganschen dag loopen! Inderdaad geen buitenkansje!"

»Toch eer een buiten- dan een binnenkansje," merkt dominé Veldhuis aan. »Ik vrees echter, dat er van 't laatste ook genoeg gevaar is, en vandaag menigeen van binnen niet minder nat zal zijn dan van buiten."

»En dan die metalen kruisridders, die daar uit de Rotterdamsche boot ontscheept worden. Eer ze aan 't feestlokaal komen, zijn ze even druipnat als de huzaren, die ze hebben afgewacht om hen derwaarts te vergezellen," zegt Florence.

»Nu, ik ga naar 't logement terug," zegt Margot. »'t Is me hier al te lekker, en ik zou kans hebben, dat al dat regenwater mijn geestdrift voor den heelen dag verkoelde."

»En ik ga met u mee," voegt Florence er bij. »'t Is inderdaad voor ons, vrouwen, geen weer om hier te blijven staan."

En zoo keeren we voorloopig naar 't logement terug, om na kerktijd bij een der dominé's te gaan, die zijn collega met diens gezelschap had uitgenoodigd; maar bij wien we toch onder kerktijd slecht konden komen. We verlaten nu onze goede vrienden voor eenigen tijd en laten hen in 't logement, terwijl wij ons met een der leden van de hoofdcommissie, een goeden kennis van ons, naar 't kleine feestlokaal begeven. Dat feestlokaal ('t is de openbare school op de ~Lijnbaan~) is met groen en vlaggen versierd. Hier worden de Utrechtsche commissie voor 't Asyl nu de sub-commissiën ontvangen.

Daar neemt de secretaris der hoofdcommissie, de heer Jager, het woord. »Welkom! Welkom! gij allen," zegt hij, »op den klassieken bodem, waarop wij thans staan, een bodem, die ons de tirannie der Spaansche beulen herinnert, ons gezonden als antwoord op de smeekbeden der landzaten, om verlichting van den druk." Daarop roept de spreker ook de »Vlaamsche" broeders, die in grooten getale zijn opgekomen, een hartelijk welkom toe, en brengt in herinnering, hoe in den geuzenstrijd ook veel Vlaamsch bloed was gestort. Daverende toejuichingen klinken door de feestzaal. En nu de heer Jager zijn toespraak sluit met de woorden: »Heil zij het vrije ~Nederland~ onder het geliefde Huis van Oranje!" schijnt er aan 't uitbundig gejuich geen einde te komen.

Daar opent de heer de Geijter uit ~Antwerpen~ den mond. Warm en bezield is zijn taal. Hij erkent het, welke groote verplichtingen ook de Zuid-Nederlanders hebben aan den heldenmoed van 't voorgeslacht, en verzekert, dat ook in België's groote steden, vooral in ~Antwerpen~, de eerste April wordt gevierd, in zijn stad misschien niet minder dan in sommige Noord-Nederlandsche steden.

Dat is een goed, een hartelijk woord geweest van dien Antwerpschen broeder. 't Is of men den regen vergeet, die kletterend tegen de glazen van 't lokaal aanslaat. Met geestdrift wordt de eerewijn aangenomen, met geestdrift een luide dronk aan koning Willem den derden gewijd.

We hebben, door tegenwoordig te zijn in dat feestlokaal, verzuimd om ons naar het terrein te begeven, waar de volksvermakelijkheden plaats hebben, en de acrobaat Hart, ondanks den neerplassenden regen, zijn toeren aan een deel van 't volk ten beste geeft. Het spijt ons niet; we hebben ons hier niet alleen droog bevonden, maar tevens een vaderlandsch genot gesmaakt.

't Is intusschen elf uur geworden, de regen heeft opgehouden, en 't is als wil de zon doorbreken. Nu zouden we wel weer naar 't logement willen terugkeeren; maar daar zullen we onze vrienden niet vinden: dewijl die zeker reeds bij den collega van dominé Veldhuis zijn, en misschien zich al op marsch naar of op de tribune bevinden; want als we goed verstaan hebben, dan zal deze hen op het feestterrein brengen. We sluiten ons dus bij den trein aan, die juist om elf uur, met de muziek van 't korps veldartillerie voorop, derwaarts marcheert. Reeds om halfelf is dat feestterrein, hetwelk zich op het Maarlandsplein bevindt, voor hen die van toegangsbewijzen voorzien zijn, geopend.

Ziezoo, daar zijn we er. Gelukkig was 't van boven droog. Maar van onderen? Menigeen zal van daag last hebben van koude voeten. In vredesnaam! Als 't hart maar warm blijft. En daar zal wel voor gezorgd worden. 't Ziet er goed uit, dat feestterrein, niet waar? Kijkt nu eens, die toren aan onze linkerhand is die van de groote hervormde kerk. Van dezen toren nu heschen de Watergeuzen van daag vóor drie honderd jaren het eerst de prinsenvlag. Hoe vroolijk wappert ze daar nog na drie eeuwen. Toen waren de Briellenaars in angst en vrees, toen waren ze (en niet ten onrechte) bang voor die woeste zeeschuimers,--en, waren er onder hen niet zooveel edele en rechtschapene mannen geweest, hun vrees zou bewaarheid zijn geworden--thans juicht al wat Briellenaar is en verheft de namen van diezelfde piraten, die den eersten straal der vrijheid uit den donkeren nacht deden te voorschijn komen.

Doch laat ons nu het terrein eens bekijken. Naar de zijde der Voorstraat ziet gij de koninklijke tribune, prachtig met rood fluweel, de kleur van 't Brielsche wapen gedrapeerd. Ge ziet dat wapen, een roode verticale balk op een wit veld, boven op de tribune aangebracht. Ter wederzijde, aan elken kant vier tribunes, voor de genoodigden, elke met het rijkswapen en een tropee van vlaggen versierd. 't Geheel is omgeven door de wapens der ~Nederlandsche~ provinciën. Op een dertigtal schreden afstands staat, midden vóór de koninklijke tribune, het spreekgestoelte van den redenaar, den Leidschen hoogleeraar M. de Vries, gedekt door een driekleurig afdakje, en links van daar de plaats, waar de eerste steen voor 't monument zal worden gelegd.

»Hé, mijnheer! U ook al op het terrein!" roept een stem uit de algemeene tribune. 't Is die van Margot. »Kom bij ons," vervolgt ze, »of ge moet een beter plaatsje kunnen krijgen."

»Waar kan men beter zijn dan bij zijn beste vrienden!" roep ik, verlaat mijn vriend van de Hoofd-commissie, die het veel te druk heeft om op mij te letten, en zit weldra heel plezierig te midden van onze oude vrienden.

»'t Is veel beter, dat u maar hier gekomen is, mijnheer," zegt Florence. »Want kijk eens, u steekt met uw winterjas zoo af bij al die heeren met hun zwarte rokken."

»En wij niet minder bij al die dames in haar feesttoilet," voegt Margot er bij. »Daarom hebben we ook maar op de achterste bank van de tribune plaats genomen. We zouden er anders zoo mal bijzitten."

»Hoe laat komt de koning?" vraagt Ernst van den dominé.

»Volgens 't programma om halftwaalf," antwoordt zijn vader. »'t Kan echter wel iets later worden."

»Wat zijn dat voor kleine hokjes, papa, daar aan weerszijden van de tribune?" vraagt Henri de Winter. »De heeren die daarin zitten, hebben lessenaars voor zich en schijnen wat te moeten schrijven."

»Dat zijn de tribunetjes voor de verslaggevers der dagbladen, Henri," antwoordt Gustaaf. »Er zijn ook correspondenten van buitenlandsche bladen onder."

»En wat moeten die dan schrijven?" herneemt de knaap.

»Wel, alles wat hier voorvalt; ook wat er gesproken wordt."

»Maar papa! Zoo gauw kunnen die menschen dat toch niet doen."

»Dat zou u meevallen, Henri. 't Zijn stenografen of snelschrijvers. Ze schrijven niet met letters zoo als wij, maar met teekens. Later vereenigen zij zich en vergelijken hun opteekeningen met elkander. Zoo gaat het bij ons in den gemeenteraad, in de kamers der Staten-Generaal, kortom, overal waarin 't publiek gesproken wordt en de dagbladen verslag van 't gesprokene willen geven."

Daar klinken weer kanonschoten. 't Is het sein, dat het koninklijk jacht de haven nadert. Op 't feestterrein is nu alles voltallig, behalve de commissie, die naar 't havenhoofd is gegaan om Z. M. te ontvangen.

»Zou 't nog lang duren, oom, eer de koning hier is?" vraagt Marie de Winter aan oom Veldhuis.

»O, neen! ~Brielle~ is geen ~Amsterdam~, waar de einden zoo vreeselijk groot zijn. We zullen niet lang behoeven te wachten; daar kunt ge zeker van zijn."

En dominé Veldhuis heeft gelijk. Kort nadat het geschut zich heeft doen hooren, kondigt een daverende fanfare van 't orkest der veldartillerie de komst des konings aan. Z. M. is gekleed in generaalsuniform en vergezeld van zijn jongsten zoon, prins Alexander der ~Nederlanden~, die de uniform van zeeofficier draagt. Hij wordt door de geheele commissie ontvangen en naar de tribune geleid, waar ook de heer Fock, commissaris des konings van ~Zuid-Holland~, en de generaal-majoor Schönstedt plaats nemen. Nauwelijks is Z. M. gezeten, of daar heft Brielles mannekoor met begeleiding van 't orkest het Wilhelmuslied aan, op dezelfde wijs als 't hier vóor drie honderd jaren door de trompetters der geuzen werd geblazen, en nu beklimt professor de Vries het spreekgestoelte en houdt een keurige, opgewekte redevoering, aan 't slot waarvan hij Z. M. uitnoodigt om, volgens belofte, den eersten steen te leggen voor de beide gedenkteekenen; het monument en het asyl.

Hierop zingt het mannenkoor de daartoe vervaardigde feestcantate, getiteld: »Hollands glorie", en volbrengt Z. M. de plechtigheid op dezelfde wijs als bij de brug te ~Zutfen~ en in 't Willemspark te ~'s-Gravenhage~. Doch luistert. De koning spreekt tot de commissiën voor 't op te richten standbeeld en zeemanshuis:

»Wanneer mijne woorden gering zullen zijn, gij zult het mij gewis vergeven; want in het oogenblik dat de nazaten van den grooten Zwijger, de nakomelingen van het geuzenvolk zich op deze heilige plek vereenigen, mijne heeren, zijn mijne woorden weinig in getal. Gij moogt het verschoonen; want het is de taal van het hart, dat moeilijk kan uitdrukken de fierheid die het doet kloppen. Ik ben er grootsch, zeer grootsch op, ~Nederlander~ te zijn en ik dank u voor de groote eer en het groote voorrecht, welke gij mij wel hebt willen schenken, om den eersten steen te leggen van deze beide heerlijke plannen, welke op deze plek in de toekomst zullen worden verwezenlijkt.

»Leve het Vaderland!"