Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 9

Chapter 93,644 wordsPublic domain

Aan den anderen kant munten, trots de onderdrukking en het slavenjuk der Turken, de Nieuw-Grieken nog heden ten dage even als de Ouden uit door levendigheid van gevoel en phantasie, gemoedelijkheid, scherpte van geest en vroolijkheid! Liefde voor hun te huis op berg en eiland, en tevens groote lust zich, als de baren der zee, te verplaatsen, bezielt hen even als hunne voorouders, en aan roemrijke voorbeelden van practischen zin en heldhaftige zelfopofferende verdediging van het vaderland, heeft het in den nieuweren tijd even weinig ontbroken als in den ouden, evenmin als ook aan aanleidende oorzaken voor ijverzucht, partijwoede en eene hartstochtelijke wraakoefening.

Naast de grootste intriganten, vindt men soms nog in het tegenwoordige Griekenland, de eerlijkste en rechtschapenste mannen; naast de slechtste karakters en de grootste ondeugden, menschen met zuiveren, vasten wil, ja zelfs met den meest grootschen heldenmoed. Ik behoef slechts Andreas Miaulis, wiens gebeente naast het gedenkteeken voor Themistocles rust, een Lazarus Konduriotti te noemen, namen die velen van ons zich nog uit hunne jeugd herinneren, als voorbeelden van dappere, trouwe en eerlijke mannen, van mannen bezield met een vasten wil. Een Johannis Kolettis is zelf door zijne vijanden voor het edelste karakter van Griekenland verklaard, even als zulks in oude dagen ook met Pericles het geval was. Ja! in de asch van schier iederen Nieuw-Griekschen stam, als een of ander groot ongeluk dien trof, is nu en dan eene vonk van heldenmoed opgegloeid, die duidelijk genoeg bewees, dat de oude geest nog niet verdwenen was.

De lust tot geleerdheid en wetenschappen is bij de Grieken nimmer uitgedoofd geworden, en zelfs toen de onderdrukking der Turken in Constantinopel het zwaarste was, waren er nog altijd eenige Grieksche afstammelingen, bij wie beschaving en wetenschappelijke ontwikkeling traditioneel waren, en uit wier midden nu en dan groote geleerden opstonden, heldere koppen, die veel licht om zich heen verspreidden en zelfs in het Westen de aandacht tot zich trokken. Zelfs in de vorige eeuw, toen de Turksche opperheerschappij alles in een diep duister hulde, hebben oude reizigers bij de behoeftige naburen der Akropolis, een naklank en een nasmaak van het beroemde oude Attisch zout en vernuft ontdekt.

In den nieuwsten tijd heeft zich het geheele volk, in zoo verre het vrij werd, weder op de studie toegelegd; de lust tot leeren en tot onderwijzen is herleefd, even als vroeger, zijn hooge- en volksscholen in haren boezem verrezen.

Ook met betrekking tot de schoone kunsten, is de volksaanleg nooit geheel verloren gegaan. Reeds zeer spoedig nadat zij vrij geworden waren, hebben de Nieuw-Grieken zich op dit gebied eenigen nieuwen roem verworven.--De Grieksche vrouwen stonden steeds bekend als de beste borduursters van geheel Turkije, terwijl hare mannen beroemd waren als aanleggers van tuinen; deze wisten door zorgvuldige aanplanting van vruchtboomen, aan menige Oostersche stad fraaie wandelwegen te bezorgen. De aristokratische kunst van Praxiteles, die eens de roem en de trots der oude Grieken was, is den nakomelingen nimmer geheel vreemd geworden. Een tak der beeldhouwkunst die in Griekenland steeds in eere gehouden werd, is de kunst in hout te snijden. De muze der Grieksche schilderkunst, heeft in de schaduw der Kerk wel een kommervol leven geleid, maar toch was zij in de midden-eeuwen begaafder dan hare zusters in alle andere overige landen der christenheid, en toen in het begin van de dertiende eeuw de Franschen, de Venetianen en de andere, het kruis dragende barbaren, eens voor korten tijd het Grieksche Byzantium veroverden, toen begonnen zij kort daarna de Grieken na te apen en met kleuren te dichten. De zoogenoemde Italiaansche schilderscholen der 14de en 15de eeuw, vereeren die Grieksch-Byzantijnsche muze als hare moeder. En nu weder in den nieuweren tijd, na den vrijheidsoorlog, worden verscheidene Grieksche jongeren dezer muze, ook in het buitenland met eere genoemd. Zelfs heeft eene Griekin, de dochter van een Primaat van het eiland Spezzia, Bukuris, in Italië bewonderaars voor hare schilderstukken gevonden; en in de muziek heeft onder anderen de Griek Chalkiopulos composities geleverd, die op alle Grieksche eilanden gezongen worden. Intusschen moet men deze kunstproducten en talenten der Nieuw-Grieken, in vergelijk met die welke hunne voorvaderen ons achterlieten, nog zeer gering schatten en niet meer dan als eene kiem beschouwen op den grond, waarop eens zoo rijk de muzen bloeiden.

Derhalve is het ook zeer begrijpelijk, dat de hedendaagsche Nieuw-Grieken in hunne overleveringen spreken over de roemrijke verrichtingen hunner voorvaderen, als over daden van een Titan-geslacht, en dat zij in hunne sagen al datgene wat hun van dat geslacht ter oore kwam, vermengden met de mythen van de wereld in rep en roer brengende Cyclopen en reuzen. De Nieuw-Grieken toonen op een hunner voorgebergten den grafsteen van zulk een Oud-Griekschen Titan, dien zij "Hellenos" noemen. De geest van dezen Hellenos--ik bedoel de krachtige geest van het oude Hellas,--waarheen onze beschouwing ons nog eens terugvoert--die van eene even onvergankelijke en eeuwig jeugdig blijvende natuur schijnt te zijn als Griekenlands Goden zelven, is tot den huidigen dag op Aarde nog nimmer geheel onderdrukt geworden.

Veeleer is hij, heldendaden grooter en schooner dan die van een Alexander verrichtende, het buitenland doorgetogen, en heeft hij overal, zelfs terwijl zijn eigen volk sluimerde, de natiën, die hem verblijf gaven, en waar zich haar zin met den zijnen vereenigde, verkwikt, verheugd, gelukkig gemaakt en versterkt. Immers de geheele bloei der ontwikkeling en beschaving van de Arabieren in de middeleeuwen, ontstond voornamentlijk uit eene vereeniging met dien ouden Helleenschen geest. De oude Grieken waren de onderwijzers der Arabieren, die hunne werken in de door hen veroverde provinciën zonden, ze lazen, in hunne taal overzetten en in hunne scholen invoerden. En ook het licht, dat toen van het Moorsche Spanje op het overige barbaarsche Europa viel, was niets dan eene terugkaatsing van den glans aan de Helleensche zon ontleend.

Even als bij de Arabische ontwikkeling, zoo was ook bij de Europeesche zoogenaamde wedergeboorte der wetenschappen, in de 15de eeuw, die naar het buitenland verdrevene Titan Hellenos degene, die bij deze wedergeboorte behulpzaam was, ja zelfs was hij de opvoeder en vader. Want toen de Turken in het jaar 1453 Constantinopel veroverden, en de voortvluchtige Griek Laskaris van daar de werken van Hesiodus, Euripides, Sophocles, Aeschylus, Aristophanus, Plato, die het ongeletterde Europa schier niet anders dan uit Arabische vertalingen kende, in de zuivere oorsponkelijke taal overbracht naar Italië, waar zij kort daarna gedrukt werden; toen ontbrandde eindelijk in Europa weder een nieuw, helder brandend en verwarmend licht. De menschheid, die nu uit de oorspronkelijke bron van de Grieksche wetenschap putte, wierp de middeleeuwen ter zijde, en begon andermaal met behulp van Socrates, Plato en zijne landgenooten, dezen ontwikkelder, dezen zachter, dezen veel christelijker nieuweren tijd.

Sedert dien tijd heeft ons die geest der Hellenen niet weder verlaten. Sedert dien tijd zijn de Grieken, die het goddelijke in den mensch, inniger dan eenig ander volk, gevoelden en openbaarden, in zoo velerlei zaken weder modellen geworden, en het oud-klassieke Grieksche zijn is met ons geheele leven zoo zeer samengevlochten, dat het schijnt alsof wij het volstrekt niet ontberen konden, en het slechts in ons nadeel ontberen zouden. Het schijnt dat wij gevaar zouden loopen achter uit te gaan, als wij niet altijd met de Grieksche oudheid in verbinding bleven. Staat niet de oude Grieksche geest onzen historici, wien Thucydides steeds een onbereikbaar voorbeeld was,--onzen philosophen, die van Plato en Pythagoras de impulsie tot hunne nieuwe ideeën en onderzoekingen ontvingen,--onzen sterrekundigen, voor wie een Griek Aristarchus reeds 300 jaren v. Chr. het Copernikaansche zonne-stelsel, met de zon in het midden, als hypothese vastgesteld heeft,--en onzen natuuronderzoekers, die hetgeen zij weten lang en bijna uitsluitend uit Aristoteles en Ptolomeus putten, en nu nog dikwijls, van hen veel nieuws en veel dat nog niet opgemerkt werd leeren, ter zijde? Staat hij niet met zijne inspiratiën, achter onze politici, onze staatsbestuurders, onze volks-vertegenwoordigers?--verzekeren ons niet dagelijks, om een afdoend bewijs te leveren, de beste en welsprekendste redenaars, die van het Engelsche parlement, dat zij in het bad der Grieksche Hippokrene zich versterkten en bekwaamden tot den strijd voor vrijheid en recht?

Maar het grootste wonder heeft de reizende en rusteloos werkzame Hellenos, deze _eeuwige_ Griek, deze met hemelsch licht stralende broeder van den somberen Ahasverus, den eeuwigen jood, deze altijd door rijke zaden uitstrooiende en zegen verspreidende geest, gewrocht voor de herleving der kunsten. Ja, in dezen zin, op dit hun uitsluitend eigen veld, zijn de oude Hellenen nog grootscher geweest, maar zijn zij helaas! nog in mindere mate tot ons gekomen dan op eenig ander. Zij hebben in woord en in kleur, met penseel en met beitel, zooveel prachtige kunststukken gewrocht, dat als wij ze nog bezaten, wij er al onze steden mede zoude kunnen versieren en ze rijkelijk van voorbeelden voorzien. Wat hun penseel schiep, wat hunne lier melodieus te voorschijn bracht, is schier alles vergaan en verbleekt, en zelfs van hunne steenen en metalen werken zijn slechts enkele brokstukken, kapiteelen en torso's overgebleven. En toch spreekt uit deze overblijfselen hunner scheppingen eene zoo volmaakte schoonheid, een zoo krachtige geest, dat schier iedere ontdekking en uitgraving van een enkel brok, van eene enkele torso, van een Venus van Milos, van een Apollo van Belvedere, of van een Laokoon telkenmale groote sensatie bij de ontwikkelde wereld teweeg brengt, ja! men zou kunnen zeggen, een tijdpunt in onze kunstenaars-ontwikkeling aangewezen of gemaakt heeft.

De gezamenlijke en zoo verblijdende nieuwste bloei van Europeesche kunst is in den grond, even als de Macedonische, de Romeinsche en Arabische geestesontwikkeling, de Italiaansche schilderscholen der 13de eeuw, en de wedergeboorte der wetenschappen in de 15de eeuw het geweest is, wederom een voortbrengsel van den, uit zijn graf herrezen, Griekschen geest.

Inderdaad, hetgeen door deze Grieken voortgebracht is, moet ons met verbazing vervullen; vooral, wanneer men alles nagaat, wat zij tot de beschaving van het menschelijk geslacht hebben bijgedragen, en onze bewondering wordt des te grooter, wanneer wij opmerken, dat zij daarbij van buiten af, wel eenige maar toch over het geheel zoo weinig hulp kregen, en dat zij veeleer de helpers en redders van ons allen werden, en zij nagenoeg alles oorspronkelijk uit zich zelven hadden, het uit hun eigen brein schiepen en weldra, snel en met energie den geheelen Olympus als met den stormpas veroverende, alles tot de grootste volmaking gebracht hebben.

Volmondig mogen wij het getuigen, terwijl wij aan het slot dezer beschouwing nog eenmaal zien naar dat kleine zeebekken, aan welks oevers ik mijne lezers de wieg en de oude woonplaatsen der Grieken toonde: daar aan den Archipel, daar begon ons Europa, daar liggen de wortelen onzer beschaving; van deze, ik mag wel zeggen, heilige zee (_Agio-Pelagos_) waar voor ons geestelijk leven, vrijheid, en zedelijkheid opgingen; van daar zijn de zaden der humaniteit overgewaaid tot naar het uiterste Noorden en Westen van ons werelddeel, en vervolgens naar de nieuwe wereld en over onze geheele planeet heen.

DE OSMANEN.

In de twee groote schiereilanden van Griekenland en Klein-Azië, die slechts door eene nauwe zeeëngte van elkander gescheiden zijn, zien de beide werelddeelen Europa en Azië tegelijker tijd elkander in het gezicht. Het is, alsof de vaste landen hier hunne gespierde vuisten uitsteken, om òf elkander te omhelzen òf de zwaarden met elkander te kruisen.

De lotgevallen dezer beide schiereilanden, zijn ten alle tijde nauw aan elkander verbonden geweest. Het eene (het Westelijke) diende meestal den Europeanen als sterkte en als haven tegen de Aziatische volken, die hunnerzijds steeds het Oostelijke als brug tot hunne tochten en marsenen naar Europa bezigden. De volkeren, die over deze brug heen op elkander stieten, en tot groote rijken samensmolten, waren, in 't algemeen en over het geheel genomen, schier altijd dezelfde. Aan de eene zijde de oude Europeesche volken, de Grieken, de Illyriërs, de Romanen, de Slawen, met zeer verschillend volks-leven; aan de andere zijde de West-Aziaten, de Syriërs, de Perzen, de Arabieren enz. met hun eentoonig levens-type, met de despotische staatsinrichtingen van het Oosten.

Alleen de hegemonie der beide hier strijdende partijen is in den loop der tijden verwisseld. Eerst stonden aan de spits der Europeanen de Hellenen, daarna de Macedoniers en nog later de Romeinen. En de Aziatische banier werd eerst door een Perzischen Koning, later door de Kalifen en eindelijk door de Turksche Sultans gevoerd.

Meesttijds behaalden, gedurende de twee duizend jaren van strijd, de Europeanen de overwinning en behielden zij het overwicht. Het gelukte den Achaeërs Troje te verwoesten, in Klein-Azië bloeiende koloniën te vestigen en later den aanval van den grooten Koning van Iran af te slaan. Onder Alexander den Groote stortten zij den Grooten Heer zelven van zijn troon aan den Euphraat, en heerschten zij voor eeuwen over het geheele Westelijk Azië, eerst onder de opvolgers van den Macedoniër, later met en onder de Romeinen en eindelijk weder onder de Byzantijnsche Keizers.

Geen West-Aziatisch rijk met Oostersch despotisme van eenige uitgestrektheid, heeft zich op den duur, noch in de oudheid noch in de middeleeuwen, in Oostelijk-Europa kunnen vastnestelen. Eerst in een lateren tijd, heeft het merkwaardig volk der Osmanen, den door de Atheners zoo zeer gevreesden triumf der Aziatische Groote Heeren, aan deze zijde van den Hellespont weten te behalen.

Naar taal, bloed en zeden behoorden deze Osmanen oorspronkelijk tot dien grooten volksstam, die in Europa gewoonlijk de _Turksche_ genoemd wordt, en die, even als de Mongolen, Tunguzen en Finnen, wederom een tak is der nog grootere volkeren-groep, die onze etnographen als de Tataarsche of Turanische, ook wel als de "hoog-Aziatische" en "Altaïsche" aangeduid hebben.

De traditiën en de mythen, aangaande den oorsprong van al deze volken, wijzen naar den Altaï, het hooge midden-gebergte van Azië, aan de grenzen van China en Rusland, heen. De Turken, die zich zelven als stamverwanten dezer Mongolen, Tungusen en andere nomadische volksstammen van Midden-Azië, erkennen, hebben over hunne afzondering van hunne broederen, de volgende mythe of sage, die misschien op een historischen grond berust, maar voor het overige, zooals men gemakkelijk opmerken zal, zeer poëtisch opgesmukt werd.

Eens, zoo vertellen de Turken, bij de verwoesting van een grooten nomadenstam (namentlijk die, welke door de oude Chineesche schrijvers het rijk der Noordelijke Hunnen genoemd wordt), ontkwamen aan het algemeene bloedbad slechts twee jonge Hunsche of Tartaarsche Prinsen, Kaian en Ragos, met hunne vrouwen. Zij verzamelden de overgeblevene gereedschappen, kameelen, paarden en kudden hunner verslagene vrienden en trokken Noord-Westwaarts, naar de hooggelegen schuilhoeken van het Altaï-gebergte, om daar een toevluchtsoord te vinden. Terwijl zij steeds dieper en dieper dit gebergte introkken, ontdekten zij ten laatste een uiterst smal spoor, dat aan de voetstappen van het bergwild zijn ontstaan te danken had, en zoo eng was, dat slechts één ruiter tusschen de kloven en afgronden passeeren kon. Het gemsen-spoor dat zij volgden, bracht hen eindelijk in eene aangename, breede, met beken doorsneden en van rijke weiden voorziene, hoog-vlakte. In deze welkome en moeielijk toegankelijke plaats vestigden zij zich met hunne kudden, bouwden zij hutten en tenten en leefden daar vele jaren, in den winter van vleesch, in den zomer van melk en wilde vruchten. Zij gaven hunne woonplaats den naam "Erkene-Kom", dat is, het dal van het hoog gebergte.

De nakomelingschap dezer beide Nomaden-Prinsen, van buiten ongestoord en aan geheel de overige wereld gansch onbekend, nam aanzienlijk in aantal toe en verdeelde zich in verscheidene stammen of horden. Nadat zij zoo vier eeuwen in hunne schuilplaats geleefd hadden, en deze hun met hunne groote kudden te klein geworden was, besloten zij in eene algemeene volksvergadering, even als de Joden uit Egypte, de wijde wereld weder in te trekken. Maar hunne ouden hadden de plaats vergeten, waar zich het beroemde smalle bergpad bevond, waarlangs hunne voorvaderen vluchtende zich hierheen begeven hadden. En alle nasporingen naar dat pad, in de hemelhooge steile rotswanden, die hun "Erkene-Kom," deze bakermat van alle Turksche stammen omgaven, waren te vergeefs. "Men moest daarom tot andere middelen zijne toevlucht nemen."--Een hoefsmid vond, nadat hij de steile rotswanden, die als even vele muren het dal omgaven, opmerkzaam gadeslagen had, eindelijk eene plaats, die niet zoo dik was als de overige, en waar des te gemakkelijker een doorgang te maken zou zijn, daar zich hier alleen ijzer-houdende rotsen bevonden. Op zijn raad werd hier een groot vuur aangelegd. Zeventig groote blaasbalgen werden aangebracht en met behulp er van smolt men het metaal weg, zoodat er eene bres en een smallen doorgang gevormd werd, waardoor een beladen kameel passeeren kon. Zoo trok nu het geheele volk onder aanvoering van hunnen toenmaligen Chan of Hertog, "Bertezena" genaamd, de wereld in en stortte zich als een lang bedwongen bergstroom over het omliggende land uit. Zij zonden gezanten aan alle omwonende stammen en boden hun bijstand en bescherming aan, wanneer zij hunne weiden afstaan en zich aan hen onderwerpen wilden. Verscheidene dier stammen, die zich verbonden hadden om tegenstand te bieden, sloegen zij terug, en zoodoende werden zij spoedig een groot en machtig volk, uit wiens schoot vele beroemde geslachten en machthebbers ontsproten zijn.

Later werd nog lang het aandenken aan den wonderbaren uittocht uit het dal "Erkene-Kom", bij alle Turksche volken door een jaarlijksch feest gevierd; zij maakten dan in een groot vuur met vele blaasbalgen een groot stuk ijzer gloeiend, waarop de opperste Chan den eersten hamerslag, en na hem alle andere hoofden der horden eveneens een hamerslag moesten doen. Ofschoon nu dergelijke verhalen,--zooals er bij de Aziatische volken vele bestaan over den aard en de wijze van hunnen oorsprong--niet in al hunne bijzonderheden als geschiedenis mogen beschouwd worden, zoo geven zij toch in het algemeen tamelijk zuiver aan, hetgeen ontelbare malen gebeurd is, en zijn zij zelfs in hunne poëtische opsieringen, als het karakter en de phantasie der volken die deze mythen met zich omdragen, aanduidingen die verdienen opgemerkt te worden. Ook bezitten zij als onderwerpen van het latere volksgeloof, ten minste de waarde eener _subjectieve_ historische waarheid.

Van de op verschillende wijze over de landen ten Westen van het Altaï-gebergte verspreide volken, waren verscheidene, reeds lang voor onze Osmanen, langs andere wegen naar Europa gekomen.

De eerste invallen van Turksche volken in ons vasteland geschiedden niet over Klein-Azië, maar noordwaarts van de Zwarte zee door Rusland. De Osmanen, de Polowzer, de Petschenegen en na hen verscheidene andere horden, die in de 13e eeuw met Tschingis-Chan naar Europa kwamen, en daar meer of minder duurzame rijken stichtten, behoorden tot dit ver verspreide ras der Turken. Maar de namen der Noordelijke Turken zijn meerendeels lang verdwenen, en slechts geringe overblijfselen er van wonen nu nog in de Krim, in het Uralische gebergte en aan de Wolga. Van al de verschillende stammen zijn de Osmanen de eenigen, wien het gelukt is een blijvenden indruk op Europa te maken, en zelfs ten lange laatste in den Europeaanschen volks-Areopagus zitting en stem te verkrijgen, even als ook van de tallooze Finsche stammen de Magyaren, als de ontwikkeldste en begaafdste, in macht en roem uitgeblonken hebben.

De voorgangers en broeders der Osmanen in Azië, de Seldschukische Turken, die daar in de 11de eeuw, uit de overblijfselen van het Kalifaat, een machtig rijk stichtten, zijn naar Europa zelf nauwelijks overgekomen, ofschoon zij wel de heerschappij der Europeanen in Azië, nog voor van Osmanen sprake was, zeer beperkten. Zij ontnamen den Byzantijnschen Grieken vele hunner Aziatische provinciën, die hun onder de Arabische Kalifen nog gebleven waren. Ook waren het de door de Seldschukische Turken gestichte rijken, met welke de Westelijke Europeanen, ten tijde der kruistochten in strijd geraakten. De groote, langdurige strijd der Europeanen met de Turken in deze streken, begon dus eigentlijk reeds in de 11de eeuw in het binnenste van Klein-Azië, met die Seldschuken, die ook reeds de halve maan in hun vaandel voerden en van wie de Osmanen dit teeken overerfden.

De kruistochten golden schier allen bij uitstek Turksch-Seldschukische Sultans, en daar zij, met betrekking tot hun voornaamste doel (de verchristelijking van Westelijk Azië) zonder gevolgen waren, daar zij den voornaamsten schutsmuur van Europa tegen Azië, het Byzantijnsche rijk, nog meer verzwakten, zoo hebben deze onbekwaam aangevoerde kruistochten zeker niet weinig er toe bijgedragen, den Turken, den Islam en het Oosten de poorten van ons werelddeel te openen. De Turksche veroveringstocht naar het Westen zetten de Osmanen voort, daar waar hunne broeders de Seldschuken, (die op hun tocht en zelfs nog voor zij Europa bereikten, uit elkander gespat waren) die hadden moeten opgeven.

De sage die de Osmanen hebben, aangaande hunnen bijzonderen oorsprong en hunne afscheiding van de andere Turksche stammen, herinnert eenigzins aan het eerste begin van Rome. Eene wolvin en een Sabynsche maagdenroof spelen er de hoofdrol in. Hunne voorvaderen, zoo luidt de Osmanische mythe, die als vreedzame weide-bezitters aan de oevers der _Westelijke zee_ (de Kaspische zee) leefden, werden door een naburigen, wilden stam, die ouderdom noch geslacht verschoonde, aangevallen, uit hunne haardsteden verdreven en te gronde gericht. Slechts een kleine knaap, die de vijanden voor dood in een meer ge- worpen hadden, ontkwam. Een dier der wildernis, eene wolvin, had medelijden met den jongen knaap, haalde hem uit het water en zoogde hem, die tot stamvader der Osmanische Turken bestemd was, even zooals ook eens eene wolvin aan Romulus en Remus dienzelfden dienst bewezen had. Onontdekt leefde de jonge herder met zijne wolvin in een eenzaam hol, groeide op tot een man en verwekte bij eene eveneens voortvluchtige vrouw 10 zonen. Nadat deze tot jongelingen opgegroeid waren, roofden zij zich vrouwen van naburige stammen en vermeerderden hun geslacht. Toen het dal overbevolkt raakte, rukten zij, met een wolfskop op hunne vaandelstokken, tegen hunne vijanden op en vervulden onder dit teeken den omtrek met vrees en ontzetting. Dit geschiedde in de alleroudste tijden. Maar zelfs nog in het begin der 13de eeuw, 300 jaren voor het tijdpunt waarop zij eene macht zouden vormen die drie werelddeelen verontrustte, waren de Osmanen, even als eens het volk Israël onder Abraham, niets meer dan eene horde van slechts weinige duizende beredene herders en herderskinderen, die vluchtende voor de invallende Mongolen, zich uit de provincie Korassan en uit den omtrek der Kaspische zee op weg begaven naar het Westen, en al vluchtende over Armenië naar Klein-Azië kwamen.