Geschiedenis van een Neger Zyn Reize met de Heer N.... van Surinamen naar Holland.... enz.

Part 4

Chapter 44,350 wordsPublic domain

Deeze man, by my gekomen zijnde; ondervond myn kwaal van een heele andere natuur, en van een heele andere oorzaak oorspronkelijk te wezen, als myn Ouders zig verbeelden. Na dat hy verzogt had my eens alleen te spreeken, en de omstanders waren weg gegaan, zeide hy tegens my; uwe onpasselijkheid is om zoo te spreeken geen eigentlijke ziekte, het is een verval van kragten en levensgeesten, verzeld met zwaarmoedigheid, die u alle lust beneemt; daarom zoo gy iets op u hart hebt, zoo betrouwt het my toe; op dat nevens de Medicynen die ik u zal laten gebruiken, ik u daar by met een goede raad mag bystaan. Ik wilde in den beginne veinzen met te zeggen, dat my van dien kant niets ontbrak en dat ik by my zelven heel wel te vreeden was; maar hy wist my zoo te overtuigen en door zijn schranderheid zoodanig in myn gemoet te dringen, dat ik wel genoodzaakt was hem mijn hart te openbaren.

Myn Heer zeide ik tegen hem; dewijl ik zie en ondervind dat gy een man van oordeel zijt, dat gy genoegzaam als in myn hart heb kunnen zien, wat 'er in om gaat, en daar by myn kwaal zoo wel uitgevonden hebt; zoo wil ik u de oorzaak van het een en het andere niet verzwyge; maar u daar van een openhartige belijdenis doen.

Ik maakte hem als doen bekend wat voor gedagten ik van den Godsdienst gehad hadde, waar door ik tot allerhande buitensporigheden was vervallen, 't welk my in dien staat gebragt had, waar in ik my thans bevond en dat zoo hy in staat was om my uit die akelige omstandigheden te redden, ik het hem al mijn leven dank zoude weten.

Ik dagt wel dat ik het zoude geraden hebben, zeide hy tegens my; om u dan voor eerst een goede raad te geven, is dit, dat gy u zelven zoo veel vermand als mogelijk is en dat gy alle zwaarmoedige gedagten van u zelven zoekt af te weeren; Ik zal ondertusschen door de hulp des hemels u zulke middelen laten gebruiken, dat ik hoop door die zelve hulp gesterkt, u weder tot voorige kragten te herstellen. Weest derhalven goeds moeds en houd een ordentelijke levenswijs en alles zal wel gaan. Hy schreef vervolgens een recept, om voor my klaar te laten maken, en na dat hy belooft had den anderen dag weder te komen, nam hy afscheid van my om zyn andere Patienten te bezoeken.

Doen was het als of ik een weinig in myn gemoed verligt was; deeze man zeide ik by my zelven, schynt een verstandig man te weezen: mogelijk kan hy my niet alleen van myn zwakke natuursgesteldheid genezen, maar my ook eenige onderrigtinge in het zedelijke geven: als hy wederom komt, zal ik my met hem daar eens een wynig over onderhouden en hem toetzen of hy daar ook bekwaam toe is. Dusdanig my te vreeden gesteld hebbende, gebruikte ik de middelen die hy my geordonneert had, en om kort te gaan, den anderen dag gekomen zijnde, bleef hy ook in geen gebreken my te komen bezoeken.

Het eerste wat hy deed, was my te vragen hoe ik my al bevond en of zyn hulpmiddelen ook eenige uitwerking gehad hadden. Dat gaat heel wel myn Heer zeide ik tegens hem; maar zoo lang als ik nog met een zekere ongewisheid en twyffeling behebt ben, zal myn gemoed die rust en kalmte nooit konnen genieten als zy anders wel zoude. Wat is dat voor een ongewisheid en twyffeling? Zeide hy tegens my, het is die over den Godsdienst, antwoorde ik hem, daar ik u gisteren van gesproken heb; indien gy my daar eenige verligting in kunt geven, zult gy my nog meer dienst doen als of gy my op staande voet van myn zwakheid genas. Ik heb nooit geen gelegentheid gehad om met een verstandig man daar over te spreken, en dewyl ik u daar voor aanzie, zoo doet my de vriendschap en laaten wy een weinig daar over spreken. Myn vriend zeide hy, voor als nog zyt gy niet in staat, om u met diepzinnige redeneringen te vermoeijen u gesteltheid is te zwak; wanneer dezelve een weinig sterker zal weezen en haar voorige kragten zal beginnen te krygen, zullen wy tyd en gelegentheid genoeg hebben om dit te doen. Laten wy het derhalven nog eenige dagen uitstellen; wanneer ik oordeel dat gy 'er in staat toe zy, zal ik u wel waarschuwen, en stel u voor het tegenwoordige gerust tot dat die tyt zal gekomen zyn.

Ik was hier mede te vreeden, en na dat hy nog eenige dagen over my gegaan had, bevond ik my merkelijk beter, en hy oordeelden nu de tyd gekomen te wezen, om myn verzoek te beantwoorden.

Dewijl gy u zoo wel bevind zeide hy, schynt die tyd gekomen te wezen, dat wy ons een weinig onderhouden, over dat geen daar gy my laatst van gesproken hebt: indien gy nu genegentheid daar toe hebt, wil ik my wel zoo als my de tyd toelaat, daar over met u inlaten. Ik nam de gelegentheid waar, en sprak hem aan op deze wijze.

Mijn Heer. Het is my lief u voor het tegenswoordige zoo wel genegen te vinden, en my in staat te keuren om met u daar over in gesprek te treeden. Dewijl het nu onnodig is om weder te herhalen 't geen ik u reeds gezegt heb, en het geen de twyffeling en ongelovigheid van den Godsdienst betreft; zoo is alleen mijn verzoek, dat zoo gy my daar in eenige verligting kunt geven, gy my het grootste vermaak des werelds zult doen.

De Doctor hier op antwoordende zeide; zeer gaarn, maar waar mede zullen wy beginnen, ik denk evenwel dat gy wel een natuurlijke Religie zult hebben?

Ik. In het geheel niet: ik geloof zoo min aan een natuurlijke als geopenbaarde Godsdienst.

De Doctor. Na ik aan u horen kan, Gelooft gy dan niet aan een Opperwezen, 't welk men God noemt?

Ik. Neen ik mijn Heer, en ik wenste wel dat gy my van de aanwezentheid van dat opperwezen een weinig kost overtuigen.

De Doctor. Ongelukkig mensch die zonder God of Godsdienst in de waereld leeft! Het geeft my geen wonder dat gy u tijd in zoo veel wreede twijffelingen en zwaarmoedige gedagten door moet brengen; want was 'er geen God, wy waren de ongelukkigste van alle schepselen.

Ik. Waarom mijn Heer? de beesten leven wel zonder dezelven, en gaan alleen maar na haar natuurlijke driften te werk; zoude een mensch ook zoo niet kunnen doen, en even gelijk zy gelukkig leven?

De Doctor. Geenzins: want een mensch heeft edeler gaven ontfangen als de dieren, hy is met een reden begaaft, waar door hy ver boven dezelve verheven is.

Ik. Zou dan een dier, ieder in zyn soort genomen, zoo wel met geen verstand begaaft zyn als een mensch?

De Doctor. Zy hebben ieder wel na haar hoedanigheid die bekwaamheden, die zy nodig hebben, om zig zelven en haar geslacht te doen bestaan: maar al het geen zy doen, weten zy niet waarom dat zy het doen. Het is met een mensch zoo niet gelegen; dezelve oordeelt van het voorledene, voorziet het toekomende en wat zig daar voorzigtig in het tegenswoordige van te bedienen.

Ik. Ik moet dit met u toestemmen, dat den mensch van vry verhevener hoedanigheden is, als een dier; maar waar uit zoud gy my de aanwezentheid van een God kunnen betoogen.

De Doctor. Door die zelve reden en bekwaamheid die wy boven dieren bezitten, worden wy geleid om zulk een Opperweezen te erkennen, dezelve doet ons door onze uiterlijke zinnen de grootheid, wonderlijkheid, schoonheid, en order van al het zigtbare beschouwen; wy zien dat het van zig zelven dood is en onbeweegbaar in zyn delen, maar door de beweging al die gestaltens en hoedanigheden verkrygt, waar in wy het zien: dewijl het uit zig zelven onbeweegbaar is, moeten zyn deelen door een eerste bewegende oorzaak aan de gang gemaakt worden; niet gelijk als een gewigt of veer de raderen van een horologie doet omgaan; maar als de maker van dat gewigt, die het zelve met verstand en overleg toegestelt heeft, om het Horologie op een zekere welgestelde maat en order te doen omgaan; want anders zouden wy God als een blinde beweger moeten aanmerken, zonder te weten waarom hy de stoffe bewoog, en de beweging zoude niet regelmatig geschieden; maar alles zoude eer ten ondersten boven keeren, en een verwarde Chaos veroorzaken. Daar men dit nu regt anders in de schoonheid, regelmatigheid en order der samengestelde lichamen vind.

Ik. Ik moet het toestemmen dat men alles verwonderlijk in de natuur en derzelver uitwerkselen vind: maar om niet boven onze kring te gaan; zoo laaten wy alleen den mensch en zyn lotgevallen beschouwen: kan men daar die order wel in vinden die gy voorgeeft? Hy is het voornaamste schepsel op het oppervlak der Aarde, met zulke schoone hoedanigheden boven de dieren begaaft, en nogtans ziet men dit voortreffelijke schepsel รด wonder! altyd met zoo veel tegenspoeden, en ongelijke lotgevallen besprongen! Waarom stelt die eerste beweeger geen beter order om een schepzel te behouden, 't welk zulke voortreffelijke hoedanigheden heeft? en daar hy zoo veel aan heeft te kosten geleid?

Hier op kwam de Doctor op de openbaring en zeide my genoegzaam even het zelve dat gy tegens de Neger gezegt hebt. Hy zeide my om kort te gaan dat wy menschen door onze redenkaveling en bespiegeling, wel tot een eerste werkende oorzaak kosten komen; maar niet op hoedanig een wijze hy met zyn schepzelen, en voornamentlijk den mensch omgaat: dat hy de goetheid gehad had om ons door overlevering en Schriftuur, het alles nader te openbaren en ons zyn wil te kennen gegeven, op hoedanig een wijze hy wilde gedient zyn. Hy wist my vervolgens zoo door zyn redeneringen, als door bewyzen uit de Schriftuur, zodanig van de waarheid der Christelijke Religie te overtuigen, dat ik daar van ten vollen overtuigd wierd. Maar dewijl ik hem zoo lang hy geredeneert had, nooit van de Kerk nog van derzelver instelling had hooren spreeken; twyffelde ik of hy wel van de Roomsche Religie was: Ik vroeg hem dan het een en andere dezelve aangaande, en of hy ook van diezelve gevoelens was. Waar op hy my antwoorde, dat hy nooit zoo bygeloovig geweest was, om aan derzelver instellinge en ceremonien geloof te slaan of toe te stemmen; maar dat hy van de hervormde Godsdienst was, dewijl hy die het best met de gezonde reden en het geen in den Bybel vervat was, overeen dagt te koomen.

Ik verzogt hem hier op, dat hy my de gronden van die Religie eens wilde openbaren; maar hy zeide my voor als doen geen tyd te hebben om dit te doen, dat als hy in het vervolg weder kwam, hy my dezelve zou bekent maken. Daar op van my afscheid nemende, bedankte ik hem wel duizendmaal voor zyn goede onderrigting, met verzoek van in het vervolg volgens zyn beloften in dezelve te vervolgen.

De Heer N.... wilde in zyn verhaal voortvaren; maar hy wierd daar in door de Heer le Sage belet met tegen hem te zeggen; Myn Heer dewijl gy reeds zoo veel gezegt hebt zonder u te verpozen; zoo dunkt het my nu wel eens tyd te weezen, dat gy een weinig rust: wy zullen onderwijle een glaasje wyn drinken; want u mond zal door het veel spreeken zekerlijk wel zyn droog geworden. Daar op iemand geroepen hebbende om Wyn te bezorgen, dronken zy te samen een glaasje, en na dat de Heer N.... zig weder een weinig in staat gestelt had om zyn verhaal te vervolgen, voer hy aldus voort.

De Doctor quam my weder bezoeken, en na dat hy my het een en ander voorgeschreven had, bragt ik hem zyn belofte te binnen; 't welk ik hem niet zoo haast gedaan had, of hy quam dezelve na en onderrigte my zodanig in de gronden van zyn Godsdienst, dat ik in korte tyd daar van een volkomen kennis had. En dewijl ik dezelve zoo redelijk vond en zoo tegenstrydig niet als die van de Roomsche Religie, begaf ik my geheel en al aan dezelve over, hem zeggende dat zoo draa Ik weder in staat was, en in vorige welstand hersteld, ik my zelven in de vergadering en in de gemeente van zyn geloof zou begeven. Hy moedigde my hier verder toe aan en prees myn verkiezing, en dewijl het niet lang duurde of ik was volkomen hersteld, bevond ik my wel haast al in de vergaderingen die de Gereformeerde in stilte oeffende; maar ik kon dit zelve zoo geheim niet houden, of de Jesuiten die over al op myn gangen lettede, hadden 'er wel gaauw de lugt af. Nu dagten zy haar tyd gevonden te hebben, om my dat geen te doen betalen, 't welk ik door myn al te vrye spreeken tegens die van haar order na haar gedagten verschuldigt was.

De Jesuit die myn Leermeester geweest was, vervoegde zig aan het huis van myn Vader, en liet zig aanmelden om hem te spreeken. Na dat myn Vader hem hem in zyn zydvertrek had laten komen, zeide de Jesuit tegens hem: Ik dagt wel dat u Zoon van het eene uiterste tot het andere zoude overgaan! Na eerst de grootste Vrygeest te zyn geweest, is hy nu de grootste Ketter en dweeper geworden. Ik weet van goeder hand, dat hy zig nu onder de zoogenaamde Gereformeerde ophoud, dat hy zig in al haar geheime vergaderingen laat vinden, en zig in de gronden van die Godsdienst, die zy belijden, laat onderwijzen.

Myn Vader die een zeer ieverig Catholijk was, en die liever zou gehad hebben dat zyn Zoon de grootste Vrygeest geweest was, mits dat hy maar nu en dan de Roomsche Godsdienst pligten bygewoont had, als een Ketter te weezen, (zoodanig blind en buitensporig is een al te overbodige Godsdienstiever), was hier zeer over verwondert als hy dit hoorde. Ik heb al niet geweten zeide hy, hoe dat hy zig zoo stil en ingetogen hield sedert dat hy niet wel te pas geweest is, ik was dit niet van hem gewent; maar nu geeft het my geen wonder, dat nu hy onder die fymelaars gekomen is, hy zoodanig verandert is.

Maar wat raad hier in te doen mijn Heer? U Zoon onder het oog te brengen zeide hy, dat hy zich tegen het gezag van de Kerk en des Konings vergreepen heeft, en dat zoo hy zich niet weder in de schoot van de eerstgenoemde begeeft en dezelve om vergiffenis smeekt, dat zelve gezag zal gebruikt worden om 'er hem toe te noodzaken, of anders de maatregelen die 'er tegen gestelt zyn. Daarom is het u plicht om hem ten scherpsten daar over te onderhouden, en hem tot zyn plicht te doen keren; want zoo gy dit niet doet zult gy aangezien worden, als een man die medepligtig is aan u Zoons buitensporigheden.

Mijn Vader beloofde hem dit te zullen doen, en na dat de Jesuit was weggegaan, verhaalde hy het geen hem was voorgekomen aan myn Moeder, Broeder, en Zuster. Dezelve waren alle zeer verwondert, en die zelve blinde Religie-yver die mijn Vader had, bezielde haar ook boezemde haar die zelve gedachten tegens my in. Om kort te gaan zy waren alle zeer tegens my ingenomen, en het eerst dat mijn Vader deed, was my by zig te roepen, om met my daar over te spreeken.

Zoo draa ik by hem gekoomen was, vroeg hy my met een verontwaardiging, tot wat voor buitensporigheden ik my begaf: Ik vroeg hem daar tegens wat buitensporigheden hy meende: hy daar op antwoordende zeide; vraagt gy noch daar na? Of dunkt u dit geen buitensporigheden genoeg te weezen, dat men zich van de waare Religie en de algemeene Moeder de Roomsche Kerk afzondert en zich onder de snoodste en argste Ketters begeeft die 'er onder de Zon te vinden zyn? Ik ben 'er van goeder hand achter gekomen, en zoo gy niet van zin verandert; kunt gy staat maaken, dat ik u niet langer voor mijn Zoon erkennen en in mijn huis dulden zal.

Ik zogt my zoo veel te verschonen als mogelijk was, met te zeggen, dat een mensch behoorde vry te weezen in het oeffenen van zyn Godsdienst, die hem dagt de beste te weezen; zoo lang hy zich daar door niet schuldig maakte aan ongehoorzaamheid tegens zyn Vorst of de wetten van het Land; maar hy lachte met mijn verontschuldigingen, zeggende dat de Ketters daar altijd mede voor den dag kwamen, te weten met de verdraagzaamheid in het stuk van Godsdienst en dat zoo zy de overhand eens hadden boven de andere, zy mogelijk veel onverdraagzamer als dezelve zouden weezen.

Wat konde ik veel doen in zoo een netelige omstandigheid voor my? Het beste dat my dacht was eenig uitstel te verzoeken om 'er my over te bedenken; 't welk ik hier voornamentlijk om deed, om in de tusschentyd eenige wijze schikkingen te beramen, om my voor de vervolgingen der Jesuiten te bevryden. Mijn Vader bewilligde daar in, en gaf my daar toe den tyd van veertien dagen, dewelke ik besteede om my met den Doctor en de andere geloofsgenoten te beraden, wat ik zoude doen, en hoe hier in te gedragen. Wy denken niet zeide zy dat gy u door de vrees van vervolgt te zullen worden, van de waare Religie zult laten afwenden, en om menschen te behagen, een geloof dat gy zoo billijk keurt zult verlaten, om u tot een ander te begeeven, dat zoo strydig is tegen het gezonde vernuft en reden? Wy raden u dat gy om die vervolging te ontgaan; veel liever dit land verlaat om u in een ander te begeven, daar gy meer vryheid kunt genieten: gaat dan liever na Holland dewijl gy noch jong en sterk zyt, zal het u niet aan middelen ontbreeken, aan uw brood te komen, 't welk wy u des te meer aanraden, om dat zoo gy hier blijft wy gevaar lopen van een en 't zelve lot met u te zullen moeten deelen, en in die draaikolk waar in gy thans verwart zyt, mede zullen ingesleept worden: daar zy in tegendeel nu noch maar alleen tegens u een haat opgevat hebbende, dezelve door u vlucht zal worden uit de weg geruimt, en wy gerustelijk hier zullen kunnen blijven. Wanneer gy derhalven onze raad wilt opvolgen, zullen wy u zoo veel ons mogelijk zy helpen, en gy zult u zelven en ons van een niet ongegronde vrees ontslaan.

Deeze raad dacht my goed te weeze en op reden te steunen: Ik maakte my derhalven bereid om hier toe over te gaan, en des te meer, om mijn goede geloofsgenoten niet in het zelve gevaar te brengen, waar in ik thans was.

Men zogt my vervolgens van alle benodigtheden op de reis te bezorgen, daar wierd beslooten dat ik zelfs myn Ouders geen kennis daar van geven zoude, uit vrees dat zy my daar in mogten beletten, en doe ik klaar was om te vertrekken, nam ik afscheid van al mijn goede vrienden, 't welk niet zonder tranen geschiede, en vertrok na Holland.

Daar gekomen zynde, begaf ik my ten eersten met brieven van aanbeveling, die ik van eenige mijner geloofsgenoten gekreegen had, na die geenen daar zy aan hoorde, en gaf haar mijn omstandigheden te kennen. Zy beloofden my met zoo veel raad en daad behulpzaam te zyn als mogelijk was, gelijk zy ook zoo lang ik my in Holland bevond, te werk stelden. Maar gelijk 'er geen een van die goede vrienden in staat was, om my in Holland iets te bezorgen, waar door ik mijn bestaan op een fatzoenlijke wyze zou kunnen vinden; zoo rade zy my dat ik my na de West-Indien zou begeven en wel na Surinamen, dewijl 'er zich op die tyd een goed vriend van haar t'Amsterdam bevond, die te Suriname een Plantagie had, en een Directeur op dezelve benodigt had. Ik keurde haar raad goed, en verzogt haar dat zy voor my die plaats wilde verzoeken. Zy stelde het ook ten eersten te werk, en verkregen de Directeurs plaats voor my; waar na ik kort daar na my aan boord begaf, om na Suriname te stevenen.

Mijn reis was kort en goed, en ik kwam gezond en wel op de Plantagie daar ik op hoorde, ik nam myn post getrouwelijk waar, 't welk my (al zeg ik het zelfs) eenige agting onder fatzoenlyke lieden te weeg bragt; dewijl zy my bejegende en in haare gezelschappen toelieten, als of ik zelfs Heer van een plantagie was.

In een der gezelschappen die ik onder andere bywoonde, was een jonge weduwe, die twee plantagien kort by de myne daar ik op was tot eigendom had, haar man was omtrent een jaar dood geweest, en had haar zonder Kinderen overgelaten. Deeze Weduwe stond my zeer wel aan; dewijl zy gantsch niet onbillijk nog onvriendelyk was, ik kreeg genegendheid voor haar, en zogt maar na bekwame middelen en wegen, om het haar bekend te maken. De meeste zwarigheid die ik 'er in vond, was myn armoede in vergelyking van haar rykdom, maar de liefde over alle zwarigheden ligtelijk heen stappende, nam ik voor, maar hoe eer hoe liever mijn hard aan haar te openbaaren.

Ik begaf my dan op een nademiddag na haar woonplaats toe, en liet my aanmelden, verzoekende om haar eens te mogen spreeken. Zy liet my achter in een zaaltje (waarin zy zat; om de koelte te scheppen) by haar komen. Na dat wy in den beginnen over een en andere onverschillige zaaken gesproken hadden, vroeg zy my wat ik te zeggen had. Mevrouw zeide ik; Indien het geoorlooft is voor een persoon, die van de goederen des geluks niet al te zeer voorzien is, aan een ander van meerder middelen zyn hart open te leggen, zonder dezelven te vertoornen; zoo wenschte ik wel dit aan u te doen en ...... Zy daarop my in de reden vallende zeide: Myn Heer schoon iemand minder goederen als een ander bezit, zou hy daarom niet bevoegt zyn, zyn belangens voor te dragen? Ik geef u daar volkomen vryheid toe, en wel verre van my daar over te vertoornen, beloof ik u, zoo het in mijn vermogen is u eenige dienst te doen, ik het met vermaak zal werkstellig maken.

Mevrouw zeide ik daarop, het staat volkomen in u magt om my gelukkig te maken: Ik kom om de bezitting van u beminnelijke persoon, en schenk u myn hart; indien gy u verwaardigen wilt het zelve aan te nemen. Zy veranderde op dit mijn zeggen van couleur, en zeide: Mijn Heer indien ik geweten had dat gy dit van my zoud verzogt hebben, zoude ik u zoo veel niet belooft hebben, daar by verbeeld gy u dat dit zoo in mijn magt stond; maar ik moet u zeggen dat gy u daar in bedriegt, vermits mijn waarde overlede man nog zoodanig in mijn hart en geheugenis begraven leid, dat ik daar onmogelijk een ander in zoude kunnen plaatsen. Ik bedank u derhalven voor u genegentheid 't mywaarts en wensche dat den Hemel u een vrouw mag toeschikken, met meer volmaaktheden als ik bezit; dewijl ik niet kan overgaan om mijn hart een ander te schenken, 't welk mijn waarde overlede man noch ten vollen bezit.

Mevrouw zeide ik daar op, de levendige kunnen immers met de dooden niet meer omgaan! Wat vrugt heeft u overlede man meer van u liefde? Hy is hoop ik heden in een staat, waar in hy Hemelsche zoetigheden geniet, om aan de geen die hy hier om laag gelaten heeft de aardsche te laten; laat hy dan voor een ander de plaats, die hy reeds zonder vrucht zoo lang bezeten heeft, ontruimen en maakt die ook zoo gelukkig als hy geweest is; op dat gy en hy de vruchten van een volmaakte liefde plukken mag. Dit zeggende en met een, een van haar handen nemende, dezelve zagtelijk drukkende, scheen het als of zy een weinig na mijn reden luisterde. Mijn Heer zeide zy, voor het tegenwoordige kan ik ten minsten daar noch niet toe over gaan; wat de tyd in het vervolg zal te weeg brengen, weet ik niet: verwin dan u zelven voor het tegenwoordige en laat ....., Ik viel haar als doen in de reden en zeide; Mevrouw ik begeer niets meer als tyd en vryheid te hebben om u by wijlen eens te mogen komen bezoeken, en ik hoop dat dezelve te weeg zal brengen, dat ik mijn geluk volmaakt zal zien. Zy stont my dit na een zoete weigering toe en ik als doen mijn afscheid van haar nemende, keerde ik weder tot mijnent te rug, met de hoop en het genoegen van t'eeniger tyd mijn wensch eens vervuld te zien.

Ik kwam een dag of drie daar na wederom, en wist door mijn aanhouden het zoo ver te brengen, dat ik eindelijk het jawoort kreeg, en daar op kort daar na met haar trouwde. Ik heb my ganschelijk over myn trouwdag niet behoeven te beklagen; vermits wy altyd in eendrachtigheid te samen geleeft hebben, en onze liefde is tot heden toe niet voor malkanderen vermindert: maar eer vermeerdert. Onze huwelijksmin is ook met verscheide Kinderen gezegent geworden, waar van 'er nu noch maar een in het leven is, het welk deze dogter is die ik by my heb; de andere zyn vroeg gestorven.

Onderwijlen dat ik te Suriname woonde, heb ik ook door myn Correspondenten uit Vrankryk de tijding gekregen, dat mijn Ouders my van al het goed waar na ik t'eeniger tyd had kunnen staan, versteken hadden; dat zy daar op kort daar na waren komen te sterven, en mijn Broeder en Suster alleen erfgenaam waren gebleven. Den Doctor en de andere Gereformeerde geloofsgenoten, hadden met de Jesuiten eenig spel gehad; doch zy hadden door geld en geschenken te geeven, dezelve gestilt. Wat my aanging, ik was door den Hemel zoodanig gezegent, dat ik my niet eens over het verlies van mijn erfdeel bekreunde, en ik misgunde het mijn Broeder en Suster niet; vermits ik het niet nodig had.