Geschiedenis van een Neger Zyn Reize met de Heer N.... van Surinamen naar Holland.... enz.
Part 5
Het is nu na by de twintig jaren, dat ik te Surinamen gewoont, en daar zeer vergenoegt geleeft heb; het eenigste dat my een weinig tegengestaan heeft, is de barbaarse en wreede handelwijze, die de slaven dikwils moeten ondergaan als zy meesters aantreffen, die geen menslieventheid bezitten, en ik wil wel bekennen zonder my daar op te beroemen, dat ik altyd meer met goede woorden van haar heb kunnen krijgen, als met slagen; zy hebben altijd veel van my gehouden en zy waren zoo bedroeft dat zy een andere meester zoude krijgen, dat 'er eenige onder waren die als kinderen schreiden, toen zy het hoorde. Ach mijn goede meester, zeide eenige onder haar, wat zyn wy ongelukkig u te verliezen! Waar krygen wy 'er zoo een weer als gy geweest zyt! Ik zogt haar zoo veel te troosten als in mijn vermogen was, met tegen haar te zeggen, dat 'er meer goede lieden in de waerelt waren als ik, en dat ik haar raade, met braaf op te passen de genegentheid van hun meesters te winnen; 't mogt weinig baten, de neerslachtigheit was uit haare wezens te leezen. Ik wil hier meede te kennen geeven, dat men dikwils door zagtheid en goetheid meer op de harten van zyn volk kan winnen, en meer dienst daar van hebben, als door strafheid.
Na dat ik dan voorgenomen had, met mijn Vrouw en Dochter na Holland te gaan, en wy order op alles gesteld hadden, hebben wy ons t' Scheep begeven, en zyn op die wijze alhier aangekomen, gelijk u bekend is.
De Heer N..... had alhier zyn verhaal ten einde gebragt en de Heer le Sage bedankte hem voor zyn genome moeite; hy maakte hier en daar aanmerkingen over, het geen hy van de Heer N.... gehoort had; maar dewijl het reeds laat in de agtermiddag geworden was, deed hy het zeer kort. Zy gingen weder by het gezelschap, 't geen haar met ongedult zat te wagten, en maakte zig dien avond op een betamelijke wyze met het zelve vrolijk. De tyt tot rusten gekomen zynde, bedankte het gezelschap de Heer le Sage voor zyn vriendelijkheid, en ging een ieder van het zelve daar zy wezen moesten.
Onderwyle begonnen die aan het Schip werkte, om het zelve te herstellen, dapper te vorderen; maar eer dat onze reizigers dit Eiland verlieten, gebeurde 'er nog een geval, 't welk zich op deze wyze toedroeg. Een van de Schiplieden, die in de Kerk geweest was toen Thomas gedoopt wierd, had aldaar een Jonge Dochter gezien, die 'er gansch niet onbillijk uit zag. Zy had hem door haar bevalligheden zoodanig betovert, dat hy niet nagelaten had, toen de Kerk was uitgegaan dezelve na te zien waar zy te huis hoorde, en een gelegentheid te zoeken, om haar zyn genegentheid bekent te maken. Hy had dezelve ook wel haast gevonden; vermits onze Eilanders gantsch eenvoudige lieden zijnde, en bygevolge niet argwaanende, die van het Schip de vryheid lieten, van in haar huizen te koomen wanneer zy wilde.
Hy vond gelegentheid genoeg om dit meisje zyn liefde te openbaren; maar dezelve weigerde in den beginne hem ten antwoord te staan. Evenwel door zyn vlytig oppassen en door de betuigingen van liefde die hy haar deed, dit Jonge bloed gaande raakende, begon zy een weinig het oor na hem te leenen. Doen hy zoo ver gevordert was, dagt hy het half gewonnen te hebben en verdubbelde derhalven zyn vlyt. Hy bragt het eindelijk zoo ver, dat hy in 't geheel meester van haar hart wierd.
Maar wat raad in dit geval te doen? Het stond hier niemand op dit Eiland vry om by verkiesing te trouwen. Dit baarde by deze jonge Dochter voor zoo verre zy nog redenkavelde, eenige ongerustheid; maar de liefde het eindelijk op de reden winnende, en hy haar met schoone belofte van getrouwheid paaijende, met tegen haar te zeggen, dat zoo het al niet wiert toegestaan, dat zy te samen trouwde, hy haar dan in stilte mede op het Schip zoude neemen, dewijl hy haar nooit verlaaten zoude; zoo gaf zy zig vervolgens geheel aan hem over, en hy genoot op die wyze van haar, het geen hem eerst na een wettelijke trouw was toegekomen.
Maar gelijk gemeenlijk gaat, dat na de genieting de verzadiging volgt; zoo ging het hier met onze minnaar ook, en hy begon wel haast in zyn liefde te verkoelen. Het welk zy gemerkt hebbende, zogt zy zig te beklagen over zyn onstantvastigheid. Hoe! Zeide zy tegen hem, is dit de beloften agtervolgen, die gy my gedaan hebt, en is dit de vergelding voor een liefde, die ik ten kosten van myn eer aan u verdient heb, en waar door ik my in gevaar gestelt heb, om by de gantsche Volkplanting in veragting te weezen? ô wreede als gy zyt! Die even het genot van een oneerlijke lust gehad hebbende, een onnozele Maagd verlaat, die haar hert ganschelijk aan u geschonken heeft! Maar neen ik kan niet denken dat gy tot zoo een schrikkelijk besluit zult komen; gy doet het eerder om my eens te beproeven en te zien hoe ik my houde zou, en of ik 'er my ook onverschillig in zou betonen. Neen myn Vriend, gy ziet dit anders, en wat wreede twyffelingen thans mijn ziel bestormen: betoon my dan weder als voor heen, die liefde die gy my zoo dier betuigd heb, en stel my door overtuigende blijken van u wederom gerust.
Onze Jonkman, in plaats van zich door zulke doorslaande blijken van liefde te laten overreden, schertste met dezelve en zeide; dat ze zich maar wel te vreeden zoude houden, dat de tyt die alles slijt, dit geval ook wel uit haar geheugenis zoude wisschen, en dat wat haar eer aanbetrof en de schande die zy daar door by de Volkplanting stond te wagten, maar inbeeldingen waaren, dat hy verders zich niet meer met haar op wilde houden, veel minder om haar mede na Holland te neemen; want dat hy in het geheel door geen Vrouwspersoon wilde belemmert zyn; dat diergelijke galantereien in Europa zeer gemeen waren; dat men dezelve daar maar voor beuzelingen aanzag, en dat hy derhalven 'er in 't geheel geen geweten van maakte.
Dit antwoort klonk de Jonge Dochter als een Donderslag in de ooren. 'T is wel ontaarde zeide zy tegens hem; het geeft my dan geen wonder dat dewijl gy uit zoo een Godloos Land afkomstig zyt, daar men de plicht van eer en trouw te breeken, maar voor een beuzeling en aardigheid aanziet, zoo een wreed en onnatuurlijk stuk durft begaan. Ik zoude nu zelfs, al wilde gy my mede nemen, my met een manspersoon na zulk een land niet willen begeven, die de quade gewoontens van het zelve tot een voorbeelt gebruikt om 'er zich na te gedraagen. Want wat staat zoude ik doch in vervolg van tyd op desselfs trouw kunnen maken? Gaat dan maar alleen na dat schoone Land; terwijl ik hier zal blijven om in myn eenzaamheid myn misslag te betreuren en my aan een droefheit over te geven, daar de Dood wel haast een einde van maken zal.
Deeze wanhopige woorden gesproken hebbende, verliet zy hem, en liet ons Jong manspersoon, alleenig staan; die zich weinig over haar zeggen bekommerde en denkende, dat zy het zoo niet meende als zy wel voorgaf, zich naar elders heen begaf. Maar de Liefde die dog overal zyn rol wil speelen, in wat afgelegen oort des weerelts dat het ook zoude mogen weezen, wilde hier ook betoonen dat zyn magt gantsch niet te veragten is, en dat indien men hem eens het oor geleent heeft en men hem in het hart een plaats vergunt, hy zoo ligt daar niet weder uit te krygen is: dewyl hy gemeenlijk niet alleen verzeld is met die aanlokselelen en bekoorlijkheden, waar mede hy den arme sterveling betovert; maar ook met al die gruwelen en monsters waar de Minnenyt, de spyt; en de wanhoop wel de voornaamste van zyn.
De Liefde dan het hart van onze jonge Dochter verlaten hebbende, had de wanhoop en de spyt in zyn plaats gelaten; deeze vermeesterde het zelve zoodanig, dat zy voor zich nam, dewyl het leven haar maar een last was, zich van het zelve te ontdoen, en een einde van baar droefheid, te maken. Rampzalige sterveling! Wat zyt gy niet te beklagen! Gy vervalt dikwils van het eene quaad in een ander, 't welk nog veel erger als het eerste is. Zoo ging het onze Jonge Dogter ook: in plaats van zich aan eenig mensch vertrouwt te hebben, en haar droefheid geopenbaart, kropte zy het by haar zelven op en smoorde alles in haar eige boezem.
Zy dan een koort genomen hebbende, maakte 'er een strop van en verhing zig des avonds toen het duister was geworden aan een Boom, die even buiten het vlek aan den ingang van het zelve stont. Doch eer zy hier toe was overgegaan, had zy eerst het geval en de oorzaak van haar Dood op een zeker blad, 't welk zoo veel als voor papier diende, geschreeven, en het zelve tusschen haar gordel dewelke zy om haar lyf had gestoken; op dat het neffens haar lyk mogt gevonden worden. Den inhoud van dit papier luide aldus.
Aan alle die van de Volkplanting zyn.
"Dat gy my hier in zoo een beklagelijke staat bevint, daar van heeft niemant de schuld, als een Matroos van het Schip, 't welk hier eenigen tyd aan dit Eilant gelegen heeft. Zyn naam is Jan Jansz. dezelve heeft my door schoone beloften weten over te haalen en door betuigingen, dat hy my tot aan zijn Dood beminnen zou, dat ik my aan hem geheel over gegeven heb: maar deeze trouwlooze, na dat hy het genot van myn Lichaam gehad, en zyn onkuische min daar mede verzadigt, heeft hy zijn beloften in den wind geslagen, en my in de allerdroevigste staat gelaten, daar een Jonge Dogter als ik ben, ooit in komen kan. Dewijl ik nu myn ongeluk niet heb konnen overleven, en my geschaamt heb om myn zwakheid aan anderen te openbaren, ben ik tot dat uiterste gekomen, waar in gylieden my thans vind. Ik hoop dat den Hemel hier door mag verzoent zijn, dat ik my tegens de gewoontens van ons Land aan iemand overgegeven heb, die my zoo trouwlooslijk verlaten heeft, en die het schenden van eer en trouw als een beuzeling na de gewoonte van zyn Land (zoo als hy my zelfs gezegt heeft) achtede."
Zy wierd den volgende morgen al heel vroeg met dit geschrift gevonden en het zelve wierd de Heer le Sage als hooft der Volkplanting bekent gemaakt. Deezen goede Heer was zeer over dit geval verlegen; terwyl de meeste der Inwoonders van het Vlek om wraak en straf tegen het breeken der Wetten van gastvryheid riepen. Hy liet daarom de voornaamste der Volkplanting vergaderen, om zig met dezelve te beraden hoe zig in deeze omstandigheid te gedragen. Zy waren alle eenparig van gedagten dat de Matroos straf verdient had; dat zy daarom den Schipper en de voornaamste van het Schip zouden zien te bewegen, dat zy hem aan haar overgaven om hem die straf te laten ondergaan, en zoo zy niet goetwillig wilde, dat men hem dan met gewelt zou zien te krygen.
Dit dan aldus besloten zijnde, lieten zy de Schipper en andere Officieren van het Schip by haar komen, en als doen de Heer le Sage het woord voerende, zeide tegens haar uit naam der gantsche Vergadering: dat dewijl 'er een matroos van haar Schip was die tegens de Wetten der gastvryheid een Maagd van de Volkplanting verleid had, en door schoone beloften van haar eer berooft; hy verzocht dat men de Matroos aan den raad overleverde, om hem na haar goeddunken de verdiende straf te doen erlangen. De Schipper en de andere Officieren stelden zig wel in het eerst daar tegen; met te zeggen, dat dewyl hy een Hollander en daar by een varentsgezel op een Hollands Schip was, het daarom de regtspleging in Holland daar zy na toe stevende toe quam, om hem zoo hy iets misdreven had te straffen, en dat zy om die reden niet welvoeglijk hem aan haarlieden kosten overgeven: maar de Heer le Sage en de raad bragten daar tegens in, dat dewijl het onder het gebied der Volkplanting geschiet was daar dit misdryf was gepleegt, het niet meer als billijk was, dat het in en door de magt van het zelve gestraft wiert; dat de misdadiger zyn leven niet zou behoeven te verliezen; maar dat zy hem een kastyding evenredig na zyn misdaad zoude doen ondergaan, om daar door de gemoederen der Volkplanting te stillen en een voorbeelt aan andere te geven om dezelve van diergelyke bedryven afteschrikken. Dat zy hem vervolgens weder op vrye voeten zouden stellen; op dat hy zyn verrigting als Matroos op het Schip weder zou kunnen oeffenen.
De Schipper en Officieren van het Schip bewilligden hier eindelijk toe, met dat beding, dat zy hem zelfs, als of het buiten haarlieder kennis was, zouden doen aanvatten; op dat zy van alle verdere onderzoekingen zouden bevryd zyn. Daar mede wierd ten eersten aan eenige der Volkplanting last gegeven, om hem te vatten; en dewyl hy zig op dien tyt niet op het Schip bevond, kosten zy hem gemakkelijk krygen. Hy wierd als doen in een zekere woning zeer naauw bewaard, tot dat zyn straf ter uitvoer wierd gebragt.
De Raad vergaderde doen weder, men besloot in dezelve dat al de Maagden van de Volkplanting boven de veertien Jaren, by malkanderen zouden vergaderen; dat zy zig in twee reien zoude scharen, gewapent met dunne en zwakke teenen, waar door de misdadiger met de naakte huit tien maal heen en weder zoude geleit worden, en hy op dusdanig een wys van ieder van haar een slag zoude krygen.
De tyt gekomen zynde, Vergaderde de Maagden en stelden zig in twee reien ieder met tien teenen gewapent. Het zelve geschiede in het open Velt; alwaar al het volk zoo van de Volkplanting, als van het Schip, om aanschouwers te wezen, vergadert waren. De Heer le Sage met de voornaamste des volks, die den raad uitmaakte, zaten op banken, gesteld voor den ingang der in twee ryen geschaarde maagden, en na dat de matroos wel geboeyd voor hem gebragt was, las hy dezelve zyn misdaad, en de straf die hy daar door verdiend had voor. Als hy dit verrigt had, wierd den misdadiger met het boven lyf naakt uitgekleed, en met de handen geboeid, door de gelederen geleyd. De maagden die al een redelijk getal uitmaakte, sloegen dapper toe; zoo dat het bloed zig wel haast met de striemen op zyn rug begonnen te vertoonen; terwijl de gramschap op haar aangezigt op een levendige wyze vertoonde; als wraak nemende over het schendig stuk dat hy aan een van haar staat en kunne bedreven had. Toen de straf dus ter uitvoer was gebragt, moest de matroos voor de Heer le Sage en den Raad verschynen, en dezelve bedanken voor haarlieder regtmatig vonnis: De Heer le Sage gaf hem doen nog een verstandige bestraffing, en daar mede wierd hy weder op vrye voeten gesteld.
De maagd die haar zelven van het leven berooft had, wierd statelijk begraven en de maagden die de straf aan haar belediger geoeffent hadden, gingen alle met een treurige vertoning agter het lijk. Dus nam dit treurspel een einde; 't welk van grooter gevolg had kunnen wezen, indien de Heer le Sage en den Raad zig daar niet voorzigtig in gedragen hadden, en het volk op die wyze weder te vreden gesteld.
Na dat die van het Schip zig van haar geleden ongemakken herstelt hadden, en het Schip in die order gebragt, dat het weer in staat was zee te kunnen bouwen; maakten zig onze reizigers weder vaardig om aan boord te gaan.
Zy voorzagen zig van alle verversingen en benodigtheden, die zy maar kosten bekomen; 't geen de Eilanders zeer mild aan haar uitdeelde. De Heer N.... en de voornaamste van het Schip bleven ook niet in gebreken, om aan de Heer le Sage en den Raad geschenken te geven, uit erkentenis voor haar genoten weldaden. Het afscheid was smertelijk, en de Heer le Sage met de Heer N.... zyn Vrouw en Dochter storte weg in tranen; maar Thomas was 'er nog wel het meest over aangedaan.
Men kost de Heer le Sage bezwaarlijk uit zyn armen rukken, zoo vast hield hy hem in dezelve besloten, en de hikken die hy gaf zonder een eenige traan te kunnen loozen, gaven genoegzaam zyn benepen hart te kennen. Eindelijk zyn hart zig door een vloed van tranen beginnende te ontlasten, en zyn mond die door zyn overmatige droefheit was gesloten geweest, zig nu wederom beginnende te openen, sprak hy hem op deeze wyze aan.
Myn waarde Heer, wat valt het my smertelijk u te moeten verlaten! Gy zyt naast God en de Heer N.... den genen die ik het meest verschuldigt ben. Gy hebt my daar ik als in den duistere voort wandelde, niet wetende welke weg ik verkiezen zoude; op den eenen en regten weg gebragt, daar ik met veiligheid op gaan kan. Wat ben ik u daar niet voor schuldig? Gewisselijk al moeste ik myn geheele levensloop u ten dienst staan, was ik zulks verpligt. Maar daar myn hart zoo bereid is om u ten dienst te staan, wil myn lot niet dat ik het volvoer: een scheiding die ons mogelijk voor altoos van malkanderen rukt, staat het my niet toe; ô hoe smertelijk valt my dit! Gewisselijk indien ik het niet liet om de Heer N.... en zyn Familie, die ik neffens u voor myn grootste vriend op den aardbodem erken, daar zou niets in staat zyn om my van u af te rukken, en ik zoude liever met u de uiterste behoeftigheit willen uitstaan als my na elders heen te begeven. Vaart wel dan myn Heer, ik wensch dat den Hemel u verder in uwen ouderdom ondersteunen zal, en ons nog eens weder te samen voegen; is het hier niet in dit tranendal, ten minsten in een ander en beter leven: daar ons geen wisselvalligheden meer zullen ontmoeten, om ons van malkanderen te scheiden; maar daar wy de vrugten van een volmaakte vriendschap zullen konnen genieten.
Daar op moesten zy hem als met geweld na de bood trekken, om na het Schip te brengen, terwijl de Heer N.... nogmaals de Heer le Sage bedankte en vaarwel zeide, met beloften dat wanneer hy in Holland zoude gekomen zyn, een gelegentheid zou zien te krygen, om met het een of ander Schip eenige goederen, die hy wel het meest nodig had, te bezorgen; en dus in vervolg van tyt correspondentie te samen houden.
Wanneer zy te samen in het Schip waren gekomen, kon Thomas nog niet nalaten van tranen te storten. Ach gelukkig Eiland! zeide hy, daar u inwoonders in haar handel en wandel met de bekentenis van haar geloof over een komen! Al zyn 'er geen schatten by u te vinden, of rykdommen te winnen, die dikwils meer tot 's mensen verderf als voordeel strekken, houde ik u nogtans voor gelukkig. Uwe inwoonders bezitten de waare rykdom, 't welk is de vergenoeging en de opregtheid van zeden; dit gevoegt by het geen de eenvoudige natuur tot vergelding van haar arbeid op u opgeeft, om haar van het noodzakelijke en zelfs het geen haar tot vermaak en verquikking verstrekken kan, te bezorgen, konnen hier wel by al de schatten van het oosten ophalen? Ach gelukkig Eiland! Vaart wel, hervatte hy nogmaals; ik zal u mogelijk nooit weder zien: maar u geheugenis zal my nogtans altyd in gedagten blyven.
Ondertusschen hadden de Schiplieden de Ankers opgeligt, en de Zeilen opgeheist om Zee te kiezen. Zy namen haar afscheit van de Eilanders nog met eenige Kanonschoten, en daar op zeilde zy voort en raakte spoedig uit het gezicht.
De Heer N.... gaf het de naam van het benevelde Eiland, en rekende de breete en lengte uit, waar op het zelve gelegen was; op dat de gene die hy 'er in het vervolg na toe wilde zenden, het zoude kunnen opdoen.
Zy hadden een heele goede reize en haar de wind dienende, kwamen zy behoude op de reede van Texel ten anker. Als doen de Heer N.... zyn Pakgoederen, die hy in het Schip had, daar uit hebbende laten ligten, vertrok hy met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas na Amsterdam, en begaf zig in een Logement; om aldaar zig eenigen tyd op te houden, tot dat hy een beter gelegentheid zoude gekregen hebben.
Doe zy in Amsterdam gekomen waren, was Thomas zeer verwondert over die groote en pragt der Stad; de Dogter van de Heer N.... vergezeld met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas, lieten niet na verscheide dagen na den anderen door de Stad te wandelen en aldaar al het merkwaardige te bezigtigen: doe zy dit nu eenige tyd gedaan hadden, vroeg de Heer N.... aan Thomas wat hem wel dagt wegens haar gelegentheid en of hy ook wel zin in dezelve had. Als ik u naar waarheid myn gevoelen zal zeggen, myn Heer zeide Thomas; zoo moet ik u te kennen geven, dat ik zeer verwondert ben over haar uytgestrektheyd, volkrykheid en pracht: maar dit neemt niet weg, dat het my (indien ik verkiezing had om te woonen waar ik wilde) hier veel te woelig zoude wezen; daar by dunkt my dat de lucht hier ook zeer zwaar en bedompt is, vervuld met zware en stinkende dampen, die uit de gragten komen. Wat dunkt u van de gewoontens en zeden der inwoonderen? vroeg hem de Heer N..... verder; daar is niet veel op te roemen antwoorde hem Thomas, niet dat ik zeggen wil dat 'er in het geheel geen eerlyke lieden in zouden weezen; maar ik heb 'er tot nog toe zoo wynig in gevonden, dat indien ik het niet om uwentwil was, ik wel zoude wenschen op staande voet by de Heer Le Sage op het benevelde Eyland te wezen, of in eenig ander oord des waarelds daar my de menschen, vriendelyk in haar zeden volmaakter zoude voorkomen. Wel zoo Thomas zeide de Heer N...., gy geeft geen al te groote lof van de inwoonders van Amsterdam, indien 'er al eenige onder zyn daar niet veel op te roemen valt; zoo zyn 'er evenwel dat heele brave lieden zyn, en daar men zig in vyligheid mag op vertrouwen: gy moet dan zeer ongelukkig zyn, tot nog toe de ergste getroffen te hebben; want anders zoud gy 'er op een andere wyze van oordeelen. Dit kan wel zoo wezen antwoorde Thomas; maar ik heb hier dog in het algemeen gevonden, dat de menschen zeer baatzugtig zyn, en dat zy zig van alle middelen bedienen om zig te verryken, dat zy weinig agting voor een eerlijk man hebben als hy geen geld heeft; maar weder in tegendeel voor iemand die middelen bezit, de grootste eerbied hebben; al is hy het onwaardigste schepsel dat 'er leeft.
Dit spruit uit de behoeftigheid, daar de meeste menschen in gedompeld leggen, hervatte de Heer N....; 't welk veroorzaakt dat zy meer eerbied gebruiken voor iemand die ryk is, als voor den genen die niet bezit; want wat kan iemant die middelen nodig heeft door de eerlykheid van een ander gebetert worden, die zoo wel behoeftig is als hy? Daar hy in tegendeel van de overvloed eens ryke, al was hy ook de grootste schurk, nog eenig voordeel kan genieten, 't welk zyn behoeftigheid kan te hulp komen.
Hier om myn goede Thomas beoordeelen wy ligtelijk iemand, die wy indien wy zyn omstandigheden wisten, zouden vryspreeken. Gelooft my myn vriend, de menschen zyn hier niet anders als in andere gedeeltens der waereld; maar de omstandigheden waar in zy zig bevinden, maken 't onderscheid. De armoede en de behoeftigheden hebben iets verlijdelijks in zig, dat den mensch dikwils tot daden doet overgaan, die hem anders tegen de borst zouden stryden en hy is daar door zelfs wel genootzaakt om het te doen, al heeft hy 'er geen zin in. In Holland en voornamentlijk hier in Amsterdam is het duur teeren, en dewijl den een van den anderen leven moet, moeten zy zien hoe zy best aan de kost komen.
Gy moet dan evenwel met my toestemmen myn Heer zeide Thomas, dat een Land niet zeer te pryzen is, waar men zoo bezwaarlijk aan het nodige kan komen, en daar men om 'er aan te geraken zulke laagheden moet begaan? Ik voor my, ik wilde liever onder de wilden in de bosschen van Amerika leven, als my daar toe te begeeven.
Wel, wel; onder de wilden te leven zoude ook zoo vermakelijk niet weezen, zeide de Heer N...., zy plagen malkanderen alzo wel als de Europiane..... Dat is waar hervatte Thomas; maar dit is als zy als vyanden tegen malkanderen opstaan: Die geenen die onder een hooft hooren, beminnen en eeren malkanderen als Broeders, en staan malkanderen in haare behoeftigheden by. Gy hebt daar zelfs meenigmalen blyken van gezien onder de wilden te Surinamen, die men bokken gebynaamt heeft: hoe trouw en menschlievend dat zy voor malkanderen zyn en hoe zy malkanderen in benodigtheden de behulpzame hand bieden.