Geschiedenis van een Neger Zyn Reize met de Heer N.... van Surinamen naar Holland.... enz.
Part 1
GESCHIEDENIS van een NEGER,
Zyn Reize met de Heer N.... van SURINAMEN naar HOLLAND:
Haare Aanlanding, (door oorzaak van een zware Storm) aan een onbekend Eiland, Beschryving van de Gouverneur van het zelve, de Heer LE SAGE;
Zyne aankomst op het Eiland, zyne vlugt uit Vrankryk om de Religie, naaukeurig verhaal van de Godsdienst, manier van leven, van de Inwoonders van het Eiland, overgang van de Neger tot de Gereformeerde Religie, zyn vertrek naar Holland met de Heer N....
Ontmoetinge van de Neger te Amsterdam, zyn Huwelyk met de Dochter van de Heer N...., enz.
op een Zedekundige wyze geschreven.
Te UTRECHT,
By S. DE WAAL, Boekverkoper op het Oudkerkhof.
Aan den LEZER,
Dit werkje zal voor een Roman van veele worden aangezien, maar een ieder, met een aandagtig oog het zelve inziende, zal van het tegendeel worden overtuigd, en van de mogelijkheid der gevallen overreed zynde, kan het tot nut van de Lezeren dienen. Dit zoo zynde heeft den Autheur zyn Oogmerk bereikt.
Vaart wel.
GESCHIEDENIS van een NEGER.
Op een der Plantagien te Surinamen gelege, aan de Rivier woonde een Heer die 'er veel Slaven op had. Onder dezelven was een jong Slaafje, die naauwelyks den ouderdom, van twaalf jaren bereiken kon. Hy had hem eerst gekogt, zynde hy van de Slave Kust met meer anderen van zyn natie gekomen.
Deeze jonge Slaaf schoon zwart van Lichaam zynde, was echter wit en blank van Ziel. Zyn noodlot dat hem onder een verachtelyke Natie had doen gebooren worden, had die schade vergoed, met hem hoedanigheden te geven, die buiten gemeen waren. Benevens een juist oordeel, had zy hem een schrander en doordringend verstand, en een zeer sterke geheugenis gegeven, daar by een edelmoedige neiging tot de Deugd, en tot het zedelyke, dat het wel rykelyk, tegen de zwartheid van zyn Lichaam, en de verachtelykheid zyner geboorte kon opweegen. Hy kon echter onder de Negers voor schoon gerekend worden; want behalven dat zyn Lichaam wel gevormt was, had hy iets in zyn weezen, dat zoo deftig en innemende was, dat het de genegenheid won, van een ieder waar hy mede omging.
Zyn Heer, die de Heer N.... geheeten was, was een Man, die eerlyke gevoelens bezadt, en die door de wederwaardigheden die hy in zyn jeugd gehad hadde wys was geworden. Hy was een Fransman van geboorte, en van de Protestantse Godsdienst; 't welk de reden was geweest, dat hy zyn Vaderland al vroegtydig had moeten verlaten, en een ander opzoeken, waar hy met meer rust en vryheid dezelve mogt oeffenen. Hy was dan na Holland gegaan, maar daar zyn bestaan niet kunnende vinden, vervolgens na Surinamen vertrokken; alwaar hy zig in dienst op een Plantagie begeven en zig zoo wel gedragen en het geluk hem zoo wel gediend had, dat hy op 't laatst zelfs Heer van twee geworden was. Hy was gehuuwt en had daar door verscheide Kinderen verwekt, dewelke alle op een na gestorven waren, het welk een Dochter was. Maar wy zullen hier na nog wat breedvoeriger van zyn gevallen spreeken als het te pas zal komen.
De Heer N.... dan ons Negertje gekogt hebbende bespeurde welhaast die goede hoedanigheden in hem, die hy bezat, en hy begon daar door een genegenheid voor hem te krygen en eene agting, verre boven zyne mede-slaven. Hy verschoonde hem derhalven; van moeyelyke en veragtelyke arbeid te doen, en nam hem om hem in zyn huis ten dienst te staan; waar in hy zig van tyd tot tyd zoo wel kweed, dat hy zig hoe langer hoe meer in zyn genegentheid inwikkelde, en waar door hy zig een weg baande om zyn vertrouwen geheel te winnen.
Hy onderwylen ouder wordende begon zyn schone hoedanigheden zig hoe langer hoe meerder te vertonen, en, hy daar door zig des temeer in de gunst van zyn Heer in te wikkelen, tot zoo ver zelfs dat zyn Heer hem Neger-Officier maakte, en leezen en schrijven liet leeren, 't welk een groote afgunst onder zyn Medeslaven veroorzaakte. Hy beloofde hem verders als hy noch eenige tyd gedient had dewyl hy voornemens was zig binnen korten tyd weder na Holland te begeeven, om aldaar zyn overige dagen in rust te verslyten, mede te nemen, en als dan vry te maken.
Het duurde ook niet lang, of de Heer N.... zyn goed 't geen hy in Suriname bezat aan anderen overgedaan hebbende, begaf zig met zyn Vrouw en Dochter en onze Neger op een Schip, 't welk zeilrede lag om naa Holland te stevenen.
Zy hadden in het eerst heel goed weder; maar na dat zy omtrent acht dagen in Zee geweest waren, wierden zy van een zeer zware storm beloopen, verzeld met Donder en Blixem, dat het niet anders was of Hemel en Aarde zou vergaan. Een ieder was als doen in de grootste verslagendheid des Werelds; maar het geen het deerniswaardigste was om te zien, was dat Mevrouw en Mejuffrouw N.... zig alle beide om den hals van de Heer N.... wierpen; doende niet anders als schryen en roepen: Ach myn waarde Man! Ach myn waarde Vader! Wy zullen u niet verlaten, daar gy blyft, blyven wy ook, en wy zullen zoo doende te zamen sterven. De Heer N.... zogt haar zoo veel te vertroosten en moed te geven als maar in zyn vermoogen was, schoon hy zelve wel diende vertroost te worden, met te zeggen myn waarde Vrouw en Kind, steld u zelven doch een weinig gerust; het zal hoop ik zoo ver niet koomen, en betrouwt op des Hemels hulp, die ons gemakkelyk redden kan.
Het verwonderlykste dat te zien was, was in onze Neger, hoe standvastig en onverschrokken van moed hy zig betoonde, en met wat voor een zorgvuldigheid hy voor zyn Heer en deszelfs Familie ingenomen was. Ach Mevrouw en Juffrouw zeide hy, maakt u zelven doch niet al te zeer beangst, en bedroeft doch myn goede Heer met u klagten zoo niet! Gy zyt al te zamen te goede Lieden, dat ge zoo zoud verlooren raken, de Groote Geest en Heer van het leven zal wel zorg dragen voor uwe behoudenis en niet toelaten dat gy een ongeluk krygt; schept derhalven moed, en her zal mogelyk wel schielyk veranderen. Dit zeggende, en met een in de grootste zorgvuldigheid zynde om Mevrouw en Mejuffrouw N..... op te passen, was een en dezelve zaak, dan was hy eens by haar, dan liep hy weder by het boodsvolk om te vernemen, of het gevaar ook groot was, en om eenige goede tyding te verneemen, om het haar lieden bekend te maken.
Het scheen als of den Hemel ook haarlieder klachten verhoorden; want na de storm tweemaal vierentwintig uuren doorgestaan te hebben, begon dezelve allenxkens te bedaren en de Zee die zeer onstuymig geweest was, zig een weinig tot rust te begeeven. De vreugd wierd weder in haar lieder hard gebooren, terwyl zy het ontredderde Schip zoo goed als zy konden herstelde: Maar dewyl het zeer gehavend was wierd 'er beslooten het eerste Land dat zy ontdekte aan te doen, om een goede Reede of Haven te zien te krygen, en het dan weder in staat te brengen om haar reize te bevorderen.
Het duurde ook niet lang of zy ontdekte een Kust die haar lieden onbekend scheen, vermits zy de hoogte genomen hebbende aldaar geen Land verwagtende waaren. Zy naderde dezelve van langzamerhand, om dat zy bevreest waren voor Klippen en ondieptens, en toen zy zoo naby gekoomen waaren, dat zy het Land onderscheidentlyk kosten zien, ontdekte zy een inham; alwaar zy na toe stevende. Doen zy daar ingekomen waren, bevonden zy dezelve zeer goed om te ankeren en tot een veilige Haven voor het Schip te verstrekken; waarom zy dan ook het anker uitwierpen, en vervolgens de Boot in 't water bragten, om daar mede na land te varen.
De Heer N..... met zyn Vrouw Dogter en de Neger waren de eersten die zig na Land begaven: maar wat waren zy verwondert een Land 't welk na haar gedagten woest en onbebouwt moest wezen, zoo wel bebouwt en vrugtbaar in allerlei soorten van voortbrengsels te zien. Hier had men aangename Weiden, daar vrugtbare Koornakkers, gints wederom Wynbergen, aangename Boomgaarden en Tuinen, die allerhande soorten van Moeskruiden en Ooft te voorschyn bragten.
Noch een weinig voortgewandeld hebbende, ontdekte zy van verre een soort van een Vlek, het geen met zeer lage Huisjes bebouwt was. Zy gingen daar vervolgens na toe en ontmoete even buiten het zelve eenige Lieden, die bezig waren het Land te bebouwen. Zy waren bekleed met Beestevellen en hadden Mutzen op en Schoenen aan ook van dezelve gemaakt. Zy schrikten doen zy onze Reizigers het eerst gewaar wierden, en deeze een weinig op haar hoede wezende, naderde langzaam om te vernemen, of zy ook iets quaads in de zin hadden. Toen zy dit vernamen, wenkte zy met de handen, om ze te doen naderen: maar hoe wierden onze Reizigers verrukt als zy by haar gekomen waren haar in het Fransch aan te horen spreeken en tegen haar te zeggen, dat ze in het geheel geen vrees behoefde te hebben; vermits zy by Lieden gekoomen waren, die haar als zy het nodig hadden, zoo veel als in haar vermogen was alles goeds zouden doen. De Heer N..... vroeg haar vervolgens in het Fransch wat voor Luyden dat zy waren; daar zy op antwoorden dat zy van Franse afkomst waren, en dat zoo hy nieuwsgierig was, om haar verdere omstandigheden en gevallen te weten, zy hem met die geen die hy by hem had, by het hoofd van haar volk zoude brengen, die haar verder onderrigting daar van zoude geven. De Heer N..... verzogt haar dit te willen doen, en zy bragte hem met zyn Vrouw, Dogter, Neger, en anderen die met hem mede gegaan waren, in het Vlek. Daar in gekomen zynde, ontmoete haar nog meer diergelyke gekleede Menschen, waar onder ook eenige Vrouwen en Kinderen waren, die alle zeer verwondert waren, aldaar onze Reizigers te ontmoeten, en dezelve agter na volgden, tot zy by een zeker Huisje gekomen waren.
Als zy daar gekomen waren, gingen twee van die Luyden die onze Reizigers het eerst ontmoet hadden binnen; en aldaar een weinig vertoeft hebbende, kwamen zy weder te voorschyn met een oude eerwaardige Gryzaard, ook op die zelve wyze als de overige van zyn volk gekleed, uitgezonden dat zyn Muts wat hooger en met een rand die wat breeder was, versiert was; Zyn Kleed was ook eenigzins langer als dat van de anderen en hing hem Mantelsgewys tot op de voeten neder. Hy had een lange gryzen baard, in zyn gelaat vertoonde zig iets deftigs en schoon hy al van hoge jaren scheen te zyn, had hy egter nog zoo veel vuur en levendigheid in zyn oogen, dat het scheen als of het niets vermindert was.
Deeze eerwaardige Gryzaard dan tot onze Reizigers genadert zynde, ontfing dezelve met een zoo vriendelyke openhartigheid, dat hy ten eerste het goed gevoele en vertrouwe van de Heer N..... en die by hem waren won. Den Hemel zy gedankt zeide hy, dat ik het geluk hebben, van voor myn dood nog eens Luiden te zien, afkomstig uit een Land, daar ik en de geenen die met my hier woonagtig zyn haar Voorouders ook uitgesprooten zyn; want na ik merken kan zyt gylieden Europianen. Dit is zoo zeide de Heer N.... zyn wy niet alle ten minsten de meeste van ons zyn daar gebooren, of van ouders voortgekomen die daar gebooren zyn. Wy komen van Surinamen, om na Holland te stevenen; maar het ongeluk heeft gewild, dat wy een zwaare storm gehad hebben, die ons by na heeft doen vergaan, en ons Schip zeer geteitstert heeft, dat wy genoodzaakt zyn geweest het eerste land dat wy ontmoete aan te doen, om het zelve zoo veel als in ons vermogen is te herstellen en onze reis dus te vervolgen. Wy verzoeken u dierhalven dat gy ons vergund hier eenige tyd te mogen ophouden; tot dat wy dit volbragt hebben, en ons met eenige benoodigtheden te voorzien, dewyl wy het dankbaarlyk erkennen zullen. Maar dewyl dat ik u in het korte ons wedervaren verhaald heb; zoo doed ons de vriendschap ons de uwe te doen weten; vermits ik zeer nieuwsgierig daar na ben, en wat voor een land het is dat gy bewoond. Zeer gaarn antwoorde de Greisaard; maar dewyl ik zie dat gylieden eenigzins vermoeit zeid, zoo laat ons in huis gaan, ververst u daar een weinig met het geen ik heb, en dus kunnen wy het met meer gemak doen. Ik zal onderwylen eenige van myn lieden na het overige van uw volk zenden, om dezelve te doen verwittigen dat gylieden hier zeid, en dat wy u en haar met al de bystand die in ons vermogen is zullen tragten te helpen.
Zy gingen daarop te zamen in huis, alwaar hy haar in een soort van een zaaltje gebragt hebbende, en haar aan een langwerpige tafel had doen nederzitten, allerhande verversingen van spys en drank liet voorzetten. Onze Neger was 'er zelfs niet van uitgezondert, die mede aan dezelve Tafel met zyn Heer gezeten was. Zyn Heer merkte hem zoo zeer niet aan als zyn dienaar, als wel als zyn vriend vermits hy zig zoo zeer in desselfs gunst gedrongen had. Wat de greisaart aanging hy had zig aan het midden van de tafel geplaats, om des te beter als hy zyn verhaal deed gehoort te kunnen worden; hy onderhield vervolgens gedurende de verversing zyn gasten met vriendelyke gesprekken, en na dat zy zig wel verfrist hadden begon hy zyn verhaal aldus.
De gevallen van de Heer le Sage.
Ik ben van franse afkomst; myn Ouders waren van de Gereformeerde Religie, en van die gene die men in Frankryk Hugenoten noemde. Zy waren genoodzaakt haar Vaderland te verlaten om een ander Land op te zoeken daar zy met meer vryheid en rust haar Godsdienst konden oeffenen. Zy besloten dan met meer andere van hare Geloofsgenoten zig na de Westindien te begeven, en zig aldaar in een Colonie die als doen opgerigt wierd ter neer te zetten. Na dat zy het geen zy hadden kunnen verkopen verkogt, en het geen tot de reis noodzakelyk was gekogt hadden, en zig alzoo in staat gesteld haar reis te kunnen vervorderen, gingen zy met verscheide andere lieden gelyk gezegt is, zoo Mannen, Vrouwen als Kinderen scheep.
Zy hadden in den beginne goede Wind en Weder; maar na drie weken zylens begon de Wind zoo geweldig op te steeken, en hand over hand toe te nemen, dat de Matrozen nauwelyks de tyd hadden van de zylen in te nemen uit vrees dat dezelve anders aan flarden zouden waijen. Zy lieten het vervolgens voor de Wind met een zeil loopen, om het slingeren van het Schip eenigzins te beletten; maar het zelve bleef niet lang in zyn geheel; want het woey heel schielyk aan flarden, en zy moesten dus op Godsgenade blyven dryven.
Zy wierden ook geweldig door een sterke stroom die uit het Noorden kwam voortgedreven, en na dat zy dus zes dagen tussen leven en dood geworsteld hadden, wierden zy door een zoodanige dikke mist omringt, dat zy kwalyk een Schips lengte van haar af konden zien. Toen wierden Zy nog meer bevreest, om ergens tegens klippen of op zantbanken te stooten, waar door zy in gevaar waren van schipbreuk te leiden. Het duurde ook niet lang, want na omtrent een half etmaal door die mist gedreven te hebben; wierden zy zoodanig op een santplaat gedreven, zonder dat zy 'er tegen hadden kunnen verzien, dat het Schip zoo vast bleef zitten als of het was geklonken geweest. Dit veroorzaakte ten eerste een groote onsteltenis, al het volk dat binnen in het Schip was, kwam ten eerste boven lopen, om des noods zynde zig beter te kunnen redden, en dewyl het in den nagt was dat dit voorviel, hadden zy nog minder gelegendheid om van zig af te zien waar zy waaren.
Zy waren dus in de grootste ongerustheid des Werelds, terwyl zy alle oogenblikken verwagte dat het Schip door de zware golven der Zee aan stukken geslagen zoude worden, maar het hield nog stand tegens der zelven verwoede aanvallen, terwyl het hoe langer hoe dieper in het zand zig inwikkelde, zoo dat zy wel kosten merken, dat 'er voor haarlieden geen kans was om het Schip te behouden. De dag op dien schrikkelyke nagt kwam midderwyl aan, en dewyl de zwaare mist en nevel met deszelfs komst ook een weinig verdweinde, konden zy bescheidentlyk zien, dat zy op een zandplaat geraakt waren, die niet ver en omtrent een schoot weegs van de kust van een zeker land gelegen was. Zy beslooten dan eenparig om zig met de bood daar op te redden, 't welk zy ten eersten ter uitvoer bragten. De bood dan uitgezet zynde, was myn Vader en zyn Vrouw mede een van de eerste die daar in gingen: maar het was niet zonder levensgevaar, vermits de baren geweldig op deeze bank slaande, zy alle ogenblikken verwagtende waaren van om te slaan. Zy kwamen evenwel behouden aan land, terwyl de anderen ook met alle spoed gered wierden.
Zy zouden evenwel al haar goed en wat 'er op het Schip was hebben moeten verliezen, indien de Wind niet een klaps was gaan leggen, en zy dus bekwamelyk het zelve van tyd tot tyd daar uit hadden kunnen ligten. Zy ontlade dan het Schip en bragten alles aan de Wal, vermits zy wel zagen geen kans te hebben om het ooit weder vlot te krygen, dewyl het zoo diep in het zand gewoeld was.
Ondertusschen hadden zy zoo veel als in haar vermoogen was goede wagt gehouden, uit vreeze dat 'er zomtyds inwoonderen in het land mogten weezen en zig dus voor derzelver overrompeling te dekken, dewyl zy tot nog toe geen tyd of gelegendheid gehad hadden om het zelve op te speuren: maar de handen een weinig ruymer gekreegen hebbende, ging 'er eenige uit om te vernemen op wat oord van de Waareld dat zy waren. Dezelve versagen zig van schietgeweer, om zig des noods zynde daar mede te verweren, als zy van eenige wilde Volkeren of Beesten mogten aangevallen worden; en dus voorzien zynde trokken landwaarts in; maar vonden nergens menschen waar zy kwamen, en gaven daar wel in haast de tyding van. Dit het volk stouter gemaakt hebbende om het land te ontdekken, begaven zy zig om het verder te doorkruysen. Zy bevonden eindelyk dat het maar een Eiland was, van by na twintig uuren gaans in den omtrek, dat het vervolgens zeer vrugtbaar was, en met eenig gedierte (dog geen schadelyke) en gevogelte verzien was.
Zy kwamen daar op de anderen dit bekend maken, die van twee kwaden het beste willende kiezen, besloten ergens een vrugtbare valey te zoeken, die niet ver van de Zee was om zig daar ter neder te slaan, tot 'er tyd toe dat 'er eenig Schip voorby mogt varen, of wel het Eiland aan mogt doen; op dat zy dus nog t'eeniger tyd mogten gered worden. Met deeze hoop nog bezield zynde, verkozen zy deeze zelve valey die wy nu tegenswoordig nog bewoonen, zy sloopten vervolgens het Schip, en van het houtwerk dat zy daar van kregen, maakte zy zoo veel als een loots of schuur, waarin zy zich voor de ongemakken van lucht en weder konde dekken. Hier behielpen zy zich zoo goed en zoo kwaad als zy konden, en bergde haar mondbehoeftens en goederen die zy uyt het Schip gelost hadden daar in.
Zy zagen ondertusschen van tyd tot tyd uit of zy geen Schepen vernamen; maar dit een geruymen tyd geduurd hebbende, en gewaar wordende dat zy vergeefse moeyte deden, terwijl zy in al dien tyd niets vernomen hadden, zoo begonden zy eerst regt te overwegen wat in deeze staat te doen. Myn Vader die wel het meest by haarlieden in aanmerking was, wierd daar over raad gevraagd: Myn vrienden zeide hy, hier is goeden raad duur, wy moeten van de nood een deugd maken, het zoude kunnen zyn dat wy hier al ons leven blijven moesten; want dit kan wel een Eilandje zyn dat in geen aanmerking by de Zeevarende is, of dat het nog geheel onbekend is, en dus niet word aangedaan. Wy hebben ten minsten wynig hoop van redding, en daarom is het beste, dat wy hier zoo goed en kwaad als wy kunnen, ons zoeken te behelpen, onze levenswys zoo te regelen dat wy het nodige voor ons onderhoud kunnen vinden, en vervolgens een goede order onder ons zoeken te bewaren, om het met rust te kunnen genieten. Daar moet dan voor eerst by ons een hooft en opziender gesteld worden, die over de andere een zeker gezag heeft, om de verschillen die 'er mogten ontstaan te beslissen, en die met medekennis van de anderen de schikkingen beraamd, die hy dunkt gevoeglyk te weezen tot onzer aller welzyn; 't overige zal dan van zelfs wel volgen.
Zy waren hier mede zeer wel te vreeden, en na dat 'er eenig gemurmel onder de gemeente gereezen was, verkozen zy eenparig myn Vader als hoofd en opzigter over deeze nieuwe Volkplanting. Myn Heer zeide zy, wy zyn van uwe deugd overtuygd, wy kunnen niemand gevoeglijker neemen, om deeze waardigheid te bekleeden als gy; wy beroepen u eenparig en verzoeken dat gy het aan geliefd te nemen. Myn Vader wilde uit zedigheid zig daar van ontslaan; maar hoe meer hy het wygerde aan te neemen, hoe meer zy hem daar toe aandrongen. Eindelyk was hy wel genoodzaakt om het aan te neemen, zeggende dat dewyl zy zulke goede gedagten voor hem hadden opgevat en hem genoegzaam tegens zyn wil en dank genoodzaakt om het aan te nemen, hy haar derhalve voor eerst bedankte, haar vervolgens vermaande om hem in alles wat redelyk en met de Volkplanting best bestaande mogt weezen te hooren, en met toestemming van de meesten, in zaken van belang te gehoorzamen. Zy beloofde hem alle eenparig dit te doen, dit was het begin en de grondslag van deze nieuwe Volkplanting.
Myn Vader had voor deezen in Vrankryk zoo veel als voor Predicant gedient, hy moed dit ampt by het andere waarneemen, vermits 'er niemand onder de gemeente was die het gevoeglyk konde doen; ziet daar hem dan in het geestelijke en wereldlijke te werk gesteld. Hy verkoos dan eenige van de voornaamste van de Volkplanting tot zyn raden, om hem te helpen beraadslaan, hoe verder te werk te gaan. De form van bestiering en verdeeling was dan wel het voornaamste dat by haar in aanmerking kwam. Voor eerst wierd dat beslooten, dat alle goederen gemeen onder haarlieden zoude weezen, of liever dat alles wat 'er was de Volkplanting in zyn geheel zoude toebehooren, en dat al die geen die iets benodigd had, de geenen die daar het opzigt over hadden om aan zouden spreeken, 't welk haar dan zoude gegeven worden. Ten tweede men zoude de loots slopen en maken daar van eenige byzondere wooningen, waar in de Familien ieder afzonderlyk in zoude woonen, om des te meer vryheid te hebben, en in de woning van myn Vader dewyl hy Predicant was, zou de Godsdienst geoeffent werden, zoo lang tot zy in staat waren om een Kerk te maken. Ten derde men zoude het land dat 'er bekwaam toe was bebouwen, met die vrugten en gewassen die zy uit Europa medegebragt hadden; hier toe zouden eenige aangesteld worden die zy daar het bekwaamste toe zouden agten, de vrugten zoude vervolgens daar van op zyn tyd ingezameld, en in een zeekere plaats bewaardt worden, waar van zy vervolgens aan de gemeente een generaale uitdeeling zoude doen. Wat 'er wyders zoo in het Kerkelijke als Wereldlijke mogt te schikken vallen, zoude naar gelegenheid van zaaken in den raad afgehandelt worden.
Dit dan alzoo beraadslaagt zynde, wierd het zelve vervolgens ook ter uitvoer gebragt. Men sloopte de Loots van desselfs afbraak, benevens eenige takken van Boomen, en het geen zy het gevoeglijkste krygen konden, maakte zy eenige Huisjes of Hutjes om ieder Huisgezin afzonderlijk te kunnen huisvesten. De wooning van myn Vader wierd eenigzins grooter gemaakt, om dat zy daar den Godsdienst in wilde oeffenen, en dewyl hy het hoofd van de Volkplanting was, wierd al het goed in zyn bewaring gegeven, op dat hy het aan den geenen die het zoude benodigt hebben, uit zoude deelen. Zy maakte dan zoo veel als een Voorraathuis van zwaare takken van Boomen, die zy zoodanig door malkanderen werkte, dat het zoo veel als voor een Schuur konde doorgaan: zy overtrokken hem met een Zeil dat zy uit het Schip gehaald hadden, zoo dat alles wat 'er in was, redelijk wel voor regen en weder bewaard was. Daar wierden eenige hoeken lands uitgezogt dewelke bebouwt zouden worden, en zy bevonden deeze gantsche streek zeer bekwaam daar toe.