Geschiedenis van een Neger Zyn Reize met de Heer N.... van Surinamen naar Holland.... enz.

Part 2

Chapter 23,729 wordsPublic domain

Zy hadden allerhande Zaden, zoo van Koorn als Moesdery, benevens eenige jonge Vrugtboomen, waaronder den Wyngaard mede gerekend was uit Europa mede genoomen, om dezelve in de Colonie, waar zy na toe meende te gaan, te zaaijen en te planten; dezelve kwamen hier nu heel wel te pas, en daar wierden eenige Luiden te werk gesteld om dezelve te zaaijen en te planten. Maar het ongemakkelykste was het Land te beploegen, vermits zy geen Paarden of Ossen hadden om dezelve voor de Ploeg te spannen. Zy hadden wel twee Ploegen mede gebragt, maar geen Beesten om voor dezelve te trekken; evenwel stelden zy het zoo goed en kwaad als zy konden te werk, en dewyl de grond hier zeer mul en los is, kon het nog eenigszins gaan om dezelve door menschen te laten trekken.

Al het geen hier gezaait en geplant wierd, groeide zoo welig, en bragt zoo veel vrugten voort, dat het een vermaak was om het zelve te zien. De Wynstok zelfs bragt zoo overvloedig vrugten voort, als hy ergens in Europa zoude hebben kunnen doen; zoo dat zy van alles in korten tyd overvloedig voorzien waren en een leven kosten genieten 't welk met de eenvoudigheid van haare zeden over een kwam.

Dus levende hadden zy alles wat redelyke menschen die een stil en zeedig leven willen voeren, wenschen kunnen, en zy wierden het zelve zoo gewent, dat zy in vervolg van tyd om Europa niet eens meer dagten; of zoo zy dit al deeden, was het eer om haar voorige staat met deeze te vergelyken, die na haar gedagten hier by in geen vergelyking kwam, en ik heb myn Vader dikwils horen zeggen, dat hy hier in dit eenvoudig en opregte leven meer genoegen vond, als hy ooit in Europa zelfs by de grootste vreugde-bedryven hadde.

Ondertusschen groeide de Volkplanting van tyd tot tyd aan, en de Vrouwen bragten hier wel haast verscheide Kinderen ter Wereld; waar onder myn Moeder mede kon gerekent werden. Zy had nog geen Kinderen zoo lang zy met myn Vader gehuuwt was geweest; maar toen zy hier omtrent twee jaren gewoont hadden, beviel zy van my, en ik ben ook het eenigste Kind geweest dat zy gehad heeft. Na dat ik groot begon te worden, besteede myn Vader zyn zorg om my op te voeden, toen ik de ouderdom van zeven jaren bereikt had, nam hy zelfs de moeite van my leezen en schryven te leeren, en my in de gronden van de ware Christelyke Godsdienst te onderwyzen, waar in ik wel haast goede voortgang maakte. Na dat hy dan de eerste gronde geleid had om 'er vervolgens een goed gebouw op te timmeren; zoo besteede hy al zyn bekwaamheid, om my de waare Godgeleertheid en Zedekunde in te scherpen. Het is u juist niet nodig zeide hy eens tegen my (na dat hy een begin met my daar in op te leiden gemaakt had) om u in al die subtile questien, in al die disputen, waar mede de Godgeleerde en Wysgeeren zig ophouden in te wikkelen, de staat waar in wy zyn vereischt zulks niet; want wy woonen hier op een Eiland van alle volkeren des Aardbodems afgescheiden, en dit handje vol Volk waar wy thans onder woonen, zyn alle eenvoudige en opregte lieden; zoo dat gy het van die kant niet nodig hebt, en voor u zelfs nog minder, vermits gy daar door van de waare Godsvrugt en Zedeoeffening eer zoud afgeleid, als wel in bevestigt worden; evenwel dewyl de voorzienigheid den mensch met reden en verstand begaafd heeft, zoo wil hy ook zeker dat wy die op een betamelijke wyze gebruiken, en dat wy niet gelijk een dom dier gedreven worden over al heen, waar de geen die ons onderrigt wil lyden. Ik zegge vervolgde hy, dat gy als mensch en als redelijk schepsel die vermogens van redenkavelen die gy van den Hemel ontfangen, mag en moet gebruiken. Om die reden zal ik u de zwaarste en wigtigste tegenwerpingen die 'er tegen de natuurlijke en geopenbaarde Godsdienst gemaakt worden, bekend maken, en u daar tegens in de oplossing der zelve onderrigting geeven, en laten het vervolgens aan u eigen oordeel over wat gy daar van dunkt, en of de Christelijke Religie die wy hier op dit Eiland belijden, niet de waare is.

Hy onderrigte my dan hoe wy uit de beschouwing van al dit zigtbare tot de kennis van een God opgeleid worden die zig baarblijkelijk daar in vertoonde, wat al tegenwerpingen 'er al gemaakt wierden, en op hoedanig een wyze beantwoord: maar dewyl die kennis zeer duister en onvolmaakt was, leide hy my verder op tot de geopenbaarde Godsdienst, en ging daar even mede te werk als hy met de natuurlyke gedaan had. Om kort te gaan hy verlichte myn kennis zoodanig door myn goede lessen te geven, en wist my door zyn redeneren zoodanig te overtuigen, dat ik van al het geene waar van hy my onderrigting deed, volkomen in desselfs waarheid bevestigt wierd.

Myn Moeder kwam ondertusschen te sterven, toen ik den ouderdom van omtrent twintig jaren bereikt had, myn Vader was 'er zeer over aangedaan, en dewyl hy zyn jaren begost te krygen, stelde hy myn aan het Volk voor, om voor hem de dienst in het Kerkelyke waar te nemen; Ziet daar zeide hy (na dat hy de voornaamste by een vergadert had) myn Zoon, dien ik zoo veel als in myn vermogen was, tot den dienst van Gods Kerk opgeleid heb; Ik heb dezelve nu al verscheide jaren waargenomen, myn jaren die thans beginnen te klimmen, en my dit ampt zwaar beginnen te maken, begeren dat ik daar van ontslagen ben, ik stel u hier myn Zoon in de plaats voor die ik bekleed heb, ik oordeel 'er hem bequaam toe, en gylieden kunt hem in vervolg van tyd met meer nut als my gebruiken. Zy ontsloegen myn Vader vervolgens op zyn verzoek, en namen my in desselfs plaats aan; hem met eenen biddende dat hy het ampt van hooft des Volks nog zoude waarnemen: want zeide zy, wy kennen niemand bequaamer daar toe dan gy, en uw jaren kunnen u daar niet van ontslaan; vermits gy des te meer ervarentheid hebt om ons Welzyn te betragten: Wanneer u Zoon wat meerder jaren verkregen en gevolgelijk meerder ondervinding gekreegen heeft, zullen wy zien wat wy met hem voor hebben: maar tot nu verzoeken wy dat gy het zelve nog blyft waarnemen.

Dit beloofde hy haar te doen tot 'er tyd toe dat ik of een ander wat meerder bequaamheid zoude hebben om het waar te neemen. Daar mede scheide de vergadering, en ik wierd als Predicant in myn Vaders plaats aangestelt.

Na dat ik omtrent twee jaren den Predikdienst waargenomen had, moest ik my ten Huwelijk begeven: (Want wy zyn genoodzaakt als wy tot zekere jaren gekoomen zyn te trouwen, op dat de Volkplanting niet uit sterve) en dewyl dezelve by het lot geschied en niet by verkiezing, had ik het geluk van een Vrouw voor my te bekoomen, die my heel wel aanstond en van zeer goede hoedanigheden was. Ik heb dezelve in de dertig jaren gehad, en in dien tyd 'er zeven Kinderen by verwekt, die alle in het leven gebleeven, en ook al gehuuwt zyn. Myn Vrouw is nu al over de twaalf jaren dood geweest en ik heb zedert dien tyd altyd alleen geleeft.

Ondertusschen eenige jaren gehuuwt geweest zynde, wilde myn Vader zich ontslaan van het ampt van hooft der Volkplanting. Hy verwittigde dit aan de voornaamste des volks, en stelde my met een voor, om als zy my oordeelde bequaam te weezen, in zyn plaats gesteld te worden. Zy wilde hem in het eerst nog niet ontslaan; maar op zyn sterk aanhouden gingen zy 'er toe over, en verkozen my eenparig in zyn plaats. Ik heb die post nu al veele jaren waargenomen en neem dezelve nu tot heden toe nog waar; dewijl ik nog gezond en sterk ben, de Volkplanting heeft groote liefde en genegentheid voor my, en ik doe aan myn kant ook zoo veel als in myn vermogen is, om alles aan derzelver geluk en welvaren toe te brengen als maar mogelijk is. Wy leven hier alle zeer gerust en wel te vreden; Want wy zyn hier alle in een volkome vryheid gesteld, en in een rust die van geen vyanden buiten ons kan gestoort worden: Want gylieden zyt de eenigste die zoo lang dit Eiland door ons bewoont is, het zelve heeft aangedaan, en het is iets wonders dat gylieden het ontdekt hebt: Want wy gissen en onze gissingen zyn niet ongegrond, dat het zelve niet als by geval kan ontdekt worden; vermits desselfs Kusten en de gansche Zee daar rondom altyd met een zware nevel overdekt is. Gy moet een tyd tot u geluk getroffen hebben, dat dezelve daar niet is geweest, anders zoud gy dit Eiland met behoud van u Schip nooit gevonden hebben.

Hier eindigde de Heer le Sage zyn verhaal, 't welk haar alle zeer wel voldaan had en verwonderde. De Heer N.... stemde met hem toe dat het zekerlijk door een nevel, die de Kust als omringde, moest veroorzaakt worden, dat dit Eiland nog niet ontdekt was: Want dat anders nu zoo veel Schepen die deeze Zee passeerden, 'er wel eenige het zoude ontdekt hebben. Hy vroeg hem verder naar eenige omstandigheden de gewoontens en zeden dezer Volkplanting, daar de Heer le Sage hem een voldoende ontdekking van deed, met hem in het korte een geheele beschryving daar van te doen.

Gy hebt uit het verhaal 't geen ik van de ontdekking van dit Eiland gedaan heb en van de eerste beginselen van deeze Volkplanting genoeg kunnen opmaken, zeide hy dat haare wyze van regeering zoo veel als een Volksregeering is, schoon 'er een hooft over is, is het veel meer door zyn raad als magt dat hy beveelt; 't welk niet zonder de toestemming van de voornaamste des volks mag of kan ter uitvoer gebragt worden. Dezelve komen te zamen wanneer 'er over een zaak van aangelegentheid moet geraatpleegd worden; Dan gelden de meeste stemme, het hooft heeft twee stemme. Verders is hy niet meer als raadsman die het beste voor de Volkplanting moet behartigen. Ik heb u ook verhaald dat 'er by ons gemeenschap van goederen plaats heeft, of liever dat het hooft dezelve in zyn bewaring heeft, en daar van geeft aan den geene die het nodig heeft. Dus doende zyn wy hier alle even ryk en gelukkig, ons geluk is voornamentlijk gegrond op de hulp en bystand die wy malkanderen moeten geven, en zoo de welstand van de gansche Volkplanting betragten. Daar word dan voornamentlijk zorg gedragen over de opvoeding van onze Jeugd. Wanneer de Kinderen den ouderdom van zeven jaren bereikt hebben, moeten zy alle na school gaan, dat in het algemeen voor de Kinderen der Volkplanting is opgerigt. Hier worden zy in lezen en schryven en in de gronden van de Religie het eerst onderrigt; vervolgens in eenige konsten en wetenschappen die in de zamenleving nodig zyn: maar voornamentlijk in een Christelijke Zedekunde, waar door haar hart van jongs op als tot de deugd gevormt word, en waar door zy nutte leden van ons kleine gemeene best staan te worden. Wanneer zy nu den ouderdom van veertien jaren bereikt hebben, worden zy geschikt om het geene zy geleerd hebben ter uitvoer te brengen, en tot iets aangesteld, 't welk het best met haar bekwaamheid over een komt. Maar dewyl de gansche Volkplanting werkzaam moet weezen; zoo is 'er ook een zekere tyd toe gesteld. Men werkt niet meer als agt uuren op een dag de overige tyd is tot godvrugtige oeffeningen, tot eerlijke tydkortingen, of tot de rust geschikt; 't welk maakt dat den arbeid niet zwaar vald; maar met vermaak verrigt word.

Als onze lieden den tyd van twee en twintig jaren bereikt hebben (ik meen de Jongmans, want de jonge Dogters moeten als zy agtien jaren bereikt hebben trouwen) moeten zy zig in den echt begeven: het zelve geschied niet by verkiezing; maar by loting. Daar worden zoo veel Jonge Dogters als 'er Jongmans zyn en die alle de vereiste Jaren daar toe hebben verkoren, de gebrekkelijke daar van uitgezondert, (die zyn van het huwelijk uitgesloten) dezelve worden in de Kerk gebragt, hare namen op papiertjes geschreven; vervolgens ieder byzonder in malkanderen gerold, de Jongmans werpen vervolgens met Dobbelsteenen wie de eerste, tweede, enz. zal weezen om te trekken, als dit nu gedaan is, trekt ieder voor zyn hooft als het zyn beurt is een briefje uit 't Bekken, en welkers naam daar in geschreven staat moet hy trouwen. Dit is een gewoonte die by ons altyd in gebruik geweest is, en daar is nog nooit geen verschil over ontstaan 't welk daar uit voortvloeit dat onze Jonge luiden de billikheid der Wetten, Zeden en gewoontens van het Land en der Volkplanting, van jongs op zoodanig worden ingeboezemd; dat zy dezelve altyd met vermaak ondergaan.

Als zy nu gehuuwd zyn, word ieder paar een woning aangewezen, waar zy vervolgens in rust en vreede kunnen wonen, en de Kinderen die zy krygen worden op die wyze opgevoed als gezegt is.

Hier hebt gy nu de voornaamste Zaken der Volkplanting rakende, zeide de Heer le Sage; daar zyn nog wel eenige klynigheden; maar zy verdienen onze aanmerking niet.

Wanneer hy nu met zyn verhaal gedaan had, stonden zy op: de Heer le Sage gong met de Heer N.... zyn Familie, de Neger en het gantsche gezelschap, en geleide dezelve door het Vlek, om het zelve te bezigtigen. Hier blonk overal de eenvoudigheid uit; vermits zy van veel wereldse goederen die men in Europa heeft, berooft waren: hadden zy aan de andere kant ook weder met geen ongerustheden en zorgen te stryden daar men in Europa voor blood staat. Onze Neger stont dit voornamentlyk wel aan; myn Heer zeide hy tegens de Heer N.... ik heb altyd gedagt of die Religie die gy beleed wel de regte was, vermits de Levenswyze die ik daar van te Surinamen zoo strydig met derzelver belydenis vond, my dikwils heeft doen wankelen, dat ik tot nog toe geen besluit heb kunnen nemen om my te laten Dopen en een Christen te worden: maar dit Volk leeft volgens haar belydenis, en haar levenswys die goed is, geeft meer indruk op myn gemoed als haar Leer, daar nog veel werk toe zoude behooren, om myn gemoed daar van te overtuigen: weest daarom zoo goed, en spreekt daar eens met de Heer le Sage over. Dezelve schynt een verstandig man te weezen, mogelyk zal hy my van de waarheid van zyn Geloof kunnen overtuigen, en als hy in staat is om dit te doen, ben ik geneigt een Christen te worden, vermits derzelver Zedekunde my altyd zeer wel heeft aangestaan. Dit beloofde hem de Heer N.... te doen, en al wandelende gaf hy de Heer le Sage te kennen 't geen de Neger op hem verzogt had.

Myn Heer zeide hy, ik heb hier een Neger die van heele goede hoedanigheden is, en daar ik gelyk gy wel heb kunnen bespeuren veel van houde, dewyl ik hem niet handel als een Slaaf; maar als iemand die vry gebooren is. Ik heb hem ook met na Holland te gaan zyn vryheid geschonken, en merk hem niet zoo zeer als myn Dienaar als wel voor myn Vriend aan. Hy is een persoon van een goed verstand, en die liefde voor de waarheid heeft; maar ik heb hem tot nog toe van de waarheid der Christelyke Religie niet kunnen overtuigen: Ik verzoek derhalven dat gy uw bekwaamheid een weinig wilt besteeden, om hem zoo het mogelyk is daar van een levendig denkbeeld te geven, en hem uit de onzekerheden en twyffelingen daar hy tot heden toe in geleefd heeft, te redden.

Seer gaarn zeide de Heer le Sage; het zal my een vermaak zyn indien ik hem daar toe brengen kan, en ik twyffel niet of ik zal door des Hemels hulp, daar wel toe geraken, als hy maar een weinig na reden luisteren wil; laat hy morgen nademiddag maar in myn Woning komen, wy zullen met malkanderen daar eens over spreken. De Heer N.... gaf dit aan de Neger te kennen, die het zelve aan nam te doen. Na dat zy nu nog een weinig te zamen gewandelt hadden, scheiden zy van malkanderen, en bedankte de Heer le Sage voor zyn vriendelykheid en voor zyn beleefd onthaal.

Ik heb vergeten te zeggen dat de Heer le Sage haar eenige Woningen had laten aanwyzen, waar in zy zig kosten ophouden, zy gingen daar na toe en vonden daar al het gemak, 't geen haar een eenvoudig leven kost geven, zy wierden vervolgens van al het noodzakelyke voorzien. Die by het Schip gebleven waren wierden ook van al het geen zy nodig hadden ondersteunt; dezelve maakte zig gereed om het Schip zoo veel in order te brengen als maar mogelyk was, om haar reize spoedig te vervolgen.

Den anderen dag de nademiddag gekomen zynde, gong de Neger verzeld van de Heer N.... na het huys van de Heer le Sage: daar gekomen zynde, wierden zy van dezelve vriendelyk ontfangen, en na zig een weinig ververst te hebben, viel het gesprek over het geen waar van zy daags te vooren malkanderen verwittigt hadden. Ik heb van u gehoord zeide de Heer le Sage tegens de Neger, dat gy wel wenste eenige onderrigting van my te hebben, aangaande de waarheit van den Christelyke Godsdienst: Ik ben bereid u daar van zoo veel te overtuigen als maar in myn vermogen is, en ik twyffel niet zoo gy niet hartnekkig wilt zyn, u daar van te overtuigen. Gy kunt al het geen daar tegens inbrengen wat u goeddunkt, terwyl ik zal tragten door de bystand des hemels het zelve zoodaanig te wederleggen, dat ik niet twyffel of gy zult daar van overtuigt zyn.

De Neger. Myn Heer niets zoude my aangenamer weezen als dat gy my hier toe zoude kunnen brengen; maar my dunkt ik vind zoo veel zwarigheden tot die overtuiging, dat gy 'er veel werk toe zult hebben.

De Heer Le Sage. Gelooft gy aan een God?

De Neger. Alschoon ik een Neger geboren ben, en onder Afgodise Volkeren ben opgevoet, heb ik evenwel door myn redeneren en bespiegeling ontdekt, dat de Godsdienst van myn Natie gantsch niet goet is, dat dezelve met zoo veel Afgodery en bygelovigheid verzeld was, dat een ieder die maar een weinig verstand heeft, daar een afschrik van moest hebben.

Dit heeft my derhalven aanleiding gegeven om dezelve in de grond van myn hert te veragten, en de waarheid zoo veel te onderzoeken als in myn vermogen was. Maar wat zyn wy arme stervelingen niet met veel duisterheden omringt, daar wy door onze zwakheid niet door heen kunnen zien? Evenwel ben ik door de beschouwing van de natuur desselfs order en schoonheid zoo ver gekomen, dat ik een eerste oorzaak daar van erken; maar met zoo veel duisterheden en onzekerheden, dat ik zomtyts schyn te twyffelen aan het geen ik in den eersten opslag als voor waarheid aangenomen had.

De Heer le Sage. Gy schynt dan een opperwezen te erkennen, maar welke zyn die duisterheden en onzekerheden, waar door gy dikwils weer schynt te twyffelen aan het geen gy in het eerst had toegestemt?

De Neger. Om dat my de gevallige uitkoomsten en bestieringe der dingen zoo wonderlyk schynen voor te komen, dat met de volmaaktheit van een wezen die Heer en Onderhouder van alles zoude wezen, schynt te stryden.

De Heer le Sage. Waar in schynt het u strydig te wezen met de volmaaktheid van dat Opperwezen?

De Neger. Om dat ik zoo veel tegenstrydigheden en zoo wel kwaad als goed in de werelt gewaar worde, ook is dit kwaad en dit goed zoo ongelyk verdeeld en aan de menschen te beurt gevallen, (die 'er het volmaaktste schepsel op zyn) dat het niet wel over een te brengen is, met de regtvaardigheid en goetheid van een Wezen dat dezelve zou geformeert hebben, en nog zou onderhouden.

De Heer le Sage. Dewyl gy zoo wel kwaad als goed gewaar word, moet u dit niet opleiden om de oorzaak daar van te onderzoeken?

De Neger. Ja zeker: maar myn vernuft en reden zyn daar veel te zwak toe, om dat uit te vinden; voornamentlyk als ik gewaar worde, hoedanig dat dat goed en kwaad verdeelt word; daar ik dikwils deugtzame menschen als guiten en booswigten zie lyden, en weer in tegendeel de snoodste fielten met geluk en voorspoed zie overgoten, hoe kan ik dat overeen brengen met de reden en billykheid?

De Heer le Sage. Evenwel moet alles wat 'er is, zoo wel kwaad als goed een oorzaak gehad hebben; en dit is het geen dat wy menschen met ons vernuft en bespiegeling niet kunnen ontdekken, hierom heeft dat Wezen dat de oorspronk en onderhouder van alles is, ons door overlevering en by geschrift geopenbaart, dat wy anders met ons vernuft nooit zouden ontdekt hebben.

De Neger. Gy komt daar met de openbaring te voorschyn; wie zal my zeggen dat hy van of door dat Wezen is te voorschyn gekomen; kunnen 'er niet schrandere menschen geweest zyn die dezelve in en door haar eige harzenen en invallen gesmeet en geschreven hebben?

De Heer le Sage. Neen: Want dewyl het maar menschen geweest zyn die dezelve geschreven hebben; kosten zy nooit in die verborgentheden indringen, daar geen mensch uit zyn eige natuur of bequaamheid kan bykomen; zoo dezelve niet door een hoger geeft en bequaamheid bestierd wierden: want zy konden immers zoo min als gy, weten waar dat het quaad van daan was gekomen?

De Neger. Zy kunnen dit wel verzonnen hebben, zoo wel als veele andere zaaken die daar in geschreeven staan.

De Heer le Sage. Dit is onmogelyk; want de eenvoudigheid in het verhaal der zaaken, schynt te stryden tegens eigen vindinq; daar by hadden die genen die het geschreven hebben, 'er in 't geheel geen belang by, waarom zy het zoude verciert hebben; want veele hebben 'er niet alleen tydelyke goederen en gemak door verlooren; maar zelfs lyf en leven. Het zoude immers de grootste zotterny des Werelds zyn, zig voor een verciering in het grootste gevaar te stellen?

De Neger. Dit is waar, en dit is de reden ook waar door ik dikwils gewankelt heb en in twyffel gestaan, of ik het gelooven moest of niet.