Geschiedenis van een Neger Zyn Reize met de Heer N.... van Surinamen naar Holland.... enz.

Part 6

Chapter 64,260 wordsPublic domain

Onder ons Negers in Africa zoude even het zelve in zwang gaan; want wy kunnen ons ook met weinig behelpen, en zyn daarom zoo behoeftig niet als de Europianen: was die Koopmanschap in menschen daar niet ingedrongen; zoo dat de Ouders haar Kinderen dikwils niet ontzien te verkopen, en dus de allernaauwste banden, die de natuur te samen geknoopt had, verbreeken. Het is wel waar dat men in Europa zoo een uiterlijke handel in menschen niet bedryft; maar zoo als ik wel heb gehoord, hebben hier eenige zulke slimme vonden, om de menschen van het geen zy bezitten, te beroven; dat zy wel genootzaakt zyn zig zelven aan haar of andere over te geven, op zekere voorwaardens die zoo wel na slaverny zweemen, dat 'er niets anders als de naam aan ontbreekt.

De Heer N.... het woort opnemende, zeide. Dat gy tegens de Europianen en tegen de Hollanders zoo zyt vooringenomen, komt daar van daan, dat gy haar zeden en gewoontens nog niet gewent zyt; wanneer gy wat langer hier zult zyn geweest, zult gy 'er wel anders van oordeelen. Gy zult dan ondervinden hoe veel braver en eerlijke lieden hier gevonden worden, en het geen gy nu voor laagheden en verkeertheden aanziet, zal u als dan zeer regtmatig en billijk schynen.

Ik hoop die dag eens te beleven, antwoorde Thomas, maar ik wil wel bekennen dat ik tot nog toe, die regtmatigheid niet heb gevonde, en ik geloof dat 'er al heel wat tyt toe zal vereischt worden, om my daar van te overtuigen; maar laten wy het voor deeze reis daar by laten berusten myn Heer; dewijl ik met dat gelt dat gy my gegeven hebt, om Laken en voering tot een kleed voor my te kopen, heen zal gaan by een Winkelier, om te zien of ik het krygen kan. By wien zoude ik wel het beste te regt kunnen komen? hebt gy ook kennis aan een Lakenkoper daar ik my op zoude kunnen vertrouwen, dat hy my niet bedriegt? Daar zyn 'er hier verscheide in de Stad die voor eerlijke lieden te boek staan, antwoorde de Heer N...... Daar is 'er voornamentlijk een, dat een man is, die my wel bekend is, en die gy gerustelyk op zyn woord mag geloven; zegt hem, ik moet dat en dat hebben en laten hem begaan, en gy zult zien dat hy u wel zal handelen.

Dit diende ook wel zoo te wezen zeide Thomas; want ik heb weinig kennis van die Koopmanschap, en de Heer N..... gegroet hebbende, ging na het huis van die Lakenkoper. Hy daar komende, vond hem in zyn Winkel, en hem gegroet hebbende, zeide dat hy hem op zyn woort eenig Laken moest verkopen van die en die couleur; dewijl hy 'er weinig kennis van had, en dat hy het daarom op hem aan liet komen. Zeer wel myn vriend zeide de Lakenkoper, ik zal u zulke goede waar voor u geld leveren, dat gy 'er ten hoogste over zult voldaan zyn: en daar mede een oud verlegen stuk Laken krygende, dat half van de mot verteert en daar weinig wol op was, zeide; ziet daar myn vriend, daar hebt gy Laken dat zoo zagt als zyde is; 't is wel waar dat het een weinig dun is; maar dat komt door zyn fynte: dit gelt het allernaaste zoo veel. Belief gy nu dat ik u daar van af snyde? Ik zoude het u raden; want gy zult nooit beter Laken voor zyn geld krygen.

De goede Thomas (om dat de Lakenkoper zoo in ernst scheen te spreeken) geloofde al het geen hy zeide. Myn Heer zeide hy; dewyl ik u op u woord geloof en u voor een eerlyk man aanzie: zoo wil ik u laten begaan; maar is dit de allernaaste prys? Geen penning minder antwoorde de Koopman. Als het dan zoo is zeide Thomas, sneid zoo veel ellen van het stuk af als ik tot een kleed nodig hebbe; t'welk de koopman gedaan hebbende, ging met de voering ook zoo te werk als hy met het laken had gedaan; gevende hem niet anders als het geen oud en verlegen was.

Als Thomas zyn gekogte goed betaalt had, groete hy de Koopman en ging na huis. T'huis komende liet hy de Heer N.... zien het geen hy gekogt had. Ik geloof dat ik wel te markt ben geweest zeide hy tegen dezelve, die Koopman heeft my verzekert dat'er geen beter Laken en Voering voor dat geld te krygen was.

De Heer N.... in plaats van het zoo goed te vinden, zag 't tegendeel. Dat Laken en die Voering deugd niet, zeide hy; gy zyt 'er mede bedrogen: want het is verlegen en half van de mot opgevreeten.

Hoe kan dit weezen myn Heer antwoorde Thomas: gy zegt immers! dat het zoo een eerlyk man is die gy zoo wel kende? Dan ben ik in myn meening bedroogen geweest, hervatte de Heer N.... ik heb hem 'er altyd voor aangezien; maar nu zie ik dat ik daar in gemist heb. Met dit te bekennen dat gy kunt missen in uwe denkbeelden myn Heer; zult gy mogelyk nog eer van zin als ik veranderen over de eerlykheid en bestaanlykheid der Europianen, vervolgde Thomas; daar gy nu reeds weder een staaltje van ziet; want gy zult my niet kunnen wys maken, dat gy niet meer diergelyke staaltjes ondervonden hebt. Gaat haastig weder na de Lakenkoper toe zyde de Heer N.... en zegt dat hy u ander en beter goed of uw geld wederom geeft; t'welk Thomas doende, zyde tegen hem: myn Heer daar is u goed wederom, het deugd niet; gy hebt my bedrogen, ik moet ander en beter in de plaats hebben; of anders moet gy my myn geld wederom geven.

Zagt, zagt myn vriend, antwoorde de Koopman; wy geven zoo schielik geen ander goed, of het geld in de plaats: gy hebt het gekogt en af laten snyden. Ik zou het nu al wilde ik het, niet zonder myn schade wederom kunnen nemen; daarom is het te vergeefs, dat gy de moeyte gedaan hebt van wederom te komen: vermits ik 'er niet toe zal overgaan.

Niet toe overgaan! Myn Heer heeft evenwel belast dat ik het u zeggen zoude dat gy het wederom moest nemen, zeide Thomas. Wie is u Heer? vroeg de Koopman. Hy is de Heer N.... en hy is altyd van meening geweest dat gy een eerlijk man waart; antwoorde Thomas. Wel dat spyt my, zeide de Koopman dat ik dit niet geweten heb; ik zoude u als dan beter gestelt hebben, maar nu kan ik het onmogelijk doen; dewyl het reeds afgesneden is: op een ander tyt zal ik u beter helpen.

Dan hoor ik wel myn Heer, zeide Thomas, dat gy onderscheid maakt, wie dat goed by u komt kopen! Is het niet het zet zelve wie dit doed als de lieden u betalen? dit is geen brave lieden werk. Een Winkelier moet zig van het slegte zoo wel als van het goede weten te ontdoen, zeide de Koopman; want anders zoude hy daar mede blyven zitten, en reken eens wat schade hy als dan zig zoude doen? Dan moest hy het slegte goed voor slegt verkopen antwoorde Thomas, en laaten het slegt betalen; maar niet voor goed en duur; maar het gaat zoo met ulieden, dat als het met u belang overeenkomt, en gylieden een onkundige voor hebt gylieden daar niet van weet, om dien te bedriegen. Ik zal dan het goed maar weder mede nemen, dewyl het niet anders kan wezen; maar gy zult lang wagten eer ik wederom zal komen om ander te kopen. Hier mede vergramt weg gaande zonder hem goeden dag te zeggen, begaf zig weder by de Heer N.... die hoe zeer hy anders gebelgt was dat Thomas zoo bedrogen was; evenwel in zyn hart moest lachen, dat hy de Koopman zoo de waarheid gezeit had.

Gy diend ook wel een hoed en kousen te hebben, zeide de Heer N.... tegen Thomas; gaat by de Winkelier die daar woont; ik twyffel niet of gy zult daar zeer wel te regt komen; want dat is een man die niet alleen voor zeer eerlijk te boek staat; maar zelfs voor vroom: hy is in Kerkendienst, en derhalven is 't niet te denken dat hy u bedriegen zal. Koopt daar dan een hoed en kousen van die prys. 'T is wel myn Heer; zeide Thomas ik ga u wil volbrengen: maar ik hoop niet dat gy weder in u meening mag bedrogen worden: en daar (na dat hy geld van de Heer N.... tot zyn Koopmanschap ontvangen had) begaf hy zig na het huis van den Winkelier.

Hy vond dezelve heel zediglijk gekleed voor zyn Toonbank in de Winkel zitten, en hem gezegd hebbende waarom hy kwam, verzogt hy hem dat hy trouwelyk daar in handelen zoude, want voegde hy 'er nog by, ik ben daar by een Lakenkoper geweest, die my zulk slegt Goed verkogt heeft dat het schande is; ik vertrouw van u dat gy my beter zult handelen: Ik agt dat het maar een weerelds mensch geweest is; die niet anders als zyn tydelijke belangens zoekt; maar van u gehoord hebbende, dat gy een goed Christen zyt en daar by in dienst van de Kerk, maak ik in het geheel geen zwarigheid my op u te vertrouwen.

De Winkelier doen met een styf en betrokken wezen hem aanziende, zeide; Myn vriend om een goed Christen te wezen dat heeft al veel in; want wy hebben hier dagelijks tegen zoo veel vyanden te stryden, dat het al wat te zeggen is dezelve te overwinnen: evenwel moet ik u zeggen dat het zeer gevaarlijk is, wil men niet bedrogen wezen, by iemand goed te kopen, die niet anders als wereldze inzigten heeft; want zoo een man maakt geen zwarigheid om de goede lieden te bedriegen en daarom zoude ik dezelve altoos raden van by deugtzame lieden te gaan; die zyn altyd met een klein winsje te vreden en daarom niet genegen om iemand te misleiden.

Zoo behoord het ook te weezen, zeide Thomas; maar laat my eens eenige Hoeden en Kousen zien. De Winkelier daar op eenige van dezelve gekregen hebbende, zogt 'er een Hoed en een paar Kousen uit, en hem dezelve toonende, zeide: ziet daar myn vriend, een Hoed en Kousen die ik u op myn woord verkoop; al waart gy een Eedelman behoefde gy u zelven niet te schamen om ze te dragen, en ik raad u daar aan.

Thomas daar op de Hoed nemende en dezelve ziende, dagt dat die wat hart en styf was, en daar by weinig voorzien van hair of wol; zeide daarom tegen de Winkelier het geen hy 'er van dagt: die daar op antwoorde. ô Myn vriend dat is niet met al! Dat hy u zoo voorkomt, is dat gy 'er zoo weinig kennis van hebt; die hardigheid en styfheid is niet anders, als dat de stoffagie zoo vast in malkanderen gewerkt is en dat hy zoo min wollig is, komt door zyn fynte. Thomas geloofde al het geen hy zeide; zettede daarom den Hoed op zyn hooft en bevindende dat dezelve hem paste, vroeg hoe veel geld hy daar voor hebben moest. De Winkelier hem daar op antwoordende zeide; als ik als een werelds mensch of die geen die niet anders als zyn tydelijke belangens behartigt, te werk ging, zoude ik daar twee Ducaten voor moeten hebben; maar dewyl ik met een gering winsje te vreeden ben, zult gy my maar zeven guldens daar voor geven. Is dit het allernaaste? Vroeg hem Thomas, geen duit minder myn vriend, antwoorde de Winkelier ik zou 'er zonde van maken dat ik iemand, overeischen zoude. 'T is wel zeide Thomas, en daar op ook een paar Kousen op de Winkelier zyn woord genomen hebbende, betaalde hy het een en andere. Onderwylen dat Thomas wagten moest tot dat de Hoed opgetoomt was, hadden zy nog eenige zeedige en stigtelijke gesprekken met malkanderen; daar op Thomas van de Winkelier afscheit nemende, begaf zig weder na huis.

De Heer N.... bezag het geen hy gekogt had, en de Hoed en Kousen kwamen hem redelijk wel voor. Wat zegt gy nu zeide hy tegen Thomas; blyft gy nu nog by u gevoelen, als of hier geen eerlijke lieden waren? Myn Heer zeide Thomas, ik heb niet gezeid dat 'er in het geheel geen eerlijke lieden hier zyn; maar wel dat 'er zeer weinige waren: Onder die weinige heb ik nu deeze man gevonden, dat waarlijk een goed Christen en een eerlijk man schynt te weezen. Daar op verhaalde hy hem wat stigtelijke redenvoeringen zy te samen gehad, en hoe hem de Winkelier had te verstaan gegeven, dat men nooit anders als by vroome lieden zyn goed diende te kopen, en de redenen waarom.

De Nademiddag wilde de Heer N.... een wandeling met Thomas door de Stad aan doen, en liet hem die nieuwe Kousen aantrekken en nieuwe Hoed opzetten.

Toen zy een weinig gewandelt hadden, wierden zy van een geweldige regenvlaag overvallen; zoo dat zy eer zy ergens gelegentheid hadden om te schuilen, reeds braaf nat waren geworden. Weder na haar verblyf te rug gekeert zynde, wilde Thomas zyn Hoed met de neusdoek afveegen: maar wat was hy verwondert, het geen hy eerst voor een glanzigheid en fynigheid aangezien had, nu te ondervinden dat het niet anders was als gom, 't welk die styvigheid en hardigheid in het behandelen te weeg gebragt had, en die door de vogtigheid week zynde geworden, men 'er met een doek af konde vegen. Men kon doen ook bescheidentlijk zien dat het maar een oude Hoed was; die wat was opgemaakt en om die reden met de gom betreken. Na zyn Kousen ziende hoe of die zig al gehouden hadden, bevond hy dat aan een van dezelve die hy aan zyn regter been had, een gat van agter aan de kuit was gekomen zoo groot als een Hoender ey; 't welk veroorzaakt was dat 'er behendig zoo een stuk ingelapt is geweest.

Daar hebt gy de eerlijkheid al weder van de Amsterdammers, zeide Thomas; dit bedrog is my nu geschiet van iemand die voor vroom te boek staat; wat zullen dan de anderen wel niet doen! Wat zegt gy nu myn Heer; blyft gy nog by u gevoelen? De Heer N.... kost 'er niet veel op antwoorden; dewyl hy het bedrog zag: hy trok alleenlijk zyn schouderen op en zeide, dat alschoon hy zag, dat 'er onder luiden die de naam van vroom en Christelijk hadden, ook bedriegers waren; hy daarom niet naliet te gelooven, dat 'er ook veel eerlijke lieden onder waren: dat 'er onder een mant met Appelen die 'er alle op het oog wel uitzagen, wel eenige kosten weezen die van binnen rot en aangestoken waren: maar dat daarom niet gezegt kost worden, dat de anderen niet goed waren: dat het met de menschen ook zoo gestelt was, waar van eenige in schyn de vroomheid en deugt nabootste: en daar door de lieden bedrogen; maar dat het zoo met alle niet gestelt was; dewyl men overal waare vroome vondt. Thomas daar en tegen bleef by zyn gevoelen, dat 'er in een Land waar de gewin en baatzugt zoo groot was, zeer weinige waare vroome en eerlijke lieden kosten gevonden worden.

Terwijl de Heer N.... zig met zyn Familie en Thomas zig daar ophielden, gebeurde het dat 'er iemand van zyn kennissen na Suriname zou vertrekken. Hy nam deeze gelegentheid waar om te zien of hy ook eenige goederen met een brief aan de Heer le Sage zoude kunnen zenden. Hy sprak daar over met die kennis en met de Schipper van het Schip, die hy een present beloofde, indien hy het voor hem wilde te werk stellen. De Schipper maakte daar eenige zwaarigheid in; maar het aanhouden van de Heer N.... die tegen hem zeide dat het in zyn weg was, die hy te bezeilen had, nam hy het op zig om het ter uitvoer te brengen. De Heer N.... gaf hem het plan der legging van het Eiland in handen, en bezorgde het goed, 't geen zyn vriend mede zoude nemen, met volmagt dat zoo zy het Eiland niet kosten aandoen, hy het goed te Surinamen verkopen zoude, en hem 'er weder andere goederen of geld voor in de plaats zoude zenden.

De Brief welke hy aan de Heer le Sage mede gaf, behelsde zyn gelukkige aankomst in Holland, en voor al het goede aan hem en de zyne bewezen, zond hy aan zyn Ed. tot dankbetuiging, het nevensgaande present, en verzogt, dat hy hem met een Lettertje wilde vereeren; om eenige kondschap van hem te verkrygen, en besloot met een wensch van des Hemels Zegen over zyn Ed. Persoon, en de geheele Volkplanting.

De Heer N.... hier mede bezig zynde, nam Thomas deeze geleegentheid waar, om een brief aan de Heer le Sage te schryven; dezelve was van dezen inhoud.

Aan de Heer le Sage; myn waarde weldoender en Vriend.

"Indien de menschen zig doorgaans schuldig maken aan ondankbaarheid; met de weldaden die zy van iemand, waar van zy verwydert zyn, ontfangen hebben, uit haar geheugen te bannen, zoude ik my zelven indien ik deeze gelegentheid voorby liet gaan, schuldig maken. Weet dan myn Heer dat u goetheden aan my bewezen, nog niet vergeten zyn en uwe weldaden zoo lang in myn gedagten zullen blyven als 'er adem in my is. Mogt ik het geluk hebben van uw mondelijk daar nogmaals voor te bedanken, wat zou my dit een genoegen geven! Maar dewyl den Hemel dit niet toelaat en wy van een zyn, zoo kan ik het niet anders als schriftelyk doen. Neemt dan de wil voor de daad, en verbeeld u een Persoon die met u zedelessen bezwangert, dezelve hier heel wel nodig heeft, om zig daar mede te wapenen, tegen zoo veel aanvallen en verleidingen waar mede zyn gemoed in dit land bestormt word. Een land zeg ik waar in men zoo weinig waare vroome en eerlijke lieden vind, dat zoo my uwe waarschouwingen en vermaaningen niet te hulp kwamen, ik groot gevaar zoude loopen van in myn oude twyfelary te vallen, alles word hier aan de baatzugt en aan het gewin opgeoffert; zelfs die geenen die de naam van vroom voeren, ontzien niet zig daar aan te vergrypen: denkt dan eens hoe het met andere gestelt is, die zig weinig met zulk een naam bekreunen. Dit doet my geduurig om u Eiland denken, waar in de menschen sober levende en even ryk zynde, die baatzugt geen plaats heeft, en waar in de ware trouw en liefde na de regelen des Geloofs die zy belyden, geoeffent word.

"Gelukkig Eiland daar men geen twee Heeren te gelyk dient, te weten God en het Geld; maar daar men met zyn lot te vreeden, de goederen gebruikt zoo als het behoort, zonder daar zyn hart aan te hangen en daar men stervende van afscheid, zonder zig zelven daar over te bedroeven! Gelukkig Eiland daar men van al die slimme vonden niet weet, om malkanderen te bederven, die men wel op andere plaatzen gewaar word, en waar door men groot gevaar loopt zyn ziel te verliezen! Maar ik zoude om het Eiland denkende u wel vergeten, myn Heer, ik bedanke uw nogmaals voor het goede aan my gedaan en smeeke den Hemel dat hy het u wil vergelden, dat hy u in uwen hogen ouderdom met zyn kragt wil ondersteunen, en u hier namaals eens deelgenoot wil maken van een beter leven als dit is; 'T welk van harten wenscht

Uwen Onderdanige en Dankschuldige Dienaar

THOMAS."

Deeze Brief geschreeven en verzegelt hebbende, gaf hy die aan de Heer N.... die haar in de zyne sloot en aan zyn Vriend ter hand stelde, om aan de Heer le Sage over te geven. Het Schip vertrok en de Heer N.... kreeg geen tyding voor dat een half jaar verstreken was. Zyn Vriend zond de Brieven wederom, en schreef 'er by; dat zy op die hoogte gekomen zynde, waar het Eiland moest leggen, wel een zware nevel gezien hadden; dat zy 'er zig ook in begeven hadden; maar dat de Schipper niet durvende zig langer daar in betrouwen, het Schip had laten wenden en zig daar uit begeven had; dat zy gezond en wel te Suriname aangekomen waren, en dat hy de goederen verkopen zoude en hem andere in de plaats zenden.

Dit smerte de Heer N.... geweldig en Thomas was 'er zeer over aangedaan; dewijl zy daar door alle hoop verloren, van ooit tyding van het Eiland en van de Heer le Sage te vernemen; want zyn Vriend had ook nog by het geene gezegt is geschreven, dat hy hem rade geen moeite daar omtrent meer te doen; alzoo 'er niemand zoude wezen, die het zou willen te werk stellen en een Land zoude zoeken aan te doen; daar het zoo gevaarlijk was om by te komen. Dit deed hem 'er dan voor altoos van afzien.

In al dien tusschen tyd viel 'er niets aanmerkelijks voor met Thomas; als dat hy meer diergelyke gevalletjes van bedrog, zoo als wy 'er reeds twee gemeld hebben, ondervonden had; 't welk hem nog meer in zyn gevoele versterkte, dat 'er weinig eerlijke en deugtzame lieden waren. Onder anderen was hem 'er een ontmoet, 't geen nog wel verdient aangetekent te worden.

De Heer N.... had een huis te Amsterdam gehuurd; hy hield Thomas meer voor gezelschap en voor zyn Vriend, als wel voor zyn Dienaar by zig; en gaf hem derhalven de vryheid om te gaan waar hy wilde. Thomas had daar door Verscheide kennissen gekreegen, die hy wel eens ging bezoeken. Hy eens op een avond aan het huis van dezelve wezende, en daar wat laat blyvende, begaf zig om half twaalf na huis.

Onderweg ontmoete hem twee Vrouwlieden, die hem vroegen of hy met haar lieden meede wilde gaan om zyn vermaak met haar te nemen. Thomas die geen lust tot diergelijke spelletjes had, zeide, dat hy daar niet toe genegen was en dat zy hem daarom met vrede zoude laten gaan; maar in plaats dat haar dit zoude weerhouden, deeden zy hem aan en hielden hem staande, zeggende dat zy hem niet los zoude laten of hy zoude met haar mede gaan. Thomas had een goede rotting by zig en wilde haar daarmede van het lyf weeren; maar in plaats dat zy daar door zoude zyn verschrikt geworden, begosten zy een leven te maaken en om hulp te schreeuwen; als of 'er iemand was geweest die haar eenig leed wilde doen.

De Ratelwagt quam op dit geschreeuw terstont toeschieten; die de Vrouwlieden daar op die wyze met Thomas bezig vindende, deeze tegen haar zeide, dat hy haarlieden gewelt wilde doen, zy vielen hem ten eersten op het lyf, pakte hem aan, en zeiden; dat hy zig aan haar over moest geven of dat zy anders gewelt zouden gebruiken. Wat zoude Thomas doen? Zig te verweeren was voor hem niet raatzaam, ook waren zy gewapent en met haar beiden. Die deed hem de zagtste weg verkiezen en haar verzoeken dat zy hem zyn weg zouden laten vervolgen; want dat hy in het geheel niet van zin geweest was die Vrouwlieden eenig kwaat te doen: maar dat zy hem in tegendeel aangedaan hadden. Dit mogt niet helpen: zy namen hem tusschen beide in en sleepte hem tegens zyn wil en dank mede: terwyl de Vrouwlieden het hazepad kozen.

Thomas was in de grootste vrees des werelts; dewyl hy niet wist wat een uiteinde dit spel zoude nemen: hy borst daarom in dier benaauwtheid al gaande in deze droevige klagten uit: ô gelukkig Eiland! Was ik heden in u; zoo zoude my dit kwaad niet overkomen en ik zoude bevryd zyn van een overlast daar ik my thans in bevinde. Gelukkig Eiland! Daar het bederf en de zeden van een ander, de onschuldige niet in verwert en de goede voor de kwade niet behoeven te lyden.

De Ratelwagts hem zoo over dit Eiland hoorende roepen, vroegen hem wat of hy daar mede meende en wat dat voor een Eiland was; wy zyn hier in Amsterdam zeide zy, wat hebben wy met de Eilanden te doen? Maar vervolgden zy wyder, wy zien dat gy zoo bevreest zyt; hebt gy ook geld by u? Om wat reden vraagt gy dat? zeide Thomas. Om als gy ons van het zelve wat wilt geven, wy u los zullen laten. Hoe veel moet gy wel hebben? vroeg Thomas. Als gy een Ducaat wilt geeven, zullen wy u laten gaan antwoorde zy. Thomas een klein Goudbeursje, 't geen hy by zig had, uit den zak halende, nam daar een Ducaat uit en gaf ze haar. Zy lieten hem daar op heen gaan, terwyl hy haar hoorde zeggen, dat zoo zy geweten hadden dat hy zoo veel Geld by zig gehad had, hy daar zoo gemakkelijk niet zoude afgekomen zyn.

Thomas was verblyd dat hy vry was, en daar zoo goetkoop was afgekomen, en spoede zig zoo haastig als hy konde om t'huis te zyn. Als hy daar gekomen was, was de Heer N.... nog niet te bed gegaan en vond dat die met ongelegentheid hem zat te wagten. Hoe blyft gy zoo lang uit Thomas, vroeg hy hem, waar zyt gy zoo lang geweest? of is u iets ontmoet dat u zoo lang opgehouden heeft? Want ik ben zulks van u niet gewent.

Al weder een staaltje van de Eerlijkheid en het goed gedrag dat men hier ontmoet; antwoorde Thomas, en daar op de Heer N.... verhalende 't geen hem ontmoet was; verwonderde die zig zeer.