Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874
Part 10
Geen wonder dus, dat de natie met belangstelling de bulletins had ontvangen en gelezen; dat ook de natie volgens de laatst uitgegevene vreesde, dat de lamp haar levens spoedig zou worden uitgebluscht. Ook de vorstin zag het gevaarlijke van haar toestand in, ja, ze was de eerste, die van sterven gewaagde. Maar krachtig van ziel als ze was, verschrikte haar de aanblik van den dood niet: kalm en onderworpen verbeidde zij haar laatste uur, even kalm en onderworpen nam ze een aandoenlijk afscheid van haar kinderen; daarna van haar trouwe bedienden, welke ze dankte voor de gehechtheid, haar gedurende een reeks van jaren bewezen. Toen had ze verlangd, dat haar de bulletins omtrent haar toestand zouden worden voorgelezen: daarna vroeg zij om haar priester, die haar de laatste troostmiddelen der Grieksche kerk, tot welke zij behoorde, toediende. En zoo wacht zij daar kalm en gelaten het oogenblik af, waarop God haar van deze aarde zal oproepen.
Om haar bed bevinden zich al de vorsten en vorstinnen van 't koninklijk huis: Z. M. koning Willem de derde en zijn koninklijke gemalin; hun beide zonen, de kroonprins en prins Alexander; prins Hendrik en zijn gemalin, Amelia Maria da Gloria Augusta, dochter van hertog Bernhard van Saksen Weimar Eisenach, met wien hij sedert 19 Mei 1853 gehuwd is; ook prinses Sophie, de eenige dochter der stervende, gehuwd met den groothertog van Saxen Weimar Eisenach; prins Frederik met zijn gemalin en dochter Marie. Op een wenk van een der doctoren, dat het laatste oogenblik nadert, zijn ze allen neergeknield; een doodelijke stilte, alleen door zacht, bedwongen snikken afgebroken, heerscht in de sterfkamer en breidt zich van daar in al de vertrekken van 't vorstelijk paleis uit--nog eer de wijzer der pendule, die zich in de kamer bevindt, op half vijf staat, heeft Anna Paulowna haar laatsten strijd voleindigd--is de koningin-moeder der ~Nederlanden~ gestorven.
We schuiven een gordijn voor de smart en den rouw, die thans het sterfvertrek vervulden--evenmin zullen we de aandoeningen schetsen, waarmede die tijding in de Hofstad, ja, in 't gansche land vernomen werd, en die vergezeld ging van de nieuwsgierige vraag: waar 't lijk der overledene vorstin ter aarde zou worden besteld? Wel wist men, dat, op het door haar uitdrukkelijk te kennen gegeven verlangen, haar lijk niet zou worden gebalsemd--de plaats der begraving bleef voor alsnog een geheim. Sommigen herinnerden zich, dat Anna Paulowna, bij gelegenheid toen zij een bezoek aan 't familiegraf te ~Delft~ had gebracht, den wensch zou hebben geuit, om eenmaal te rusten tusschen haar koninklijken gemaal en haar zoon, prins Alexander--men vreesde echter, dat daartegen van wege de Grieksche kerk onoverkomelijke zwarigheden zouden bestaan. Geruchten noemden de Grieksche kapel te ~Amsterdam~ als de plaats, waar de begrafenis zou plaats vinden, wanneer die bezwaren niet waren op te heffen.
Reeds Donderdag om acht ure verkondigde het doffe klokgebrom, dat Neerlands koningin-moeder gestorven was, en dat had driemaal daags, telkens een uur lang, plaats. Tevens waren de woningen van vele aanzienlijke particulieren gesloten, ten teeken van deelneming in 's vorsten rouw. Schouwburgen en openbare vermakelijkheden mochten geen voorstellingen geven. Alles moest er toe dienen, om den rouw over den dood der vorstin te verkondigen. Dat hield tot Donderdag, den 18den Maart aan, om nogmaals twee dagen vóór en op den dag der begrafenis herhaald te worden.
En die begrafenis--ze had den 17den Maart, op den sterfdag van koning Willem den tweeden, te ~Delft~ plaats. De moeielijkheden waren uit den weg geruimd, en Anna Paulowna zou, volgens haar wensch, tusschen haar gemaal en haar zoon rusten. 't Was een heele stoet, die daar op Vrijdag den 17den Maart 1865 zich door de straten van 't vorstelijk ~'s-Gravenhage~ bewoog. Ik zal u dien niet beschrijven; daar geen onzer vrienden hem bijwoonden. Alleen vestig ik uw oog voor een enkel oogenblik op de prachtige rouwkoets voorafgegaan door den heraut van wapenen (~Rusland~) te paard met zijn wapendrager, en bespannen met acht rouwpaarden. Op de kist de koninklijke kroon, benevens het ordeteeken van St.-Catharina, gehecht op een rood fluweelen kussen, de slippen van 't lijkkleed gedragen door de barons van Tuyl van Serooskerken en Taets van Amerongen en twee groot-officieren van 's konings huis. Naast den rouwwagen de vierentwintig kamerheeren--dragers van het lijk. En daarachter Z. M. de koning der ~Nederlanden~, de groot-hertog van Saxen Weimar, de kroonprins en prins Hendrik der ~Nederlanden~ in een koets met zes paarden bespannen, gevolgd door een met even veel paarden bespannen koets, waarin prins Frederik en prins Herman van Saxen Weimar.
En was 't een heele stoet; 't was ook een heele tocht van Buitenrust naar de Nieuwe kerk te ~Delft~. Gedurende al dien tijd hielden de klokken van ~'s-Gravenhage~ en ~Delft~ niet met luiden op, en werd er elke minuut een kanonschot gelost. En toen 't vorstelijke lijk in den grafkelder was neergezet en Zijne Majesteit met de prinsen de kerk verlaten had, verzegelde de minister van justitie in 't bijzijn van den grootmeester, den opperkamerheer en den opperceremoniemeester, de kist met 's rijks grootzegel en riep de heraut van ~Nederland~ met luider stem uit:
»De plechtige teraardebestelling van het stoffelijk overblijfsel van Hare Majesteit Anna Paulowna, koningin-weduwe der ~Nederlanden~, geboren grootvorstin van ~Rusland~, is volbracht."
En zoo was de koningin der ~Nederlanden~ gestorven en begraven in 't zelfde jaar, waarin men gedacht had het feest van de herdenking van den slag bij ~Waterloo~ te vieren. »Doch waarom is er bij die plechtige begrafenis geen enkele der familie de Bosson of de Winter tegenwoordig geweest?" vraagt ge. Een der Bossons wel, en dat was de luitenant der grenadiers, August; die was zelfs met het bataljon, waarbij hij stond, in den trein mede naar ~Delft~ gemarcheerd, maar juist daarom had hij genoegzaam niets van den optocht zelf gezien. Geen der andere leden had zich noch te ~Delft~, noch te ~'s-Gravenhage~ bevonden. Indien ge de reden daarvan wilt weten, volgt mij dan slechts op dienzelfden Vrijdag den 17den Maart en wel na afloop der begrafenis, naar 't ons bekende huis op de ~Heeregracht~.
Ook in dat huis heerscht een doodelijke stilte en treurigheid. Laat ons slechts binnentreden. We gaan niet in de huiskamer, die is op 't oogenblik ledig en verlaten. Maar we gaan den trap op naar boven, waar de slaapkamer van mevrouw de Winter is. En daar vinden we onze goede, lieve mevrouw de Winter stervende. Ze had in 't vorige najaar een zware rheumatische aandoening op de borst gekregen, en wat de dokter ook deed, hij kon die niet overwinnen. 't Had den geheelen winter sukkelen gegeven en reeds meer dan twee maanden lang was de goede vrouw bedlegerig; d. i. werd ze van het bed naar de canapé en van de canapé naar 't bed gebracht. Die voortdurende zwakte en de uitputting harer krachten, welke volgens den dokter wel met den dood zouden eindigen, waren dan ook de oorzaak geweest, dat het huwelijk van Emile en Emma, dat in 't vorige najaar zou plaats hebben, was uitgesteld. Want Emma, de trouwe, zorgvuldige Emma, wilde haar vriendin in die omstandigheden niet verlaten. Ze had haar opgepast, zonder haar eigene gezondheid te ontzien. En wanneer kapitein de Bosson of Florence haar vermaanden, toch aan zich zelf te denken dan antwoordde ze: »ik ben jong en sterk; daarenboven is 't mij een genoegen, en wat men gaarne doet, valt licht." Vooral in den laatsten tijd had ze een goeden steun gehad aan den kapitein, die zijn zuster zoo ferm kon tillen en dragen. Ook werd zij trouw afgewisseld door Florence, als die haar huisgezin kon verlaten; en nu sedert zes weken door Margot, die voor eenige dagen was overgekomen, maar de zaken zóó bevonden had, dat ze niet meer wegdurfde.
Ze gevoelde het wel, de brave vrouw, dat haar levenslampje spoedig zou worden uitgebluscht; ze had er reeds herhaalde malen met haar broeder en haar kinderen over gesproken. Vooral met Emma sprak zij er gedurig over.
»Lieve," had ze onder anderen op zekeren dag tegen haar trouwe verzorgster gezegd. »Wanneer ik niet meer ben, zal Henri zich zoo eenzaam en verlaten gevoelen. Wil je me iets beloven. Zoodra ik niet meer zijn zal, moet uw huwelijk met Emile plaats vinden, en dan kom je met uw man hier in huis wonen. Dan blijft mijn broeder bij u, en voelt hij zijn verlies minder."
En Emma had het haar beloofd, ook Emile, dien ze daarover had gesproken en wien ze die belofte had afgevergd. En evenals deze zaak, had ze ook met de grootst mogelijke kalmte al haar aardsche beschikkingen afgedaan, en rustig en gelaten verbeidde zij het oogenblik, dat het God zou behagen, haar uit de wereld weg te nemen. Van haar kinderen had ze een teeder en aandoenlijk afscheid genomen, ook van haar broeder; terwijl ze in de laatste dagen zoozeer verlangd had, haar zuster Marie nog eens te zien, dat ook deze uit ~Brakel~ was overgekomen. En zoo stonden ze nu daar allen om het sterfbed van de geliefde vrouw. Spreken kon deze niet meer, en haar gebroken oogen konden zelfs de dierbaren, die om haar sterfbed geschaard waren, niet zien. Doch een tevredene, zalige glimlach lag op haar bleek, vermagerd gelaat verspreid, van hetwelk Margot, die aan 't hoofdeneinde van 't ledikant zat, van tijd tot tijd het doodzweet afwischte. Eensklaps hield de adem op, een kleine beweging van den mond, en--mevrouw de Winter was niet meer. Ze was zoo zacht en kalm gestorven, als ware ze in slaap gevallen.
Vier dagen later had de begrafenis plaats; waarbij ook de oude Veldhuis en Bernard tegenwoordig waren; en de korte doch roerende toespraak, welke de laatste aan den geopenden grafkuil hield, was treffend en gaf in weinige woorden te kennen, hoe de vrouw, die daar in den schoot der aarde nederzonk, geleefd had en gestorven was. Juffrouw Veldhuis wist haar broeder over te halen, om met haar naar ~Brakel~ te gaan en daar een paar weken te logeeren. En toen de kapitein in ~Amsterdam~ teruggekeerd was, had het huwelijk van Emile en Emma in alle stilte plaats, en werd het kerkelijk door dominé Veldhuis ingezegend.
Wel werd het feest van Waterloo den 18en Juni in ~Amsterdam~ gevierd; doch het was er echter verre van daan, dat deze viering ook in de verte op die van 't Oranjefeest zou geleken hebben. We gaan het daarom in stilte voorbij, en willen u slechts mededeelen, dat Z. M. den koning aan allen, die tijdens den slag bij ~Waterloo~ in dienst waren geweest en 't vijftigjarig feest beleefden, een zilveren kruis schonk, om dit aan een oranjelint op de borst te dragen. En thans willen we aanstippen wat er in 't zelfde jaar 1865 nog heeft plaats gehad.
En dan noemen wij een zaak, belangrijk voor den handel: de afschaffing van den accijns op 't gemaal, d. i. de belasting op het koren. En niet alleen was die afschaffing een zegen voor den handel in 't algemeen en den graanhandel in 't bijzonder--ze heeft ook in de uitkomst ten zegen gestrekt voor de mindere klasse. De broodprijzen toch, die vroeger tot zulk een hoogte konden stijgen, zijn sedert dien tijd zeer gematigd geworden en gebleven, en dat is gelukkig. Immers, het brood is een der eerste levensbehoeften voor den minderen man, en, bij 't gebrek aan vleesch, zoo noodig tot de bewaring zijner gezondheid. Toch had die afschaffing ook wel haar keerzijde: want nu moesten ook de steden langzamerhand haar accijns op 't gemaal afschaffen. Om in 't gemis daarvan te gemoet te komen, hieven ze nu van de rijken en de burgers een plaatselijke belasting. En natuurlijk drukt die meer dan de accijns op 't gemaal. Want, terwijl het betalen van dien accijns ongevoelig gaat, daar men het brood slechts wat duurder betaalt, werden door die afschaffing de kleine burgerij en de werkman van de betaling ontheven, ook de vreemdeling, die in de stad vertoefde en er mede toe bijdroeg. En dat alles moet nu door een gedeelte der burgerij betaald worden.
Een andere bijzonderheid van 't jaar 1865 is, dat de eerste spade in den grond werd gestoken tot het graven van 't kanaal van ~Amsterdam~ naar de Noordzee, een kanaal hetwelk nog niet geheel voltooid is, maar reeds tal van bunders land heeft aangewonnen, waarover vroeger 't water plaste en dat nu voor landbouw en veeteelt een aanzienlijke aanwinst is.
Toch nog iets, eer we dit hoofdstuk sluiten, en hetwelk ons een blik zal doen slaan op de zegeningen, welke een vreedzame regeering als die van Willem den derden voor een volk oplevert. Ondanks de groote uitgaven voor de spoorwegen, die in 1868 alleen tien millioenen gulden beliepen, en de schadeloosstelling aan de West-Indische slavenhouders, ten bedrage van meer dan 10 millioen, benevens bijna 3 millioenen voor de onteigening van vee ten gevolge der veepest, werd er sedert 1850 voor ongeveer tweehonderd drieenzeventig en een half millioen aan schuldbrieven afgelost, waardoor de jaarlijks op te brengen rente met omtrent acht en een half millioen 's jaars verminderd werd.
Ik sprak daar van de veepest. Die veepest, welke onzen veestapel zoozeer verminderde, was een volksramp, evengoed als de aardappelziekte en de cholera. Om die veepest te doen ophouden, werden strenge maatregelen genomen. Waar in een stal de ziekte uitbrak, werden al de koeien, ziek of gezond, welke in dien stal stonden, terstond onteigend en afgemaakt. Natuurlijk kreeg de eigenaar daarvoor een behoorlijke vergoeding. Toch had hij altijd groot nadeel door 't verlies zijner beesten, van wie hij nu geen melk kon trekken. 't Gaf dus vrij wat aanleiding tot ontevredenheid, en kostte aan 't land ongeveer drie millioenen. Doch de veepest, die zeker nog vrij wat meer millioenen aan de veehouders zou gekost hebben, werd er gelukkig door gestuit. En daar we nu toch zoo ongemerkt wat verder gekomen zijn, maak ik hier tevens melding van een paar feiten, die nog al opmerkelijk zijn. Vooreerst: de invoering eener verbeterde en naar de behoefte van den tijd gewijzigde spelling door te Winkel en de Vries, vervolgens afschaffing van 't zegel van dagbladen en andere gedrukte stukken, waarop reeds sedert lang was aangedrongen; eindelijk de opening van den eersten spoorweglijn op ~Java~, een begin van 't spoorwegnet, hetwelk ook onze Oost-Indische koloniën door den tijd in den zegen van 't Moederland zal doen deelen. Over 't geheel zijn onder koning Willems regeering 't cultuurstelsel in Indiën en de toestand van den Javaan reeds veel verbeterd. Dat alles daar nog niet is zooals 't behoort, is daaraan toe te schrijven, dat er in onze Oost veel, zeer veel bestond hetwelk verkeerd was, en men verbeteringen langs den langen weg en niet met schokken moet verkrijgen. Ook onder koning Willems bestuur heeft zich ons gouvernement op ~Bali~ krachtig doen gelden en de opstandelingen aldaar overwonnen. Zij, die aan de expeditie hebben deelgenomen, hebben daarvoor een zilveren gedenkteeken ontvangen, hetwelk ze aan een groen- en oranjelint op de borst dragen.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Het feest van Neerlands onafhankelijkheid.
»Alweer een feest?" hoor ik u uitroepen. En ik antwoord: ja, alweer een feest en wel weer een nationaal feest. Tot het eigenaardige van koning Willems regeering mag dan ook wel het vieren van feesten genoemd worden. Vooral sedert het jaar 1863 is de Nederlandsche natie verzot op feesten geworden. Kan het anders? Behalve dat de nationale gedenkjaren van 1863, 65, 72 en 73 daarin vielen, zijn er tal van zaken, die hier en daar de aanleiding hebben gegeven tot feestelijkheden. Landbouw- en andere tentoonstellingen, congressen, opening van groote werken, 't oprichten van standbeelden voor groote mannen, ze hebben allen aanleiding gegeven tot feesten. En is 't niet veel beter, dat een volk om zulke vreedzame gebeurtenissen feestviert, dan dat het zulks doet om een overwinning, die duizende ouders kinderloos gemaakt, duizenden in de kracht van hun leven verminkt heeft! Is 't niet beter het buskruit te besteden aan prachtige vuurwerken, dan om het te gebruiken tot slachting van zijn medemenschen? Is de gloed der lampions bij een illuminatie niet veel schooner dan die van een ~Straatsburg~, door 't Pruisisch kanon in brand geschoten? Gelukkig dus 't volk van ~Nederland~, dat zijn geld besteedt aan feestvieren!
Van standbeelden gesproken; daar we toch aan 't praten zijn over de regeering van koning Willem den derden, wil ik u eens opnoemen, welke er alzoo onder zijn regeering zijn opgericht. Een voor den grooten historieschilder Rembrand van Rijn, te ~Amsterdam~ ('54), voor den volksdichter Tollens, te ~Rotterdam~ ('59), voor den schilder Ary Scheffer, te ~Dordt~ ('62), voor Joost van den Vondel, te ~Amsterdam~ ('67), voor Hogendorp, te ~Rotterdam~ ('68), en voor Boerhave te ~Leiden~ ('71). Behalve deze standbeelden nog 't monument van den volksgeest in 1830 en 31, op den Dam te ~Amsterdam~ ('56), dat ter herinnering aan 1813, in 't Willemspark te ~'s-Gravenhage~ ('63), en dat tot aandenken aan de inneming van ~Den Briel~ in 1572 ('72). Doch zoo pratende, zou ik mijn verhaal vooruitloopen.
We verbeelden ons dan in 't laatst van de maand Maart van 't jaar 1872 in een welvarend dorp te zijn, niet ver van ~Den Briel~. We treden het dorp binnen en begeven ons naar de herberg. Terwijl we 't noodige bestellen, en de dochter van den kastelein ons helpt, maken we een praatje met haar vader.
»Een mooi dorp, kastelein," beginnen we. »En 't ziet er welvarend uit ook."
»Nu, dat zou ik denken," antwoordt hij. »Je hebt hier boeren, die voor geen ton of wat opstaan. Daar wordt hier vandaan ook wat naar ~Engeland~ gezonden."
»En daarvoor moeten wij alles duur betalen."
»Ja, meneer! Wat zal ik u zeggen? 't Is in de laatste jaren al wat duurder geworden. En voor groote huishoudens is 't zeker een toer om rond te komen. Daar hadt je nog gisteren de dominé...."
»De dominé. Hé, kastelein, wie staat hier als dominé?"
»Dominé Veldhuis, een knap en geleerd man, al is hij een beetje verdraaid van figuur."
»Dominé Veldhuis? Weet je ook soms of hij B. Veldhuis heet?"
»Jawel, mijnheer; B. Veldhuis. Hij is verleden jaar in 't voorjaar hier gekomen en bevalt uitstekend."
»Wel man, het doet me pleizier, dat ik het hoor. Die dominé Veldhuis is een oude kennis van mij. Hoe maken 't zijn vrouw en zijn drie kindertjes?"
»Zijn drie kindertjes! Nu kan ik wel merken, dat mijnheer de kennis niet met hem heeft aangehouden. Hij heeft er al zes."
»Kom, dat doet me pleizier, kastelein. Ik heb dien dominé Veldhuis reeds als een jongen van veertien, vijftien jaren gekend. Toen was 't al een vlugge knaap, dat verzeker ik u."
»Dan heeft mijnheer hem al een heelen tijd gekend. Hij zal nu zoo wat naar de veertig loopen. En kent mijnheer zijn vrouw ook?"
»Welzeker, dat is een Amsterdamsche. Och, man! Die heele familie ken ik van haver tot gort. Sedert het jaar '65, toen de mama van mevrouw Veldhuis stierf, heb ik echter niets van hen gehoord. Maar het doet me plezier, dat de dominé hier staat. Ik ga hem straks eens opzoeken."
»Dan zal mijnheer er het huis vol volk vinden. Een broer van den dominé uit ~Brakel~ logeert er met vrouw en twee kinderen, en mevrouws broer uit ~Amsterdam~ met vrouw en drie kinderen."
»Wel, wel! dan is het een huishouden van zeventien personen! Die broer en die zwager van den dominé zijn ook oude kennissen van mij. Als ik dat van nacht had kunnen droomen, dan zou ik een voorspellende geest gehad hebben! Kijk; ik ben recht blij, dat ik hier gekomen ben. Want ik stel machtig veel belang in die menschen."
»Geen wonder, als men iemand zoolang gekend heeft!" herneemt de kastelein, terwijl zijn dochter het gevraagde brengt, en we 't nu te druk hebben met eten en drinken, om 't gesprek verder voort te zetten.
En thans, na ons behoorlijk gerestaureerd te hebben, stappen we naar de pastorie van dominé Veldhuis. We schellen aan. Een knaap van twaalf jaren doet ons open.
»Is dominé Veldhuis te spreken?" vragen we den blonden krullebol, die ons met zijn helderblauwe oogen zoo schalksch aankijkt.
»Wel zeker, mijnheer," antwoordt de knaap. »Wil u maar in de zijkamer gaan. Papa zal wel dadelijk bij u komen."
»Papa? Ben jij dan Ernst, de oudste zoon van den dominé?"
»Om u te dienen, mijnheer," antwoordt de knaap. »Maar hoe kent u me? Ik weet niet, dat ik u ooit gezien heb."
»Ik jou wel. Maar dat is nu ruim acht jaren geleden. Toen was je nog een klein kereltje van een jaar of drie. 't Was bij gelegenheid van de Oranjefeesten, toen je bij grootmama de Winter logeerdet."
»Ja, mijnheer, daar weet ik niets meer van. Dat begrijpt u wel."
»Dat laat zich hooren. En hoe maakt het uw zusje Frédérique? Dat zal ook al een heele meid zijn."
»Die is al elf jaar, mijnheer, maar ze is niet groot voor haar jaren, zegt papa."
»Nu, jij bent des te beter uit de kluiten gewassen, Ernst."
»Wat is er toch, Ernst?" roept een vrouwenstem uit de geopende deur der tuinkamer. »Is 't weer zoo'n venter? Zeg hem toch, dat wij niets noodig hebben. Al wat we gebruiken, nemen we hier op het dorp, of laten we uit ~Den Briel~ komen."
»Neen, mama! 't Is een heer, om papa te spreken."
»Laat mijnheer dan in de zijkamer, en roep papa. Hij is in zijn studeervertrek."
»En ik zal maar in de huiskamer komen, Margot," roep ik uit, en op 't zelfde oogenblik komt onze goede Margot, die ge niet zoudt herkennen, zoo gezet is ze geworden, maar die altijd nog hetzelfde vriendelijke gezicht en haar lieve stem heeft, naar mij toe.
»Zijt gij 't, mijnheer! Wel, eer had ik verwacht, koning Willem den derden in eigen persoon voor mij te zien, dan u."
»Ja Margot. Evenzeer had ik eerder gedacht, Zijne Majesteit hier te vinden dan u en uw man. Ik hoorde het toevallig in 't logement, en kon niet nalaten, u eens een visite te maken."
»Daar doet ge goed aan, mijnheer," antwoordt Margot. »Maar sta, als 't u belieft, nu niet langer op de vloermat, en kom in onze huiskamer. 't Is hier wel de doove of 't huis vol volk, maar hoe meer zieltjes, hoe meer vreugd."
»Dat zeg ik ook, Margot. En daarom zal ik mij ook maar terstond in de pret begeven."
Wat we nu al zoo verder babbelen, laat ik rusten. We zullen dus maar eens doen, alsof we een generaal waren, die zijn troepen de revue laat passeeren.
Eerst de kinderen van dominé Veldhuis.
Ernst hebben we reeds ontmoet. Ik moet u evenwel nog iets van hem zeggen. Hij is een ferme jongen, die aanstaanden September naar de Latijnsche school in ~Den Briel~ zal gaan, en stellig in de tweede klasse zal komen; want papa heeft hem al vrij wat van 't Latijn geleerd. De elfjarige Frédérique is een allerliefst meisje. Ze zal met oom en tante de Winter mee naar ~Amsterdam~ trekken, om daar een jonge juffrouwenschool te bezoeken; want mama vindt het minder geschikt, haar naar ~Den Briel~ te sturen: daar ze dan door alle wind en weer heen zou moeten. De tienjarige Marie is bijna zoo groot als Frédérique; ze is echter minder vlug, ook heeft ze nog een jaar den tijd, om gelijk te zijn met haar zuster. De drie andere kinderen zijn de achtjarige Sophie, die evenals Marie en haar zesjarig broertje Willem op de dorpschool gaat; 't jongste kind van dominé Veldhuis, Anna, is nog bij mama thuis.