Geschiedenis van een Neger Zyn Reize met de Heer N.... van Surinamen naar Holland.... enz.
Part 3
De Heer le Sage. Daar is in het geheel niet aan te twyffelen; want Moses die ons de eerste verborgentheden der Openbaring beschryft, is de allereerste en outste Schryver geweest, en heeft ons het begin van alles en de oorspronk van goed en kwaad op een zeer duidelyke wyze beschreeven, en zoo veel als de grondslag geleid, waar de gantsche Bybel vervolgens op gebout is. Hy doet ons voor eerst een korte Beschryving hoe dat God dit magtig Heelal door zyn Almagtige wil en welbehagen uit niet te voorschyn brengt; vervolgens hoe hy het zelve in order schikt en verdeelt, hoe hy den Hemel, Zon, Maan, Sterren, de Aarde, de Zee, allerhande Gedierten en voortbrengselen op en in dezelve schikt, en eindelyk komt hy op den Mensch, als of dezelve het einde was waarom dat hy alles voortgebragt had. Na dat hy nu alles geschapen heeft, ziet hy dat alles zeer goed is. Hier uit bespeurt men dat Moses als door ingeving zegt, dat God als de oorspronk alles goeds moet aangemerkt worden, en dat men hem als de oorzaak van het zedelyk en natuurlyk quaad niet moet toeschryven, maar dat hy den Mensch goed en oprecht en na zyn beeld gevormt hebbende, dat is te zeggen met een vryheid van wil om te verkiezen, hy hem derhalven beproeven wil, hoedanig hy zyn wil en vryheid zal gebruiken. Hy doet derhalven een beschryving van den Hof waar in hy den Mensch zette om dezelve te bewonen en te bebouwen, en stelt daar een Boom in tot zyn beproeving, met verbod om van desselfs vrugt niet te eeten, opdat hy zig niet strafbaar make aan ongehoorzaamheid. Den Mensch in plaats van zyn gehoorzaamheid aan God te betonen, laat zig verleiden door den Satan, den Vorst der duisternis, die de oorzaak is van zyn eigen en der Menschen ongeluk, en vervolgens van al het quaad dat 'er in de zeden en in de natuur is te vinden. Door zyn overtreeding en ongehoorzaamheid haald hy zig het quaad op den hals dat hy daar door verdient had. De gansche natuur schynt als nu aan te spannen om hem te verdelgen. De vermogens die hy boven andere schepzelen verkreegen had, om zyn maker daar door te verheerlyken, zyn door zyn overtreding zoodanig bedurven, dat hy nu niet meer in staat is iets goeds uit zyn eigen zelve te willen, veel minder om het zelve te volbrengen. Hy is daarom voor altoos bedurven; maar den Maker van het heel al, niet willende door zyn grondelooze goedheit dat het menschdom geheel verlooren ging; besluit om hem te redden, zyn eigen Zoon in de Wereld te zenden om de straf te ondergaan, die hy zelve anders verdient had, en om den eisch te voldoen die hy van hem zelve gevordert had. Hy belooft derhalven, hem die Verlosser als de tyd vervuld zoude wezen, te zenden, en neemt hem daarom weder in genade aan. Hy moet dagelyks stryden tegen zyn eigen zondige natuur, tegens veele omstandigheden die hem omringen, tegens de gevolgen van de zonden, namentlyk allerhande tegenspoeden, ziektens, ja eindelyk de dood zelve. En dus word de tyd waar in den mensch gestelt is, geen tyd van belooning, maar van verzoeking: wanneer hy zig daar wel in gedraagt, heeft hy de belooning daar van na de Dood in het andere Leven te wagten. Dit alles vind men door de gansche Schriftuur van stuk tot stuk aangehaalt, en een mensch die maar op een regtmatige wyze zyn reden wil gebruiken, vint daar in de waarheid met het Goddelyk gezag gepaart, en word daar door in zyn kennis zoodanig verligt, dat veel zaken die hem duister en twyffelagtig scheenen, hem nu ten vollen bekent zyn. Wie kan my anders de oorspronk van het zedelyk en natuurlyk kwaad doen weten, als die zelve Schriftuur: Hier leer ik uit dat God goed is en regtvaardig, die alles goed gemaakt heeft en den mensch met groote voorregten begiftigt, die hem voor altoos zoude hebben gelukkig gemaakt zoo hy dezelve niet had misbruikt, en door den Satan als de oorzaak van al het kwaad daar toe verleid was. Hier leer ik uit dat hy zig over der menschen ongeluk ontfermt heeft, en door zyn Zoon zig met hem verzoent, waar door hy weder in staat is om zyn goedertierenheit te genieten. Hier leer ik uit dat God een beloner zynde van de genen die hem zoeken, 'er een ander leven te verwagten is als dit, waar in dat ieder na dat hy verdient heeft op een regtmatige wyze zal beloont en gestraft worden, en dat men derhalven hier in dit leven niet van iemands deugd of ondeugd moet oordeelen aan zyn geluk of ongeluk dat hy hier ondergaat; hier leer ik vervolgens uit dat ik my voorzigtiglyk moet schikken in al het geen my overkomt, en my aan de Goddelyke voorzienigheit te onderwerpen; dewyl ik weet dat alles tot myn beste moet verstrekken, en geloof my myn waarde vriend dat gy nooit geruster nog vergenoegder zult geleeft hebben, dan als gy aan de Schriftuur gelooft, en een waar Christen zult geworden zyn. Bid God derhalven dat hy u goede gedagten mag geven en u zelfs in de waarheit wil leiden, op dat gy het regte geloof en overtuiging mag krygen, en gy zult gelukkig zyn.
Hier zweeg de Heer le Sage, de Neger had onderwyle hy gesproken had, met een groote aandagt toegeluistert en na dat hy zyn reden geeindigt had, zeide hy: mijn Heer, indien my iemant zou kunnen overtuigen, zoo zoud gy het wezen. Gy hebt my zoo voldaan met my een korte schets van den Bybel te geven, dat ik my wel aan u gezegde wil onderwerpen; daar blijven nog eenige twyffelingen en zwarigheden in my over; maar ik hoop in het vervolg door u onderregting daar in het geheel van te worden ontdaan. Ik verzoek u dat terwijl wy hier moeten wagten tot dat ons Schip herstelt is, om wederom de Zee te kunnen bouwen dat gy my toestaat u zomtyts eens te komen bezoeken, om nog meer door u onderwezen te worden. Dit stond de Heer le Sage gaarn toe, en zeide hem dat terwijl de tyd mogelijk kort zoude weezen dat hy hier zoude kunnen vertoeven, hy daarom tweemalen des daags, des morgens en des middags een uur zoude komen, want dat hy het voor zig zelven een plicht rekende, om voor de welstand van zyn Ziel zorg te dragen. De Neger beloofde hem dit te zullen doen, en na dat zy nog over eenige onverschillige zaaken gesprooken hadden, nam de Heer N.... en de Neger afscheid van de Heer le Sage, en gingen vervolgens naar hare woning.
Doen zy daar gekomen waren, was het eerst dat de Neger deed, Mevrouw en Mejuffrouw N..... te verhalen, wat voor een gesprek hy met de Heer le Sage hadde. Wat ben ik gelukkig zeide hy de Heer le Sage aangetroffen te hebben! 't Is als of de Voorzienigheid gewild heeft dat wy hier aan dit Eiland moesten komen, om my van een twyffeling te ontdoen, daar ik misschien anders nooit van zoude verlost zijn. Ach Mevrouw! Ach Mejuffrouw! vervolgde hy weder, de Heer le Sage is een eerlijk man, die my op een bondige en eenvoudige wyze van de waarheid onderregt heeft, daar ik zoo lang na gezocht heb: ik hoop dat hy my in het vervolg noch van eenige kleine zwarigheden zal ontdoen.
Hy ging vervolgens zoo als hy met de Heer le Sage afgesproken had, hem tweemalen des daags bezoeken, en hy wierd zoo wel door de waarheden onderrigt en nam zoo wel toe in de kennis, dat de Heer le Sage hem oordeelde waardig te weezen het Sacrament des Doopzels te ontfangen, en in de Christelijke Kerk ingelyft te worden. Hy sprak daar over met de Heer N..... en de volgende Zondag wierd daar toe verkoren om deze plechtigheid te volvoeren.
Dezelve gekomen zynde, was ieder nieuwsgierig om deeze plechtigheid te zien, de gansche Volkplanting was te zamen gekomen; Zelfs die van het Schip, uitgezondert eenige weinige, die daar op moesten verblijven om het noodzakelyke te verrigten, zoo dat de Kerk schier te klein was om de menigte die vergadert was, wel te kunnen plaatzen: de Heer Le Sage deed ook vooraf een welgepaste predicatie, hy had tot zyn text het laatste gedeelte van het twee en dartigste vers uit den acht en sestigste Psalm: (Moorenland zal zich haasten zyn handen tot God uit te strekken,) en voerde dezelve zoo wel uit, dat het een ieder als in verrukking weg voerden, en de toejuiging van de gansche Vergadering met zig nam. Toen de Predicatie geeindigt was, wierd vervolgens de plechtigheid van den Doop aan hem volvoert, en hy verkreeg de naam van Thomas; die zy wel voorbedagtelijk uitgekozen hadden, om dat hy zoo veel als het tegenbeeld van dien Apostel had geweest; dewyl hy gelijk dien zelve Apostel niet als door handtastelijke bewyzen had kunnen overtuigt worden. Het was waardig om te zien, met wat een Godsdienstige aandagt onze Neger de Predicatie had aangehoord; het zelve had een groote indruk op de gansche Vergadering gegeven, en eenige van dezelve de tranen uit de oogen geparst; dat een mensch onder het blind Heidendom geboren en opgevoed, zoo een liefde voor de waarheid en het goede had, en daar door veel Christenen die tyt in overvloed hadden, om die waarheden te kunnen onderzoeken, beschaamde. Maar toen den Doop aan hem verrigt wierd, was hy voornamentlyk zeer ingetogen en de eerbiedigheid met welke hy dit Sacrament ontfing, gaven genoegzaam aan de Aanschouwers te kennen, met wat een Godvrugtigheid hy voor het zelve ingenomen was.
Deeze plechtigheid nu volbragt zynde wierd hy van de Heer N.... van zyn Familie, van die van het Schip en van de voornaamste der Volkplanting geluk gewenst; en dewyl deeze plechtigheid des Voordemiddags geschiede, had de Heer Le Sage hem met de zoo evengenoemde te Gast genodigt, om tot zynent het middagmaal te houden, en dewyl die Nademiddag niet Gepredikt wierd, hadden zy tyd en gelegentheid om onder deeze maaltyd, die na de liefde en eenvoudigheid der eerste Christenen ingerigt was, malkanderen op een vriendelyke wyze te onderhouden.
Myn Vriend, zeide de Heer Le Sage tegens de Neger, gy zyt nu een Christen geworden; maar ziet toe dat gy uw bekentenis wel beleeft. Gy staat in het korte na een Land te gaan, daar gy dingen zult zien die met de belydenis van de Christelijke Religie niet over een komen: schoon ik 'er nooit ben geweest, heb ik genoeg van myn Vader en andere gehoort, hoe het 'er toegaat: onze Gemeente is hier klein, daar by van alle Volkeren des Aardbodems, die dezelve zoude kunnen bederven, afgescheiden; maar in Europa daar Milioenen van menschen zyn, van allerhande zeden en gevoelens, kan het zoo precies niet toegaan. De Mensch is van natuur verdorven, daar by van verschillende hoedanigheden, voeg hier by de gewoontens en zeden van zoo veel verscheide Volkeren, en derzelver gevoelens in het stuk van Godsdienst, dit kan niet anders als een groote invloed in het zedelijke en in de samenleving veroorzaaken: Weest derhalven op u hoede dat gy niet door derzelver omgang verleid word, en tragt zoo veel als in u vermogen is, met deugtzame en Godvruchtige lieden om te gaan, op dat gy niet met de algemeene stroom des waerelds word weggesleept, en in een verzoeking ingewikkeld, daar gy bezwaarlijk uit zoude komen, want het is veel voorzigtiger en gemakkelijker de gelegentheid tot het kwade te myden, als zig zelve daar in te begeven, zig daar van te onthouden. Evenwel zoo gy zomtyds genoodzaakt mogt wezen met de wereld om te gaan, zoo spant alle kragten en vermogen in om u van dezelve onbevlekt te bewaren, en bid den Hemel dat hy u daar toe moge bekwaam maken; want als gy op u eige kragten steunt, zoud gy weggesleept zyn eer gy het wist.
De Neger (die wy in het vervolg Thomas zullen noemen) bedankte hem voor zyn goede raad, en zeide hem dat hy reeds in Surinamen zoo veel kwade voorbeelden gezien had, hy wel denken konde het in Europa niet beter zoude gaan, dat hy derhalven nodig oordeelt altyd op zyn raad te denken, en met de hulp des Hemels zoo veel op zyn hoede te zyn, als maar mogelyk was.
Na dat zy het middagmaal gehouden hadden, zonderde zig de Heer le Sage met de Heer N.... van het gezelschap af, en gingen te samen in den Tuin een weinig wandelen, die hy agter zyn huis had. Na dat zy zig dus een weinig vertreeden en malkanderen over een en andere zaken onderhouden hadden, zeide de Heer le Sage tegens de Heer N.... Myn Heer dewyl gy een Fransman van geboorte zyt en te Surinamen en elders zyt geweest, zult gy zeker redenen gehad hebben, u zo ver van u Vaderland te verwyderen, en gy zult zekerlijk wel ontmoetingen gehad hebben die wel waardig zyn dat dezelve verhaald worden; doet my derhalven die vriendschap, van my het geen u in u levensloop wedervaren is te verhalen, terwijl wy hier in dit Prieeltje (hem met een het zelve aanwyzende) op ons gemak kunnen gaan zitten, en gy zult my vermaak aandoen. De Heer N.... zeide tegens hem, dat zoo hy hem daar genoegen mede kon geven, hy 'er ten eersten bereidwillig toe was, en daar op zig te samen in het Prieeltje begevende, begon hy zyn verhaal aldus.
De gevallen van de Heer N....
Ik ben te Lion in Vrankryk geboren, myn Vader was daar een redelijk wel gegoed Koopman, en myn Moeder een Juffrouw van een deftige Familie, maar zy waren beide van de Roomsche Religie, 't welk de oorzaak is geweest dat ik het land geruimt heb.
Ik wierd dan om kort te gaan, met nog een Broeder en Zuster die ik had, in de Roomsche Religie opgevoed; maar een weinig tot jaren gekoomen zynde, dat ik by my zelven begon te redenkavelen, streed my dezelve zoo zeer tegen de borst en kwam my zoo bygelovig voor, dat ik (schoon ik het aan myn Familie niet dorst te openbaren) op het laatst aan alles begon te twyffelen. Ik moest by de Jesuiten ter Kerk gaan, en had zelfs daar een van tot myn Leermeester, om my in de Godsdienst te onderwyzen; maar in plaats van my te verligten en myn gemoed door baarblykelijke redenen te overtuigen, deed hy myn twyffeling en ongelovigheid nog meer vergrooten. Wie zou zig die maar een weinig gezond verstand bezit, door de sluitredenen die zy in de School van Aristoteles geleerd hebben, kunnen laten overtuigen, en door zyn zedekunde tot het ware zedelijke laten brengen? Voornamentlijk als het dient om zig in een Godsdienst te doen onderwyzen, die hemelsbreed van de zyne verschild. Ik wil wel bekennen dat het by my die uitwerking deed, dat ik eindelijk zoo veel van het een als van het andere geloofde.
Ik hield evenwel myn gevoelens zoo veel verborgen als maar mogelijk was; zoo dat myn Ouders en die genen die dagelijks met my omgingen, my voor een goed Catholijk aanzagen. Zelfs de Jesuit die my onderwees, gaf aan myn Vader te kennen, dat zoo hy my in haar order wou doen ingaan, ik noch t'eeniger tyd een stut en pilaar van de Kerk worden zou; maar ik betuigde daar volstrekt geen lust toe te hebben, en dat ik my liever in een wereltlijke stand wilde begeven. Myn Vader die my daar ook niet in dwingen wilde, besloot my dewijl ik zyn outste zoon was, in zyn negotie op te brengen; op dat hy out geworden zynde, ik hem daar van tot hulp in zou kunnen wezen.
Ik onderwijle ouder wordende, begon aan deeze en gene kennis te krygen, die van dezelve gevoelens waren waar in ik was, en die met de naam van sterke geesten betytelt worden. Dezelve bedorven my nog meer, en daar ik van te voren nog van een goed en zedelijk gedrag was geweest, ging ik welhaast over tot allerhande overdaat. Wat is een mensch ongelukkig, die in het geheel geen Godsdienst hebbende, als een Schip is dat op een ongestuime Zee legt te dobberen, niet weet wat streek hy zal houden, en gevaar loopt van t'eniger tyd op de Klippen der verleiding en van zyn ondergang te verbryzelen! Zoodanig was het met my ook gestelt; want ik nam van dag tot dag in een kwade levenswys toe, waar van myn Ouders wel haast de waarheid van gewaar wierden. Zy zogten my eerst door zagtheid daar na door strafheid hier van af te trekken; maar dit mogt alles niet helpen, en wie zou ook zyn Ouders kunnen gehoorzaam zyn, die met alles de spot dryft en door geen gezonde reden of Religie daar toe aangedrongen word?
Dewyl zy zagen dat al haar bestraffingen en vermaningen geen invloed op my hadden, spraken zy daar over met de Jesuit myn geweze Leermeester, om my daar eens over te onderhouden, en om te zien of zyn bestraffingen geen meer indruk op myn gemoed zoude hebben, hy kwam dan ook by my; maar in plaats dat dit zoude geholpen hebben, maakte hy het kwaad nog erger. Hy zogt my op zyn manier met zyn Godsdienstige taal en zedekunde myn kwaad voor oogen te houden; 't welk ik in den beginne met een gelatenheit aanhoorde, het geen hem eenige goede gedagten voor my inboezemde; maar het was veel eer, om hem met des te meer kragt dat gene te zeggen, 't welk hem gansch niet aan zoude staan. Ik ben altyd wat haastig van natuursgesteltheid geweest; wanneer myn driften gaande wierden, was ik niet wel meester over dezelve, en door dezelve te veel den brydel te vieren, zeide ik dikwils meer als de voorzigtigheid in omstandigheden, waar in ik dikwils was, wel toe zoude laten. Het ging my in deze gelegentheid ook zoo; want na dat ik hem een weinig uit had laten spreeken, viel ik hem met een onverwagte haastigheid zoodanig in zijn reden, dat hy wel genoodzaakt was dezelve te staken en my aan te horen.
Myn Heer en Priester van de order der Societeit van Jezus, zeide ik hem met een gelaat waar in de veragting en verontwaardiging te leezen was, wanneer zult gy eens ophouden met u ongelukkig rammelen, 't welk my al lang verveelt heeft? Wilt gy my met de lessen van uwen Aristoteles tot iets overtuigen daar gylieden zelfs den spot mede dryft? Wanneer het met u belangens niet overeenkomt, zoud gy zelfs u Overigheid ik laat staan u Ouders niet gehoorzaam zyn. Laat dan af van my verders u lessen mede te deelen en gebruikt dezelve maar voor u eigen zelfs, zonder een ander daar mede te vermoeijen. Gylieden moet de grootste weetnieten des Werelds zijn, indien gy gelooft 't geen gy leert; of zoo gy het zelfs niet gelooft ('t welk ik eer denk te wezen) de allergrootste huichelaars. Gaat dan by de geene die met u brabbelarye gedient is, en laat my leven zoo als ik wil; want gy, nog u geheele Societeit zijn niet in staat om my tot andere gedagten te brengen, en het moesten al gantsch andere lieden zijn, die in staat zoude wezen zulks te doen.
Dit gezegt hebbende, stont ik op en ging heen, zonder hem verder ten antwoord te staan, en gy kunt wel denken hoe hem dit in de ooren moet geklonken hebben. Ik wil ook gaarn bekennen dat dit wat al te ver ging; want daar hy om quam, te weten om my mijn levensgedrag te bestraffen, was niet meer als billijk; maar het gaat gemeenlijk zoo, als quade Zedemeesters een ander bestraffen willen, dat dezelve weinig indruk kunnen maken, al zeggen zy ook de waarheid.
Ik ging vervolgens het huis uit, en quam in drie dagen en drie nagten niet wederom, die ik doorbragt met ligt gezelschap; dezelve verstreeken zijnde en myn geld oprakende, was ik wel genootzaakt weder na huis te gaan, om wederom wat ander zien te krygen. Te huis komende vond ik daar alles in de grootste onroering om mijnent wil, niet wetende waar ik somtyds beland mogt weezen, en of ik wel ooit weder zoude komen.
Wat zijn de Ouders niet ongelukkig, wanneer zy Kinderen hebben die zig niet tot deugde schikken! Behalven het verquisten van geld, moeten zy nog de grootste ongerustigheden uitstaan, uit vrees dat haar niet t'eeniger tijd eenig quaad mag ontmoeten: Dus ging het mijn Ouders in dit geval ook. Toen zy my zagen, (in plaats dat zy my bestraften) waren zy zoo verblijd my wederom te zien, dat de vreugd op haar aangezigt te leezen was; mijn Vader scheen dezelve noch te willen verbergen met eene deftigheid in zijn gelaat aan te neemen, om daar door zijn achtbaarheid te betoonen, en my te vragen waar ik van daan quam en waar ik my zoo lang opgehouden had; maar hy liet zig zoo gemakkelijk nederzetten, dat men wel bespeuren konde dat het niet van herte geschiede.
Ondertusschen was de Jesuit en die van zijn order zeer op my gebeeten, om dat ik hem en zijn Societeit zoodanig de waarheid had gezegt. Zy zogten my allerhande lagen te leggen, en my op de een of andere wijze een trek te speelen; maar zy hadden het eenige tyd te vergeefs gezogt: het eenigste dat zy hadden kunnen doen, was mijn Vader met scherpe dreigementen te overladen, en hem te zeggen dat hy toe zou zien dat ik niet weder my op dusdaanige wijze tegens de Societeit zoude uitlaten; want dat zy anders wel weten zoude wat haarlieden te doen stond, en hy aanspreekelijk voor my zoude weezen; om dat hy zyn Zoon niet belette een Societeit, die de voornaamste steun en pilaar van de waare Moeder der Roomsche Kerk was te beledigen.
Mijn Vader die een goed Catholijk was, en die het wel gaarn anders had gewenst, verantwoorde zig met de tranen in de ogen, zoo goet en zoo quaat als hy konde en zeide, dat het hem leed was, zulke kwaade gerugten van zijn Zoon te moeten hooren; maar dat het tot nog toe in zijn vermogen niet was geweest my tot reden te brengen, dat dewijl zy ondervonden hadden, met hoe weinig vrugt de lessen en bestraffingen zelfs van een uit haarlieder Societeit op mijn gemoed te weeg gebragt hadden, hy nog minder in staat meende te weezen om my te overtuigen. Zy waaren daar in geenen deelen mede te vreeden; maar bleeven by haar vorige dreigementen.
Ik ging onderwijlen mijn ouden gang in mijn levenswijs, en gaf my zoodanig tot de overdaad en allerhande buitenspoorigheden over, dat ik daar door niet alleenlijk die weinige goede naam die ik nog had verloor; maar zelfs begon mijn gezondheid van dag tot dag te verminderen, en mijn levensgeesten en kragten zoodanig verdweenen, dat ik niet alleen ongevoelig voor de vermakelijkheden wierd; maar zelfs zoo veel als een walg daar voor kreeg, en dus het bekende spreekwoord in my bewaarheid wierd, dat het sterke beenen zyn die weelde dragen kunnen.
Deeze onmagt was het eerste middel om my een weinig tot inkeer te brengen. Hoe zeide ik by my zelven, ik meende altijd gelukkig en vermakelijk te leven, en ik ben kwalijk in diergelijk een levenswijs getreeden, of ik ben 't reeds moede en heb 'er een walg van af! Waar komt deeze ongevoeligheid van daan en deeze afkeer? Het moeten dan zekerlijk deeze vermakelijkheden niet zyn die ik bygewoont heb, 't geen een mensch kan gelukkig maken: want anders zoude ik daar meer smaak in moeten krygen. Dus by my zelven mymerende was 'er niemand, die my daar op voldoende oplossing geven, of daar ik dorst te vertrouwen. Ik smoorde dan alles by my zelven en wierd zoo zwaarmoedig, dat ik my genoegzaam van alle gezelschappen afzonderde, 't welk een groote verwondering by al die geenen die my te vooren gekent hadden, te weeg bragt.
Myn Ouders en Familie waren voornamentlijk zeer nieuwsgierig hier van de oorzaak te weten; dewijl ik te vooren haast nooit te huis was geweest, nu zeer weinig uitging, en genoegzaam altyd op myn Kamer zat te mymeren: maar ik liet daar nooit het een of ander van blijken; gevende alleen voor reden, dat ik my zelve niet als te wel bevond, ('t welk ook zo was) en dat ik my derhalven zoo veel stil hield als mogelijk was. Zy waren daar over aangedaan, en de liefde tot haar Kint door myn voorig kwaad gedrag, in haar nog niet uitgeblust zynde, waren zy zeer bezorgt om my in myn voorige gezontheid te herstellen.
Zy gebruikte dan alle middelen die zy dagten daar bekwaam toe te weezen; maar alles mogt niet helpen, wat zy ook te werk stelde. Ik wierd van dag tot dag zwaarmoediger en droefgeestiger, 't welk zy voor lichaamsonpasselijkheid aanzagen, en van voornamen waren een geneesmeester by my te laten komen; om na de oorzaak van mijn kwaal te vernemen en my daar van te herstellen. Zy verkozen hier toe een man, die door zyn konst zeer beroemt was, en door zyn lange ervarentheid in dezelve, een naam had verkregen, dat hy de allervoorzigtigste en bekwaamde Doctor van gansch Lions was.